Jeruzalem verwoest.

Jeruzalem verwoest.DE EERSTE HANDEL.JOSEPHUS.De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen,Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85]zoo zoet,Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed:Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,Om zunst[86]hij met een diept' haar af te snijden tracht,Die aarselt[87]noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht:Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezenDe stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rugDes geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen,Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,Als u van pijn en smerte een hertvang[88]'t hert beneep.Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89]en droogenMijn aanzicht, steeds aan[90]vocht[91]van mijn bekreten oogen,Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet,Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden,Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden.Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent',Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen,En waden in de zee van Gods geheimenissen:Komt, troost de ontschaakte[92]maagd van Sion, afgetreurd.Want zoo[93]gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt:Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapenGaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan,En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!)Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier,Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen.Had 't avontuur van 't lot doch[94]te JotapataMijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo naStond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken,En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken;Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zeeVerzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê:Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95]was en verschrokken,Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokkenMij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel,En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel.Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên,Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!'t Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij:Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren:Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugdEn vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid:Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van drukOntslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?Als ik een handvol zie van onze AbrahamijtenGespaard tot leider[97]leed haar hert te bersten krijten:Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98]Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heeschVan schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch,Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat endenDen rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staatVan 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haatOp mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogenVerraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen,Mij toon', waar, na[99]'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste,En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan,Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen,Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok.Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechtenVoor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân?Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan?Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen,En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen?Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagtEen boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:'t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer!Die gij te gader zijt verraders van die stad,Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:'t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal,Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal:Of schepty[101]nog de locht, en zieltoogt als gevangen,Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe.'t Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102]is met zijn stammen,Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103]wat zijn hoornen,En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen,Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem.De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinenDer helden te beslaan met kransen altijd frisch,En rust zich ten triumf, die maar een voorspel isVan deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schurenDe Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaardDe pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaardTot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchtenTe deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen.Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104],Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder!Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder,Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!titus, de keizer.librarius, rotmeester.TITUS.Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten:Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê,Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.Zoo Grieken[105]afgestreên, met de uitvaart der Trojanen,Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerdDen brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd,Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden,Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]?Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat,Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te metenHoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten:Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt,De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107].Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen,Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat:Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag,En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag.Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelatenLaat klinken haar trompet te Rome langs de straten:Daar, als de[108]vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd,Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht,En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen,Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen.O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugdVan 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd?En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre murenEn krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân,Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan:Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,En in de ontstelde locht den adeler[110]beschrijden,Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên:Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen,Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111],Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112]door 't verschrikken!De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen,Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimenEen wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113]haar helden,Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven steldenVoor 't schaken[114]van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115]Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt':Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116],Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê,En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee,Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel?Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht,Als mijn gedachten zijn met malen[117]overladenVan dezes rechterhands onvergeleken daden,Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging,Gedurende 't tempeest van dees belegering.Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten,Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118]graf,Haar schoonst'[119]ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen,En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij,Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij:De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden,Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden:Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luimOpdondren, als hij is omcingeld op het ruim)Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil,Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlenGroet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120]Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân:Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragenDen bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121]van 't schuim,Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122]de wapen,Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats?En groet met veldgeschrei de koets des dageraads?Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijkenMet twalef schichten, toegezonden zoo[123]veel lijken?Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal?Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124]transen:Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125]van doôn:Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier:Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!LIBRARIUS.Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,Als 't klevende cement van deze monarchij,Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakkenEn scheuren, overmids zij met te zware pakkenVan rijken gaar[126]gestouwd[127]ondraag'lijk is verlaân:Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen?Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen,Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost,Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost?O spruit! die antwoordt[128]dien, waaruit gij zijt gesproten,Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschotenDe telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van bovenGezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven!Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd,Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallenVoor op te klimmen, u al smeekende gebeên:Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren?Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129],Wiens[130]leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen,'t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.Vaak een vervlogen punt[131]kan d' aldervroomste ook letten:Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood:Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen,'t Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132]Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].TITUS.Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheidVoor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheidIn 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verreDat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre,Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek:Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplenOp nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontrukHem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden,Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen:Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.LIBRARIUS.Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegenUit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaatMet eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek:Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk',Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornenTe mortelen[136]den voet en borstweer van de toornen:Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138]als dit,Dat mij het stof bekruize[139]als gij te peerde zit.De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,Als haren hoofdman bromt[140]en uitsteekt in zijn wapen,Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op,Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141].Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugdD' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansenDoen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot NumancenEn 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist';Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt',Daar Frankrijk[142]Cæsar bracht de sleutels ongevergd,Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143],Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,Die van dees monarchy ontstak het ingewand,Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien,En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;—Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144]niet wijken,Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.TITUS.Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid,In 't lest dees monarchie[145]heeft tot den top voltooid,Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt,En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd:Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijkenTe houden in een knoop, en gaâr[146]te houwelijken[147],Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.LIBRARIUS.Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere AlexanderDe rijken schakelde, als een keten, aan malkander,Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift,Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]:Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen,Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen,Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150],Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]:Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,Die al den ommeloop des werelds kan verbazen,Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.Wordt Titus dan vergeefs[152]gedankt van zijn voorzaten,Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten,Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij,Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen,Die waanden ons den tol met muiten te betalen:Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt,Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.TITUS.Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten,Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,Werd[153]door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:Maar als wij wederom ons helden overtellen,En mijmren in[154]de rol der gener, welk zoo zuurGedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur;Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren,Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,Die een gevederd hout[155]deê slippren aan mijn zij[156]?Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden,Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet,Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet?Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken?Wat is 't, of waar toe strekt—LIBRARIUS.Zacht, zacht, doorluchtig vorst!U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borstNiet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!TITUS.Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?LIBRARIUS.Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?Doch omdat van de Goôn haar viel dit lot te beurt,En 't avontuur des krijgs, 'twelk somtijds lustte schempen[157]In 't sparen van de minste en d' aldervroomst' te dempen,Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtansDaarom bezwalken niet met rouw den schoonen glansVan de overwinning, die den Hemel ons woû schenken:Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,Eer wij, aan 't stormen kloek, geherd door uw vermaan,Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:Dat die gesternde tent, die van Hyacinten[158]schimmert[159],En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,Die voor het vaderland hier vielen afgestreên:Terwijl op 't gulle bed de bloode, klein van waarde,Gaat zenden zijnen geest met 't vuile slijk naar d' aarde.TITUS.Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat[160]ik voelMijn eerste blijschap weêr bezitten 's herten stoel.LIBRARIUS.Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,Betaalt hij 'tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven[161],Gebleven schuldig aan zijn veldheer en 't gemeen[162],Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige eên:En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekkenZijn zeenwen, 't knakebeen[163], zijn gorgel, en zijn nekken[164],Al had de vijand 't mes geheven met 't gevest,Als hij zich offren mocht aan 't algemeene best!TITUS.Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.LIBRARIUS.Nietwaar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten,Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,Wierd dierbaar in 't cement van menschenbloed[165]geleîd?Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen[166],Die hij vergodet[167]heeft als haar gebeenten vielen,En denkt om uw triumf!TITUS.Ik wil, ik wil voortaanBestieren wat zich rept en tuimelt onder maan[168],En laten ze in haar feest[169]die, heldisch[170]opgeklommen,Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,En nu zoo spijtig steekt[171]op 's keizers praal en pracht,Omdat u Rome krimpt zoo klein in 't oog van verre,Zoo krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:Dus lacht niet al te scheets[172]op 't spits van uw gewelf:Uw veerheid[173]mindert niet ons grootheid in zich zelf.En of[174]gij Cæsar vondt, zoo wilt hem doch verklaren,Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,En moedig heeft gekneusd d' halsterrigheid der Joden,Die eer[175]zijn tollen 't goud zoo ongeweigerd boden:Maar korts haar oude luim in 't brein gestegen kwam,Alsof met zijn vertrek 't gebied een einde nam.Maar gij, mijn riddren en mijn afgestreên soldaten!Die 't avontuur des krijgs heeft ten triumf gelaten,Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:Die gij[176]nog 't versche bloed moet van uw wonden vegen,Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,En strooyen onder 't heer halsbanden, stijf van goud,Muurkroonen[177], met gesteente en peerlen opgebouwd:De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullenOpsteigren[178]naar verdienste en ledige ampten vullen.Ook wil ik 't outaar op het statigste beslaan,En met een dankbre ziel het offer steken aan,En heilgen 't ingewand, geroost en opgezoden,Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,Die 't Capitolium bewaken van de stad,Die in triumfen graast en al de wereld mat,En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,Knikk' gunstig 't ongel toe, dat, op gewijde altaren,Zal d' heilge vlammen voên, juist op die plaatse, daarDit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.Sta bij[179], Olympsche worstelaars!Die eertijds hadt zoo veel gebaars,Omdat gij 't stof beweegden,En 't zweet van 't aanzicht veegden:Wanneer, in 't afgetuinde[180]rond,In 't worstlen gij geen weêrga vondt,En, voor dit liefbedrijven[181],Droegt kransen van olijven.En steegt op uw triumfkoets hoog,Daar al de Grieksche jeugd voor boog,En die voorhenen[182]liepen"Io, Triumfe!" riepen.Komt, monstert uw bekrozen[183]vel,Uw boerterije en kinderspel,Bij 't leven, dat wij voeren,In dolle krijgsrumoeren.Komt, leert van ons een leger slaan,En trekken d' ijzren handschoen aan.Ziet, hoe ons staal verbolgenHet roode zweet doet volgen.Ziet onze oogappels als een vierEens branden, om den lauwerierTe plukken, groen van bladen,Langs ongebaande paden.Al sneuvelt menig held terwijl,Die was aan 's keizers hof een stijl[184],De vroomheid van ons allenStut al wat dreigt te vallen.In 't bed van eeren valt den doônOnsterfelijke lof ten loon,En Mars jont, dat zijn schimmenVan moud'[185]ten Hemel klimmen.Dus is ons 't oorloog geen verdriet,Noch achten 't leven dierbaar niet;Wij pronken met ons wonden,En pijlen toegezonden.Wij vliên het troetlen van 't gemak:Den blaauwen Hemel is ons dak,Op 't vlakke veld wij slapen,En sluimren in de wapen[186].Schoon de opgesteken moordtrompetSomtijds ons zoete rust belet,Wij aarslen voor geen dreigen,Want dit 's den krijgsman eigen.Als onzen veldheer rept een woord,Het slaat gelijk een bliksem voort,En 't helpt, van bende aan bende,'t Gansch leger over ende.Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toonDan, in de kerken van de Goôn,En vendels opgehangen,Afzwieren van haar stangen?Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwangHet Oosten en den Ondergang[187]?Dat hij uitzendt zijn stralenAan 's werelds leste palen?Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslachtVan Rome gansch is t' onderbracht?En dat wij Salems nekkenNu met ons zolen dekken?Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!Hoe viert hij nu zijn zegefeest!Hoe zacht, na al dat slaven,Doen[188]ons zijn milde gaven!Hoe ruiterlijk deelt hij den buitEn roof aan zijn soldaten uit!Wie zag, ooit van zijn dagen,Het goud zoo afgeslagen?Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon't Prat Solyma van Babylon;Al wat ze, om preutsch te pralen,Van Tyrus' merkt liet halen:Scharlaken, purper, fijn en eêl,Arabisch wyrook en kaneel,Haar schatten allenthalven[189]Nu ons kwetsuren zalven.Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,En leert vergeten al zijn smert,Die hij ooit most bezuren,In 't stormen op de muren.O, maarschalk, voor ons veel te mild!Nu scheept uw legers waar gij wilt,Waar iemand opsteekt de ooren,En wekt des keizers tooren.Al woudy bij den Indiaan,Aan Indus oever drenken gaanUw hengsten, mat van 't hijgen,Van op en af te stijgen:Of wildy daar de zon verbaasd't Gediert wijkt, dat van honger raast:Daar, op de Noorder wagen,De winter wordt gedragen:Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuurBraadt d' Iber, onze nagebuur:Of aan der Mooren grenzen:Of de oevers der Cretenzen:Of wildy, daar geen Fœbus[190]schijnt,Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,Afstijgen gaan ter Hellen:—Alom wij u verzellen.

