Vier Uitersten[1].

Vier Uitersten[1].I.De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.II.'t Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3]'t vonnis is bevolen.III.Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4]de ziel doorsnijdenDes geens, die als een bok ter slinker zijde staat,Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"IV.O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hoorenAan Kristi rechter hand die liefelijke stem:"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"[1]Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.[2]uit den dooden.[3]Versta:en wien.[4]zal 't.[5]Latijnsche zegswijs voorblijde,gelukkige dag.

I.De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.II.'t Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3]'t vonnis is bevolen.III.Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4]de ziel doorsnijdenDes geens, die als een bok ter slinker zijde staat,Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"IV.O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hoorenAan Kristi rechter hand die liefelijke stem:"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"

I.De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.II.'t Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3]'t vonnis is bevolen.III.Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4]de ziel doorsnijdenDes geens, die als een bok ter slinker zijde staat,Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"IV.O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hoorenAan Kristi rechter hand die liefelijke stem:"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"

I.

I.

De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.

De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?

Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,

D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,

Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.

II.

II.

't Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3]'t vonnis is bevolen.

't Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,

Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]

Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,

Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3]'t vonnis is bevolen.

III.

III.

Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4]de ziel doorsnijdenDes geens, die als een bok ter slinker zijde staat,Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"

Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4]de ziel doorsnijden

Des geens, die als een bok ter slinker zijde staat,

Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:

"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"

IV.

IV.

O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hoorenAan Kristi rechter hand die liefelijke stem:"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"

O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hooren

Aan Kristi rechter hand die liefelijke stem:

"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!

Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"

[1]Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.

[1]Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.

[2]uit den dooden.

[2]uit den dooden.

[3]Versta:en wien.

[3]Versta:en wien.

[4]zal 't.

[4]zal 't.

[5]Latijnsche zegswijs voorblijde,gelukkige dag.

[5]Latijnsche zegswijs voorblijde,gelukkige dag.


Back to IndexNext