HYMNUS OFTE LOF-GEZANGOVERDE WIJD-BEROEMDE SCHEEPVAART DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

HYMNUS OFTE LOF-GEZANGOVERDE WIJD-BEROEMDE SCHEEPVAART DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.O bondigh[1]Nederland, die al des werelds perkenBeschaduwt, en doorvliegt met uw bepekte vlerken,En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeftTot daar nature dy haar rijkste schatten geeft;—Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,Waar bij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.En gij, o Amiraal[2]! die op de winden zwiert,En van 't lazurig veld[3]de zoute toomen stiert,Mijn reize gunstig zijt: op dat ik met verblijdenMag aan een goede kust het anker laten glijden,Al-waar ik naauw geland zal mijn beloft voldoen,En 't heilig altaar-plat met heeten wyrook voên.Toen 't menschelijk geslacht hadde onder zijn bestierenDe vogelen gebracht, en de ongetemde dieren,Wat rest'er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meêVermeesteren in 't net de visschen van der zee?—'t Was niet zoo haast gezeid, de een ging de zoete stroomenBerijden, half beangst, met uitgeholde boomen:Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,Zich naauwelijks in 't diep van strande geven dorst,Die, met een lichte bark van barstig bokken-lederHeel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,Zoo lange tot zij 't want optrokken met de visch,En met een versche vangst bekroonden haren disch.Maar de onverzaadlijkheid des menschen, niet te vredenMet nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,Hier mede niet vernoegd, dus bij zich zelven spreekt:Wat is 't doch dat ons let? wat is 't dat ons ontbreekt?Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,'t Gene ons klimaat ontbeert, in de een of ander hoeken?Of zal de schrik des doods, 't woeste opgeblazen meer,Het ruischen van de wind, en 't bulderende weêr,Van een zoo stoute daad ons eizen doen en beven?Neen, neen! naar rijkdom streeft, of wenscht niet meer te leven,Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!Heel weinig is 't verschil, of na dit tijdlijk slavenWij worden in der aarde, of in de zee begraven,En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.Elk rept van stonden aan zijn handen tot den werke,De een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke,Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast,Die maakt den wouwe-steert[4], het roer, van achter vast,Den eenen 't anker smeedt, die draait de kenpsche[5]zeelen,En d' ander 't vlakke zeil de winden gaat bevelen.Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisschen door het nat,En keert fluks wederom met alderhande schat.Van een zoo nutte kunst, krijgt haast de nieuwe marenSesostris, de monarch der oude Egyptenaren:Die door 't Arabisch meer een vlote kielen sleept,En met zijn oorlogs-heer naar Indus overscheept,Keert veilig weder t' huis, als vele uitheemsche rijkenHij onderworpen had den scepter van Afrijken.Dit 's wel den eersten prince of koning, die de zeênHeeft met een houten peerd betreden en bereên,Die als een heldre toorts geluchtet[6]heeft voor-henen;Welk zijn op 't spoor gevolgd de machtige Turrhenen[7],Na dees de Tyriers[8], en zoo is voorts verbreidDees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,Die hier door werd bereikt, en lichtelijk verkregen?Waar zij in zwange raakt, of uitsteekt hare borst,Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen vorst,Vruchtrijke markten van onnutte en dorre stranden;Getuigen zuldy[9]zijn, vereende Nederlanden!Wiens voorste[10]zee-steên, hier na 't leven afgemaald[11],De aanschouwer al verbaasd met zijn gezicht bestraalt[12],Verbaasd, omdat hij zoo veel toorens ziet gewassenUit laag verzopen[13]land, uit poelen, en morassen,'t Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam 't beroemd,Enkhuizen 't haring-rijk, 't kloek Middelburg, genoemdDer Zeeuwen beste pand, en Vlissing, 't wel gelegenOm raken af en aan, door de ongebaande wegen;—In deze peerlenkreits voornamelijken gantsOf aldermeest bestaat de zee-vaart dezes lands.Van ouder tijden staâg, in oorloge en in vrede,Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede,Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,En, neffens veel tribuuts[14], niet weinig luisters gavenDen vorstelijken naam van haar gehulde[15]graven,Derwelker eer en roem zich spreidde wijd en zijd,En hielden ridderlijk den zegen[16]in den strijd.Waarom de Caesars[17]ook, en ander Potentaten,Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.Twee Diederijken zijn (of immers als men[18]leest)Gezwagers van de kroon der Franken eer geweest;Arnolf, de derde, had twee keizeren te gader,Tot eenen zwager d' een, den andren tot schoon-vader;Wilhelm de tweede, graaf van Holland, werd alom[19]Beroepen tot Monarch van 't Duitsche Keizerdom.En waar door anders zijn dees graaffelijke heerenGeklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,Als door de zegening der scheep-vaart, die den schootDer landen maakte rijk, en hare vorsten groot!En Carolus, genaamd de vijfde van den rijkeDes keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijkeTot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,Wien zelfs zijn heiligheid, der kerken hoofd Clement[20],De pratte koningen van Frankrijk en Naveerne[21],Zoo andre vorsten meer, zich onderwierpen geerne,Voor wie eerbiedig heeft de Kleefsche vorst geknield[22];Die gansch Europa niet alleen in vreeze hield,Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerdeZijn wapens voelen dede, en 't staal van zijnen zweerde;Die als monarche droeg van 't driemaal heilig grafDe koninklijke kroon, den titel, en den staf;Die (zegge ik) heeft geproefd[23]wat nut, in zijne tochtenEn krijger, jaarlijks dees provincen aan hem brochten.Waarom hij niet vergeefs, verstandig en bekwaam,Philippum zijnen zone, en een'gen erfgenaamVermaande, geenzins niet den Iber toe te latenMet zijnen trotschen kop 't beheerschen dezer staten,De welke lange om 't lijf niet passen zou den rokVan zulk een forsch gebied, als 't Spaansche ondraaglijk jok;Maar 's vaders lesse heeft de zone haast vergeten,Die 't uitheemsch bloed beveelt 's lands rechten en geweten;Dies slachtet[24]Neder-land 't getergde Spaansche ros,'t Welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toomen los,Begeeft zich buiten spoor (de meester mag niet gelden),En briesschende gewint den sleutel van de velden[25];De ridder ligt vertreên, vermeesterd t'zijner spijt,De meester is den hengst, de hengst den meester kwijt.Enkhuizen is de burg, daar d' eere van Oranjen[26]Langs over komt te lande, en schut[27]de macht van Spanjen,De geld-kasse Amsteldam, in 't geven rijk en mild,'t Zeeuwsch Vlissingen, van 't land de grendel of den schild,'t Vermaarde Rotterdam, 't kloek Middelburg, en de ander,Van de algemeene zaak voorstanders met malkander;Meet hun vermogen af, en rekent, ik verzwijgWat al verslonden heeft de veertig-jaar'ge krijg[28];Krijg, tegen dien monarch, die waagde tot den lestenWat zijn Thresoor verzwolg van Oosten, en van Westen,Tot dat hij uitgeput, verpandet en verschuld,Ons eind'lijk met den hoed der vrijheid heeft gehuld.Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,Zij veilig als voor-heen de stroomen staâg bevoeren,Dewijle, 't beste deel der havens op haar zij,Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven[29],In kloekheid lagen meest haar[30]vijanden te boven,Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,Doorploegden 't vochte veld met voorspoed en gewin.'t Oneindelijk[31]getal van dees gevlerkte kielen,Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,Den Deenschen koning gaf verwondering genoeg,Toen hij'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg[32],Behalven de ander die hun streken elders namen,En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t' zamen,Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijtIn 't Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.Toen 't vliegende gerucht ons met een luid geschreyeBracht tijding van de vlote, en groote scheeps-armeye[33],Waar mede Quinti[34]zone alreê zich had beloofdDe kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,De staten met der haast tot weder-stand begrepenTe reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,Om rustig op den Teems den pratten CastiljaanHet aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan,En tellende hun macht, bevonden al verwonderdVan weerbaar schepen meer als driemaal negen honderd,Daar 't minste van geschat tienmaal tien vaten groot,Gaat bruischen voor den wind, gereed in tijd van nood:Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,Die om den visch-vang nog op 't zoute water vloten,Ik laat de binnen-vaart van de een tot de ander stad,Van 't een in 't ander meer door 't schoon gemarmerd[35]nat,Van heuden[36], pleiten, boots, smak-zeilen[37], ofte[38]stevens[39],En duizend andre meer tot onderhoud des levens.In 't gulden Jubel-jaar[40], doe[41]onzen held[42]met machtZijn overwonnen heer op 's vijands bodem bracht,Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilenEen vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzienTwee legers aan de strand malkand'ren 't voorhoofd biên,Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,Daar eenen donder roers[43]ten wolken weder-schalt,Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,Daar 't polver[44]van 't geschut gaat eenen bliksem geven,Dat hemel, aarde, en zee, staan t' zitteren[45], en beven;Help! wat een wonder was 't, toen langs de vlakke zeeDes vijands ordening gebroken werd in twee,Zijn Hoogheid[46]al verbaasd het vlieden had verkoren,En zijnen veldheer liet met 't gansche heer verloren:Den Arragon[47]gevaên, zijn krijgs-volk in het zandBegraven hier en daar, ons helden de overhand.Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen,Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,Laat slapen[48]dezen wolf, en niet den gene wektDie 't Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.Den visch-vang voor-geroerd[49]van zooveel haring-buizen,(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizenGedreven hier en daar, op hoop van vrijen buitOp Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen[50]uit)Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden neringEn voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!Oprechte Zebedeên[51]! die stadig op 't verbolgenZee-waters woesten plas[52]bespoeld wordt van de golgen[53],Die Petrum volgt op 't spoor, en schier den meesten tijdUw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig,Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt't Zij weinig ofte veel, wat gij in 't garen vangt.Toen Draak en Candisch[54]vast nieuw-werelden ontdekten,Om 's werelds ommeloop haar[55]vleugelen uitrekten,En keerden elk op 't lest van een zoo nutte reisMet zijde-zeilen aan West-munster, 't groot paleis;De bondgenooten[56]ook begonden te verlangen,Om op een goede hoop van winning aan te vangen,'t Geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan,Te meer dewijl zij, vrank en niemand onderdaan,Niet hadden om te zien naar 's Roomschen paus statuiten,Dewelke af-gunstig haar van d' Indie-vaart uitsluiten.Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen reiDer Cosmografen[57]fluks (om China en Cathay[58]Langs 't Noorden op te doen) zich onderling beraden,Daar om den doorgang elk te vinden is beladen[59].De een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is berichtDat vóór veel eeuwen lang, is, op de Duitsche stranden,Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,Dat tot tweemalen toe dees streke werd bezocht,Wijd onder 't Beersche[60]licht: maar laas! met weinig bate,Niet wijders op gedaan als der Nassouwen strate.Maar Willem Barendszoon, als voogd en principaal,Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maalBestoken op vier min als vier-maal twintig trappen[61],En daalt ter Hellen waart, daar nergens menschen stappen,Daar hem Corneliszoon[62]in nood en lijfsgevaarOm al des werelds schat geensins wil volgen naar[63];Dan Barendszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan 's werelds enden.Nature wordt beroerd: "zal ik dan gansch verkracht(Zegt zij) ten lesten zijn vant menschelijk geslacht?Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,Die eenmaal heeft gesteld de moeder aller dingen?Zal dan geen plaatse zijn op 's werelds aangezicht,Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"'t Is naauwelijks gezeîd, een wonderbaar geweldVan hagel, storm en wind de zee ten wolken welt;De een schotse op de ander tast, tot eenen ijzen[64]torenOf glinsterenden berg, daar 't schip op blijft verloren.Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren[65]Met witte vossen vleesch, te strijden met de beeren,In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,Daar 't licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,En t' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;Nog even wel en mag door geenen zonne-schijnDie hard bevrozen kolk geensins ontdooyet[66]zijn,Gezwijge, datmen hier zoude ergens loof of fruitenUit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.Na dat nu Barendszoon de kille Noordsche lochtDriemaal drie maanden[67]lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,Hij, als in lijfs gevaar, zich zelven gaat te buiten,'t Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,Door zoo veel graauwe zeên, daar hem uit 's werelds kruisGod in zijn ruste haalt; zijn hulpers[68]komen 't huis.De Batavieren[69], die terwijlen niet en rusten,Met vier kasteelen[70]gaan bezoeken Indi-kusten,De mid'lijn kruisen zij, en nemend haren loopVast door-gaans langs de Kape of kust van Goede Hoop,Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,En, blijvende op den weg[71], laat 't lieve vaderland't Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig[72]pand.'t Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen.Men schepen tweemaal vier gaat door de baren slepen,Daar Neck[73]ter goeder tijd den gulden dageraadZoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,Hij 't land den offer biedt en reuk der specerijen,Die één gewaget[74]heeft krijgt vier daar voren[75]weêr;Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.Mijn glas[76]te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,Hoe Olivier van Noord, de Straat der Magellanen[77]Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den klootDer aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot.Ik zwijg, hoe dikmaal 't Weste ontbloot is van gesteente,Van peerlen, en van goud, tot welstand der gemeente,Castiliën zwelt van nijd, dat zoo een rijke leenAls 't gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:Dat deze gouden tuin in de allerzoetste luchtenOns in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten:Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op 't lestDen draai-boom vande vaart van Oosten, en van West.De bondgenooten hier niet weinig op en letten,Maar de eilanden alsins met wapenen bezetten,Tot welken einde ook nu (om zijn ervarenheid)Den kloeken Geraert Reynst gegeven is 't beleid,Als opper-amiraal, om de Indische kwartierenTen besten van 't gemeen verstandig te bestieren;De lieve Hemel hem doch zonder ongevalTer plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,Op dat 't gezelschap mag door hem des Heeren zegenMet dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,En wassen meer en meer, gelijk men groenen zietDen schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet.Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zeilaziën.Maar kinder-spel bij al ons drijvende bosschaziën[78],Die door 't gekrolde[79]blaauw gaan voeren haren last,Getimmerd op een ree, daar nergens hout en wast,En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,Gelijk bereeknen mag den vlijtigen aanmerker[80].Ulysses, Hercules, of Tyfis, wie gij zijt,Die uw merk-teekens er hebt opgerecht zoo wijdOf gij verrijzen mocht, hoe zoudy[81]u verwond'ren,Zoo onze sloten[82]gij zoo verre hoorde dond'ren!Zoo van de Noordsche baak[83]gij zaagt den grijzen tsop[84]Van't Oosten tot int West ons krijgs-heir trekken op!Zoo vele schatten ook den wankelen gebouwen,Het avontuur der zee, en 's Hemels gunst vertrouwen!Zoo gij de kusten zaagt van 't eene en 't ander veld,Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteldBij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,Van Neck, Heemskerck, en meer van haar vlies-genoten[85],Waar van de Antipoden begroet zijn op de rij,Die and're sterren zien en Hemel-locht als wij.Naast Hem die 't al regeert, voert vander Staten stroomenNassau[86]als Amiraal de breidels en de toomen,Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,'t Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,Of ergens winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen[87],Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet,Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:Ligt[88], winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,Gij ziet wat grooter vorst mijn natte borst door-kruist!Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimp'len,Wacht u mijn aangezicht met golven te berimp'len,Op dat gelijkerhand wij dienen zonder noodDen genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot.Gelijk als aan de strangh[89], de duinen ons ten goedenBeletten met geweld den overloop der vloeden,Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,Waar door al 't leege[90]land in rep en roere raakt,Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,'t Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,Haar palen uitgestrekt, en eind'lijk door zijn driftDen vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.O onverwonnen prince! O, bloeme van Oranjen!O grooten kapitein! O tegengift van Spanjen!'t Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,Die t' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist[91],En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris orden[92]Groot ridder van de kroon Britanniæ geworden.Bestendig moet de vrede, O Nederlanders! duren,O heimelijke schrik van uwe na-geburen!Een ieder u bemint, een ieder u begeert,Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd,De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,En onderling met u eendrachtig haar[93]verbinden,De tulpand[94]-drager Turk, het Ottomansche zaad,Die 't heele Kristen rijk dreigt met een wreed gelaat,Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd[95],Heeft zijnen scepter korts met uw gebied vereenigd,Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,Als vorsten henen treedt, wat zal u mogen baten?Wat batet[96], of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?Zoo gij te hooge vliegt, te leege[97]zuldy dalen,Zoo gij den bliksem naakt, o wacht u voor zijn stralen!De straffe in tijds ontvlucht, ziet 's Heeren goedheid aan,Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.Van Tyriers, Sidoniers, en van CapernaïetenDoor ware boete wordt bekeerde Ninivieten!Worpt al uw kroonen weg, uw purp'ren sluyers scheurt,En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!Uwe ooren opensluit voor 't luid geschrei der armen,En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!Volgt deze handelaars, van wiens Ofirisch goudEn zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.Gods tempelen voorwaar zijn dearmeKristenleden,Waar aan gij al uw goud en zilver moogt besteden:Den wijzen koopman slacht, die 't beste deel verkiestEn om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.Men loopt, men woelt, men draaft met gierige gemoedren:Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goederen.Veel zeên men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,Maar 't scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,En met den blinden mol blijft niet in d' aarde wroeten;Maar koopt een zeker rent, een eeuwig blijvend pandIn't nieuw Jeruzalem, der vromen vaderland,Al waar te vinden is, naar[98]al dit pijnlijk slaven,Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.Gedurende, o mijn God! dat ik in 's werelds krijt[99]Naar uwen heil'gen wil mijn brooze leven slijt,Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,Tot de eere dijnes naams, en bouwing dijner kerk.[1]Voorverbonden.[2]De Godheid als beheerscheres der zee.[3]De blaauwe zeevlakte.[4]Anders en gewoonlijkzwaluwstaart.[5]Vanhennep.[6]geschenen(verg. nog onsluchtenenluchter).[7]De naar Italië geweken Etruriërs.[8]De zeevarende Feniciërs.[9]zult gij.[10]Voornaamste, verg. 't Eng.first.[11]Denkelijk op de prent, bij de eerste afzonderlijke uitgave.[12]Voorbekijkt.[13]Thansverdronken.[14]schatting.[15]Verkeerdelijk voorgehuldigde.[16]Voorzege.[17]Keizers; zie vervolgens.[18]althans gelijk men.[19]algemeen.[20]Paus Clemens VII.[21]Rijmshalven voorNavarre.[22]Willem van Gulik, 7 Sept. 1543 in 't kamp voor Venlo.[23]ondervonden.[24]gelijkt.[25]Voorhet open veld.[26]Willem de Zwijger.[27]afweert,stuit.[28]Tot aan het Bestand nam.[29]Nam.de wijde wateren.[30]Thanshun.[31]Vooroneindig.[32]met zijn blik, en dusbemerkte.[33]de onoverwinnelijke vloot.[34]CarolusQuintusof V.[35]Vooreffen,vlak.[36]Kleine schepen.[37]betersmakken.[38]Thansof; zie vroeger.[39]Rijmshalven, het deel voor 't geheele vaartuig.[40]1600.[41]Thanstoen.[42]Maurits, bij Nieuwpoort; zie vervolgens.[43]Vanvuurroeren.[44]buskruid.[45]betersidderen.[46]Aartshertog Albert.[47]Mendoça.[48]Tijdens 't Bestand.[49]voormeld; zie een 30 regels vroeger.[50]Thanswerpen.[51]Bijbelnaam voorvisschers.[52]Versta;op den woesten plas van 't verbolgen water, en verg. denzelfden zinbouw boven, in't Pascha.[53]Voorgolven.[54]De Engelsche zeevaarders Drake en Cavendish.[55]Thanshun.[56]de Nederlanders.[57]Wereldbeschrijvers.[58]Middeleeuwsche naam voor N.-China.[59]bezorgd,er op uit.[60]van den beer.[61]Voorgraden.[62]de achtergebleven Rijp.[63]Thansna.[64]Voorvan ijs.[65]voeden,geneeren.[66]Thansontdooid.[67]Voor driemaal, telkens voor drie maanden.[68]Andershelpers.[69]Voor Nederlanders.[70]Voor grooteschepen.[71]Daar hij in 1597 vermoord werd.[72]dierbaarofduur-waardig.[73]J. Sz. van Neck.[74]Voorgewaagd.[75]voor.[76]uurglas,tijd.[77]Rijmshalven voor vanMagellaan.[78]van mastennam.[79]gekrulde,golvende.[80]opmerker.[81]zoudt gij.[82]schepen(gelijk bovenkasteelen).[83]punt.[84]top.[85]tochtgezellen(zinspeling op die van 't gulden vlies der oudheid).[86]Prins Maurits.[87]Oostende,(wegens 't driejarig beleg).[88]Legt u,gaat of blijft liggen.[89]Naar de plat-Hollandsche uitspraak voorstrand.[90]Voorlage.[91]Minder juist voorprijs gegeven,gewaagd.[92]De Engelsche ridderorde van St. Joris.[93]Thanszich.[94]AndersTulband.[95]versteend,doof.[96]baathet.[97]laag.[98]Thansna.[99]kring,perk.