JOSEPHUS.De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen,Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85]zoo zoet,Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed:Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,Om zunst[86]hij met een diept' haar af te snijden tracht,Die aarselt[87]noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht:Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezenDe stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rugDes geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen,Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,Als u van pijn en smerte een hertvang[88]'t hert beneep.Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89]en droogenMijn aanzicht, steeds aan[90]vocht[91]van mijn bekreten oogen,Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet,Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden,Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden.Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent',Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen,En waden in de zee van Gods geheimenissen:Komt, troost de ontschaakte[92]maagd van Sion, afgetreurd.Want zoo[93]gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt:Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapenGaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan,En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!)Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier,Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen.Had 't avontuur van 't lot doch[94]te JotapataMijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo naStond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken,En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken;Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zeeVerzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê:Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95]was en verschrokken,Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokkenMij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel,En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel.Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên,Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!'t Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij:Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren:Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugdEn vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid:Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van drukOntslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?Als ik een handvol zie van onze AbrahamijtenGespaard tot leider[97]leed haar hert te bersten krijten:Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98]Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heeschVan schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch,Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat endenDen rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staatVan 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haatOp mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogenVerraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen,Mij toon', waar, na[99]'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste,En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan,Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen,Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok.Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechtenVoor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân?Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan?Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen,En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen?Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagtEen boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:'t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer!Die gij te gader zijt verraders van die stad,Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:'t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal,Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal:Of schepty[101]nog de locht, en zieltoogt als gevangen,Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe.'t Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102]is met zijn stammen,Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103]wat zijn hoornen,En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen,Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem.De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinenDer helden te beslaan met kransen altijd frisch,En rust zich ten triumf, die maar een voorspel isVan deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schurenDe Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaardDe pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaardTot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchtenTe deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen.Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104],Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder!Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder,Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!titus, de keizer.librarius, rotmeester.TITUS.Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten:Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê,Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.Zoo Grieken[105]afgestreên, met de uitvaart der Trojanen,Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerdDen brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd,Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden,Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]?Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat,Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te metenHoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten:Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt,De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107].Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen,Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat:Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag,En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag.Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelatenLaat klinken haar trompet te Rome langs de straten:Daar, als de[108]vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd,Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht,En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen,Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen.O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugdVan 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd?En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre murenEn krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân,Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan:Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,En in de ontstelde locht den adeler[110]beschrijden,Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên:Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen,Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111],Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112]door 't verschrikken!De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen,Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimenEen wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113]haar helden,Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven steldenVoor 't schaken[114]van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115]Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt':Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116],Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê,En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee,Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel?Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht,Als mijn gedachten zijn met malen[117]overladenVan dezes rechterhands onvergeleken daden,Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging,Gedurende 't tempeest van dees belegering.Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten,Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118]graf,Haar schoonst'[119]ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen,En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij,Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij:De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden,Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden:Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luimOpdondren, als hij is omcingeld op het ruim)Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil,Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlenGroet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120]Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân:Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragenDen bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121]van 't schuim,Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122]de wapen,Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats?En groet met veldgeschrei de koets des dageraads?Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijkenMet twalef schichten, toegezonden zoo[123]veel lijken?Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal?Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124]transen:Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125]van doôn:Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier:Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!LIBRARIUS.Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,Als 't klevende cement van deze monarchij,Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakkenEn scheuren, overmids zij met te zware pakkenVan rijken gaar[126]gestouwd[127]ondraag'lijk is verlaân:Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen?Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen,Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost,Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost?O spruit! die antwoordt[128]dien, waaruit gij zijt gesproten,Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschotenDe telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van bovenGezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven!Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd,Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallenVoor op te klimmen, u al smeekende gebeên:Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren?Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129],Wiens[130]leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen,'t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.Vaak een vervlogen punt[131]kan d' aldervroomste ook letten:Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood:Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen,'t Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132]Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].TITUS.Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheidVoor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheidIn 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verreDat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre,Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek:Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplenOp nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontrukHem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden,Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen:Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.LIBRARIUS.Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegenUit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaatMet eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek:Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk',Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornenTe mortelen[136]den voet en borstweer van de toornen:Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138]als dit,Dat mij het stof bekruize[139]als gij te peerde zit.De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,Als haren hoofdman bromt[140]en uitsteekt in zijn wapen,Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op,Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141].Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugdD' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansenDoen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot NumancenEn 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist';Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt',Daar Frankrijk[142]Cæsar bracht de sleutels ongevergd,Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143],Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,Die van dees monarchy ontstak het ingewand,Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien,En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;—Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144]niet wijken,Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.TITUS.Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid,In 't lest dees monarchie[145]heeft tot den top voltooid,Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt,En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd:Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijkenTe houden in een knoop, en gaâr[146]te houwelijken[147],Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.LIBRARIUS.Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere AlexanderDe rijken schakelde, als een keten, aan malkander,Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift,Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]:Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen,Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen,Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150],Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]:Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,Die al den ommeloop des werelds kan verbazen,Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.Wordt Titus dan vergeefs[152]gedankt van zijn voorzaten,Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten,Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij,Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen,Die waanden ons den tol met muiten te betalen:Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt,Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.TITUS.Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten,Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,Werd[153]door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:Maar als wij wederom ons helden overtellen,En mijmren in[154]de rol der gener, welk zoo zuurGedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur;Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren,Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,Die een gevederd hout[155]deê slippren aan mijn zij[156]?Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden,Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet,Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet?Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken?Wat is 't, of waar toe strekt—LIBRARIUS.Zacht, zacht, doorluchtig vorst!U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borstNiet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!TITUS.Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?LIBRARIUS.Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?Doch omdat van de Goôn haar viel dit lot te beurt,En 't avontuur des krijgs, 'twelk somtijds lustte schempen[157]In 't sparen van de minste en d' aldervroomst' te dempen,Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtansDaarom bezwalken niet met rouw den schoonen glansVan de overwinning, die den Hemel ons woû schenken:Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,Eer wij, aan 't stormen kloek, geherd door uw vermaan,Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:Dat die gesternde tent, die van Hyacinten[158]schimmert[159],En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,Die voor het vaderland hier vielen afgestreên:Terwijl op 't gulle bed de bloode, klein van waarde,Gaat zenden zijnen geest met 't vuile slijk naar d' aarde.TITUS.Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat[160]ik voelMijn eerste blijschap weêr bezitten 's herten stoel.LIBRARIUS.Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,Betaalt hij 'tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven[161],Gebleven schuldig aan zijn veldheer en 't gemeen[162],Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige eên:En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekkenZijn zeenwen, 't knakebeen[163], zijn gorgel, en zijn nekken[164],Al had de vijand 't mes geheven met 't gevest,Als hij zich offren mocht aan 't algemeene best!TITUS.Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.LIBRARIUS.Nietwaar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten,Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,Wierd dierbaar in 't cement van menschenbloed[165]geleîd?Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen[166],Die hij vergodet[167]heeft als haar gebeenten vielen,En denkt om uw triumf!TITUS.Ik wil, ik wil voortaanBestieren wat zich rept en tuimelt onder maan[168],En laten ze in haar feest[169]die, heldisch[170]opgeklommen,Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,En nu zoo spijtig steekt[171]op 's keizers praal en pracht,Omdat u Rome krimpt zoo klein in 't oog van verre,Zoo krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:Dus lacht niet al te scheets[172]op 't spits van uw gewelf:Uw veerheid[173]mindert niet ons grootheid in zich zelf.En of[174]gij Cæsar vondt, zoo wilt hem doch verklaren,Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,En moedig heeft gekneusd d' halsterrigheid der Joden,Die eer[175]zijn tollen 't goud zoo ongeweigerd boden:Maar korts haar oude luim in 't brein gestegen kwam,Alsof met zijn vertrek 't gebied een einde nam.Maar gij, mijn riddren en mijn afgestreên soldaten!Die 't avontuur des krijgs heeft ten triumf gelaten,Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:Die gij[176]nog 't versche bloed moet van uw wonden vegen,Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,En strooyen onder 't heer halsbanden, stijf van goud,Muurkroonen[177], met gesteente en peerlen opgebouwd:De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullenOpsteigren[178]naar verdienste en ledige ampten vullen.Ook wil ik 't outaar op het statigste beslaan,En met een dankbre ziel het offer steken aan,En heilgen 't ingewand, geroost en opgezoden,Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,Die 't Capitolium bewaken van de stad,Die in triumfen graast en al de wereld mat,En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,Knikk' gunstig 't ongel toe, dat, op gewijde altaren,Zal d' heilge vlammen voên, juist op die plaatse, daarDit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.Sta bij[179], Olympsche worstelaars!Die eertijds hadt zoo veel gebaars,Omdat gij 't stof beweegden,En 't zweet van 't aanzicht veegden:Wanneer, in 't afgetuinde[180]rond,In 't worstlen gij geen weêrga vondt,En, voor dit liefbedrijven[181],Droegt kransen van olijven.En steegt op uw triumfkoets hoog,Daar al de Grieksche jeugd voor boog,En die voorhenen[182]liepen"Io, Triumfe!" riepen.Komt, monstert uw bekrozen[183]vel,Uw boerterije en kinderspel,Bij 't leven, dat wij voeren,In dolle krijgsrumoeren.Komt, leert van ons een leger slaan,En trekken d' ijzren handschoen aan.Ziet, hoe ons staal verbolgenHet roode zweet doet volgen.Ziet onze oogappels als een vierEens branden, om den lauwerierTe plukken, groen van bladen,Langs ongebaande paden.Al sneuvelt menig held terwijl,Die was aan 's keizers hof een stijl[184],De vroomheid van ons allenStut al wat dreigt te vallen.In 't bed van eeren valt den doônOnsterfelijke lof ten loon,En Mars jont, dat zijn schimmenVan moud'[185]ten Hemel klimmen.Dus is ons 't oorloog geen verdriet,Noch achten 't leven dierbaar niet;Wij pronken met ons wonden,En pijlen toegezonden.Wij vliên het troetlen van 't gemak:Den blaauwen Hemel is ons dak,Op 't vlakke veld wij slapen,En sluimren in de wapen[186].Schoon de opgesteken moordtrompetSomtijds ons zoete rust belet,Wij aarslen voor geen dreigen,Want dit 's den krijgsman eigen.Als onzen veldheer rept een woord,Het slaat gelijk een bliksem voort,En 't helpt, van bende aan bende,'t Gansch leger over ende.Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toonDan, in de kerken van de Goôn,En vendels opgehangen,Afzwieren van haar stangen?Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwangHet Oosten en den Ondergang[187]?Dat hij uitzendt zijn stralenAan 's werelds leste palen?Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslachtVan Rome gansch is t' onderbracht?En dat wij Salems nekkenNu met ons zolen dekken?Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!Hoe viert hij nu zijn zegefeest!Hoe zacht, na al dat slaven,Doen[188]ons zijn milde gaven!Hoe ruiterlijk deelt hij den buitEn roof aan zijn soldaten uit!Wie zag, ooit van zijn dagen,Het goud zoo afgeslagen?Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon't Prat Solyma van Babylon;Al wat ze, om preutsch te pralen,Van Tyrus' merkt liet halen:Scharlaken, purper, fijn en eêl,Arabisch wyrook en kaneel,Haar schatten allenthalven[189]Nu ons kwetsuren zalven.Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,En leert vergeten al zijn smert,Die hij ooit most bezuren,In 't stormen op de muren.O, maarschalk, voor ons veel te mild!Nu scheept uw legers waar gij wilt,Waar iemand opsteekt de ooren,En wekt des keizers tooren.Al woudy bij den Indiaan,Aan Indus oever drenken gaanUw hengsten, mat van 't hijgen,Van op en af te stijgen:Of wildy daar de zon verbaasd't Gediert wijkt, dat van honger raast:Daar, op de Noorder wagen,De winter wordt gedragen:Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuurBraadt d' Iber, onze nagebuur:Of aan der Mooren grenzen:Of de oevers der Cretenzen:Of wildy, daar geen Fœbus[190]schijnt,Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,Afstijgen gaan ter Hellen:—Alom wij u verzellen.

