DAVID,DE KONINKLIJKE PROFEET.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplenIn 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haarVerzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamenDen dienst van Astaroth en Baälim te zamen.Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, datDe Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van IsraëlOm eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheidBetoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet afDoor wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,Wierdt beudel[149]uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,En ruimde David op de koninklijke plaats:Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.DAVID,DE KONINKLIJKE PROFEET.Eccles.47.David was onder den kinderen Israëls uitverkoren, gelijk als het vette aan den offer Gode toegeëigend was.Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150]vinger,Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyenVan Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,Zoo ik het potshoofd[152]droeg versteken van de romp,Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.Koud[154]was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweerDen wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,En Isrel andermaal, zoo fluks als IsbozethZijn leste doodstuip kreeg. Na[156]ging zich David kwijtenAan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,Als hij 't koraal[157]had van Urias' bruid gekust.Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,Vermids 's Geests heil'ge blaân[158]bebloed zijn van mijn krijgen:Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,En smoelen[159]in haar assche en bloed de doode steên:Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],Als hem mist ondersteek te doen[161]zijns vaders glory:Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,Daar David offren gaat zijn rijke diademDen Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.SALOMON,DE WIJSHEID.Eccles.47.O, hoe wel leerdet gij in uwer jeugd, en waart vol verstands, gelijk als het water het land bedekt, en hebt het alom met uwe spreuken en leeringen vervuld!Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kantenZijn overschaauwd[162]bedrog, en naar mijn kroone stak,Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],Die in mijn armen viel te Sion willekom.De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164]joff'ren.De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166]van mijn hof:In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch PalestijnenBlonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,'t Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.ELIAS,D' OPGENOMENE.Eccles.48.De profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn woord brandde als een fakkel.Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];En als zijn doodsnak[172]gaf de zoon van mijn weerdinne,Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,Daar mijn gebed opsteeg, en der SamaritanenAmechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173]kost verdragenVan nachten viermaal tien, en effen[174]zoo veel dagen,Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonkVan 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,Eliza tot profeet. Na[175]zag ik Naboths druk,Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.Ahazia vernam van mij, door zijne boden,Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:En zag van boven af den anderen Elias,En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.ELIZEUS,ELIAS' NAVOLGER.Eccles.48.Doen Elias in het onweder weg was, doen kwam zijnen geest rijkelijk op Elizeum: te zijner tijd verschrak hij voor geen vorsten, en niemand kost hem overwinnen.Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.'t Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaanVoor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.Edom, met Jozafat, en 't hoofd der IsralietenVerkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,De dood zijn lichten met zijn schelen[178]had geloken.De bittre kompost[179]ik verzoette, als 't jonge rotRoept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,Ging krank, en liet[180]gezond de zwalpende Jordaan.Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.'t Gezonken ijzer ik maak driftig[181]te[182]behendig.De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar naGeblindhokt[183]zijn verdoold mids[184]in Samaria.Samariën, omringd met wagenen en rossen,Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]Van Assur: en verscheên[185]ik nog verwek den genen,Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.MICHAEAS,DE VERTOONDER.3Reg.22.Zoo warachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mij de Heere zeggen zal.Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,'t Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,En smeekt uw onderlaag[186]en broeit zijn leugenjongen!"Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187]."Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.De legers gaan te velde, en vinden op de beenenDen vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagenDen aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagenZijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,En 't zammet[189]van de koets, die wierd eerlang genet[190]Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191]insnakken[192],Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193]ligt,En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrijeKent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.JONAS,DE BOETPREDIKER.Matth.12.Gelijk Jonas was in de buik des walvisch drie dagen en drie nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen in het herte der aarden, drie dagen en drie nachten.Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,En Jafo[195]'t ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.'t Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldigAan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,Mij levend' gorglen[198]kan, verdouwen, en verzwelgenHuisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochtenIn 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,En gingen Ninive d' aanstaanden ondergangVerkondigen, die God zoude eindigen eerlang.Het volk beroerd[199](zoo fluks het merkt, dat God haarliedenKwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,En datter[200]hoop was, om door boete zich t' ontslaanDie dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveerenHij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreidHet aangezicht des volks, van Gods gerechtigheidHet uitgetogen staal stak weder in de schede,En hun trompetten liet den aangenamen vrede.EZECHIAS,DE GODSDIENSTIGE.Eccles.48.Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem Ezaias leerde.'t Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de beenGeraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachtenTe Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempteDe bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feestGesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,En, tot waarteeken, doet de zon teruggevarenTien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:'t Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.JOZIAS,DE GODZALIGE.Eccles.49.Jozias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apoteken; hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als snarenspel bij den wijn.Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersenMet 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunstMijn jeugd, in 't[203]oefenschool van welgebiedens kunst:Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons lasHet wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelvenLiet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206]'s volks gebeenteIk roostte levendig op 't bloedige gesteente.De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.'t Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],Wij statig vierden, en erkenden Gods weldadenDen vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezondenDe koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,'t Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,Van Jeremias wierd en Israël beschreid,Vermits geen koning ooit gezalfd en[209]was voorhenen,Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].EZAIAS,DE EVANGELISCHE PROFEET.Eccles.48.Ezaias was een groot en warachtig profeet in zijn profeciën.Mijn vader Amos was, en koning AzariasMijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,In 't ampt te treên, daartoe[211]den Hemel mij voorzagEer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde lovenZijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212]te sterk,De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,En wekten ze, wanneer van verre wij genakenDe legers zagen, die God wapende ter wraken.Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorstenTrad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214]dorstenAfeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezichtRiep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaarD' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagenOp den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.JEREMIAS,DE VROEGPREDIKER.Eccles.49.Jeremias was in 's moeders lijf uitverkoren tot een profeet, dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom ook bouwen en planten zoude.Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pasVond, dat zoo lang gewenscht te[215]wijd om zoeken was.Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderdMijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216]bekleedZag van een predikant[217]en Goddelijk profeet.'t Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanenEn dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!De zond' geprent was in de tafel van haar herte.D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoetIk in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boetIn iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henenHet volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,Die held, die geestelijk zou volgen David na,En 't hoofd vermalen[220]van d' erfvijand, die de zielenDer menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.EZECHIEL,DE GROOTE ZIENDER.Eccles.49.Hezekiël zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte, dat hij hem wees uit den wagen Cherubim. Hij heeft geprofeteerd tegen de vijanden, en troost verkondigd dien, die daar recht doen.Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannenRondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grimHadde over hem[221]gewekt: of onze vorst verslagenMij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlangDen Hemel afgetergd had Sions ondergang,Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,Onwederroepelijk geschapen was te volgen:Hij fluks, behoudens goed en leven, overgafDe stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de murenVan Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:Dies mij Jehova van zijn glorierijken troonKwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,Ging openen, opdat mijn profecye steêMocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.'t Verstrooyende[225]geslacht, dat droevig en ontsteldGing dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,Met dezen[226]herder ik vertroostte, die zou weidenDe stammen in het groen der beemden, die voortaan,Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staanIn groei en bloei, zoo haast als Israël te stadeKwam een slagregen van Gods goedheid engenade.DANIEL,DE GODGELEERDE.1Mach.2.Daniël wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplenIn 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haarVerzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamenDen dienst van Astaroth en Baälim te zamen.Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, datDe Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van IsraëlOm eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheidBetoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet afDoor wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,Wierdt beudel[149]uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,En ruimde David op de koninklijke plaats:Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplenIn 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haarVerzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamenDen dienst van Astaroth en Baälim te zamen.Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, datDe Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van IsraëlOm eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheidBetoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet afDoor wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,Wierdt beudel[149]uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,En ruimde David op de koninklijke plaats:Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplenIn 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haarVerzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamenDen dienst van Astaroth en Baälim te zamen.Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, datDe Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van IsraëlOm eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheidBetoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet afDoor wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,Wierdt beudel[149]uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,En ruimde David op de koninklijke plaats:Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.

Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,

Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplen

In 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,

Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:

"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,

Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,

En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haar

Verzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"

Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,

Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;

Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,

En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.

De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamen

Den dienst van Astaroth en Baälim te zamen.

Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, dat

De Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.

Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]

Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:

Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van Israël

Om eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:

Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,

Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.

Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,

Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheid

Betoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,

Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.

O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet af

Door wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:

Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,

En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,

Wierdt beudel[149]uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,

En ruimde David op de koninklijke plaats:

Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,

Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.

Eccles.47.

David was onder den kinderen Israëls uitverkoren, gelijk als het vette aan den offer Gode toegeëigend was.

Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150]vinger,Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyenVan Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,Zoo ik het potshoofd[152]droeg versteken van de romp,Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.Koud[154]was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweerDen wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,En Isrel andermaal, zoo fluks als IsbozethZijn leste doodstuip kreeg. Na[156]ging zich David kwijtenAan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,Als hij 't koraal[157]had van Urias' bruid gekust.Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,Vermids 's Geests heil'ge blaân[158]bebloed zijn van mijn krijgen:Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,En smoelen[159]in haar assche en bloed de doode steên:Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],Als hem mist ondersteek te doen[161]zijns vaders glory:Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,Daar David offren gaat zijn rijke diademDen Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.

Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150]vinger,Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyenVan Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,Zoo ik het potshoofd[152]droeg versteken van de romp,Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.Koud[154]was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweerDen wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,En Isrel andermaal, zoo fluks als IsbozethZijn leste doodstuip kreeg. Na[156]ging zich David kwijtenAan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,Als hij 't koraal[157]had van Urias' bruid gekust.Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,Vermids 's Geests heil'ge blaân[158]bebloed zijn van mijn krijgen:Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,En smoelen[159]in haar assche en bloed de doode steên:Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],Als hem mist ondersteek te doen[161]zijns vaders glory:Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,Daar David offren gaat zijn rijke diademDen Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.

Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150]vinger,Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyenVan Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,Zoo ik het potshoofd[152]droeg versteken van de romp,Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.Koud[154]was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweerDen wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,En Isrel andermaal, zoo fluks als IsbozethZijn leste doodstuip kreeg. Na[156]ging zich David kwijtenAan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,Als hij 't koraal[157]had van Urias' bruid gekust.Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,Vermids 's Geests heil'ge blaân[158]bebloed zijn van mijn krijgen:Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,En smoelen[159]in haar assche en bloed de doode steên:Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],Als hem mist ondersteek te doen[161]zijns vaders glory:Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,Daar David offren gaat zijn rijke diademDen Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.

Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150]vinger,

Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,

Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,

Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:

Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyen

Van Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,

Zoo ik het potshoofd[152]droeg versteken van de romp,

Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.

Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]

Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.

Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,

Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.

Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,

Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.

Koud[154]was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweer

Den wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,

En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,

Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:

Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,

En Isrel andermaal, zoo fluks als Isbozeth

Zijn leste doodstuip kreeg. Na[156]ging zich David kwijten

Aan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:

Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,

Als hij 't koraal[157]had van Urias' bruid gekust.

Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,

Vermids 's Geests heil'ge blaân[158]bebloed zijn van mijn krijgen:

Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,

En smoelen[159]in haar assche en bloed de doode steên:

Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],

Als hem mist ondersteek te doen[161]zijns vaders glory:

Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,

Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.

Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,

Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,

Daar David offren gaat zijn rijke diadem

Den Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.

Eccles.47.

O, hoe wel leerdet gij in uwer jeugd, en waart vol verstands, gelijk als het water het land bedekt, en hebt het alom met uwe spreuken en leeringen vervuld!

Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kantenZijn overschaauwd[162]bedrog, en naar mijn kroone stak,Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],Die in mijn armen viel te Sion willekom.De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164]joff'ren.De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166]van mijn hof:In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch PalestijnenBlonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,'t Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.

Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kantenZijn overschaauwd[162]bedrog, en naar mijn kroone stak,Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],Die in mijn armen viel te Sion willekom.De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164]joff'ren.De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166]van mijn hof:In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch PalestijnenBlonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,'t Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.

Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kantenZijn overschaauwd[162]bedrog, en naar mijn kroone stak,Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],Die in mijn armen viel te Sion willekom.De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164]joff'ren.De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166]van mijn hof:In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch PalestijnenBlonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,'t Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.

Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,

Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kanten

Zijn overschaauwd[162]bedrog, en naar mijn kroone stak,

Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,

Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,

Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,

En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],

Die in mijn armen viel te Sion willekom.

De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,

Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164]joff'ren.

De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:

Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].

Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,

De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:

In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166]van mijn hof:

In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,

Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],

De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:

In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],

Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.

De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,

Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.

Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,

Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.

Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch Palestijnen

Blonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.

Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,

De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,

Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],

Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,

En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,

Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,

Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,

't Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.

Eccles.48.

De profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn woord brandde als een fakkel.

Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];En als zijn doodsnak[172]gaf de zoon van mijn weerdinne,Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,Daar mijn gebed opsteeg, en der SamaritanenAmechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173]kost verdragenVan nachten viermaal tien, en effen[174]zoo veel dagen,Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonkVan 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,Eliza tot profeet. Na[175]zag ik Naboths druk,Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.Ahazia vernam van mij, door zijne boden,Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:En zag van boven af den anderen Elias,En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.

Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];En als zijn doodsnak[172]gaf de zoon van mijn weerdinne,Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,Daar mijn gebed opsteeg, en der SamaritanenAmechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173]kost verdragenVan nachten viermaal tien, en effen[174]zoo veel dagen,Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonkVan 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,Eliza tot profeet. Na[175]zag ik Naboths druk,Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.Ahazia vernam van mij, door zijne boden,Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:En zag van boven af den anderen Elias,En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.

Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];En als zijn doodsnak[172]gaf de zoon van mijn weerdinne,Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,Daar mijn gebed opsteeg, en der SamaritanenAmechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173]kost verdragenVan nachten viermaal tien, en effen[174]zoo veel dagen,Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonkVan 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,Eliza tot profeet. Na[175]zag ik Naboths druk,Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.Ahazia vernam van mij, door zijne boden,Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:En zag van boven af den anderen Elias,En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.

Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:

Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:

Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,

En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.

Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,

Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:

Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,

Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];

En als zijn doodsnak[172]gaf de zoon van mijn weerdinne,

Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.

De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,

Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,

Daar mijn gebed opsteeg, en der Samaritanen

Amechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.

Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,

Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,

Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173]kost verdragen

Van nachten viermaal tien, en effen[174]zoo veel dagen,

Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonk

Van 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.

Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,

Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,

Eliza tot profeet. Na[175]zag ik Naboths druk,

Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.

Ahazia vernam van mij, door zijne boden,

Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:

Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],

Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,

De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,

Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.

Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,

Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:

En zag van boven af den anderen Elias,

En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.

Eccles.48.

Doen Elias in het onweder weg was, doen kwam zijnen geest rijkelijk op Elizeum: te zijner tijd verschrak hij voor geen vorsten, en niemand kost hem overwinnen.

Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.'t Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaanVoor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.Edom, met Jozafat, en 't hoofd der IsralietenVerkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,De dood zijn lichten met zijn schelen[178]had geloken.De bittre kompost[179]ik verzoette, als 't jonge rotRoept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,Ging krank, en liet[180]gezond de zwalpende Jordaan.Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.'t Gezonken ijzer ik maak driftig[181]te[182]behendig.De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar naGeblindhokt[183]zijn verdoold mids[184]in Samaria.Samariën, omringd met wagenen en rossen,Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]Van Assur: en verscheên[185]ik nog verwek den genen,Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.

Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.'t Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaanVoor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.Edom, met Jozafat, en 't hoofd der IsralietenVerkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,De dood zijn lichten met zijn schelen[178]had geloken.De bittre kompost[179]ik verzoette, als 't jonge rotRoept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,Ging krank, en liet[180]gezond de zwalpende Jordaan.Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.'t Gezonken ijzer ik maak driftig[181]te[182]behendig.De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar naGeblindhokt[183]zijn verdoold mids[184]in Samaria.Samariën, omringd met wagenen en rossen,Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]Van Assur: en verscheên[185]ik nog verwek den genen,Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.

Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.'t Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaanVoor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.Edom, met Jozafat, en 't hoofd der IsralietenVerkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,De dood zijn lichten met zijn schelen[178]had geloken.De bittre kompost[179]ik verzoette, als 't jonge rotRoept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,Ging krank, en liet[180]gezond de zwalpende Jordaan.Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.'t Gezonken ijzer ik maak driftig[181]te[182]behendig.De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar naGeblindhokt[183]zijn verdoold mids[184]in Samaria.Samariën, omringd met wagenen en rossen,Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]Van Assur: en verscheên[185]ik nog verwek den genen,Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.

Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,

Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,

Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,

Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.

't Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.

Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,

Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaan

Voor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.

Edom, met Jozafat, en 't hoofd der Isralieten

Verkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.

De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:

En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,

Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,

De dood zijn lichten met zijn schelen[178]had geloken.

De bittre kompost[179]ik verzoette, als 't jonge rot

Roept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"

De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,

Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.

De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,

Ging krank, en liet[180]gezond de zwalpende Jordaan.

Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.

't Gezonken ijzer ik maak driftig[181]te[182]behendig.

De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar na

Geblindhokt[183]zijn verdoold mids[184]in Samaria.

Samariën, omringd met wagenen en rossen,

Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.

Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:

En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.

Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,

Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.

Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,

Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]

Van Assur: en verscheên[185]ik nog verwek den genen,

Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.

3Reg.22.

Zoo warachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mij de Heere zeggen zal.

Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,'t Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,En smeekt uw onderlaag[186]en broeit zijn leugenjongen!"Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187]."Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.De legers gaan te velde, en vinden op de beenenDen vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagenDen aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagenZijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,En 't zammet[189]van de koets, die wierd eerlang genet[190]Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191]insnakken[192],Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193]ligt,En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrijeKent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.

Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,'t Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,En smeekt uw onderlaag[186]en broeit zijn leugenjongen!"Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187]."Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.De legers gaan te velde, en vinden op de beenenDen vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagenDen aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagenZijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,En 't zammet[189]van de koets, die wierd eerlang genet[190]Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191]insnakken[192],Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193]ligt,En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrijeKent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.

Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,'t Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,En smeekt uw onderlaag[186]en broeit zijn leugenjongen!"Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187]."Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.De legers gaan te velde, en vinden op de beenenDen vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagenDen aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagenZijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,En 't zammet[189]van de koets, die wierd eerlang genet[190]Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191]insnakken[192],Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193]ligt,En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrijeKent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.

Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,

In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,

Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,

O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"

Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,

't Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,

Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:

Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:

Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,

En smeekt uw onderlaag[186]en broeit zijn leugenjongen!"

Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,

Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187].

"Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?

Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"

Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,

En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.

De legers gaan te velde, en vinden op de beenen

Den vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.

Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:

De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,

Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,

En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.

Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,

Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,

Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagen

Den aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagen

Zijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,

En 't zammet[189]van de koets, die wierd eerlang genet[190]

Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,

Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191]insnakken[192],

Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193]ligt,

En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.

Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrije

Kent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.

Matth.12.

Gelijk Jonas was in de buik des walvisch drie dagen en drie nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen in het herte der aarden, drie dagen en drie nachten.

Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,En Jafo[195]'t ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.'t Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldigAan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,Mij levend' gorglen[198]kan, verdouwen, en verzwelgenHuisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochtenIn 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,En gingen Ninive d' aanstaanden ondergangVerkondigen, die God zoude eindigen eerlang.Het volk beroerd[199](zoo fluks het merkt, dat God haarliedenKwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,En datter[200]hoop was, om door boete zich t' ontslaanDie dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveerenHij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreidHet aangezicht des volks, van Gods gerechtigheidHet uitgetogen staal stak weder in de schede,En hun trompetten liet den aangenamen vrede.

Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,En Jafo[195]'t ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.'t Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldigAan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,Mij levend' gorglen[198]kan, verdouwen, en verzwelgenHuisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochtenIn 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,En gingen Ninive d' aanstaanden ondergangVerkondigen, die God zoude eindigen eerlang.Het volk beroerd[199](zoo fluks het merkt, dat God haarliedenKwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,En datter[200]hoop was, om door boete zich t' ontslaanDie dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveerenHij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreidHet aangezicht des volks, van Gods gerechtigheidHet uitgetogen staal stak weder in de schede,En hun trompetten liet den aangenamen vrede.

Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,En Jafo[195]'t ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.'t Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldigAan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,Mij levend' gorglen[198]kan, verdouwen, en verzwelgenHuisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochtenIn 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,En gingen Ninive d' aanstaanden ondergangVerkondigen, die God zoude eindigen eerlang.Het volk beroerd[199](zoo fluks het merkt, dat God haarliedenKwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,En datter[200]hoop was, om door boete zich t' ontslaanDie dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveerenHij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreidHet aangezicht des volks, van Gods gerechtigheidHet uitgetogen staal stak weder in de schede,En hun trompetten liet den aangenamen vrede.

Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,

Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,

En Jafo[195]'t ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',

Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:

De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,

Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],

En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,

Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.

't Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:

Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldig

Aan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!

Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,

En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,

Mij levend' gorglen[198]kan, verdouwen, en verzwelgen

Huisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,

En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.

Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochten

In 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,

En gingen Ninive d' aanstaanden ondergang

Verkondigen, die God zoude eindigen eerlang.

Het volk beroerd[199](zoo fluks het merkt, dat God haarlieden

Kwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,

En datter[200]hoop was, om door boete zich t' ontslaan

Die dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])

Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:

Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:

Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:

Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:

Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveeren

Hij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,

En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreid

Het aangezicht des volks, van Gods gerechtigheid

Het uitgetogen staal stak weder in de schede,

En hun trompetten liet den aangenamen vrede.

Eccles.48.

Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem Ezaias leerde.

't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de beenGeraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachtenTe Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempteDe bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feestGesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,En, tot waarteeken, doet de zon teruggevarenTien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:'t Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.

't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de beenGeraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachtenTe Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempteDe bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feestGesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,En, tot waarteeken, doet de zon teruggevarenTien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:'t Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.

't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de beenGeraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachtenTe Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempteDe bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feestGesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,En, tot waarteeken, doet de zon teruggevarenTien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:'t Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.

't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,

Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,

In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,

Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.

De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,

Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.

Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,

En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.

Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,

Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].

Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de been

Geraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.

Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,

Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachten

Te Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,

En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:

Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempte

De bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.

Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,

En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,

Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,

Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:

Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feest

Gesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.

Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,

En, tot waarteeken, doet de zon teruggevaren

Tien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,

Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.

Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,

Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,

En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad

't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:

't Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,

En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.

Eccles.49.

Jozias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apoteken; hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als snarenspel bij den wijn.

Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersenMet 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunstMijn jeugd, in 't[203]oefenschool van welgebiedens kunst:Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons lasHet wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelvenLiet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206]'s volks gebeenteIk roostte levendig op 't bloedige gesteente.De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.'t Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],Wij statig vierden, en erkenden Gods weldadenDen vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezondenDe koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,'t Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,Van Jeremias wierd en Israël beschreid,Vermits geen koning ooit gezalfd en[209]was voorhenen,Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].

Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersenMet 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunstMijn jeugd, in 't[203]oefenschool van welgebiedens kunst:Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons lasHet wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelvenLiet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206]'s volks gebeenteIk roostte levendig op 't bloedige gesteente.De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.'t Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],Wij statig vierden, en erkenden Gods weldadenDen vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezondenDe koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,'t Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,Van Jeremias wierd en Israël beschreid,Vermits geen koning ooit gezalfd en[209]was voorhenen,Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].

Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersenMet 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunstMijn jeugd, in 't[203]oefenschool van welgebiedens kunst:Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons lasHet wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelvenLiet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206]'s volks gebeenteIk roostte levendig op 't bloedige gesteente.De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.'t Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],Wij statig vierden, en erkenden Gods weldadenDen vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezondenDe koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,'t Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,Van Jeremias wierd en Israël beschreid,Vermits geen koning ooit gezalfd en[209]was voorhenen,Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].

Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersen

Met 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.

Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunst

Mijn jeugd, in 't[203]oefenschool van welgebiedens kunst:

Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,

Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,

Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons las

Het wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,

En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]

Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,

En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,

Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,

En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.

Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelven

Liet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,

Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,

De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],

En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:

Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,

Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.

Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206]'s volks gebeente

Ik roostte levendig op 't bloedige gesteente.

De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].

In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.

't Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],

Wij statig vierden, en erkenden Gods weldaden

Den vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,

Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,

Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezonden

De koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,

't Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,

Van Jeremias wierd en Israël beschreid,

Vermits geen koning ooit gezalfd en[209]was voorhenen,

Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].

Eccles.48.

Ezaias was een groot en warachtig profeet in zijn profeciën.

Mijn vader Amos was, en koning AzariasMijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,In 't ampt te treên, daartoe[211]den Hemel mij voorzagEer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde lovenZijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212]te sterk,De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,En wekten ze, wanneer van verre wij genakenDe legers zagen, die God wapende ter wraken.Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorstenTrad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214]dorstenAfeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezichtRiep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaarD' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagenOp den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.

Mijn vader Amos was, en koning AzariasMijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,In 't ampt te treên, daartoe[211]den Hemel mij voorzagEer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde lovenZijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212]te sterk,De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,En wekten ze, wanneer van verre wij genakenDe legers zagen, die God wapende ter wraken.Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorstenTrad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214]dorstenAfeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezichtRiep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaarD' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagenOp den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.

Mijn vader Amos was, en koning AzariasMijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,In 't ampt te treên, daartoe[211]den Hemel mij voorzagEer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde lovenZijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212]te sterk,De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,En wekten ze, wanneer van verre wij genakenDe legers zagen, die God wapende ter wraken.Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorstenTrad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214]dorstenAfeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezichtRiep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaarD' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagenOp den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.

Mijn vader Amos was, en koning Azarias

Mijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,

In 't ampt te treên, daartoe[211]den Hemel mij voorzag

Eer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:

In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,

Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde loven

Zijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212]te sterk,

De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:

Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,

En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.

Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,

Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.

Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:

Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,

Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:

Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,

En wekten ze, wanneer van verre wij genaken

De legers zagen, die God wapende ter wraken.

Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!

Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!

Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorsten

Trad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214]dorsten

Afeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:

Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezicht

Riep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,

Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,

En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar

't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaar

D' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,

Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagen

Op den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,

En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,

En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,

Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.

Eccles.49.

Jeremias was in 's moeders lijf uitverkoren tot een profeet, dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom ook bouwen en planten zoude.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pasVond, dat zoo lang gewenscht te[215]wijd om zoeken was.Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderdMijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216]bekleedZag van een predikant[217]en Goddelijk profeet.'t Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanenEn dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!De zond' geprent was in de tafel van haar herte.D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoetIk in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boetIn iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henenHet volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,Die held, die geestelijk zou volgen David na,En 't hoofd vermalen[220]van d' erfvijand, die de zielenDer menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pasVond, dat zoo lang gewenscht te[215]wijd om zoeken was.Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderdMijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216]bekleedZag van een predikant[217]en Goddelijk profeet.'t Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanenEn dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!De zond' geprent was in de tafel van haar herte.D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoetIk in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boetIn iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henenHet volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,Die held, die geestelijk zou volgen David na,En 't hoofd vermalen[220]van d' erfvijand, die de zielenDer menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pasVond, dat zoo lang gewenscht te[215]wijd om zoeken was.Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderdMijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216]bekleedZag van een predikant[217]en Goddelijk profeet.'t Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanenEn dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!De zond' geprent was in de tafel van haar herte.D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoetIk in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boetIn iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henenHet volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,Die held, die geestelijk zou volgen David na,En 't hoofd vermalen[220]van d' erfvijand, die de zielenDer menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?

Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,

D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pas

Vond, dat zoo lang gewenscht te[215]wijd om zoeken was.

Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,

Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderd

Mijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216]bekleed

Zag van een predikant[217]en Goddelijk profeet.

't Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.

Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanen

En dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:

Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.

Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!

De zond' geprent was in de tafel van haar herte.

D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoet

Ik in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boet

In iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:

De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,

Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,

Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:

Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,

Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;

Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,

Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,

En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,

En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.

Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,

Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],

Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henen

Het volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:

Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,

Die held, die geestelijk zou volgen David na,

En 't hoofd vermalen[220]van d' erfvijand, die de zielen

Der menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.

Eccles.49.

Hezekiël zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte, dat hij hem wees uit den wagen Cherubim. Hij heeft geprofeteerd tegen de vijanden, en troost verkondigd dien, die daar recht doen.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannenRondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grimHadde over hem[221]gewekt: of onze vorst verslagenMij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlangDen Hemel afgetergd had Sions ondergang,Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,Onwederroepelijk geschapen was te volgen:Hij fluks, behoudens goed en leven, overgafDe stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de murenVan Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:Dies mij Jehova van zijn glorierijken troonKwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,Ging openen, opdat mijn profecye steêMocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.'t Verstrooyende[225]geslacht, dat droevig en ontsteldGing dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,Met dezen[226]herder ik vertroostte, die zou weidenDe stammen in het groen der beemden, die voortaan,Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staanIn groei en bloei, zoo haast als Israël te stadeKwam een slagregen van Gods goedheid engenade.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannenRondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grimHadde over hem[221]gewekt: of onze vorst verslagenMij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlangDen Hemel afgetergd had Sions ondergang,Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,Onwederroepelijk geschapen was te volgen:Hij fluks, behoudens goed en leven, overgafDe stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de murenVan Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:Dies mij Jehova van zijn glorierijken troonKwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,Ging openen, opdat mijn profecye steêMocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.'t Verstrooyende[225]geslacht, dat droevig en ontsteldGing dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,Met dezen[226]herder ik vertroostte, die zou weidenDe stammen in het groen der beemden, die voortaan,Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staanIn groei en bloei, zoo haast als Israël te stadeKwam een slagregen van Gods goedheid engenade.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannenRondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grimHadde over hem[221]gewekt: of onze vorst verslagenMij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlangDen Hemel afgetergd had Sions ondergang,Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,Onwederroepelijk geschapen was te volgen:Hij fluks, behoudens goed en leven, overgafDe stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de murenVan Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:Dies mij Jehova van zijn glorierijken troonKwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,Ging openen, opdat mijn profecye steêMocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.'t Verstrooyende[225]geslacht, dat droevig en ontsteldGing dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,Met dezen[226]herder ik vertroostte, die zou weidenDe stammen in het groen der beemden, die voortaan,Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staanIn groei en bloei, zoo haast als Israël te stadeKwam een slagregen van Gods goedheid engenade.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannen

Rondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,

En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,

Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grim

Hadde over hem[221]gewekt: of onze vorst verslagen

Mij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:

En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlang

Den Hemel afgetergd had Sions ondergang,

Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,

Onwederroepelijk geschapen was te volgen:

Hij fluks, behoudens goed en leven, overgaf

De stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],

En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de muren

Van Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.

Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,

Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,

De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,

Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:

Dies mij Jehova van zijn glorierijken troon

Kwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].

Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,

En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,

Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,

Ging openen, opdat mijn profecye steê

Mocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,

Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.

't Verstrooyende[225]geslacht, dat droevig en ontsteld

Ging dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,

En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,

Met dezen[226]herder ik vertroostte, die zou weiden

De stammen in het groen der beemden, die voortaan,

Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staan

In groei en bloei, zoo haast als Israël te stade

Kwam een slagregen van Gods goedheid engenade.

1Mach.2.

Daniël wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.


Back to IndexNext