O bondigh[1]Nederland, die al des werelds perkenBeschaduwt, en doorvliegt met uw bepekte vlerken,En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeftTot daar nature dy haar rijkste schatten geeft;—Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,Waar bij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.En gij, o Amiraal[2]! die op de winden zwiert,En van 't lazurig veld[3]de zoute toomen stiert,Mijn reize gunstig zijt: op dat ik met verblijdenMag aan een goede kust het anker laten glijden,Al-waar ik naauw geland zal mijn beloft voldoen,En 't heilig altaar-plat met heeten wyrook voên.Toen 't menschelijk geslacht hadde onder zijn bestierenDe vogelen gebracht, en de ongetemde dieren,Wat rest'er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meêVermeesteren in 't net de visschen van der zee?—'t Was niet zoo haast gezeid, de een ging de zoete stroomenBerijden, half beangst, met uitgeholde boomen:Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,Zich naauwelijks in 't diep van strande geven dorst,Die, met een lichte bark van barstig bokken-lederHeel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,Zoo lange tot zij 't want optrokken met de visch,En met een versche vangst bekroonden haren disch.Maar de onverzaadlijkheid des menschen, niet te vredenMet nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,Hier mede niet vernoegd, dus bij zich zelven spreekt:Wat is 't doch dat ons let? wat is 't dat ons ontbreekt?Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,'t Gene ons klimaat ontbeert, in de een of ander hoeken?Of zal de schrik des doods, 't woeste opgeblazen meer,Het ruischen van de wind, en 't bulderende weêr,Van een zoo stoute daad ons eizen doen en beven?Neen, neen! naar rijkdom streeft, of wenscht niet meer te leven,Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!Heel weinig is 't verschil, of na dit tijdlijk slavenWij worden in der aarde, of in de zee begraven,En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.Elk rept van stonden aan zijn handen tot den werke,De een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke,Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast,Die maakt den wouwe-steert[4], het roer, van achter vast,Den eenen 't anker smeedt, die draait de kenpsche[5]zeelen,En d' ander 't vlakke zeil de winden gaat bevelen.Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisschen door het nat,En keert fluks wederom met alderhande schat.Van een zoo nutte kunst, krijgt haast de nieuwe marenSesostris, de monarch der oude Egyptenaren:Die door 't Arabisch meer een vlote kielen sleept,En met zijn oorlogs-heer naar Indus overscheept,Keert veilig weder t' huis, als vele uitheemsche rijkenHij onderworpen had den scepter van Afrijken.Dit 's wel den eersten prince of koning, die de zeênHeeft met een houten peerd betreden en bereên,Die als een heldre toorts geluchtet[6]heeft voor-henen;Welk zijn op 't spoor gevolgd de machtige Turrhenen[7],Na dees de Tyriers[8], en zoo is voorts verbreidDees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,Die hier door werd bereikt, en lichtelijk verkregen?Waar zij in zwange raakt, of uitsteekt hare borst,Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen vorst,Vruchtrijke markten van onnutte en dorre stranden;Getuigen zuldy[9]zijn, vereende Nederlanden!Wiens voorste[10]zee-steên, hier na 't leven afgemaald[11],De aanschouwer al verbaasd met zijn gezicht bestraalt[12],Verbaasd, omdat hij zoo veel toorens ziet gewassenUit laag verzopen[13]land, uit poelen, en morassen,'t Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam 't beroemd,Enkhuizen 't haring-rijk, 't kloek Middelburg, genoemdDer Zeeuwen beste pand, en Vlissing, 't wel gelegenOm raken af en aan, door de ongebaande wegen;—In deze peerlenkreits voornamelijken gantsOf aldermeest bestaat de zee-vaart dezes lands.Van ouder tijden staâg, in oorloge en in vrede,Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede,Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,En, neffens veel tribuuts[14], niet weinig luisters gavenDen vorstelijken naam van haar gehulde[15]graven,Derwelker eer en roem zich spreidde wijd en zijd,En hielden ridderlijk den zegen[16]in den strijd.Waarom de Caesars[17]ook, en ander Potentaten,Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.Twee Diederijken zijn (of immers als men[18]leest)Gezwagers van de kroon der Franken eer geweest;Arnolf, de derde, had twee keizeren te gader,Tot eenen zwager d' een, den andren tot schoon-vader;Wilhelm de tweede, graaf van Holland, werd alom[19]Beroepen tot Monarch van 't Duitsche Keizerdom.En waar door anders zijn dees graaffelijke heerenGeklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,Als door de zegening der scheep-vaart, die den schootDer landen maakte rijk, en hare vorsten groot!En Carolus, genaamd de vijfde van den rijkeDes keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijkeTot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,Wien zelfs zijn heiligheid, der kerken hoofd Clement[20],De pratte koningen van Frankrijk en Naveerne[21],Zoo andre vorsten meer, zich onderwierpen geerne,Voor wie eerbiedig heeft de Kleefsche vorst geknield[22];Die gansch Europa niet alleen in vreeze hield,Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerdeZijn wapens voelen dede, en 't staal van zijnen zweerde;Die als monarche droeg van 't driemaal heilig grafDe koninklijke kroon, den titel, en den staf;Die (zegge ik) heeft geproefd[23]wat nut, in zijne tochtenEn krijger, jaarlijks dees provincen aan hem brochten.Waarom hij niet vergeefs, verstandig en bekwaam,Philippum zijnen zone, en een'gen erfgenaamVermaande, geenzins niet den Iber toe te latenMet zijnen trotschen kop 't beheerschen dezer staten,De welke lange om 't lijf niet passen zou den rokVan zulk een forsch gebied, als 't Spaansche ondraaglijk jok;Maar 's vaders lesse heeft de zone haast vergeten,Die 't uitheemsch bloed beveelt 's lands rechten en geweten;Dies slachtet[24]Neder-land 't getergde Spaansche ros,'t Welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toomen los,Begeeft zich buiten spoor (de meester mag niet gelden),En briesschende gewint den sleutel van de velden[25];De ridder ligt vertreên, vermeesterd t'zijner spijt,De meester is den hengst, de hengst den meester kwijt.Enkhuizen is de burg, daar d' eere van Oranjen[26]Langs over komt te lande, en schut[27]de macht van Spanjen,De geld-kasse Amsteldam, in 't geven rijk en mild,'t Zeeuwsch Vlissingen, van 't land de grendel of den schild,'t Vermaarde Rotterdam, 't kloek Middelburg, en de ander,Van de algemeene zaak voorstanders met malkander;Meet hun vermogen af, en rekent, ik verzwijgWat al verslonden heeft de veertig-jaar'ge krijg[28];Krijg, tegen dien monarch, die waagde tot den lestenWat zijn Thresoor verzwolg van Oosten, en van Westen,Tot dat hij uitgeput, verpandet en verschuld,Ons eind'lijk met den hoed der vrijheid heeft gehuld.Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,Zij veilig als voor-heen de stroomen staâg bevoeren,Dewijle, 't beste deel der havens op haar zij,Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven[29],In kloekheid lagen meest haar[30]vijanden te boven,Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,Doorploegden 't vochte veld met voorspoed en gewin.'t Oneindelijk[31]getal van dees gevlerkte kielen,Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,Den Deenschen koning gaf verwondering genoeg,Toen hij'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg[32],Behalven de ander die hun streken elders namen,En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t' zamen,Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijtIn 't Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.Toen 't vliegende gerucht ons met een luid geschreyeBracht tijding van de vlote, en groote scheeps-armeye[33],Waar mede Quinti[34]zone alreê zich had beloofdDe kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,De staten met der haast tot weder-stand begrepenTe reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,Om rustig op den Teems den pratten CastiljaanHet aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan,En tellende hun macht, bevonden al verwonderdVan weerbaar schepen meer als driemaal negen honderd,Daar 't minste van geschat tienmaal tien vaten groot,Gaat bruischen voor den wind, gereed in tijd van nood:Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,Die om den visch-vang nog op 't zoute water vloten,Ik laat de binnen-vaart van de een tot de ander stad,Van 't een in 't ander meer door 't schoon gemarmerd[35]nat,Van heuden[36], pleiten, boots, smak-zeilen[37], ofte[38]stevens[39],En duizend andre meer tot onderhoud des levens.In 't gulden Jubel-jaar[40], doe[41]onzen held[42]met machtZijn overwonnen heer op 's vijands bodem bracht,Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilenEen vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzienTwee legers aan de strand malkand'ren 't voorhoofd biên,Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,Daar eenen donder roers[43]ten wolken weder-schalt,Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,Daar 't polver[44]van 't geschut gaat eenen bliksem geven,Dat hemel, aarde, en zee, staan t' zitteren[45], en beven;Help! wat een wonder was 't, toen langs de vlakke zeeDes vijands ordening gebroken werd in twee,Zijn Hoogheid[46]al verbaasd het vlieden had verkoren,En zijnen veldheer liet met 't gansche heer verloren:Den Arragon[47]gevaên, zijn krijgs-volk in het zandBegraven hier en daar, ons helden de overhand.Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen,Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,Laat slapen[48]dezen wolf, en niet den gene wektDie 't Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.Den visch-vang voor-geroerd[49]van zooveel haring-buizen,(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizenGedreven hier en daar, op hoop van vrijen buitOp Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen[50]uit)Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden neringEn voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!Oprechte Zebedeên[51]! die stadig op 't verbolgenZee-waters woesten plas[52]bespoeld wordt van de golgen[53],Die Petrum volgt op 't spoor, en schier den meesten tijdUw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig,Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt't Zij weinig ofte veel, wat gij in 't garen vangt.Toen Draak en Candisch[54]vast nieuw-werelden ontdekten,Om 's werelds ommeloop haar[55]vleugelen uitrekten,En keerden elk op 't lest van een zoo nutte reisMet zijde-zeilen aan West-munster, 't groot paleis;De bondgenooten[56]ook begonden te verlangen,Om op een goede hoop van winning aan te vangen,'t Geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan,Te meer dewijl zij, vrank en niemand onderdaan,Niet hadden om te zien naar 's Roomschen paus statuiten,Dewelke af-gunstig haar van d' Indie-vaart uitsluiten.Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen reiDer Cosmografen[57]fluks (om China en Cathay[58]Langs 't Noorden op te doen) zich onderling beraden,Daar om den doorgang elk te vinden is beladen[59].De een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is berichtDat vóór veel eeuwen lang, is, op de Duitsche stranden,Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,Dat tot tweemalen toe dees streke werd bezocht,Wijd onder 't Beersche[60]licht: maar laas! met weinig bate,Niet wijders op gedaan als der Nassouwen strate.Maar Willem Barendszoon, als voogd en principaal,Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maalBestoken op vier min als vier-maal twintig trappen[61],En daalt ter Hellen waart, daar nergens menschen stappen,Daar hem Corneliszoon[62]in nood en lijfsgevaarOm al des werelds schat geensins wil volgen naar[63];Dan Barendszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan 's werelds enden.Nature wordt beroerd: "zal ik dan gansch verkracht(Zegt zij) ten lesten zijn vant menschelijk geslacht?Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,Die eenmaal heeft gesteld de moeder aller dingen?Zal dan geen plaatse zijn op 's werelds aangezicht,Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"'t Is naauwelijks gezeîd, een wonderbaar geweldVan hagel, storm en wind de zee ten wolken welt;De een schotse op de ander tast, tot eenen ijzen[64]torenOf glinsterenden berg, daar 't schip op blijft verloren.Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren[65]Met witte vossen vleesch, te strijden met de beeren,In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,Daar 't licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,En t' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;Nog even wel en mag door geenen zonne-schijnDie hard bevrozen kolk geensins ontdooyet[66]zijn,Gezwijge, datmen hier zoude ergens loof of fruitenUit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.Na dat nu Barendszoon de kille Noordsche lochtDriemaal drie maanden[67]lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,Hij, als in lijfs gevaar, zich zelven gaat te buiten,'t Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,Door zoo veel graauwe zeên, daar hem uit 's werelds kruisGod in zijn ruste haalt; zijn hulpers[68]komen 't huis.De Batavieren[69], die terwijlen niet en rusten,Met vier kasteelen[70]gaan bezoeken Indi-kusten,De mid'lijn kruisen zij, en nemend haren loopVast door-gaans langs de Kape of kust van Goede Hoop,Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,En, blijvende op den weg[71], laat 't lieve vaderland't Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig[72]pand.'t Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen.Men schepen tweemaal vier gaat door de baren slepen,Daar Neck[73]ter goeder tijd den gulden dageraadZoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,Hij 't land den offer biedt en reuk der specerijen,Die één gewaget[74]heeft krijgt vier daar voren[75]weêr;Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.Mijn glas[76]te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,Hoe Olivier van Noord, de Straat der Magellanen[77]Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den klootDer aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot.Ik zwijg, hoe dikmaal 't Weste ontbloot is van gesteente,Van peerlen, en van goud, tot welstand der gemeente,Castiliën zwelt van nijd, dat zoo een rijke leenAls 't gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:Dat deze gouden tuin in de allerzoetste luchtenOns in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten:Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op 't lestDen draai-boom vande vaart van Oosten, en van West.De bondgenooten hier niet weinig op en letten,Maar de eilanden alsins met wapenen bezetten,Tot welken einde ook nu (om zijn ervarenheid)Den kloeken Geraert Reynst gegeven is 't beleid,Als opper-amiraal, om de Indische kwartierenTen besten van 't gemeen verstandig te bestieren;De lieve Hemel hem doch zonder ongevalTer plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,Op dat 't gezelschap mag door hem des Heeren zegenMet dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,En wassen meer en meer, gelijk men groenen zietDen schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet.Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zeilaziën.Maar kinder-spel bij al ons drijvende bosschaziën[78],Die door 't gekrolde[79]blaauw gaan voeren haren last,Getimmerd op een ree, daar nergens hout en wast,En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,Gelijk bereeknen mag den vlijtigen aanmerker[80].Ulysses, Hercules, of Tyfis, wie gij zijt,Die uw merk-teekens er hebt opgerecht zoo wijdOf gij verrijzen mocht, hoe zoudy[81]u verwond'ren,Zoo onze sloten[82]gij zoo verre hoorde dond'ren!Zoo van de Noordsche baak[83]gij zaagt den grijzen tsop[84]Van't Oosten tot int West ons krijgs-heir trekken op!Zoo vele schatten ook den wankelen gebouwen,Het avontuur der zee, en 's Hemels gunst vertrouwen!Zoo gij de kusten zaagt van 't eene en 't ander veld,Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteldBij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,Van Neck, Heemskerck, en meer van haar vlies-genoten[85],Waar van de Antipoden begroet zijn op de rij,Die and're sterren zien en Hemel-locht als wij.Naast Hem die 't al regeert, voert vander Staten stroomenNassau[86]als Amiraal de breidels en de toomen,Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,'t Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,Of ergens winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen[87],Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet,Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:Ligt[88], winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,Gij ziet wat grooter vorst mijn natte borst door-kruist!Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimp'len,Wacht u mijn aangezicht met golven te berimp'len,Op dat gelijkerhand wij dienen zonder noodDen genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot.Gelijk als aan de strangh[89], de duinen ons ten goedenBeletten met geweld den overloop der vloeden,Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,Waar door al 't leege[90]land in rep en roere raakt,Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,'t Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,Haar palen uitgestrekt, en eind'lijk door zijn driftDen vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.O onverwonnen prince! O, bloeme van Oranjen!O grooten kapitein! O tegengift van Spanjen!'t Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,Die t' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist[91],En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris orden[92]Groot ridder van de kroon Britanniæ geworden.Bestendig moet de vrede, O Nederlanders! duren,O heimelijke schrik van uwe na-geburen!Een ieder u bemint, een ieder u begeert,Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd,De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,En onderling met u eendrachtig haar[93]verbinden,De tulpand[94]-drager Turk, het Ottomansche zaad,Die 't heele Kristen rijk dreigt met een wreed gelaat,Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd[95],Heeft zijnen scepter korts met uw gebied vereenigd,Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,Als vorsten henen treedt, wat zal u mogen baten?Wat batet[96], of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?Zoo gij te hooge vliegt, te leege[97]zuldy dalen,Zoo gij den bliksem naakt, o wacht u voor zijn stralen!De straffe in tijds ontvlucht, ziet 's Heeren goedheid aan,Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.Van Tyriers, Sidoniers, en van CapernaïetenDoor ware boete wordt bekeerde Ninivieten!Worpt al uw kroonen weg, uw purp'ren sluyers scheurt,En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!Uwe ooren opensluit voor 't luid geschrei der armen,En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!Volgt deze handelaars, van wiens Ofirisch goudEn zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.Gods tempelen voorwaar zijn dearmeKristenleden,Waar aan gij al uw goud en zilver moogt besteden:Den wijzen koopman slacht, die 't beste deel verkiestEn om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.Men loopt, men woelt, men draaft met gierige gemoedren:Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goederen.Veel zeên men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,Maar 't scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,En met den blinden mol blijft niet in d' aarde wroeten;Maar koopt een zeker rent, een eeuwig blijvend pandIn't nieuw Jeruzalem, der vromen vaderland,Al waar te vinden is, naar[98]al dit pijnlijk slaven,Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.Gedurende, o mijn God! dat ik in 's werelds krijt[99]Naar uwen heil'gen wil mijn brooze leven slijt,Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,Tot de eere dijnes naams, en bouwing dijner kerk.