JOSEPHUS.De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen,Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85]zoo zoet,Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed:Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,Om zunst[86]hij met een diept' haar af te snijden tracht,Die aarselt[87]noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht:Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezenDe stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rugDes geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen,Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,Als u van pijn en smerte een hertvang[88]'t hert beneep.Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89]en droogenMijn aanzicht, steeds aan[90]vocht[91]van mijn bekreten oogen,Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet,Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden,Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden.Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent',Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen,En waden in de zee van Gods geheimenissen:Komt, troost de ontschaakte[92]maagd van Sion, afgetreurd.Want zoo[93]gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt:Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapenGaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan,En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!)Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier,Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen.Had 't avontuur van 't lot doch[94]te JotapataMijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo naStond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken,En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken;Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zeeVerzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê:Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95]was en verschrokken,Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokkenMij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel,En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel.Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên,Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!'t Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij:Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren:Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugdEn vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid:Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van drukOntslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?Als ik een handvol zie van onze AbrahamijtenGespaard tot leider[97]leed haar hert te bersten krijten:Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98]Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heeschVan schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch,Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat endenDen rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staatVan 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haatOp mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogenVerraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen,Mij toon', waar, na[99]'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste,En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan,Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen,Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok.Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechtenVoor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân?Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan?Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen,En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen?Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagtEen boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:'t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer!Die gij te gader zijt verraders van die stad,Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:'t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal,Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal:Of schepty[101]nog de locht, en zieltoogt als gevangen,Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe.'t Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102]is met zijn stammen,Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103]wat zijn hoornen,En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen,Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem.De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinenDer helden te beslaan met kransen altijd frisch,En rust zich ten triumf, die maar een voorspel isVan deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schurenDe Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaardDe pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaardTot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchtenTe deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen.Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104],Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder!Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder,Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!titus, de keizer.librarius, rotmeester.TITUS.Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten:Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê,Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.Zoo Grieken[105]afgestreên, met de uitvaart der Trojanen,Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerdDen brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd,Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden,Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]?Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat,Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te metenHoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten:Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt,De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107].Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen,Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat:Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag,En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag.Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelatenLaat klinken haar trompet te Rome langs de straten:Daar, als de[108]vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd,Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht,En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen,Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen.O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugdVan 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd?En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre murenEn krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân,Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan:Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,En in de ontstelde locht den adeler[110]beschrijden,Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên:Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen,Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111],Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112]door 't verschrikken!De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen,Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimenEen wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113]haar helden,Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven steldenVoor 't schaken[114]van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115]Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt':Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116],Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê,En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee,Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel?Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht,Als mijn gedachten zijn met malen[117]overladenVan dezes rechterhands onvergeleken daden,Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging,Gedurende 't tempeest van dees belegering.Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten,Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118]graf,Haar schoonst'[119]ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen,En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij,Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij:De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden,Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden:Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luimOpdondren, als hij is omcingeld op het ruim)Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil,Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlenGroet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120]Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân:Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragenDen bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121]van 't schuim,Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122]de wapen,Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats?En groet met veldgeschrei de koets des dageraads?Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijkenMet twalef schichten, toegezonden zoo[123]veel lijken?Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal?Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124]transen:Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125]van doôn:Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier:Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!LIBRARIUS.Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,Als 't klevende cement van deze monarchij,Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakkenEn scheuren, overmids zij met te zware pakkenVan rijken gaar[126]gestouwd[127]ondraag'lijk is verlaân:Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen?Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen,Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost,Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost?O spruit! die antwoordt[128]dien, waaruit gij zijt gesproten,Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschotenDe telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van bovenGezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven!Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd,Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallenVoor op te klimmen, u al smeekende gebeên:Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren?Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129],Wiens[130]leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen,'t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.Vaak een vervlogen punt[131]kan d' aldervroomste ook letten:Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood:Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen,'t Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132]Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].TITUS.Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheidVoor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheidIn 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verreDat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre,Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek:Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplenOp nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontrukHem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden,Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen:Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.LIBRARIUS.Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegenUit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaatMet eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek:Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk',Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornenTe mortelen[136]den voet en borstweer van de toornen:Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138]als dit,Dat mij het stof bekruize[139]als gij te peerde zit.De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,Als haren hoofdman bromt[140]en uitsteekt in zijn wapen,Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op,Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141].Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugdD' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansenDoen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot NumancenEn 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist';Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt',Daar Frankrijk[142]Cæsar bracht de sleutels ongevergd,Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143],Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,Die van dees monarchy ontstak het ingewand,Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien,En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;—Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144]niet wijken,Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.TITUS.Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid,In 't lest dees monarchie[145]heeft tot den top voltooid,Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt,En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd:Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijkenTe houden in een knoop, en gaâr[146]te houwelijken[147],Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.LIBRARIUS.Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere AlexanderDe rijken schakelde, als een keten, aan malkander,Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift,Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]:Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen,Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen,Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150],Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]:Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,Die al den ommeloop des werelds kan verbazen,Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.Wordt Titus dan vergeefs[152]gedankt van zijn voorzaten,Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten,Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij,Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen,Die waanden ons den tol met muiten te betalen:Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt,Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.TITUS.Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten,Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,Werd[153]door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:Maar als wij wederom ons helden overtellen,En mijmren in[154]de rol der gener, welk zoo zuurGedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur;Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren,Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,Die een gevederd hout[155]deê slippren aan mijn zij[156]?Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden,Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet,Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet?Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken?Wat is 't, of waar toe strekt—LIBRARIUS.Zacht, zacht, doorluchtig vorst!U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borstNiet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!TITUS.Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?LIBRARIUS.Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?Doch omdat van de Goôn haar viel dit lot te beurt,En 't avontuur des krijgs, 'twelk somtijds lustte schempen[157]In 't sparen van de minste en d' aldervroomst' te dempen,Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtansDaarom bezwalken niet met rouw den schoonen glansVan de overwinning, die den Hemel ons woû schenken:Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,Eer wij, aan 't stormen kloek, geherd door uw vermaan,Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:Dat die gesternde tent, die van Hyacinten[158]schimmert[159],En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,Die voor het vaderland hier vielen afgestreên:Terwijl op 't gulle bed de bloode, klein van waarde,Gaat zenden zijnen geest met 't vuile slijk naar d' aarde.TITUS.Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat[160]ik voelMijn eerste blijschap weêr bezitten 's herten stoel.LIBRARIUS.Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,Betaalt hij 'tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven[161],Gebleven schuldig aan zijn veldheer en 't gemeen[162],Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige eên:En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekkenZijn zeenwen, 't knakebeen[163], zijn gorgel, en zijn nekken[164],Al had de vijand 't mes geheven met 't gevest,Als hij zich offren mocht aan 't algemeene best!TITUS.Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.LIBRARIUS.Nietwaar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten,Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,Wierd dierbaar in 't cement van menschenbloed[165]geleîd?Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen[166],Die hij vergodet[167]heeft als haar gebeenten vielen,En denkt om uw triumf!TITUS.Ik wil, ik wil voortaanBestieren wat zich rept en tuimelt onder maan[168],En laten ze in haar feest[169]die, heldisch[170]opgeklommen,Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,En nu zoo spijtig steekt[171]op 's keizers praal en pracht,Omdat u Rome krimpt zoo klein in 't oog van verre,Zoo krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:Dus lacht niet al te scheets[172]op 't spits van uw gewelf:Uw veerheid[173]mindert niet ons grootheid in zich zelf.En of[174]gij Cæsar vondt, zoo wilt hem doch verklaren,Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,En moedig heeft gekneusd d' halsterrigheid der Joden,Die eer[175]zijn tollen 't goud zoo ongeweigerd boden:Maar korts haar oude luim in 't brein gestegen kwam,Alsof met zijn vertrek 't gebied een einde nam.Maar gij, mijn riddren en mijn afgestreên soldaten!Die 't avontuur des krijgs heeft ten triumf gelaten,Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:Die gij[176]nog 't versche bloed moet van uw wonden vegen,Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,En strooyen onder 't heer halsbanden, stijf van goud,Muurkroonen[177], met gesteente en peerlen opgebouwd:De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullenOpsteigren[178]naar verdienste en ledige ampten vullen.Ook wil ik 't outaar op het statigste beslaan,En met een dankbre ziel het offer steken aan,En heilgen 't ingewand, geroost en opgezoden,Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,Die 't Capitolium bewaken van de stad,Die in triumfen graast en al de wereld mat,En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,Knikk' gunstig 't ongel toe, dat, op gewijde altaren,Zal d' heilge vlammen voên, juist op die plaatse, daarDit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.Sta bij[179], Olympsche worstelaars!Die eertijds hadt zoo veel gebaars,Omdat gij 't stof beweegden,En 't zweet van 't aanzicht veegden:Wanneer, in 't afgetuinde[180]rond,In 't worstlen gij geen weêrga vondt,En, voor dit liefbedrijven[181],Droegt kransen van olijven.En steegt op uw triumfkoets hoog,Daar al de Grieksche jeugd voor boog,En die voorhenen[182]liepen"Io, Triumfe!" riepen.Komt, monstert uw bekrozen[183]vel,Uw boerterije en kinderspel,Bij 't leven, dat wij voeren,In dolle krijgsrumoeren.Komt, leert van ons een leger slaan,En trekken d' ijzren handschoen aan.Ziet, hoe ons staal verbolgenHet roode zweet doet volgen.Ziet onze oogappels als een vierEens branden, om den lauwerierTe plukken, groen van bladen,Langs ongebaande paden.Al sneuvelt menig held terwijl,Die was aan 's keizers hof een stijl[184],De vroomheid van ons allenStut al wat dreigt te vallen.In 't bed van eeren valt den doônOnsterfelijke lof ten loon,En Mars jont, dat zijn schimmenVan moud'[185]ten Hemel klimmen.Dus is ons 't oorloog geen verdriet,Noch achten 't leven dierbaar niet;Wij pronken met ons wonden,En pijlen toegezonden.Wij vliên het troetlen van 't gemak:Den blaauwen Hemel is ons dak,Op 't vlakke veld wij slapen,En sluimren in de wapen[186].Schoon de opgesteken moordtrompetSomtijds ons zoete rust belet,Wij aarslen voor geen dreigen,Want dit 's den krijgsman eigen.Als onzen veldheer rept een woord,Het slaat gelijk een bliksem voort,En 't helpt, van bende aan bende,'t Gansch leger over ende.Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toonDan, in de kerken van de Goôn,En vendels opgehangen,Afzwieren van haar stangen?Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwangHet Oosten en den Ondergang[187]?Dat hij uitzendt zijn stralenAan 's werelds leste palen?Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslachtVan Rome gansch is t' onderbracht?En dat wij Salems nekkenNu met ons zolen dekken?Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!Hoe viert hij nu zijn zegefeest!Hoe zacht, na al dat slaven,Doen[188]ons zijn milde gaven!Hoe ruiterlijk deelt hij den buitEn roof aan zijn soldaten uit!Wie zag, ooit van zijn dagen,Het goud zoo afgeslagen?Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon't Prat Solyma van Babylon;Al wat ze, om preutsch te pralen,Van Tyrus' merkt liet halen:Scharlaken, purper, fijn en eêl,Arabisch wyrook en kaneel,Haar schatten allenthalven[189]Nu ons kwetsuren zalven.Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,En leert vergeten al zijn smert,Die hij ooit most bezuren,In 't stormen op de muren.O, maarschalk, voor ons veel te mild!Nu scheept uw legers waar gij wilt,Waar iemand opsteekt de ooren,En wekt des keizers tooren.Al woudy bij den Indiaan,Aan Indus oever drenken gaanUw hengsten, mat van 't hijgen,Van op en af te stijgen:Of wildy daar de zon verbaasd't Gediert wijkt, dat van honger raast:Daar, op de Noorder wagen,De winter wordt gedragen:Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuurBraadt d' Iber, onze nagebuur:Of aan der Mooren grenzen:Of de oevers der Cretenzen:Of wildy, daar geen Fœbus[190]schijnt,Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,Afstijgen gaan ter Hellen:—Alom wij u verzellen.