O bondigh[1]Nederland, die al des werelds perkenBeschaduwt, en doorvliegt met uw bepekte vlerken,En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeftTot daar nature dy haar rijkste schatten geeft;—Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,Waar bij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.En gij, o Amiraal[2]! die op de winden zwiert,En van 't lazurig veld[3]de zoute toomen stiert,Mijn reize gunstig zijt: op dat ik met verblijdenMag aan een goede kust het anker laten glijden,Al-waar ik naauw geland zal mijn beloft voldoen,En 't heilig altaar-plat met heeten wyrook voên.Toen 't menschelijk geslacht hadde onder zijn bestierenDe vogelen gebracht, en de ongetemde dieren,Wat rest'er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meêVermeesteren in 't net de visschen van der zee?—'t Was niet zoo haast gezeid, de een ging de zoete stroomenBerijden, half beangst, met uitgeholde boomen:Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,Zich naauwelijks in 't diep van strande geven dorst,Die, met een lichte bark van barstig bokken-lederHeel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,Zoo lange tot zij 't want optrokken met de visch,En met een versche vangst bekroonden haren disch.Maar de onverzaadlijkheid des menschen, niet te vredenMet nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,Hier mede niet vernoegd, dus bij zich zelven spreekt:Wat is 't doch dat ons let? wat is 't dat ons ontbreekt?Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,'t Gene ons klimaat ontbeert, in de een of ander hoeken?Of zal de schrik des doods, 't woeste opgeblazen meer,Het ruischen van de wind, en 't bulderende weêr,Van een zoo stoute daad ons eizen doen en beven?Neen, neen! naar rijkdom streeft, of wenscht niet meer te leven,Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!Heel weinig is 't verschil, of na dit tijdlijk slavenWij worden in der aarde, of in de zee begraven,En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.Elk rept van stonden aan zijn handen tot den werke,De een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke,Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast,Die maakt den wouwe-steert[4], het roer, van achter vast,Den eenen 't anker smeedt, die draait de kenpsche[5]zeelen,En d' ander 't vlakke zeil de winden gaat bevelen.Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisschen door het nat,En keert fluks wederom met alderhande schat.Van een zoo nutte kunst, krijgt haast de nieuwe marenSesostris, de monarch der oude Egyptenaren:Die door 't Arabisch meer een vlote kielen sleept,En met zijn oorlogs-heer naar Indus overscheept,Keert veilig weder t' huis, als vele uitheemsche rijkenHij onderworpen had den scepter van Afrijken.Dit 's wel den eersten prince of koning, die de zeênHeeft met een houten peerd betreden en bereên,Die als een heldre toorts geluchtet[6]heeft voor-henen;Welk zijn op 't spoor gevolgd de machtige Turrhenen[7],Na dees de Tyriers[8], en zoo is voorts verbreidDees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,Die hier door werd bereikt, en lichtelijk verkregen?Waar zij in zwange raakt, of uitsteekt hare borst,Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen vorst,Vruchtrijke markten van onnutte en dorre stranden;Getuigen zuldy[9]zijn, vereende Nederlanden!Wiens voorste[10]zee-steên, hier na 't leven afgemaald[11],De aanschouwer al verbaasd met zijn gezicht bestraalt[12],Verbaasd, omdat hij zoo veel toorens ziet gewassenUit laag verzopen[13]land, uit poelen, en morassen,'t Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam 't beroemd,Enkhuizen 't haring-rijk, 't kloek Middelburg, genoemdDer Zeeuwen beste pand, en Vlissing, 't wel gelegenOm raken af en aan, door de ongebaande wegen;—In deze peerlenkreits voornamelijken gantsOf aldermeest bestaat de zee-vaart dezes lands.Van ouder tijden staâg, in oorloge en in vrede,Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede,Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,En, neffens veel tribuuts[14], niet weinig luisters gavenDen vorstelijken naam van haar gehulde[15]graven,Derwelker eer en roem zich spreidde wijd en zijd,En hielden ridderlijk den zegen[16]in den strijd.Waarom de Caesars[17]ook, en ander Potentaten,Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.Twee Diederijken zijn (of immers als men[18]leest)Gezwagers van de kroon der Franken eer geweest;Arnolf, de derde, had twee keizeren te gader,Tot eenen zwager d' een, den andren tot schoon-vader;Wilhelm de tweede, graaf van Holland, werd alom[19]Beroepen tot Monarch van 't Duitsche Keizerdom.En waar door anders zijn dees graaffelijke heerenGeklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,Als door de zegening der scheep-vaart, die den schootDer landen maakte rijk, en hare vorsten groot!En Carolus, genaamd de vijfde van den rijkeDes keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijkeTot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,Wien zelfs zijn heiligheid, der kerken hoofd Clement[20],De pratte koningen van Frankrijk en Naveerne[21],Zoo andre vorsten meer, zich onderwierpen geerne,Voor wie eerbiedig heeft de Kleefsche vorst geknield[22];Die gansch Europa niet alleen in vreeze hield,Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerdeZijn wapens voelen dede, en 't staal van zijnen zweerde;Die als monarche droeg van 't driemaal heilig grafDe koninklijke kroon, den titel, en den staf;Die (zegge ik) heeft geproefd[23]wat nut, in zijne tochtenEn krijger, jaarlijks dees provincen aan hem brochten.Waarom hij niet vergeefs, verstandig en bekwaam,Philippum zijnen zone, en een'gen erfgenaamVermaande, geenzins niet den Iber toe te latenMet zijnen trotschen kop 't beheerschen dezer staten,De welke lange om 't lijf niet passen zou den rokVan zulk een forsch gebied, als 't Spaansche ondraaglijk jok;Maar 's vaders lesse heeft de zone haast vergeten,Die 't uitheemsch bloed beveelt 's lands rechten en geweten;Dies slachtet[24]Neder-land 't getergde Spaansche ros,'t Welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toomen los,Begeeft zich buiten spoor (de meester mag niet gelden),En briesschende gewint den sleutel van de velden[25];De ridder ligt vertreên, vermeesterd t'zijner spijt,De meester is den hengst, de hengst den meester kwijt.Enkhuizen is de burg, daar d' eere van Oranjen[26]Langs over komt te lande, en schut[27]de macht van Spanjen,De geld-kasse Amsteldam, in 't geven rijk en mild,'t Zeeuwsch Vlissingen, van 't land de grendel of den schild,'t Vermaarde Rotterdam, 't kloek Middelburg, en de ander,Van de algemeene zaak voorstanders met malkander;Meet hun vermogen af, en rekent, ik verzwijgWat al verslonden heeft de veertig-jaar'ge krijg[28];Krijg, tegen dien monarch, die waagde tot den lestenWat zijn Thresoor verzwolg van Oosten, en van Westen,Tot dat hij uitgeput, verpandet en verschuld,Ons eind'lijk met den hoed der vrijheid heeft gehuld.Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,Zij veilig als voor-heen de stroomen staâg bevoeren,Dewijle, 't beste deel der havens op haar zij,Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven[29],In kloekheid lagen meest haar[30]vijanden te boven,Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,Doorploegden 't vochte veld met voorspoed en gewin.'t Oneindelijk[31]getal van dees gevlerkte kielen,Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,Den Deenschen koning gaf verwondering genoeg,Toen hij'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg[32],Behalven de ander die hun streken elders namen,En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t' zamen,Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijtIn 't Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.Toen 't vliegende gerucht ons met een luid geschreyeBracht tijding van de vlote, en groote scheeps-armeye[33],Waar mede Quinti[34]zone alreê zich had beloofdDe kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,De staten met der haast tot weder-stand begrepenTe reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,Om rustig op den Teems den pratten CastiljaanHet aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan,En tellende hun macht, bevonden al verwonderdVan weerbaar schepen meer als driemaal negen honderd,Daar 't minste van geschat tienmaal tien vaten groot,Gaat bruischen voor den wind, gereed in tijd van nood:Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,Die om den visch-vang nog op 't zoute water vloten,Ik laat de binnen-vaart van de een tot de ander stad,Van 't een in 't ander meer door 't schoon gemarmerd[35]nat,Van heuden[36], pleiten, boots, smak-zeilen[37], ofte[38]stevens[39],En duizend andre meer tot onderhoud des levens.In 't gulden Jubel-jaar[40], doe[41]onzen held[42]met machtZijn overwonnen heer op 's vijands bodem bracht,Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilenEen vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzienTwee legers aan de strand malkand'ren 't voorhoofd biên,Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,Daar eenen donder roers[43]ten wolken weder-schalt,Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,Daar 't polver[44]van 't geschut gaat eenen bliksem geven,Dat hemel, aarde, en zee, staan t' zitteren[45], en beven;Help! wat een wonder was 't, toen langs de vlakke zeeDes vijands ordening gebroken werd in twee,Zijn Hoogheid[46]al verbaasd het vlieden had verkoren,En zijnen veldheer liet met 't gansche heer verloren:Den Arragon[47]gevaên, zijn krijgs-volk in het zandBegraven hier en daar, ons helden de overhand.Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen,Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,Laat slapen[48]dezen wolf, en niet den gene wektDie 't Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.Den visch-vang voor-geroerd[49]van zooveel haring-buizen,(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizenGedreven hier en daar, op hoop van vrijen buitOp Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen[50]uit)Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden neringEn voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!Oprechte Zebedeên[51]! die stadig op 't verbolgenZee-waters woesten plas[52]bespoeld wordt van de golgen[53],Die Petrum volgt op 't spoor, en schier den meesten tijdUw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig,Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt't Zij weinig ofte veel, wat gij in 't garen vangt.Toen Draak en Candisch[54]vast nieuw-werelden ontdekten,Om 's werelds ommeloop haar[55]vleugelen uitrekten,En keerden elk op 't lest van een zoo nutte reisMet zijde-zeilen aan West-munster, 't groot paleis;De bondgenooten[56]ook begonden te verlangen,Om op een goede hoop van winning aan te vangen,'t Geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan,Te meer dewijl zij, vrank en niemand onderdaan,Niet hadden om te zien naar 's Roomschen paus statuiten,Dewelke af-gunstig haar van d' Indie-vaart uitsluiten.Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen reiDer Cosmografen[57]fluks (om China en Cathay[58]Langs 't Noorden op te doen) zich onderling beraden,Daar om den doorgang elk te vinden is beladen[59].De een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is berichtDat vóór veel eeuwen lang, is, op de Duitsche stranden,Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,Dat tot tweemalen toe dees streke werd bezocht,Wijd onder 't Beersche[60]licht: maar laas! met weinig bate,Niet wijders op gedaan als der Nassouwen strate.Maar Willem Barendszoon, als voogd en principaal,Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maalBestoken op vier min als vier-maal twintig trappen[61],En daalt ter Hellen waart, daar nergens menschen stappen,Daar hem Corneliszoon[62]in nood en lijfsgevaarOm al des werelds schat geensins wil volgen naar[63];Dan Barendszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan 's werelds enden.Nature wordt beroerd: "zal ik dan gansch verkracht(Zegt zij) ten lesten zijn vant menschelijk geslacht?Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,Die eenmaal heeft gesteld de moeder aller dingen?Zal dan geen plaatse zijn op 's werelds aangezicht,Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"'t Is naauwelijks gezeîd, een wonderbaar geweldVan hagel, storm en wind de zee ten wolken welt;De een schotse op de ander tast, tot eenen ijzen[64]torenOf glinsterenden berg, daar 't schip op blijft verloren.Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren[65]Met witte vossen vleesch, te strijden met de beeren,In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,Daar 't licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,En t' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;Nog even wel en mag door geenen zonne-schijnDie hard bevrozen kolk geensins ontdooyet[66]zijn,Gezwijge, datmen hier zoude ergens loof of fruitenUit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.Na dat nu Barendszoon de kille Noordsche lochtDriemaal drie maanden[67]lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,Hij, als in lijfs gevaar, zich zelven gaat te buiten,'t Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,Door zoo veel graauwe zeên, daar hem uit 's werelds kruisGod in zijn ruste haalt; zijn hulpers[68]komen 't huis.De Batavieren[69], die terwijlen niet en rusten,Met vier kasteelen[70]gaan bezoeken Indi-kusten,De mid'lijn kruisen zij, en nemend haren loopVast door-gaans langs de Kape of kust van Goede Hoop,Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,En, blijvende op den weg[71], laat 't lieve vaderland't Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig[72]pand.'t Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen.Men schepen tweemaal vier gaat door de baren slepen,Daar Neck[73]ter goeder tijd den gulden dageraadZoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,Hij 't land den offer biedt en reuk der specerijen,Die één gewaget[74]heeft krijgt vier daar voren[75]weêr;Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.Mijn glas[76]te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,Hoe Olivier van Noord, de Straat der Magellanen[77]Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den klootDer aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot.Ik zwijg, hoe dikmaal 't Weste ontbloot is van gesteente,Van peerlen, en van goud, tot welstand der gemeente,Castiliën zwelt van nijd, dat zoo een rijke leenAls 't gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:Dat deze gouden tuin in de allerzoetste luchtenOns in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten:Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op 't lestDen draai-boom vande vaart van Oosten, en van West.De bondgenooten hier niet weinig op en letten,Maar de eilanden alsins met wapenen bezetten,Tot welken einde ook nu (om zijn ervarenheid)Den kloeken Geraert Reynst gegeven is 't beleid,Als opper-amiraal, om de Indische kwartierenTen besten van 't gemeen verstandig te bestieren;De lieve Hemel hem doch zonder ongevalTer plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,Op dat 't gezelschap mag door hem des Heeren zegenMet dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,En wassen meer en meer, gelijk men groenen zietDen schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet.Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zeilaziën.Maar kinder-spel bij al ons drijvende bosschaziën[78],Die door 't gekrolde[79]blaauw gaan voeren haren last,Getimmerd op een ree, daar nergens hout en wast,En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,Gelijk bereeknen mag den vlijtigen aanmerker[80].Ulysses, Hercules, of Tyfis, wie gij zijt,Die uw merk-teekens er hebt opgerecht zoo wijdOf gij verrijzen mocht, hoe zoudy[81]u verwond'ren,Zoo onze sloten[82]gij zoo verre hoorde dond'ren!Zoo van de Noordsche baak[83]gij zaagt den grijzen tsop[84]Van't Oosten tot int West ons krijgs-heir trekken op!Zoo vele schatten ook den wankelen gebouwen,Het avontuur der zee, en 's Hemels gunst vertrouwen!Zoo gij de kusten zaagt van 't eene en 't ander veld,Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteldBij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,Van Neck, Heemskerck, en meer van haar vlies-genoten[85],Waar van de Antipoden begroet zijn op de rij,Die and're sterren zien en Hemel-locht als wij.Naast Hem die 't al regeert, voert vander Staten stroomenNassau[86]als Amiraal de breidels en de toomen,Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,'t Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,Of ergens winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen[87],Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet,Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:Ligt[88], winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,Gij ziet wat grooter vorst mijn natte borst door-kruist!Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimp'len,Wacht u mijn aangezicht met golven te berimp'len,Op dat gelijkerhand wij dienen zonder noodDen genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot.Gelijk als aan de strangh[89], de duinen ons ten goedenBeletten met geweld den overloop der vloeden,Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,Waar door al 't leege[90]land in rep en roere raakt,Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,'t Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,Haar palen uitgestrekt, en eind'lijk door zijn driftDen vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.O onverwonnen prince! O, bloeme van Oranjen!O grooten kapitein! O tegengift van Spanjen!'t Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,Die t' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist[91],En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris orden[92]Groot ridder van de kroon Britanniæ geworden.Bestendig moet de vrede, O Nederlanders! duren,O heimelijke schrik van uwe na-geburen!Een ieder u bemint, een ieder u begeert,Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd,De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,En onderling met u eendrachtig haar[93]verbinden,De tulpand[94]-drager Turk, het Ottomansche zaad,Die 't heele Kristen rijk dreigt met een wreed gelaat,Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd[95],Heeft zijnen scepter korts met uw gebied vereenigd,Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,Als vorsten henen treedt, wat zal u mogen baten?Wat batet[96], of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?Zoo gij te hooge vliegt, te leege[97]zuldy dalen,Zoo gij den bliksem naakt, o wacht u voor zijn stralen!De straffe in tijds ontvlucht, ziet 's Heeren goedheid aan,Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.Van Tyriers, Sidoniers, en van CapernaïetenDoor ware boete wordt bekeerde Ninivieten!Worpt al uw kroonen weg, uw purp'ren sluyers scheurt,En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!Uwe ooren opensluit voor 't luid geschrei der armen,En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!Volgt deze handelaars, van wiens Ofirisch goudEn zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.Gods tempelen voorwaar zijn dearmeKristenleden,Waar aan gij al uw goud en zilver moogt besteden:Den wijzen koopman slacht, die 't beste deel verkiestEn om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.Men loopt, men woelt, men draaft met gierige gemoedren:Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goederen.Veel zeên men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,Maar 't scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,En met den blinden mol blijft niet in d' aarde wroeten;Maar koopt een zeker rent, een eeuwig blijvend pandIn't nieuw Jeruzalem, der vromen vaderland,Al waar te vinden is, naar[98]al dit pijnlijk slaven,Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.Gedurende, o mijn God! dat ik in 's werelds krijt[99]Naar uwen heil'gen wil mijn brooze leven slijt,Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,Tot de eere dijnes naams, en bouwing dijner kerk.