JOSEPHUS.

JOSEPHUS.

De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen,Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85]zoo zoet,Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed:Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,Om zunst[86]hij met een diept' haar af te snijden tracht,Die aarselt[87]noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht:Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezenDe stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rugDes geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen,Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,Als u van pijn en smerte een hertvang[88]'t hert beneep.Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89]en droogenMijn aanzicht, steeds aan[90]vocht[91]van mijn bekreten oogen,Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet,Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden,Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden.Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent',Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen,En waden in de zee van Gods geheimenissen:Komt, troost de ontschaakte[92]maagd van Sion, afgetreurd.Want zoo[93]gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt:Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapenGaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan,En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!)Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier,Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen.Had 't avontuur van 't lot doch[94]te JotapataMijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo naStond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken,En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken;Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zeeVerzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê:Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95]was en verschrokken,Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokkenMij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel,En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel.Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên,Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!'t Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij:Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren:Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugdEn vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid:Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van drukOntslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?Als ik een handvol zie van onze AbrahamijtenGespaard tot leider[97]leed haar hert te bersten krijten:Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98]Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heeschVan schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch,Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat endenDen rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staatVan 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haatOp mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogenVerraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen,Mij toon', waar, na[99]'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste,En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan,Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen,Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok.Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechtenVoor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân?Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan?Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen,En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen?Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagtEen boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:'t Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer!Die gij te gader zijt verraders van die stad,Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:'t Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal,Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal:Of schepty[101]nog de locht, en zieltoogt als gevangen,Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe.'t Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102]is met zijn stammen,Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103]wat zijn hoornen,En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen,Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem.De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinenDer helden te beslaan met kransen altijd frisch,En rust zich ten triumf, die maar een voorspel isVan deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schurenDe Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaardDe pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaardTot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchtenTe deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen.Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104],Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder!Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder,Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!

De wrake Gods in 't einde, als ze eens raakt op de beenen,

Ziet vuur noch water aan, noch ijzer, staal, noch steenen,

Maar wroet al voort, en vindt ter wereld niet[85]zoo zoet,

Als der godloozen merg, en 't snoô verbasterd bloed:

Vergeefs hij zich beschanst, die droomt haar uit te sluiten,

Te spade bolwerkt hij, die haar geweld wil stuiten,

Om zunst[86]hij met een diept' haar af te snijden tracht,

Die aarselt[87]noch om' schans, om bolwerk, noch om gracht:

Scherprechterse al te streng! wie zou, ja moet niet vreezen

De stramen van uw roede, uw zweep, en taaye pezen,

Waar meê gij gaat te keer, en 't vel stroopt van de rug

Des geens, die goddeloos den zonden welfde een brug.

Gij hebt, Jeruzalem! haar strengheid mogen voelen,

Als gij haars gramschaps gloed met 't purper most verkoelen,

Dat van uw lenden droop, en langs uw boezem zeep,

Als u van pijn en smerte een hertvang[88]'t hert beneep.

Ach, lijden! lijden, ach! ik moet afdwaân[89]en droogen

Mijn aanzicht, steeds aan[90]vocht[91]van mijn bekreten oogen,

Wanneer me in 't weeke brein een waassem dik opschiet,

Uit mijn beklemd gemoed geperst van groot verdriet,

Verdriet, dat voor één dood mij pijnt met duizend dooden,

Zoo vaak ik mij verbeeld' het treurspel van de Joden.

Verrijst, o Daniël! en roert uw koud gebeent',

Die in uw ziel voor lang hebt onzen val beweend,

Als gij, man Gods! zoo diep ging in d' afgronden visschen,

En waden in de zee van Gods geheimenissen:

Komt, troost de ontschaakte[92]maagd van Sion, afgetreurd.

Want zoo[93]gij 't hebt gespeld, zoo viel haar 't lot te beurt:

Komt, wascht haar tranen af, want eislijk en wanschapen

Gaapt haar verwoesting nu, en dreigt te blijven gapen.

Wij zijnder eens geweest, met Juda is 't gedaan,

En Sions grondvest grijnst mismaakt den Hemel aan:

Des Heeren heiligdom (ach, ach! 't gaat me aan de zinnen!)

Ter Hellen neêrgezakt is met zijn hooge tinnen.

Helaas, Jeruzalem! gedoemd ten zwaarde en vier,

Uw hoogmoed is gedaald, uw zonden staan u dier,

Uw zonden staan u dier, uw hoogmoed is gevallen,

En gij ligt onder 't puin begraven van uw wallen.

Had 't avontuur van 't lot doch[94]te Jotapata

Mijn leven niet verschoond, als ik zoo na, zoo na

Stond op 's doods oever, zoo gereed om te verdrenken,

En afgestreên mijn ziel aan 't vaderland te schenken;

Zoo had ik niet gehoord, hoe hemel, aarde, en zee

Verzuchtte, als Jacobs huis beweegd wierd van zijn steê:

Fy! dat ik voor 's doods schicht zoo ang[95]was en verschrokken,

Doen, in dat gapend hol, die zweerden uitgetrokken

Mij dreigden, als ik d' een met smeeken nog ophiel,

En d' ander aangreens[96], dat hem 't hert en 't staal ontviel.

Waarom maakte ik mijn graf niet in die afgronds-kolken,

En liet aan 't lemmer koud mijn warme bloed niet stolken?

Waarom volgde ik niet na mijn krijgsliê voorgetreên,

Doen van die moord ontsloop Josephus, en nog een?

Josephus, die nog most, in der Romeinen handen,

De cedren van ons kerk zien blakren en zien branden!

't Is waar, ik sleep geen boei, noch kwijn in slavernij,

Want daartoe 's keizers hert te zeer hangt over mij:

Hij viert mijn hoog geslacht, en wil met lompe kluistren,

Noch 't koningschap in mij, noch 't priesterdom ontluistren:

Hij weet, wat wijsheid ik doorsnuffelde in mijn jeugd:

Hoe Galilea kan getuigen van mijn deugd

En vroomheid, die hij toetste in d' uiterste benouwdheid:

Hij ziet mijn jaren aan, en eert mijn statige oudheid:

Dit ken ik, en 't is waar: maar zal mij zulks van druk

Ontslaan, als ik gedenk der stammen ongeluk?

Als ik een handvol zie van onze Abrahamijten

Gespaard tot leider[97]leed haar hert te bersten krijten:

Zoo ben ik wel ontaard, en in den grond verzet[98]

Van d' ijver, die mijn ziel verplichtte aan Mozes wet:

Maar neen, eer zij mijn faam in Israël gelasterd:

Eer hou mij Jacob voor zijn speelkind en zijn bastert:

Eer loochen God 't verbond, bezegeld als ik, heesch

Van schreyen, de achtste dag besneên wierd aan mijn vleesch,

Eer ik een mate stelle, of voor mijn dood laat enden

Den rouwe, die ik scheppe uit Israëls ellenden!