O bondigh[1]Nederland, die al des werelds perkenBeschaduwt, en doorvliegt met uw bepekte vlerken,En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeftTot daar nature dy haar rijkste schatten geeft;—Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,Waar bij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.En gij, o Amiraal[2]! die op de winden zwiert,En van 't lazurig veld[3]de zoute toomen stiert,Mijn reize gunstig zijt: op dat ik met verblijdenMag aan een goede kust het anker laten glijden,Al-waar ik naauw geland zal mijn beloft voldoen,En 't heilig altaar-plat met heeten wyrook voên.Toen 't menschelijk geslacht hadde onder zijn bestierenDe vogelen gebracht, en de ongetemde dieren,Wat rest'er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meêVermeesteren in 't net de visschen van der zee?—'t Was niet zoo haast gezeid, de een ging de zoete stroomenBerijden, half beangst, met uitgeholde boomen:Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,Zich naauwelijks in 't diep van strande geven dorst,Die, met een lichte bark van barstig bokken-lederHeel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,Zoo lange tot zij 't want optrokken met de visch,En met een versche vangst bekroonden haren disch.Maar de onverzaadlijkheid des menschen, niet te vredenMet nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,Hier mede niet vernoegd, dus bij zich zelven spreekt:Wat is 't doch dat ons let? wat is 't dat ons ontbreekt?Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,'t Gene ons klimaat ontbeert, in de een of ander hoeken?Of zal de schrik des doods, 't woeste opgeblazen meer,Het ruischen van de wind, en 't bulderende weêr,Van een zoo stoute daad ons eizen doen en beven?Neen, neen! naar rijkdom streeft, of wenscht niet meer te leven,Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!Heel weinig is 't verschil, of na dit tijdlijk slavenWij worden in der aarde, of in de zee begraven,En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.Elk rept van stonden aan zijn handen tot den werke,De een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke,Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast,Die maakt den wouwe-steert[4], het roer, van achter vast,Den eenen 't anker smeedt, die draait de kenpsche[5]zeelen,En d' ander 't vlakke zeil de winden gaat bevelen.Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisschen door het nat,En keert fluks wederom met alderhande schat.Van een zoo nutte kunst, krijgt haast de nieuwe marenSesostris, de monarch der oude Egyptenaren:Die door 't Arabisch meer een vlote kielen sleept,En met zijn oorlogs-heer naar Indus overscheept,Keert veilig weder t' huis, als vele uitheemsche rijkenHij onderworpen had den scepter van Afrijken.Dit 's wel den eersten prince of koning, die de zeênHeeft met een houten peerd betreden en bereên,Die als een heldre toorts geluchtet[6]heeft voor-henen;Welk zijn op 't spoor gevolgd de machtige Turrhenen[7],Na dees de Tyriers[8], en zoo is voorts verbreidDees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,Die hier door werd bereikt, en lichtelijk verkregen?Waar zij in zwange raakt, of uitsteekt hare borst,Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen vorst,Vruchtrijke markten van onnutte en dorre stranden;Getuigen zuldy[9]zijn, vereende Nederlanden!Wiens voorste[10]zee-steên, hier na 't leven afgemaald[11],De aanschouwer al verbaasd met zijn gezicht bestraalt[12],Verbaasd, omdat hij zoo veel toorens ziet gewassenUit laag verzopen[13]land, uit poelen, en morassen,'t Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam 't beroemd,Enkhuizen 't haring-rijk, 't kloek Middelburg, genoemdDer Zeeuwen beste pand, en Vlissing, 't wel gelegenOm raken af en aan, door de ongebaande wegen;—In deze peerlenkreits voornamelijken gantsOf aldermeest bestaat de zee-vaart dezes lands.Van ouder tijden staâg, in oorloge en in vrede,Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede,Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,En, neffens veel tribuuts[14], niet weinig luisters gavenDen vorstelijken naam van haar gehulde[15]graven,Derwelker eer en roem zich spreidde wijd en zijd,En hielden ridderlijk den zegen[16]in den strijd.Waarom de Caesars[17]ook, en ander Potentaten,Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.Twee Diederijken zijn (of immers als men[18]leest)Gezwagers van de kroon der Franken eer geweest;Arnolf, de derde, had twee keizeren te gader,Tot eenen zwager d' een, den andren tot schoon-vader;Wilhelm de tweede, graaf van Holland, werd alom[19]Beroepen tot Monarch van 't Duitsche Keizerdom.En waar door anders zijn dees graaffelijke heerenGeklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,Als door de zegening der scheep-vaart, die den schootDer landen maakte rijk, en hare vorsten groot!En Carolus, genaamd de vijfde van den rijkeDes keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijkeTot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,Wien zelfs zijn heiligheid, der kerken hoofd Clement[20],De pratte koningen van Frankrijk en Naveerne[21],Zoo andre vorsten meer, zich onderwierpen geerne,Voor wie eerbiedig heeft de Kleefsche vorst geknield[22];Die gansch Europa niet alleen in vreeze hield,Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerdeZijn wapens voelen dede, en 't staal van zijnen zweerde;Die als monarche droeg van 't driemaal heilig grafDe koninklijke kroon, den titel, en den staf;Die (zegge ik) heeft geproefd[23]wat nut, in zijne tochtenEn krijger, jaarlijks dees provincen aan hem brochten.Waarom hij niet vergeefs, verstandig en bekwaam,Philippum zijnen zone, en een'gen erfgenaamVermaande, geenzins niet den Iber toe te latenMet zijnen trotschen kop 't beheerschen dezer staten,De welke lange om 't lijf niet passen zou den rokVan zulk een forsch gebied, als 't Spaansche ondraaglijk jok;Maar 's vaders lesse heeft de zone haast vergeten,Die 't uitheemsch bloed beveelt 's lands rechten en geweten;Dies slachtet[24]Neder-land 't getergde Spaansche ros,'t Welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toomen los,Begeeft zich buiten spoor (de meester mag niet gelden),En briesschende gewint den sleutel van de velden[25];De ridder ligt vertreên, vermeesterd t'zijner spijt,De meester is den hengst, de hengst den meester kwijt.Enkhuizen is de burg, daar d' eere van Oranjen[26]Langs over komt te lande, en schut[27]de macht van Spanjen,De geld-kasse Amsteldam, in 't geven rijk en mild,'t Zeeuwsch Vlissingen, van 't land de grendel of den schild,'t Vermaarde Rotterdam, 't kloek Middelburg, en de ander,Van de algemeene zaak voorstanders met malkander;Meet hun vermogen af, en rekent, ik verzwijgWat al verslonden heeft de veertig-jaar'ge krijg[28];Krijg, tegen dien monarch, die waagde tot den lestenWat zijn Thresoor verzwolg van Oosten, en van Westen,Tot dat hij uitgeput, verpandet en verschuld,Ons eind'lijk met den hoed der vrijheid heeft gehuld.Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,Zij veilig als voor-heen de stroomen staâg bevoeren,Dewijle, 't beste deel der havens op haar zij,Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven[29],In kloekheid lagen meest haar[30]vijanden te boven,Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,Doorploegden 't vochte veld met voorspoed en gewin.'t Oneindelijk[31]getal van dees gevlerkte kielen,Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,Den Deenschen koning gaf verwondering genoeg,Toen hij'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg[32],Behalven de ander die hun streken elders namen,En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t' zamen,Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijtIn 't Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.Toen 't vliegende gerucht ons met een luid geschreyeBracht tijding van de vlote, en groote scheeps-armeye[33],Waar mede Quinti[34]zone alreê zich had beloofdDe kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,De staten met der haast tot weder-stand begrepenTe reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,Om rustig op den Teems den pratten CastiljaanHet aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan,En tellende hun macht, bevonden al verwonderdVan weerbaar schepen meer als driemaal negen honderd,Daar 't minste van geschat tienmaal tien vaten groot,Gaat bruischen voor den wind, gereed in tijd van nood:Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,Die om den visch-vang nog op 't zoute water vloten,Ik laat de binnen-vaart van de een tot de ander stad,Van 't een in 't ander meer door 't schoon gemarmerd[35]nat,Van heuden[36], pleiten, boots, smak-zeilen[37], ofte[38]stevens[39],En duizend andre meer tot onderhoud des levens.In 't gulden Jubel-jaar[40], doe[41]onzen held[42]met machtZijn overwonnen heer op 's vijands bodem bracht,Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilenEen vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzienTwee legers aan de strand malkand'ren 't voorhoofd biên,Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,Daar eenen donder roers[43]ten wolken weder-schalt,Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,Daar 't polver[44]van 't geschut gaat eenen bliksem geven,Dat hemel, aarde, en zee, staan t' zitteren[45], en beven;Help! wat een wonder was 't, toen langs de vlakke zeeDes vijands ordening gebroken werd in twee,Zijn Hoogheid[46]al verbaasd het vlieden had verkoren,En zijnen veldheer liet met 't gansche heer verloren:Den Arragon[47]gevaên, zijn krijgs-volk in het zandBegraven hier en daar, ons helden de overhand.Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen,Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,Laat slapen[48]dezen wolf, en niet den gene wektDie 't Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.Den visch-vang voor-geroerd[49]van zooveel haring-buizen,(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizenGedreven hier en daar, op hoop van vrijen buitOp Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen[50]uit)Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden neringEn voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!Oprechte Zebedeên[51]! die stadig op 't verbolgenZee-waters woesten plas[52]bespoeld wordt van de golgen[53],Die Petrum volgt op 't spoor, en schier den meesten tijdUw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig,Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt't Zij weinig ofte veel, wat gij in 't garen vangt.Toen Draak en Candisch[54]vast nieuw-werelden ontdekten,Om 's werelds ommeloop haar[55]vleugelen uitrekten,En keerden elk op 't lest van een zoo nutte reisMet zijde-zeilen aan West-munster, 't groot paleis;De bondgenooten[56]ook begonden te verlangen,Om op een goede hoop van winning aan te vangen,'t Geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan,Te meer dewijl zij, vrank en niemand onderdaan,Niet hadden om te zien naar 's Roomschen paus statuiten,Dewelke af-gunstig haar van d' Indie-vaart uitsluiten.Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen reiDer Cosmografen[57]fluks (om China en Cathay[58]Langs 't Noorden op te doen) zich onderling beraden,Daar om den doorgang elk te vinden is beladen[59].De een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is berichtDat vóór veel eeuwen lang, is, op de Duitsche stranden,Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,Dat tot tweemalen toe dees streke werd bezocht,Wijd onder 't Beersche[60]licht: maar laas! met weinig bate,Niet wijders op gedaan als der Nassouwen strate.Maar Willem Barendszoon, als voogd en principaal,Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maalBestoken op vier min als vier-maal twintig trappen[61],En daalt ter Hellen waart, daar nergens menschen stappen,Daar hem Corneliszoon[62]in nood en lijfsgevaarOm al des werelds schat geensins wil volgen naar[63];Dan Barendszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan 's werelds enden.Nature wordt beroerd: "zal ik dan gansch verkracht(Zegt zij) ten lesten zijn vant menschelijk geslacht?Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,Die eenmaal heeft gesteld de moeder aller dingen?Zal dan geen plaatse zijn op 's werelds aangezicht,Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"'t Is naauwelijks gezeîd, een wonderbaar geweldVan hagel, storm en wind de zee ten wolken welt;De een schotse op de ander tast, tot eenen ijzen[64]torenOf glinsterenden berg, daar 't schip op blijft verloren.Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren[65]Met witte vossen vleesch, te strijden met de beeren,In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,Daar 't licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,En t' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;Nog even wel en mag door geenen zonne-schijnDie hard bevrozen kolk geensins ontdooyet[66]zijn,Gezwijge, datmen hier zoude ergens loof of fruitenUit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.Na dat nu Barendszoon de kille Noordsche lochtDriemaal drie maanden[67]lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,Hij, als in lijfs gevaar, zich zelven gaat te buiten,'t Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,Door zoo veel graauwe zeên, daar hem uit 's werelds kruisGod in zijn ruste haalt; zijn hulpers[68]komen 't huis.De Batavieren[69], die terwijlen niet en rusten,Met vier kasteelen[70]gaan bezoeken Indi-kusten,De mid'lijn kruisen zij, en nemend haren loopVast door-gaans langs de Kape of kust van Goede Hoop,Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,En, blijvende op den weg[71], laat 't lieve vaderland't Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig[72]pand.'t Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen.Men schepen tweemaal vier gaat door de baren slepen,Daar Neck[73]ter goeder tijd den gulden dageraadZoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,Hij 't land den offer biedt en reuk der specerijen,Die één gewaget[74]heeft krijgt vier daar voren[75]weêr;Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.Mijn glas[76]te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,Hoe Olivier van Noord, de Straat der Magellanen[77]Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den klootDer aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot.Ik zwijg, hoe dikmaal 't Weste ontbloot is van gesteente,Van peerlen, en van goud, tot welstand der gemeente,Castiliën zwelt van nijd, dat zoo een rijke leenAls 't gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:Dat deze gouden tuin in de allerzoetste luchtenOns in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten:Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op 't lestDen draai-boom vande vaart van Oosten, en van West.De bondgenooten hier niet weinig op en letten,Maar de eilanden alsins met wapenen bezetten,Tot welken einde ook nu (om zijn ervarenheid)Den kloeken Geraert Reynst gegeven is 't beleid,Als opper-amiraal, om de Indische kwartierenTen besten van 't gemeen verstandig te bestieren;De lieve Hemel hem doch zonder ongevalTer plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,Op dat 't gezelschap mag door hem des Heeren zegenMet dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,En wassen meer en meer, gelijk men groenen zietDen schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet.Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zeilaziën.Maar kinder-spel bij al ons drijvende bosschaziën[78],Die door 't gekrolde[79]blaauw gaan voeren haren last,Getimmerd op een ree, daar nergens hout en wast,En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,Gelijk bereeknen mag den vlijtigen aanmerker[80].Ulysses, Hercules, of Tyfis, wie gij zijt,Die uw merk-teekens er hebt opgerecht zoo wijdOf gij verrijzen mocht, hoe zoudy[81]u verwond'ren,Zoo onze sloten[82]gij zoo verre hoorde dond'ren!Zoo van de Noordsche baak[83]gij zaagt den grijzen tsop[84]Van't Oosten tot int West ons krijgs-heir trekken op!Zoo vele schatten ook den wankelen gebouwen,Het avontuur der zee, en 's Hemels gunst vertrouwen!Zoo gij de kusten zaagt van 't eene en 't ander veld,Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteldBij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,Van Neck, Heemskerck, en meer van haar vlies-genoten[85],Waar van de Antipoden begroet zijn op de rij,Die and're sterren zien en Hemel-locht als wij.Naast Hem die 't al regeert, voert vander Staten stroomenNassau[86]als Amiraal de breidels en de toomen,Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,'t Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,Of ergens winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen[87],Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet,Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:Ligt[88], winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,Gij ziet wat grooter vorst mijn natte borst door-kruist!Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimp'len,Wacht u mijn aangezicht met golven te berimp'len,Op dat gelijkerhand wij dienen zonder noodDen genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot.Gelijk als aan de strangh[89], de duinen ons ten goedenBeletten met geweld den overloop der vloeden,Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,Waar door al 't leege[90]land in rep en roere raakt,Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,'t Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,Haar palen uitgestrekt, en eind'lijk door zijn driftDen vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.O onverwonnen prince! O, bloeme van Oranjen!O grooten kapitein! O tegengift van Spanjen!'t Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,Die t' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist[91],En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris orden[92]Groot ridder van de kroon Britanniæ geworden.Bestendig moet de vrede, O Nederlanders! duren,O heimelijke schrik van uwe na-geburen!Een ieder u bemint, een ieder u begeert,Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd,De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,En onderling met u eendrachtig haar[93]verbinden,De tulpand[94]-drager Turk, het Ottomansche zaad,Die 't heele Kristen rijk dreigt met een wreed gelaat,Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd[95],Heeft zijnen scepter korts met uw gebied vereenigd,Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,Als vorsten henen treedt, wat zal u mogen baten?Wat batet[96], of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?Zoo gij te hooge vliegt, te leege[97]zuldy dalen,Zoo gij den bliksem naakt, o wacht u voor zijn stralen!De straffe in tijds ontvlucht, ziet 's Heeren goedheid aan,Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.Van Tyriers, Sidoniers, en van CapernaïetenDoor ware boete wordt bekeerde Ninivieten!Worpt al uw kroonen weg, uw purp'ren sluyers scheurt,En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!Uwe ooren opensluit voor 't luid geschrei der armen,En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!Volgt deze handelaars, van wiens Ofirisch goudEn zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.Gods tempelen voorwaar zijn dearmeKristenleden,Waar aan gij al uw goud en zilver moogt besteden:Den wijzen koopman slacht, die 't beste deel verkiestEn om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.Men loopt, men woelt, men draaft met gierige gemoedren:Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goederen.Veel zeên men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,Maar 't scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,En met den blinden mol blijft niet in d' aarde wroeten;Maar koopt een zeker rent, een eeuwig blijvend pandIn't nieuw Jeruzalem, der vromen vaderland,Al waar te vinden is, naar[98]al dit pijnlijk slaven,Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.Gedurende, o mijn God! dat ik in 's werelds krijt[99]Naar uwen heil'gen wil mijn brooze leven slijt,Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,Tot de eere dijnes naams, en bouwing dijner kerk.

O bondigh[1]Nederland, die al des werelds perken

Beschaduwt, en doorvliegt met uw bepekte vlerken,

En om den aarden-kloot met uw meerminnen zweeft

Tot daar nature dy haar rijkste schatten geeft;—

Gedoogt, dat ik al-om den middel mag verbreeden,

Waar bij den welstand groeit van uw scheeprijke steden.

En gij, o Amiraal[2]! die op de winden zwiert,

En van 't lazurig veld[3]de zoute toomen stiert,

Mijn reize gunstig zijt: op dat ik met verblijden

Mag aan een goede kust het anker laten glijden,

Al-waar ik naauw geland zal mijn beloft voldoen,

En 't heilig altaar-plat met heeten wyrook voên.

Toen 't menschelijk geslacht hadde onder zijn bestieren

De vogelen gebracht, en de ongetemde dieren,

Wat rest'er (riepen zij), dan dat wij eindlijk meê

Vermeesteren in 't net de visschen van der zee?—

't Was niet zoo haast gezeid, de een ging de zoete stroomen

Berijden, half beangst, met uitgeholde boomen:

Een ander, met een vlot van schorsen al bemorst,

Zich naauwelijks in 't diep van strande geven dorst,

Die, met een lichte bark van barstig bokken-leder

Heel vremd te gaar gepast, vast golfden op en neder,

Zoo lange tot zij 't want optrokken met de visch,

En met een versche vangst bekroonden haren disch.

Maar de onverzaadlijkheid des menschen, niet te vreden

Met nooddruft zijnes lijfs, in zijn behoeflijkheden,

Hier mede niet vernoegd, dus bij zich zelven spreekt:

Wat is 't doch dat ons let? wat is 't dat ons ontbreekt?

Dat in een vreemd gewest wij elders niet en zoeken,

't Gene ons klimaat ontbeert, in de een of ander hoeken?

Of zal de schrik des doods, 't woeste opgeblazen meer,

Het ruischen van de wind, en 't bulderende weêr,

Van een zoo stoute daad ons eizen doen en beven?

Neen, neen! naar rijkdom streeft, of wenscht niet meer te leven,

Ontziet de diepte niet, al is haar aanzicht straf:

Zij helpe ons tot meer heils, of strekke ons tot een graf!

Heel weinig is 't verschil, of na dit tijdlijk slaven

Wij worden in der aarde, of in de zee begraven,

En ons en is voorwaar het aardrijk niet alleen,

Maar ook de vloeden zelfs gegeven tot een leen.

Elk rept van stonden aan zijn handen tot den werke,

De een timmert, klutst, en bouwt een tweede Noachs arke,

Een ander stijgt omhoog ten wolken met de mast,

Die maakt den wouwe-steert[4], het roer, van achter vast,

Den eenen 't anker smeedt, die draait de kenpsche[5]zeelen,

En d' ander 't vlakke zeil de winden gaat bevelen.

Doet een nieuw-wereld op, gaat bruisschen door het nat,

En keert fluks wederom met alderhande schat.

Van een zoo nutte kunst, krijgt haast de nieuwe maren

Sesostris, de monarch der oude Egyptenaren:

Die door 't Arabisch meer een vlote kielen sleept,

En met zijn oorlogs-heer naar Indus overscheept,

Keert veilig weder t' huis, als vele uitheemsche rijken

Hij onderworpen had den scepter van Afrijken.

Dit 's wel den eersten prince of koning, die de zeên

Heeft met een houten peerd betreden en bereên,

Die als een heldre toorts geluchtet[6]heeft voor-henen;

Welk zijn op 't spoor gevolgd de machtige Turrhenen[7],

Na dees de Tyriers[8], en zoo is voorts verbreid

Dees vinding meer en meer, om hare nuttigheid.

En wie erkent doch niet den grooten heil en zegen,

Die hier door werd bereikt, en lichtelijk verkregen?

Waar zij in zwange raakt, of uitsteekt hare borst,

Werd ieder dorp een stad, elk reeder eenen vorst,

Vruchtrijke markten van onnutte en dorre stranden;

Getuigen zuldy[9]zijn, vereende Nederlanden!

Wiens voorste[10]zee-steên, hier na 't leven afgemaald[11],

De aanschouwer al verbaasd met zijn gezicht bestraalt[12],

Verbaasd, omdat hij zoo veel toorens ziet gewassen

Uit laag verzopen[13]land, uit poelen, en morassen,

't Schat-geldrijk Amsteldam, Rotterodam 't beroemd,

Enkhuizen 't haring-rijk, 't kloek Middelburg, genoemd

Der Zeeuwen beste pand, en Vlissing, 't wel gelegen

Om raken af en aan, door de ongebaande wegen;—

In deze peerlenkreits voornamelijken gants

Of aldermeest bestaat de zee-vaart dezes lands.

Van ouder tijden staâg, in oorloge en in vrede,

Elk dezer steden was een wijd vermaarde reede,

Vermids den oceaan goed-jonstig tot haar vloeit,

Waar door zij meer en meer allengs zijn aangegroeid,

En, neffens veel tribuuts[14], niet weinig luisters gaven

Den vorstelijken naam van haar gehulde[15]graven,

Derwelker eer en roem zich spreidde wijd en zijd,

En hielden ridderlijk den zegen[16]in den strijd.

Waarom de Caesars[17]ook, en ander Potentaten,

Haar bond-genootschap lief en weerd was boven maten.

Twee Diederijken zijn (of immers als men[18]leest)

Gezwagers van de kroon der Franken eer geweest;

Arnolf, de derde, had twee keizeren te gader,

Tot eenen zwager d' een, den andren tot schoon-vader;

Wilhelm de tweede, graaf van Holland, werd alom[19]

Beroepen tot Monarch van 't Duitsche Keizerdom.

En waar door anders zijn dees graaffelijke heeren

Geklommen op den trap en hoogsten berg van eeren,

Als door de zegening der scheep-vaart, die den schoot

Der landen maakte rijk, en hare vorsten groot!

En Carolus, genaamd de vijfde van den rijke

Des keizerlijken stoels, die niemand zijns gelijke

Tot zijnen tijden heeft in mogendheid erkend,

Wien zelfs zijn heiligheid, der kerken hoofd Clement[20],

De pratte koningen van Frankrijk en Naveerne[21],

Zoo andre vorsten meer, zich onderwierpen geerne,

Voor wie eerbiedig heeft de Kleefsche vorst geknield[22];

Die gansch Europa niet alleen in vreeze hield,

Maar zelve ook alle vier de hoeken van der eerde

Zijn wapens voelen dede, en 't staal van zijnen zweerde;

Die als monarche droeg van 't driemaal heilig graf

De koninklijke kroon, den titel, en den staf;

Die (zegge ik) heeft geproefd[23]wat nut, in zijne tochten

En krijger, jaarlijks dees provincen aan hem brochten.