Ligt mij dan nog aan 't hert zoo na de droeve staat

Van 't lieve vaderland, hoe is dan zulken haat

Op mijn onnoozelheid gebraakt en uitgespogen,

En uit mijn zuivre borst zoo veel vergifs gezogen?

O Zon! die zonne en mane en sterren schenkt haar licht,

Die d' Helsche duisternisse ontdekt met uw gezicht,

Die d' afgrond van het meer met d' appels van uwe oogen

Verraadt, en bij den nek geveinsdheid grijpt en logen:

Ik dage u heiliglijk, en bidde u, dat gij tuigt,

Of iemands dreigement of gunst mijn vroomheid buigt;

En dat uw boosheid, die om wraak riep, gij tyrannen!

Die tegen 't vaderland de ketens hield gespannen,

Mij toon', waar, na[99]'s wets eisch, ik heb mijn recht verbreukt,

Of waar 't eenvoudig kleed is van mijn trouw gekreukt.

Hoe dikmaal naderde ik uw veel bestormde veste,

Om af te stuiten 't ramp van 't algemeene beste,

En bood uit 's keizers naam u hulde en vrundschap aan,

Helaas, maar al om sunst! het water liet men staan,

Men keerd' hem niet om 't vuur des ondergangs te blusschen,

Men vloekte, en kwetste mij al razende ondertusschen:

Mijn oudren, levenszat (wat onderstaat de wrok,

Of schaamt den haat zich niet?), die wierp men in den stok.

Maar is er wel een stuk te schendig aan te rechten

Voor die uit Sions kerk als uit een roofslot vechten?

Voor die, wiens dolheid kan noch moord, noch roof verzaân?

Voor die haar vingren aan 't gewijde dorven slaan?

Voor die in 't heiligdom als tijgerdieren brullen,

En 't hooge koor met bloed en versche lijken vullen?

Wat helpet[100]! wonder is 't, hoe God zoo lange draagt

Een boosheid opgehoopt, daar van den Hemel waagt:

't Is wonder nog, dat God haar kwaad niet vroeger strafte,

Als elk kerkschender dol hem als een hond aanblafte!

Hebt van verdiende loon nu overvolle maat,

En zwaarder wege uw straffe als uw bedreven kwaad,

Vervloekte Simeon! Joannes, twists aanblazer!

Zeloters, Salems pest! heilloozen Eleazer!

Die gij te gader zijt verraders van die stad,

Dien d' Hemel, als zijn bruid, zich uitgelezen had:

't Onschuldig bloed, dat hier gestikt is in zijn wapen,

Hoû steeds uw bleek gebeente onrustig zonder slapen,

En d' echo, die in 't woest' hier is de nachtegaal,

Tot wraak uw schimmen wekk' des nachts wel zevenmaal:

Of schepty[101]nog de locht, en zieltoogt als gevangen,

Zoo schroei men u het hert met gloeyendige tangen,

Of bouwe een ander Hel, die, ik weet naauwlijks hoe,

Gerabraakt houde u ziel, en laat' geen sterven toe.

't Bouwvallig Isrel, nu 't vernield[102]is met zijn stammen,

Door zwaard, pest, hongersnood, en aangesteken vlammen,

De ruiter, rijk van roof, zijn wonden zich getroost,

De schildwacht, afgebraakt, ontharnast wordt verpoosd,

De stormbok, blutsens moê, verpaistert[103]wat zijn hoornen,

En 't Roomsen veldteeken zwiert te dertel van de toornen,

Die Titus heeft verschoond, opdat, nog lang na hem,

Elk weet' waar Rome liet 't verwoest Jeruzalem.

De tenten zijn vol vreugds, vol juichens, en bazuinen,

Men vlecht er niet dan palm en lauwer, om de kruinen

Der helden te beslaan met kransen altijd frisch,

En rust zich ten triumf, die maar een voorspel is

Van deze zegefeest, die aanstaat, daar gaat schuren

De Tiber blank van stroom de keizerlijke muren:

Maar ons twaalfstammig volk, een hoopken, dat nog 't zwaard

De pest, de dood, het vuur, en d' honger heeft gespaard

Tot allerhande smaad, op haar triumfs-geruchten

Te deerlijk wedergalmt, en antwoordt met verzuchten,

Hoopt treurig klacht op klacht, en steent zijn hert in twee,

En is gelijk de geen, die, in de wilde zee,

Na schipbreuk, schrijlings op den mast nog 't lijf wil bergen.

Drijft tusschen klippen heen, en ziet geen oevers nergen[104],

Drijft tusschen vreeze en hoop, zwemt tusschen hope en vrees;

Zoo zwerft Judea nu, die vaderlooze wees!

O Vader, haars erbermt! slaat 't aangezicht eens neder!

Die gij de baren temt, de bliksems, en 't onweder,

Temt 's vijands razernije, en koelt, en lescht den brand,

Die van 't woest krijgsvolk heeft geschrookt het ingewand;

Dat Izaks overschot geen ramp meer op zich lade,

Dewijl gij 't nu beveelt der Heidenen genade!

titus, de keizer.librarius, rotmeester.

titus, de keizer.librarius, rotmeester.

TITUS.

TITUS.

Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten:Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê,Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.Zoo Grieken[105]afgestreên, met de uitvaart der Trojanen,Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerdDen brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd,Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden,Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]?Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat,Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te metenHoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten:Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt,De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107].Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen,Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat:Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag,En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag.Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelatenLaat klinken haar trompet te Rome langs de straten:Daar, als de[108]vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd,Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht,En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen,Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen.O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugdVan 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd?En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre murenEn krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân,Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan:Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,En in de ontstelde locht den adeler[110]beschrijden,Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên:Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen,Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111],Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112]door 't verschrikken!De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen,Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimenEen wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113]haar helden,Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven steldenVoor 't schaken[114]van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115]Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt':Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116],Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê,En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee,Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel?Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht,Als mijn gedachten zijn met malen[117]overladenVan dezes rechterhands onvergeleken daden,Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging,Gedurende 't tempeest van dees belegering.Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten,Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118]graf,Haar schoonst'[119]ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen,En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij,Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij:De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden,Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden:Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luimOpdondren, als hij is omcingeld op het ruim)Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil,Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlenGroet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120]Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân:Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragenDen bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121]van 't schuim,Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122]de wapen,Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats?En groet met veldgeschrei de koets des dageraads?Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijkenMet twalef schichten, toegezonden zoo[123]veel lijken?Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal?Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124]transen:Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125]van doôn:Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier:Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!

Het noodgeheim der Goôn heeft uitgediend ten lesten:

Vermorzeld zijn in puin de steigerende vesten,

En van 't vervloekt geslacht, zijns levens zat en moê,

Is uitgerukt de boom tot aan den wortel toe.

Zoo Grieken[105]afgestreên, met de uitvaart der Trojanen,

Zich ter onsterflijkheid den weg vermocht te banen,

Daar, na tien jaren strijds, nog eerst een zwanger peerd

Den brand van 't oorloog dempt, en niet de deugd van 't zweerd,

Wat heeft dan d' Hemel tot bezoldinge behouden,

Daar Titus' vroomheid mede is naar verdienst vergouden[106]?

Door wien zoo diep gegronde en hemelhooge stad,

Als met een oogenwenk, gebliksemd is zoo plat,

Dat hij, die na hem komt, heeft lichtlijk af te meten

Hoe eenen leegen val 't hoog klimmen leert vergeten:

Daarbij, wat straf hem dreigt, die d' heilge wetten breekt,

De majesteiten kwetst, en aan den prikkel steekt[107].

Lof, Goden! voor uw gunst, die, in zoo groote alarmen,

Als taaye zeenwen waart aan 's Roomschen veldheers armen,

Dat zijn ontscheêde staal nooit keerde, moede en mat,

Als dronken van den bloede, en van 't doorkerven zat:

Dat zijn gespannen pees hij, stout en onverschrokken,

Nooit heeft vergeefs gelost, noch ijdel ingetrokken,

Voor dit verleid gespuis in 't stof begraven lag,

En 't overblijfsel droef dit droevig schouwspel zag.

Mij dunkt, dat ik verneem de faam, die uitgelaten

Laat klinken haar trompet te Rome langs de straten:

Daar, als de[108]vader dut[109], voor 't weerdste pand bezurgd,

Zij op de toornen daalt van 's keizers hoogen burcht,

En strekt Vespasiaan, om Titus half verlegen,

Een bood' van deze feeste en onverwachten zegen.

O Hercules! hij zwijmt, hij flaauwt, de grijze man,

Omdat al t' effens niet zijn vreugd uitbersten kan;

Maar als de ontschoten verf hij weder heeft bekomen,

En opschiet, als een, die ontwaakt uit zoete droomen:

Zijn, zegt hij, dan de Joôn gesneuveld door de deugd

Van 't ijzer en van 't staal van ons Romeinsche jeugd?

En mocht dat vast kasteel, met onbeklimbre muren

En krijgsliê telleloos, niet langer ons verduren?

Zoo mogen heden wij, met glorie overlaân,

Bij Cæsar sterrenwaarts naar 't huis der helden gaan:

Zoo zag men eer Juppijn toerusten om te strijden,

En in de ontstelde locht den adeler[110]beschrijden,

Van waar hij ongedreigd dien, die hem smaad aandeed,

Tot polver en tot gruis met zijnen bliksem smeet.

Recht zoo 't den reuzen ging, als zij haar krachten proefden,

En met den schoudren trotsch de bergen opwaarts schroefden,

Naar 's Hemels zoldering, heel eislijk aan te zien,

Om uit vermetel brein den Goden 't hoofd te biên:

Zoo ging 't dees muiters, die, uit dwaasheid ingenomen,

Haar kantten tegen 't rijk van 't wijd beroemde Romen,

Dat steeds uitsteekt een borst met roemzucht opgevuld,

Dat aangedane smaad noch muiterije duldt,

Dat, strijdbre Pallas, met haar speer eens te verzwikken[111],

Doet siddren 's werelds kreits, gedoodverwd[112]door 't verschrikken!

De onzichtbre en preutsche maagd, nooit wapendragens moê,

Ik zie, zij lonkt op mij, mij dunkt, zij knikt mij toe,

Aan 't schudden van 't helmet, aan 't zwaayen van haar pluimen,

Uit blijschap, dat ik doe haar heilge troonen ruimen

Een wederspannig aas, dat, uit vervloekte nijd,

Haar kroon en zetel had ontluisterd en ontwijd:

Zij draait een hemelkloot, en overstaart[113]haar helden,

Die zij vergoodde, omdat z' haar lijf en leven stelden

Voor 't schaken[114]van haar eer: haar hert bekommerd bernt[115]

Uit dankbaarheid, om mij te plaatsen in 't gesternt':

Wijdheerschende Godin! waar zuldy Titus zetten?