Waarom hij niet vergeefs, verstandig en bekwaam,

Philippum zijnen zone, en een'gen erfgenaam

Vermaande, geenzins niet den Iber toe te laten

Met zijnen trotschen kop 't beheerschen dezer staten,

De welke lange om 't lijf niet passen zou den rok

Van zulk een forsch gebied, als 't Spaansche ondraaglijk jok;

Maar 's vaders lesse heeft de zone haast vergeten,

Die 't uitheemsch bloed beveelt 's lands rechten en geweten;

Dies slachtet[24]Neder-land 't getergde Spaansche ros,

't Welk voelende zijn kracht, breekt al zijn toomen los,

Begeeft zich buiten spoor (de meester mag niet gelden),

En briesschende gewint den sleutel van de velden[25];

De ridder ligt vertreên, vermeesterd t'zijner spijt,

De meester is den hengst, de hengst den meester kwijt.

Enkhuizen is de burg, daar d' eere van Oranjen[26]

Langs over komt te lande, en schut[27]de macht van Spanjen,

De geld-kasse Amsteldam, in 't geven rijk en mild,

't Zeeuwsch Vlissingen, van 't land de grendel of den schild,

't Vermaarde Rotterdam, 't kloek Middelburg, en de ander,

Van de algemeene zaak voorstanders met malkander;

Meet hun vermogen af, en rekent, ik verzwijg

Wat al verslonden heeft de veertig-jaar'ge krijg[28];

Krijg, tegen dien monarch, die waagde tot den lesten

Wat zijn Thresoor verzwolg van Oosten, en van Westen,

Tot dat hij uitgeput, verpandet en verschuld,

Ons eind'lijk met den hoed der vrijheid heeft gehuld.

Gedurende den storm der dulle krijgs-rumoeren,

Zij veilig als voor-heen de stroomen staâg bevoeren,

Dewijle, 't beste deel der havens op haar zij,

Hun-lieden niets gebrak, als voor-wind en getij,

Beneffens dat zij, heer van de onbetuinde hoven[29],

In kloekheid lagen meest haar[30]vijanden te boven,

Waarom zij af en aan, nu uit nu weder in,

Doorploegden 't vochte veld met voorspoed en gewin.

't Oneindelijk[31]getal van dees gevlerkte kielen,

Die in den woesten plas gelijk de visschen krielen,

Den Deenschen koning gaf verwondering genoeg,

Toen hij'r zes honderd sterk op zijnen stroom besloeg[32],

Behalven de ander die hun streken elders namen,

En tseffens uit het Vlie hun ankers lichten t' zamen,

Ik zwijg de reste nog, die mede al om profijt

In 't Westen liepen uit, op eenen zelven tijd.

Toen 't vliegende gerucht ons met een luid geschreye

Bracht tijding van de vlote, en groote scheeps-armeye[33],

Waar mede Quinti[34]zone alreê zich had beloofd

De kroon van Engeland te drukken om zijn hoofd,

De staten met der haast tot weder-stand begrepen

Te reeden tien maal tien gewapende oorlogs-schepen,

Om rustig op den Teems den pratten Castiljaan

Het aangezicht te biên, en zien alzoo te slaan,

En tellende hun macht, bevonden al verwonderd

Van weerbaar schepen meer als driemaal negen honderd,

Daar 't minste van geschat tienmaal tien vaten groot,

Gaat bruischen voor den wind, gereed in tijd van nood:

Ik laat de buizen staan, de krabbers, en de booten,

Die om den visch-vang nog op 't zoute water vloten,

Ik laat de binnen-vaart van de een tot de ander stad,

Van 't een in 't ander meer door 't schoon gemarmerd[35]nat,

Van heuden[36], pleiten, boots, smak-zeilen[37], ofte[38]stevens[39],

En duizend andre meer tot onderhoud des levens.

In 't gulden Jubel-jaar[40], doe[41]onzen held[42]met macht

Zijn overwonnen heer op 's vijands bodem bracht,

Men langs de Vlaamsche kust laveeren en verdeilen

Een vlote zag, bijna van dertig honderd zeilen,

Waar van het boots-volk vrank en veilig mocht aanzien

Twee legers aan de strand malkand'ren 't voorhoofd biên,

Daar Maurits aan de een zijde omringd is van de baren,

Aan de ander van den zwerm der toegeruste scharen,

Daar eenen donder roers[43]ten wolken weder-schalt,

Daar een blaauw hagel-bui van looden kogels valt,

Daar 't polver[44]van 't geschut gaat eenen bliksem geven,

Dat hemel, aarde, en zee, staan t' zitteren[45], en beven;

Help! wat een wonder was 't, toen langs de vlakke zee

Des vijands ordening gebroken werd in twee,

Zijn Hoogheid[46]al verbaasd het vlieden had verkoren,

En zijnen veldheer liet met 't gansche heer verloren:

Den Arragon[47]gevaên, zijn krijgs-volk in het zand

Begraven hier en daar, ons helden de overhand.

Al zacht, mijn Zang-godin! laat uwen ijver dalen,

Gij loopt al veel te wijd, blijft binnen dijne palen,

Laat slapen[48]dezen wolf, en niet den gene wekt

Die 't Neder-lands tooneel zoo bloedig heeft bevlekt.

Den visch-vang voor-geroerd[49]van zooveel haring-buizen,

(Die op den blaauwen rug des oceaans, als huizen

Gedreven hier en daar, op hoop van vrijen buit

Op Sint Jans nacht haar want met vreugden worpen[50]uit)

Ik niet verzwijgen kan: O wat een gulden nering

En voedsel brengt ons toe de koninklijke hering!

Hoe menig duizend ziel bij dezen handel leeft,

En, winnende zijn brood, God dank en eere geeft!

Oprechte Zebedeên[51]! die stadig op 't verbolgen

Zee-waters woesten plas[52]bespoeld wordt van de golgen[53],

Die Petrum volgt op 't spoor, en schier den meesten tijd

Uw vliênde leven op den diepen afgrond slijt,

Den Hemel zegen u, vermids gij zoo goed-aardig,

Uws lichaams nooddruft wint, onnoozel en rechtvaardig,

En van den lieven God met dankbaarheid ontvangt

't Zij weinig ofte veel, wat gij in 't garen vangt.

Toen Draak en Candisch[54]vast nieuw-werelden ontdekten,

Om 's werelds ommeloop haar[55]vleugelen uitrekten,

En keerden elk op 't lest van een zoo nutte reis

Met zijde-zeilen aan West-munster, 't groot paleis;

De bondgenooten[56]ook begonden te verlangen,

Om op een goede hoop van winning aan te vangen,

't Geen hun naburig volk nu meermaals had bestaan,

Te meer dewijl zij, vrank en niemand onderdaan,

Niet hadden om te zien naar 's Roomschen paus statuiten,

Dewelke af-gunstig haar van d' Indie-vaart uitsluiten.

Den yver daaglijks groeit, waarom den heelen rei

Der Cosmografen[57]fluks (om China en Cathay[58]

Langs 't Noorden op te doen) zich onderling beraden,

Daar om den doorgang elk te vinden is beladen[59].

De een acht het voorgebergt Tabin te Noordwaart ligt,

En de ander schijnt dit vremd, vermids hij is bericht

Dat vóór veel eeuwen lang, is, op de Duitsche stranden,

Den Indiaan gezien bij storm-wind komen landen.

De hope van gewin zoo wijd de zake brocht,

Dat tot tweemalen toe dees streke werd bezocht,

Wijd onder 't Beersche[60]licht: maar laas! met weinig bate,

Niet wijders op gedaan als der Nassouwen strate.

Maar Willem Barendszoon, als voogd en principaal,

Den Noord-pool, met nog een, gaat voor de derde maal

Bestoken op vier min als vier-maal twintig trappen[61],

En daalt ter Hellen waart, daar nergens menschen stappen,

Daar hem Corneliszoon[62]in nood en lijfsgevaar

Om al des werelds schat geensins wil volgen naar[63];

Dan Barendszoon, die niet vindt raadzaam zich te wenden,

Tot Nova-Zembla toe, verzeilt aan 's werelds enden.

Nature wordt beroerd: "zal ik dan gansch verkracht

(Zegt zij) ten lesten zijn vant menschelijk geslacht?

Zal dan een sterflijk dier de palen over-springen,

Die eenmaal heeft gesteld de moeder aller dingen?

Zal dan geen plaatse zijn op 's werelds aangezicht,

Daar dezen woesten hoop zijn zolen niet en licht?

Nature zal veeleer, veeleer als dit gedoogen,

Geheel ontwapend zijn van alle haar vermogen!"

't Is naauwelijks gezeîd, een wonderbaar geweld

Van hagel, storm en wind de zee ten wolken welt;

De een schotse op de ander tast, tot eenen ijzen[64]toren

Of glinsterenden berg, daar 't schip op blijft verloren.

Geen deerlijk zien hier geldt, zij zijn int ijs geraakt,

Dies van gepijnden nood men fluks een deugde maakt;

Men klutst een houten hut, getroostet zich te erneeren[65]

Met witte vossen vleesch, te strijden met de beeren,

In dezen dooden hoek, vol ijs en sneeuwgebergt,

Daar 't licht drie maanden ruim zijn gulden toorts verbergt,

En t' zomers wederom, met uitgeworpen stralen,

Gaat honderd nachten lang zijn winter-schuld betalen;

Nog even wel en mag door geenen zonne-schijn

Die hard bevrozen kolk geensins ontdooyet[66]zijn,

Gezwijge, datmen hier zoude ergens loof of fruiten

Uit onzes moeders schoot zien groeyen ofte spruiten.

Na dat nu Barendszoon de kille Noordsche locht

Driemaal drie maanden[67]lang met sneeuw-jacht heeft bezocht,

Hij, als in lijfs gevaar, zich zelven gaat te buiten,

't Schip tot een bake laat, en keert met open schuiten,

Door zoo veel graauwe zeên, daar hem uit 's werelds kruis

God in zijn ruste haalt; zijn hulpers[68]komen 't huis.

De Batavieren[69], die terwijlen niet en rusten,

Met vier kasteelen[70]gaan bezoeken Indi-kusten,

De mid'lijn kruisen zij, en nemend haren loop

Vast door-gaans langs de Kape of kust van Goede Hoop,

Door Houtmans kloek beleid zoo nutten reis volstrekken,

Die keerende, andermaal gaat deze vaart ontdekken,

En, blijvende op den weg[71], laat 't lieve vaderland

't Geruchte zijnes naams, als een dierweerdig[72]pand.

't Beginsel zijnde aldus kloekmoedig aangegrepen.

Men schepen tweemaal vier gaat door de baren slepen,

Daar Neck[73]ter goeder tijd den gulden dageraad

Zoo spoedig mede groet, en wederom verlaat,

Dat in jaar-maanden zes en negen, met verblijen,

Hij 't land den offer biedt en reuk der specerijen,

Die één gewaget[74]heeft krijgt vier daar voren[75]weêr;

Dies ieder is verheugd, en geeft den Hemel de eer.

Mijn glas[76]te zeer verloopt, wat wil ik veel vermanen,

Hoe Olivier van Noord, de Straat der Magellanen[77]

Langs Chili en Peru bezeild heeft, en den kloot

Der aarden omgewield met een vier-scheepsche vloot.

Ik zwijg, hoe dikmaal 't Weste ontbloot is van gesteente,

Van peerlen, en van goud, tot welstand der gemeente,

Castiliën zwelt van nijd, dat zoo een rijke leen

Als 't gulden Indus is, schier ieder wordt gemeen:

Dat deze gouden tuin in de allerzoetste luchten

Ons in den schoot verleent zoo veelderhande vruchten:

Dies schat noch moeit en spaart, om sluiten eens op 't lest

Den draai-boom vande vaart van Oosten, en van West.

De bondgenooten hier niet weinig op en letten,

Maar de eilanden alsins met wapenen bezetten,

Tot welken einde ook nu (om zijn ervarenheid)

Den kloeken Geraert Reynst gegeven is 't beleid,

Als opper-amiraal, om de Indische kwartieren

Ten besten van 't gemeen verstandig te bestieren;

De lieve Hemel hem doch zonder ongeval

Ter plaatsen brengen wil daar hij regeeren zal,

Op dat 't gezelschap mag door hem des Heeren zegen

Met dankbaarheid ontvaên, als eenen zoeten regen,

En wassen meer en meer, gelijk men groenen ziet

Den schoon gebloeiden eik aan eenen water-vliet.

Oud Grieken-land! treedt voort, treedt voort met uw zeilaziën.

Maar kinder-spel bij al ons drijvende bosschaziën[78],

Die door 't gekrolde[79]blaauw gaan voeren haren last,

Getimmerd op een ree, daar nergens hout en wast,

En jaarlijks niet te min wel duizend werden sterker,

Gelijk bereeknen mag den vlijtigen aanmerker[80].

Ulysses, Hercules, of Tyfis, wie gij zijt,

Die uw merk-teekens er hebt opgerecht zoo wijd

Of gij verrijzen mocht, hoe zoudy[81]u verwond'ren,

Zoo onze sloten[82]gij zoo verre hoorde dond'ren!