Die met uws vijands brein en bloed zijn harnas smetten[116],

Doen, met geheven erm, hij 't ijzer knersen deê,

En kloof, door stalen helm, hem 't bekkeneel in twee,

Dat hij, gesneuveld, viel uit stegelreep en zadel,

Die ons braveeren woû met zijnen bastert-adel?

Help, Jupiter! hoe wordt mijn ziel van vreugd geperst,

Wanneer 't geheugnis van 't verleên mijn ziel ververscht,

Als mijn gedachten zijn met malen[117]overladen

Van dezes rechterhands onvergeleken daden,

Waardoor ik menigmaal 's doods daggesteek ontging,

Gedurende 't tempeest van dees belegering.

Als weerloos ik, om stads gelegentheid t' ontblooten,

Eer ik mijn leger sloeg, kwam trotsch vooruitgestooten,

Gevolgd van zestigmaal tien ridders op den draf,

Ziet, een verborgen lage, ontrent Helenen[118]graf,

Haar schoonst'[119]ziende, onverwacht mij heeft op 't lijf gesprongen,

En van den schoonsten hoop Rijks-eedlen afgedrongen:

De vijand dreigt me aan d' een, de stad aan d' ander zij,

Wat gaat de veldheer aan? de nood eischt, dat hij strij:

De sabel girst van leêr, als kolen d' oogen branden,

Al worstelend' hij breekt door 't midden der vijanden:

Recht als de leeuw (wanneer de jagers op haar luim

Opdondren, als hij is omcingeld op het ruim)

Zich vindende benaauwd, versmaadt der winden snorken,

Worpt vonken uit 't gezicht, ziet knodsen aan noch vorken,

Laat de achterkiezen zien, brult met beschuimde muil,

En stuift door 't lompe tuig met eiselijk gehuil,

Zoo redt zich Titus ook, of d' haat hem schoon terwijlen

Groet niet een hagelbui van uitgelaten pijlen:

Als of, in 's afgronds poel, hij met den Peleaan[120]

Gedoopt was, om ter nood de wonden te versmaân:

Of als de schildknaap van Juppijn, door dondervlagen,

Door hagel, wind, en storm, is wel gewoon te dragen

Den bliksem, die vaak scheurt de rotsen gul[121]van 't schuim,

Terwijl hij schadeloos verzengt noch schacht noch pluim.

Ben ik de Krijgsgod niet? die groeyende in[122]de wapen,

Antonia den borcht, terwijl de Joden slapen,

Beklim, en drijf ze in 't koor van haar gewijde plaats?

En groet met veldgeschrei de koets des dageraads?

Heeft niet dees rechterhand den onderaardschen rijken

Met twalef schichten, toegezonden zoo[123]veel lijken?

Maar waartoe monster ik mijn deugden altemaal?

Laat tuigen van mijn deugd die schaarden van mijn staal:

Laat tuigen van mijn deugd zoo veel gebroken lansen:

Laat tuigen van mijn deugd die neêrgestegen[124]transen:

Laat tuigen van mijn deugd dat kerkhof, bang[125]van doôn:

Laat tuigen van mijn deugd die naklank, droef van toon:

Laat tuigen van mijn deugd die opgegraven straten:

Laat tuigen van mijn deugd de roof van mijn soldaten:

Laat tuigen van mijn deugd de smook, het puin, het vier,

En de adeler, die zweeft in 't veld van ons banier:

Laat tuigen van mijn deugd dees gapende kwetsuren,

Eerteekens, die ik kreeg in 't stormen op de muren!

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,Als 't klevende cement van deze monarchij,Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakkenEn scheuren, overmids zij met te zware pakkenVan rijken gaar[126]gestouwd[127]ondraag'lijk is verlaân:Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen?Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen,Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost,Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost?O spruit! die antwoordt[128]dien, waaruit gij zijt gesproten,Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschotenDe telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van bovenGezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven!Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd,Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallenVoor op te klimmen, u al smeekende gebeên:Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren?Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129],Wiens[130]leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen,'t Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.Vaak een vervlogen punt[131]kan d' aldervroomste ook letten:Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood:Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen,'t Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132]Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].

Aartsveldheer! wie ontkent, wie roept niet uit, dat gij,

Als 't klevende cement van deze monarchij,

Den grondvest t' zamen houdt, die anders licht mocht zakken

En scheuren, overmids zij met te zware pakken

Van rijken gaar[126]gestouwd[127]ondraag'lijk is verlaân:

Wie ziet niet, dat gij aardt naar die Vespasiaan,

Die ons 't gezicht uitsteekt met 't weêrlicht van zijn kronen?

Zijn gulde scepters strooit, en doolt in al de tronen,

Die voor hem open staan, van 't helder dagende Oost,

Tot daar de post van 't licht vermoeid in schaauw verpoost?

O spruit! die antwoordt[128]dien, waaruit gij zijt gesproten,

Wat zijn zoo heerlijk hier wel treflijk opgeschoten

De telgen van uw deugd, in spijt van krijgs tempeest!

Wat is uw bloeisel ons een zoete vreugd geweest,

Een zoete vreugd geweest uw bloeisel, dat, van boven

Gezegend, gaat het rijk een rijken oogst beloven!

Gezaligd is die 't ziet, maar zaliger die tijd,

Wanneer, na 't zwanger gaan, de vrucht tot rijpheid dijt.

Hoe dikmaal hebben wij, hoplieden, met ons allen,

Als gij in 't harnas blonkt, gereed, om op de wallen

Voor op te klimmen, u al smeekende gebeên:

Hoe nu, doorluchtig vorst! hoe nu, waar wildy heen?

U wagen op den muur? voorbarig in 't opsteigren?

Dat dulden wij geenzins, dat 's tijd, als wij 't u weigren[129],

Wiens[130]leven buiten schâ kan slijten van 't gemeen,

't Gemeen, wiens troost en heil hangt aan uw heil alleen.

Vaak een vervlogen punt[131]kan d' aldervroomste ook letten:

Dus wilt uw ziel zoo licht niet in de waagschaal zetten,

Dat gij de ondankbare aard bebloed mocht sprenklen rood,

En dit boosaardig volk doen juichen in uw dood:

Als 't, met d' hoofdpijler en den Atlas neêr te vellen,

't Roomsch Capitolium verzinken zag ter Hellen

(Weert, Hemel! weert dien val!) en met wat reêns beleed[132]

Zou voor uws vaders troon onze onschuld zijn bekleed?

Verschoont ons dan in u, o prince goedertieren!

Uw deugd bralt op den toets, gij moogt met eeren vieren[133].

TITUS.

TITUS.

Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheidVoor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheidIn 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verreDat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre,Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek:Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplenOp nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontrukHem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden,Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen:Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.

Cieraad mijns ridderschaps! uw zorge, uw wakkerheid

Voor 't heer, voor 's keizers heil, die zijn als ingeheid

In 't middelpunt mijne ziels; mijn noodhulp! 't is zoo verre

Dat ik 't sla in de wind, dat, eer de morgensterre,

Opduikende uit de zee, eer klaarder glans aanbreek,

Haar vlechtsnoer weigren zal, haar tuiten zilverbleek:

Eer zal de frissche dauw aflaten van te drupplen

Op nuchtre kruiden, die ververscht van blijdschap hupplen,

Eer 't onvergolden blijft, of eer ik 't loon ontruk

Hem, die litteeken brengt van eenig heldenstuk.

Een maarschalk[134], die te vrek en traag is in 't vergelden,

Bluscht uit de dapperheid van de onverschrokken helden:

En wij monarchen zelve, op hoop van rijken buit,

Om purper fijn van draad en scepters trekken uit,

Gaan ploegen woeste zeên, en ongebaande steenen:

Vermeestren 't uitheemsch volk, dat aarselt voor ons henen:

Zoo prikkelt ons een lust, om onbeheerscht alleen,

Gelijk Jupijn om hoog, te dondren hier beneên.

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegenUit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaatMet eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek:Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk',Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornenTe mortelen[136]den voet en borstweer van de toornen:Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138]als dit,Dat mij het stof bekruize[139]als gij te peerde zit.De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,Als haren hoofdman bromt[140]en uitsteekt in zijn wapen,Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op,Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141].Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugdD' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansenDoen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot NumancenEn 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist';Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt',Daar Frankrijk[142]Cæsar bracht de sleutels ongevergd,Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143],Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,Die van dees monarchy ontstak het ingewand,Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien,En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;—Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144]niet wijken,Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.

Indien uws hoogheids ziel schiep ergens haar genoegen

Uit diensten, die misschien wij u verplicht opdroegen;

Of is er iet verschuld[135], hoewel een goed soldaat

Met eeden aan zijn heer al naauw verbonden staat;

Duld, dat ik op uw deugd mijn bloodigheid mag enten,

Waar gij 't verhemelt gaat uitspannen van uw tenten,

Waar gij den vijand veegt het lemmer door den nek:

Duld, dat de lommer mij van uw laurieren dekk',

Waar uwen stormbok dreigt, met zijn metalen hoornen

Te mortelen[136]den voet en borstweer van de toornen:

Ik droom om geen soudij[137], noch andren palm[138]als dit,

Dat mij het stof bekruize[139]als gij te peerde zit.

De krijgsliê zijn in een gelukkige eeuw geschapen,

Als haren hoofdman bromt[140]en uitsteekt in zijn wapen,

Dat helpt haar bloed aan 't ziên, en stookt zijn krachten op,

Dat het zijn schuim opwerpt uit eenen vollen krop,

En schielijk overzwalpt, laat zijn ontsteldheid merken,

Hoe zeer men 't dwingen wil in zijn bestemde perken[141].

Dat 's d' oorzaak, eer van Mars! dat ons Romeinsche jeugd

D' hoofdslapen u omvlecht, en roemt, dat, door uw deugd,

Dees Hydra ligt gedempt, geschroeid, en omgekomen,

Die een Alcides eischte en Hercules van Romen.

Dien Tyfon is gekneusd, die reutelt nog van spijt,

En zwavel, vuur, en smook uit zijn neusgaten smijt.

Zoo ooit ons ridderschap had schoone buitekansen

Doen Hannibal ontvlood, een hertvang 't groot Numancen

En 't oud Carthago smeet ter aarden, na veel twist,

Dat van ons Scipions elkeen te spreken wist';

Zoo ooit ons krijgsvolk klom gelukkig over de Alpen,

Zoo wijd de Rijn zijn strand gaat weêrzijds overzwalpen,

Passeerde als in slagoorde het Pyreneesch gebergt',

Daar Frankrijk[142]Cæsar bracht de sleutels ongevergd,

Bedwong van wereld afgeschovene Brittoenen[143],

Den Roomschen Tyber met haar manschap te verzoenen,

Of, om te lesschen-uit het smooken van de brand,

Die van dees monarchy ontstak het ingewand,

Pompejus ruimen deê de velden van Farsalien,

En opdroeg Cæsar de voogdije van Italien;—

Zoo, zegge ik, ridder ooit opgeven dorst zoo breed,

Omdat hij onder zoo beroemden veldheer streed:

Nog geven wij 't niet op, noch Titus derf[144]niet wijken,

Zoo Cæsar zijn trofeên met hem wil vergelijken.

TITUS.

TITUS.

Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid,In 't lest dees monarchie[145]heeft tot den top voltooid,Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt,En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd:Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijkenTe houden in een knoop, en gaâr[146]te houwelijken[147],Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.

Dat Cæsar Cæsar is, die heer op heer verstrooid,

In 't lest dees monarchie[145]heeft tot den top voltooid,

Voltooid, dat, bij aldien mocht Romulus verrijzen,

Hij zijn vergode ziel zou met verwondren spijzen:

Daar waagt de wereld af, zoo wijd den hemel blaauwt,

En valt de faam hierom d' aarbodem te benaauwd:

Maar 't is geen minder kunst, 't gewelf van zoo veel rijken

Te houden in een knoop, en gaâr[146]te houwelijken[147],

Als 't is te rijzen doen een glorie, die zoo bromt,

Dat 't aardrijk voor haar neigt, en zijnen rugge kromt.

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere AlexanderDe rijken schakelde, als een keten, aan malkander,Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift,Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]:Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen,Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen,Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150],Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]:Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,Die al den ommeloop des werelds kan verbazen,Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.Wordt Titus dan vergeefs[152]gedankt van zijn voorzaten,Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten,Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij,Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen,Die waanden ons den tol met muiten te betalen:Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt,Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.

Dat bleek wel, hoe vergeefs de dappere Alexander

De rijken schakelde, als een keten, aan malkander,

Doen, als hij naauwlijks dronk een slaapdrank aan 't vergift,

Zijn purperen gewaad in vieren wierd geschift[148]:

Daar lag de praal in d' asch. Monarchen! gaat oorlogen,

Uw vijanden ontzegt[149], en ziet haar onder oogen,

Bestookt ze, en overwint ze, en vat ze bij de kraag[150],

Half levende of heel dood, en viert haar onderlaag[151]:

Ziet, waartoe dienen zal uw grootheid opgeblazen,

Die al den ommeloop des werelds kan verbazen,

Als uw nazaten, slap, verwijfd, en achteloos,

Zoo dier verkregen pand verslensen voor altoos.

Wordt Titus dan vergeefs[152]gedankt van zijn voorzaten,

Die hem vertrouwden, en 't rijk hebben nagelaten,

Om dat hij 't hoofd ophoudt van deze monarchij,

Die onlangs scheen geneigd ten val door muiterij?

Ziet, hoe, verlegen zij 't hoofd in haar schelp ophalen,

Die waanden ons den tol met muiten te betalen:

Ziet, hoe, als in uw schoot 't ontzag wordt opgekweekt,

Hoe 't al voor u verschrikt, en ijlig 't mes opsteekt.

TITUS.

TITUS.

Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten,Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,Werd[153]door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:Maar als wij wederom ons helden overtellen,En mijmren in[154]de rol der gener, welk zoo zuurGedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur;Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren,Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,Die een gevederd hout[155]deê slippren aan mijn zij[156]?Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden,Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet,Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet?Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken?Wat is 't, of waar toe strekt—

Dees wraak, bij ons zoo versch geoefend over 't muiten,

Ontwijflijk zal veel ramps van onze staat afstuiten,

En de onverwelklijke eere en prijs, hier in behaald,

Werd[153]door 's tijds nijdigheid noch ouderdom bepaald:

Die gloeit ons om het hert, dat schijnt van vreugd te zwellen:

Maar als wij wederom ons helden overtellen,

En mijmren in[154]de rol der gener, welk zoo zuur

Gedurende 't beleg deê sneuvlen 't avontuur;

Dan loopt al mijn gewin, vermids 't verlies, verloren,

Om dat ik missen moet die riddren welgeboren:

Nicanor, andren erm uws maarschalks! waar zijt gij,

Die een gevederd hout[155]deê slippren aan mijn zij[156]?

Sabinus, Juliaan, en meer ter dood gewonden,

Wiens geest, in 't strijden, van 's lijfs kerker is ontbonden,

Wat is 't, of ten triumf uw veldheer overschiet,

Als uw gedachtenis hem 't hert roert met verdriet?

Wat is 't, of zijnen roem den waassem breekt der wolken?

Als hij u vallen, 't bloed ziet uit uw lenden stolken?

Wat is 't, of waar toe strekt—

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Zacht, zacht, doorluchtig vorst!U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borstNiet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!

Zacht, zacht, doorluchtig vorst!

U zelf genadig zijt, en kwetst uw edel borst

Niet met 't vergiftig punt van zoo onnutten rouwe!

TITUS.

TITUS.

Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?

Zijn dan geen tranen weerd die riddren, zoo getrouwe?

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?Doch omdat van de Goôn haar viel dit lot te beurt,En 't avontuur des krijgs, 'twelk somtijds lustte schempen[157]In 't sparen van de minste en d' aldervroomst' te dempen,Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtansDaarom bezwalken niet met rouw den schoonen glansVan de overwinning, die den Hemel ons woû schenken:Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,Eer wij, aan 't stormen kloek, geherd door uw vermaan,Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:Dat die gesternde tent, die van Hyacinten[158]schimmert[159],En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,Die voor het vaderland hier vielen afgestreên:Terwijl op 't gulle bed de bloode, klein van waarde,Gaat zenden zijnen geest met 't vuile slijk naar d' aarde.

Doen zij gesneuveld zijn, wie heeft er niet getreurd?

Doch omdat van de Goôn haar viel dit lot te beurt,

En 't avontuur des krijgs, 'twelk somtijds lustte schempen[157]

In 't sparen van de minste en d' aldervroomst' te dempen,

Haar leven stelde een maat; zoo moeten wij nochtans

Daarom bezwalken niet met rouw den schoonen glans

Van de overwinning, die den Hemel ons woû schenken:

Maar peinzen, zoo uw tonge ons vaken deê gedenken,

Eer wij, aan 't stormen kloek, geherd door uw vermaan,

Als leeuwen haren roof, den vijand randden aan:

Dat die gesternde tent, die van Hyacinten[158]schimmert[159],

En als een speelhof is doorluchtig opgetimmerd,

Geherbergd in haar schoot de zielen houdt der geen,

Die voor het vaderland hier vielen afgestreên:

Terwijl op 't gulle bed de bloode, klein van waarde,

Gaat zenden zijnen geest met 't vuile slijk naar d' aarde.

TITUS.

TITUS.

Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat[160]ik voelMijn eerste blijschap weêr bezitten 's herten stoel.

Dat matigt mijnen druk, en troost mij, dat[160]ik voel

Mijn eerste blijschap weêr bezitten 's herten stoel.

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,Betaalt hij 'tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven[161],Gebleven schuldig aan zijn veldheer en 't gemeen[162],Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige eên:En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekkenZijn zeenwen, 't knakebeen[163], zijn gorgel, en zijn nekken[164],Al had de vijand 't mes geheven met 't gevest,Als hij zich offren mocht aan 't algemeene best!

Als eenig hoofdman stort zijn bloed, en ook zijn leven,

Betaalt hij 'tgeen hij was zijn veldheer schuldig bleven[161],

Gebleven schuldig aan zijn veldheer en 't gemeen[162],

Als hij haar lijf en ziel opdroeg met heilige eên:

En wie, rechtschapen, zoude eens weigren uit te rekken

Zijn zeenwen, 't knakebeen[163], zijn gorgel, en zijn nekken[164],

Al had de vijand 't mes geheven met 't gevest,

Als hij zich offren mocht aan 't algemeene best!

TITUS.

TITUS.

Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.

Van ouds een goed Romein dat hield voor eenen zegen,

Wanneer de vijand hem kwam kittlen met den degen.

LIBRARIUS.

LIBRARIUS.

Nietwaar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten,Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,Wierd dierbaar in 't cement van menschenbloed[165]geleîd?Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen[166],Die hij vergodet[167]heeft als haar gebeenten vielen,En denkt om uw triumf!

Nietwaar? o zoon van Mars! betuigt niet ons gemoed,

De onsterflijke eer te zijn het alderhoogste goed?

Was dit die schoone niet, daar al de geen om dansten,

Die met haar vleesch en been het keizerrijk beschansten,

Sint dat ons grondvest eerst, van Romulus geheid,

Wierd dierbaar in 't cement van menschenbloed[165]geleîd?

Laat Mars bevolen dan zoo glorioze zielen[166],

Die hij vergodet[167]heeft als haar gebeenten vielen,

En denkt om uw triumf!

TITUS.

TITUS.

Ik wil, ik wil voortaanBestieren wat zich rept en tuimelt onder maan[168],En laten ze in haar feest[169]die, heldisch[170]opgeklommen,Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,En nu zoo spijtig steekt[171]op 's keizers praal en pracht,Omdat u Rome krimpt zoo klein in 't oog van verre,Zoo krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:Dus lacht niet al te scheets[172]op 't spits van uw gewelf:Uw veerheid[173]mindert niet ons grootheid in zich zelf.En of[174]gij Cæsar vondt, zoo wilt hem doch verklaren,Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,En moedig heeft gekneusd d' halsterrigheid der Joden,Die eer[175]zijn tollen 't goud zoo ongeweigerd boden:Maar korts haar oude luim in 't brein gestegen kwam,Alsof met zijn vertrek 't gebied een einde nam.Maar gij, mijn riddren en mijn afgestreên soldaten!Die 't avontuur des krijgs heeft ten triumf gelaten,Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:Die gij[176]nog 't versche bloed moet van uw wonden vegen,Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,En strooyen onder 't heer halsbanden, stijf van goud,Muurkroonen[177], met gesteente en peerlen opgebouwd:De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullenOpsteigren[178]naar verdienste en ledige ampten vullen.Ook wil ik 't outaar op het statigste beslaan,En met een dankbre ziel het offer steken aan,En heilgen 't ingewand, geroost en opgezoden,Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,Die 't Capitolium bewaken van de stad,Die in triumfen graast en al de wereld mat,En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,Knikk' gunstig 't ongel toe, dat, op gewijde altaren,Zal d' heilge vlammen voên, juist op die plaatse, daarDit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.