Zoo van de Noordsche baak[83]gij zaagt den grijzen tsop[84]

Van't Oosten tot int West ons krijgs-heir trekken op!

Zoo vele schatten ook den wankelen gebouwen,

Het avontuur der zee, en 's Hemels gunst vertrouwen!

Zoo gij de kusten zaagt van 't eene en 't ander veld,

Wiens streken zijn ontdekt, wiens namen zijn gesteld

Bij Houtman, Barentszoon, Spilberg, van Noord, Linschoten,

Van Neck, Heemskerck, en meer van haar vlies-genoten[85],

Waar van de Antipoden begroet zijn op de rij,

Die and're sterren zien en Hemel-locht als wij.

Naast Hem die 't al regeert, voert vander Staten stroomen

Nassau[86]als Amiraal de breidels en de toomen,

Wien weder, wind, en stroom, zoo vriendelijk toe-lacht,

't Zij als hij spelen vaart met zijn beschilderd jacht,

Het zij wanneer hij gaat zijns vijands heir verstrooyen,

Of ergens winnen Sluis, terwijl men krijgt voor Troyen[87],

Elk wil de voorste zijn, elk loopt hem te gemoet,

Een nieuws-gier zoel geblaas de vlaggen zwieren doet,

De zee al zachtlijk speelt, en schept een groot behagen,

Van zoo een dapper held op haren vloed te dragen:

Ligt[88], winden! (roept zij) ligt! niet al te zeer en ruischt,

Gij ziet wat grooter vorst mijn natte borst door-kruist!

Of zoo gij vullen wilt zijn zeilen en zijn wimp'len,

Wacht u mijn aangezicht met golven te berimp'len,

Op dat gelijkerhand wij dienen zonder nood

Den genen, die mijn glas beschaduwt met zijn vloot.

Gelijk als aan de strangh[89], de duinen ons ten goeden

Beletten met geweld den overloop der vloeden,

Wanneer het woeste meer uit zijnen afgrond braakt,

Waar door al 't leege[90]land in rep en roere raakt,

Zoo heeft Nassouwen ook (naast God), in onze allarmen,

't Vereenigd Nederland haar vrijheid gaan beschermen,

Haar palen uitgestrekt, en eind'lijk door zijn drift

Den vrede toe-gebracht, gelijk een rijke gift.

O onverwonnen prince! O, bloeme van Oranjen!

O grooten kapitein! O tegengift van Spanjen!

't Geruchte dijnes lofs zij nimmer uitgewischt,

Die t' onzen dienst tot nog uw leven hebt verkwist[91],

En door uw vroomheid nu zijt in Sint Joris orden[92]

Groot ridder van de kroon Britanniæ geworden.

Bestendig moet de vrede, O Nederlanders! duren,

O heimelijke schrik van uwe na-geburen!

Een ieder u bemint, een ieder u begeert,

Uw bond-genootschap is een ieder lief en weerd,

De uitheemsche laten zich van alle kanten vinden,

En onderling met u eendrachtig haar[93]verbinden,

De tulpand[94]-drager Turk, het Ottomansche zaad,

Die 't heele Kristen rijk dreigt met een wreed gelaat,

Zijn havens openstelt en, langer niet versteenigd[95],

Heeft zijnen scepter korts met uw gebied vereenigd,

Tot teeken van zijn gunst, maakt alle slaven vrij,

En toont hoe lief en weerd hem uwe vrundschap zij!

Wel aan, gij Bataviers! die, als op gouden straten,

Als vorsten henen treedt, wat zal u mogen baten?

Wat batet[96], of gij smaakt zoo veel weldaden Gods?

Wanneer gij die misbruikt, wellustig, prat, en trotsch?

Zoo gij te hooge vliegt, te leege[97]zuldy dalen,

Zoo gij den bliksem naakt, o wacht u voor zijn stralen!

De straffe in tijds ontvlucht, ziet 's Heeren goedheid aan,

Eer gij zijn strengheid voelt, wanneer gij meent te staan.

Van Tyriers, Sidoniers, en van Capernaïeten

Door ware boete wordt bekeerde Ninivieten!

Worpt al uw kroonen weg, uw purp'ren sluyers scheurt,

En met een droef gemoed om uwe zonden treurt!

Uwe ooren opensluit voor 't luid geschrei der armen,

En trekt goedwillig aan een hertelijk ontfarmen!

Volgt deze handelaars, van wiens Ofirisch goud

En zilver Salomon heeft Zions kerk gebouwd.

Gods tempelen voorwaar zijn dearmeKristenleden,

Waar aan gij al uw goud en zilver moogt besteden:

Den wijzen koopman slacht, die 't beste deel verkiest

En om de schoonste peerle een weinig goeds verliest.

Men loopt, men woelt, men draaft met gierige gemoedren:

Men hoopt zich bergen op van tijdelijke goederen.

Veel zeên men vast doorkruist, veel hulken men uitreedt,

Maar 't scheepken des gemoeds men heel en al vergeet.

U zelven dan ontwordt, uw schatten treedt met voeten,

En met den blinden mol blijft niet in d' aarde wroeten;

Maar koopt een zeker rent, een eeuwig blijvend pand

In't nieuw Jeruzalem, der vromen vaderland,

Al waar te vinden is, naar[98]al dit pijnlijk slaven,

Naar al dit aardsch gewoel, een zoete en stille haven.

Gedurende, o mijn God! dat ik in 's werelds krijt[99]

Naar uwen heil'gen wil mijn brooze leven slijt,

Vergunt mij, dat ik mag, o Vader aller dingen!

Den uitgebreiden lof van uwe daden zingen,

Tot mijner zielen heil, mijn eenig oogen-merk,

Tot de eere dijnes naams, en bouwing dijner kerk.

[1]Voorverbonden.

[1]Voorverbonden.

[2]De Godheid als beheerscheres der zee.

[2]De Godheid als beheerscheres der zee.

[3]De blaauwe zeevlakte.

[3]De blaauwe zeevlakte.

[4]Anders en gewoonlijkzwaluwstaart.

[4]Anders en gewoonlijkzwaluwstaart.

[5]Vanhennep.

[5]Vanhennep.

[6]geschenen(verg. nog onsluchtenenluchter).

[6]geschenen(verg. nog onsluchtenenluchter).

[7]De naar Italië geweken Etruriërs.

[7]De naar Italië geweken Etruriërs.

[8]De zeevarende Feniciërs.

[8]De zeevarende Feniciërs.

[9]zult gij.

[9]zult gij.

[10]Voornaamste, verg. 't Eng.first.

[10]Voornaamste, verg. 't Eng.first.

[11]Denkelijk op de prent, bij de eerste afzonderlijke uitgave.

[11]Denkelijk op de prent, bij de eerste afzonderlijke uitgave.

[12]Voorbekijkt.

[12]Voorbekijkt.

[13]Thansverdronken.

[13]Thansverdronken.

[14]schatting.

[14]schatting.

[15]Verkeerdelijk voorgehuldigde.

[15]Verkeerdelijk voorgehuldigde.

[16]Voorzege.

[16]Voorzege.

[17]Keizers; zie vervolgens.

[17]Keizers; zie vervolgens.

[18]althans gelijk men.

[18]althans gelijk men.

[19]algemeen.

[19]algemeen.

[20]Paus Clemens VII.

[20]Paus Clemens VII.

[21]Rijmshalven voorNavarre.

[21]Rijmshalven voorNavarre.

[22]Willem van Gulik, 7 Sept. 1543 in 't kamp voor Venlo.

[22]Willem van Gulik, 7 Sept. 1543 in 't kamp voor Venlo.

[23]ondervonden.

[23]ondervonden.

[24]gelijkt.

[24]gelijkt.

[25]Voorhet open veld.

[25]Voorhet open veld.

[26]Willem de Zwijger.

[26]Willem de Zwijger.

[27]afweert,stuit.

[27]afweert,stuit.

[28]Tot aan het Bestand nam.

[28]Tot aan het Bestand nam.

[29]Nam.de wijde wateren.

[29]Nam.de wijde wateren.

[30]Thanshun.

[30]Thanshun.

[31]Vooroneindig.

[31]Vooroneindig.

[32]met zijn blik, en dusbemerkte.

[32]met zijn blik, en dusbemerkte.

[33]de onoverwinnelijke vloot.

[33]de onoverwinnelijke vloot.

[34]CarolusQuintusof V.

[34]CarolusQuintusof V.

[35]Vooreffen,vlak.

[35]Vooreffen,vlak.

[36]Kleine schepen.

[36]Kleine schepen.

[37]betersmakken.

[37]betersmakken.

[38]Thansof; zie vroeger.

[38]Thansof; zie vroeger.

[39]Rijmshalven, het deel voor 't geheele vaartuig.

[39]Rijmshalven, het deel voor 't geheele vaartuig.

[40]1600.

[40]1600.

[41]Thanstoen.

[41]Thanstoen.

[42]Maurits, bij Nieuwpoort; zie vervolgens.

[42]Maurits, bij Nieuwpoort; zie vervolgens.

[43]Vanvuurroeren.

[43]Vanvuurroeren.

[44]buskruid.

[44]buskruid.

[45]betersidderen.

[45]betersidderen.

[46]Aartshertog Albert.

[46]Aartshertog Albert.

[47]Mendoça.

[47]Mendoça.

[48]Tijdens 't Bestand.

[48]Tijdens 't Bestand.

[49]voormeld; zie een 30 regels vroeger.

[49]voormeld; zie een 30 regels vroeger.

[50]Thanswerpen.

[50]Thanswerpen.

[51]Bijbelnaam voorvisschers.

[51]Bijbelnaam voorvisschers.

[52]Versta;op den woesten plas van 't verbolgen water, en verg. denzelfden zinbouw boven, in't Pascha.

[52]Versta;op den woesten plas van 't verbolgen water, en verg. denzelfden zinbouw boven, in't Pascha.

[53]Voorgolven.

[53]Voorgolven.

[54]De Engelsche zeevaarders Drake en Cavendish.

[54]De Engelsche zeevaarders Drake en Cavendish.

[55]Thanshun.

[55]Thanshun.

[56]de Nederlanders.

[56]de Nederlanders.

[57]Wereldbeschrijvers.

[57]Wereldbeschrijvers.

[58]Middeleeuwsche naam voor N.-China.

[58]Middeleeuwsche naam voor N.-China.

[59]bezorgd,er op uit.

[59]bezorgd,er op uit.

[60]van den beer.

[60]van den beer.

[61]Voorgraden.

[61]Voorgraden.

[62]de achtergebleven Rijp.

[62]de achtergebleven Rijp.

[63]Thansna.

[63]Thansna.

[64]Voorvan ijs.

[64]Voorvan ijs.

[65]voeden,geneeren.

[65]voeden,geneeren.

[66]Thansontdooid.

[66]Thansontdooid.

[67]Voor driemaal, telkens voor drie maanden.

[67]Voor driemaal, telkens voor drie maanden.

[68]Andershelpers.

[68]Andershelpers.

[69]Voor Nederlanders.

[69]Voor Nederlanders.

[70]Voor grooteschepen.

[70]Voor grooteschepen.

[71]Daar hij in 1597 vermoord werd.

[71]Daar hij in 1597 vermoord werd.

[72]dierbaarofduur-waardig.

[72]dierbaarofduur-waardig.

[73]J. Sz. van Neck.

[73]J. Sz. van Neck.

[74]Voorgewaagd.

[74]Voorgewaagd.

[75]voor.

[75]voor.

[76]uurglas,tijd.

[76]uurglas,tijd.

[77]Rijmshalven voor vanMagellaan.

[77]Rijmshalven voor vanMagellaan.

[78]van mastennam.

[78]van mastennam.

[79]gekrulde,golvende.

[79]gekrulde,golvende.

[80]opmerker.

[80]opmerker.

[81]zoudt gij.

[81]zoudt gij.

[82]schepen(gelijk bovenkasteelen).

[82]schepen(gelijk bovenkasteelen).

[83]punt.

[83]punt.

[84]top.

[84]top.

[85]tochtgezellen(zinspeling op die van 't gulden vlies der oudheid).

[85]tochtgezellen(zinspeling op die van 't gulden vlies der oudheid).

[86]Prins Maurits.

[86]Prins Maurits.

[87]Oostende,(wegens 't driejarig beleg).

[87]Oostende,(wegens 't driejarig beleg).

[88]Legt u,gaat of blijft liggen.

[88]Legt u,gaat of blijft liggen.

[89]Naar de plat-Hollandsche uitspraak voorstrand.

[89]Naar de plat-Hollandsche uitspraak voorstrand.

[90]Voorlage.

[90]Voorlage.

[91]Minder juist voorprijs gegeven,gewaagd.

[91]Minder juist voorprijs gegeven,gewaagd.

[92]De Engelsche ridderorde van St. Joris.

[92]De Engelsche ridderorde van St. Joris.

[93]Thanszich.

[93]Thanszich.

[94]AndersTulband.

[94]AndersTulband.

[95]versteend,doof.

[95]versteend,doof.

[96]baathet.

[96]baathet.

[97]laag.

[97]laag.

[98]Thansna.

[98]Thansna.

[99]kring,perk.

[99]kring,perk.


Back to IndexNext