Ik wil, ik wil voortaan

Bestieren wat zich rept en tuimelt onder maan[168],

En laten ze in haar feest[169]die, heldisch[170]opgeklommen,

Beslaan de dorpels van der Goden heiligdommen.

Gij geesten, vaart dan wel, die boven op ons wacht,

En nu zoo spijtig steekt[171]op 's keizers praal en pracht,

Omdat u Rome krimpt zoo klein in 't oog van verre,

Zoo krimpt ons wederom uw aldergrootste sterre:

Dus lacht niet al te scheets[172]op 't spits van uw gewelf:

Uw veerheid[173]mindert niet ons grootheid in zich zelf.

En of[174]gij Cæsar vondt, zoo wilt hem doch verklaren,

Wat zweet het Titus kost zijn schepters te bewaren:

Opdat hij uitsteke eens zijn blinkende aangezicht,

En groet zijn nazaat, die zoo trotsch te velde ligt,

En moedig heeft gekneusd d' halsterrigheid der Joden,

Die eer[175]zijn tollen 't goud zoo ongeweigerd boden:

Maar korts haar oude luim in 't brein gestegen kwam,

Alsof met zijn vertrek 't gebied een einde nam.

Maar gij, mijn riddren en mijn afgestreên soldaten!

Die 't avontuur des krijgs heeft ten triumf gelaten,

Nadat de daken zijn gescheurd, gebrand, geblaakt,

Die eer Pompejus zweerd ons cijnsbaar had gemaakt:

Die gij[176]nog 't versche bloed moet van uw wonden vegen,

Ik wil elks daden mild en dankbaar overwegen,

En strooyen onder 't heer halsbanden, stijf van goud,

Muurkroonen[177], met gesteente en peerlen opgebouwd:

De strijdbaarste in den storm en de uitgelezen zullen

Opsteigren[178]naar verdienste en ledige ampten vullen.

Ook wil ik 't outaar op het statigste beslaan,

En met een dankbre ziel het offer steken aan,

En heilgen 't ingewand, geroost en opgezoden,

Der heiligheden Reye en Godheid van de Goden,

Die 't Capitolium bewaken van de stad,

Die in triumfen graast en al de wereld mat,

En wordt geliefkoosd van het noodlot aller dingen:

En dreigt ten Hemel met opsteigren in te dringen.

Die Godheid, door wiens gunst ons jonge manschap rijpt,

Die onze speren smeert, ons stalen degens slijpt,

Ons steekvrij kolders gespt, en voert ons beukelaren,

Knikk' gunstig 't ongel toe, dat, op gewijde altaren,

Zal d' heilge vlammen voên, juist op die plaatse, daar

Dit volk zijn godsdienst heeft gepleegd zoo menig jaar.

REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.

REI VAN ROOMSCHE SOLDATEN.

Sta bij[179], Olympsche worstelaars!Die eertijds hadt zoo veel gebaars,Omdat gij 't stof beweegden,En 't zweet van 't aanzicht veegden:

Sta bij[179], Olympsche worstelaars!

Die eertijds hadt zoo veel gebaars,

Omdat gij 't stof beweegden,

En 't zweet van 't aanzicht veegden:

Wanneer, in 't afgetuinde[180]rond,In 't worstlen gij geen weêrga vondt,En, voor dit liefbedrijven[181],Droegt kransen van olijven.

Wanneer, in 't afgetuinde[180]rond,

In 't worstlen gij geen weêrga vondt,

En, voor dit liefbedrijven[181],

Droegt kransen van olijven.

En steegt op uw triumfkoets hoog,Daar al de Grieksche jeugd voor boog,En die voorhenen[182]liepen"Io, Triumfe!" riepen.

En steegt op uw triumfkoets hoog,

Daar al de Grieksche jeugd voor boog,

En die voorhenen[182]liepen

"Io, Triumfe!" riepen.

Komt, monstert uw bekrozen[183]vel,Uw boerterije en kinderspel,Bij 't leven, dat wij voeren,In dolle krijgsrumoeren.

Komt, monstert uw bekrozen[183]vel,

Uw boerterije en kinderspel,

Bij 't leven, dat wij voeren,

In dolle krijgsrumoeren.

Komt, leert van ons een leger slaan,En trekken d' ijzren handschoen aan.Ziet, hoe ons staal verbolgenHet roode zweet doet volgen.

Komt, leert van ons een leger slaan,

En trekken d' ijzren handschoen aan.

Ziet, hoe ons staal verbolgen

Het roode zweet doet volgen.

Ziet onze oogappels als een vierEens branden, om den lauwerierTe plukken, groen van bladen,Langs ongebaande paden.

Ziet onze oogappels als een vier

Eens branden, om den lauwerier

Te plukken, groen van bladen,

Langs ongebaande paden.

Al sneuvelt menig held terwijl,Die was aan 's keizers hof een stijl[184],De vroomheid van ons allenStut al wat dreigt te vallen.

Al sneuvelt menig held terwijl,

Die was aan 's keizers hof een stijl[184],

De vroomheid van ons allen

Stut al wat dreigt te vallen.

In 't bed van eeren valt den doônOnsterfelijke lof ten loon,En Mars jont, dat zijn schimmenVan moud'[185]ten Hemel klimmen.

In 't bed van eeren valt den doôn

Onsterfelijke lof ten loon,

En Mars jont, dat zijn schimmen

Van moud'[185]ten Hemel klimmen.

Dus is ons 't oorloog geen verdriet,Noch achten 't leven dierbaar niet;Wij pronken met ons wonden,En pijlen toegezonden.

Dus is ons 't oorloog geen verdriet,

Noch achten 't leven dierbaar niet;

Wij pronken met ons wonden,

En pijlen toegezonden.

Wij vliên het troetlen van 't gemak:Den blaauwen Hemel is ons dak,Op 't vlakke veld wij slapen,En sluimren in de wapen[186].

Wij vliên het troetlen van 't gemak:

Den blaauwen Hemel is ons dak,

Op 't vlakke veld wij slapen,

En sluimren in de wapen[186].

Schoon de opgesteken moordtrompetSomtijds ons zoete rust belet,Wij aarslen voor geen dreigen,Want dit 's den krijgsman eigen.

Schoon de opgesteken moordtrompet

Somtijds ons zoete rust belet,

Wij aarslen voor geen dreigen,

Want dit 's den krijgsman eigen.

Als onzen veldheer rept een woord,Het slaat gelijk een bliksem voort,En 't helpt, van bende aan bende,'t Gansch leger over ende.

Als onzen veldheer rept een woord,

Het slaat gelijk een bliksem voort,

En 't helpt, van bende aan bende,

't Gansch leger over ende.

Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toonDan, in de kerken van de Goôn,En vendels opgehangen,Afzwieren van haar stangen?

Is 't vreemd, dat ons trofeên, ten toon

Dan, in de kerken van de Goôn,

En vendels opgehangen,

Afzwieren van haar stangen?

Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwangHet Oosten en den Ondergang[187]?Dat hij uitzendt zijn stralenAan 's werelds leste palen?

Is 't vreemd, dat Titus houdt in dwang

Het Oosten en den Ondergang[187]?

Dat hij uitzendt zijn stralen

Aan 's werelds leste palen?

Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslachtVan Rome gansch is t' onderbracht?En dat wij Salems nekkenNu met ons zolen dekken?

Is 't wonder, dat ook 't Joodsch geslacht

Van Rome gansch is t' onderbracht?

En dat wij Salems nekken

Nu met ons zolen dekken?

Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!Hoe viert hij nu zijn zegefeest!Hoe zacht, na al dat slaven,Doen[188]ons zijn milde gaven!

Hoe vreugdrijk groeit nu Titus' geest!

Hoe viert hij nu zijn zegefeest!

Hoe zacht, na al dat slaven,

Doen[188]ons zijn milde gaven!

Hoe ruiterlijk deelt hij den buitEn roof aan zijn soldaten uit!Wie zag, ooit van zijn dagen,Het goud zoo afgeslagen?

Hoe ruiterlijk deelt hij den buit

En roof aan zijn soldaten uit!

Wie zag, ooit van zijn dagen,

Het goud zoo afgeslagen?

Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon't Prat Solyma van Babylon;Al wat ze, om preutsch te pralen,Van Tyrus' merkt liet halen:

Al 't kunstwerk, dat ooit slepen kon

't Prat Solyma van Babylon;

Al wat ze, om preutsch te pralen,

Van Tyrus' merkt liet halen:

Scharlaken, purper, fijn en eêl,Arabisch wyrook en kaneel,Haar schatten allenthalven[189]Nu ons kwetsuren zalven.

Scharlaken, purper, fijn en eêl,

Arabisch wyrook en kaneel,

Haar schatten allenthalven[189]

Nu ons kwetsuren zalven.

Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,En leert vergeten al zijn smert,Die hij ooit most bezuren,In 't stormen op de muren.

Dat troost nog eens fluks krijgsmans hert,

En leert vergeten al zijn smert,

Die hij ooit most bezuren,

In 't stormen op de muren.

O, maarschalk, voor ons veel te mild!Nu scheept uw legers waar gij wilt,Waar iemand opsteekt de ooren,En wekt des keizers tooren.

O, maarschalk, voor ons veel te mild!

Nu scheept uw legers waar gij wilt,

Waar iemand opsteekt de ooren,

En wekt des keizers tooren.

Al woudy bij den Indiaan,Aan Indus oever drenken gaanUw hengsten, mat van 't hijgen,Van op en af te stijgen:

Al woudy bij den Indiaan,

Aan Indus oever drenken gaan

Uw hengsten, mat van 't hijgen,

Van op en af te stijgen:

Of wildy daar de zon verbaasd't Gediert wijkt, dat van honger raast:Daar, op de Noorder wagen,De winter wordt gedragen:

Of wildy daar de zon verbaasd

't Gediert wijkt, dat van honger raast:

Daar, op de Noorder wagen,

De winter wordt gedragen:

Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuurBraadt d' Iber, onze nagebuur:Of aan der Mooren grenzen:Of de oevers der Cretenzen:

Of Westwaarts, daar het Hemelsch vuur

Braadt d' Iber, onze nagebuur:

Of aan der Mooren grenzen:

Of de oevers der Cretenzen:

Of wildy, daar geen Fœbus[190]schijnt,Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,Afstijgen gaan ter Hellen:—Alom wij u verzellen.

Of wildy, daar geen Fœbus[190]schijnt,

Daar Pluto de arme zieltjens pijnt,

Afstijgen gaan ter Hellen:—

Alom wij u verzellen.


Back to IndexNext