Chapter 6

De hongerige gier, al toornig en verbolgen,Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351]zijn taal:"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,En voor die deugd uw geest vermaken met gezang.""Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;Den honger is te groot, den buik en heeft geen oorenOm luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mijniet."Waar nood den mensch bekrijgt, daaracht menop geen zaken,Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.LXXII.SLANGE EN BOER.De land-man bij geval vond, in een hage-doren,Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,'t Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],En kloof[353]haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.LXXIII.LEEUW EN WANDELAAR.Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,En hadden onderling haar praterij gemeen,Ter tijd[354]zij zagen, uitgehouwen in een steen,Een man en ruigen leeuw, die worstelende dedenHaar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.De wandelaars hier op haar oogen bezig[356]sloegen,En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357]biên!"Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358]onder voet,En zijn verdiende straften laatste dragen moet.LXXIV.DE LEEUWE, EZEL, EN VOS.Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,Gelijkerhand[359]om roof en buit te gaan uit jagen:Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.LXXV.DE VOS EN DE LEEUWE.De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:'t Is de andere nature in 't redelijk gemoed.Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360]toegeschreven.LXXVI.LEEUWE, VERKEN, EN GIER.De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:'t Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiênVan eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,En vast op[362]d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.LXXVII.DE WOLF, 'T VOSKEN EN DE HARDER.De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.De vos, die bij geval passeerde langs het gat,Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelvenOp 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365]klipgewelven:Verbrast hem[366]aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)Ten leste deerlijk wordt der feller[367]honden aas.Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368]te plagen,Een beudel[369]wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],Om andren leed te doen hem[366]zelven niet verschoont.LXXVIII.DE VOS, HOND EN HAZE.'t Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaakIs 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:'t Bezwaart, en kookt[371]gants niet in hongerige magen.Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;Het is 't gezochtste wild in aller princenhoven."De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,'t Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten."O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.De schalk[373]heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.LXXIX.DE STIER EN 'T MUISKEN.Den horen-drager stier hem[374]zelven koning noemdeVan al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,'t Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,Al is hij schoon[375]het hoofd van menig duizend steden,Zoo kan een onderzaat en minder onderdaanHem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.LXXX.DE AAP EN DE VOS.De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,Opdat ze afschutten[377]mocht haar schande en ook de koû,Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mistIets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378]armen.LXXXI.DE VOS EN 'T BEELD.De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde't Hoofd, dat een beeldenaar[379]zeer schoon na 't leven bouwde[380]:Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,'t Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;Het welk hij om de kunst geloofd[381]heeft en verheven,En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?O, schoon gebootste[382]kop! ik vinde niet in u,Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.LXXXII.'T HERT, 'T SCHAAP EN WOLF.Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.'t Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,Heeft 't schaapken 't hart belacht[383]om 't vast beloofde graan,En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,'t Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.LXXXIII.DE GEITE EN 'T JONGE WOLFKEN.De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,'t Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven."Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.LXXXIV.DE KATTE EN DEN HAAN.De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.Gij zult vroegmorgens[387]niet meer maken groot geluid.Noch in haar[388]zoetste rust de slapers komen storen."Dies Koppen[389]om t' ontgaan des katten heeten toren[390],Zijn onschuld[391]maakte, dat hij 't niet en was alleen.Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,Al lichtelijken een gevonden[394]oorzaak vindt.Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.LXXXV.DE KAT EN DE RATTEN.Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:'t Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395]van kreeg,Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397]had vergeten;Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:Zij voegd' haar[398]bij het meel en school haar[398]in de kist.De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.LXXXVI.DE OUDE HOND, EN ZIJN MEESTER.Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoofEen afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heerenMet lieflijk venezoen[399]op 't rijkste te stoffeeren:Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],En dat men stokken[401]hem in plaats van eten gaf,Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mijdroeg."Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402]wacht.LXXXVII.DE BOER EN ZIJN HONDEN.Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.LXXXVIII.DE EZEL, BUFFEL, KAMEEL, EN MUIL.'t Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,'t Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404]dal:Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,En dienen tot gerief en slavernij der menschen.Den ezel lang-geoord, die kreesch[405]uit ongeduld,Hij was aan[406]zulken last noch arbeid niet verschuld,Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.Hoe menig plompaart nog al stribbende[408]bepleit,T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409]te verschrijven,Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.LXXXIX.BAVIAAN ENDE AAP.Den aap eens guichelaars[410]bedreef zeer vreemde dingen,Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,'t Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413]aan,Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,Hij een fraai hierlandsch[414]wijf ziet groote noten snoepen:Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,Dat haar[415]van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pasHetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.XC.DE ZWALUWE ENDE DEN KWIST-GOED.Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.Doch als hij onverziens een zwaluw in de lochtHaar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:Mijn hemde[417]mij genoegt; het opper-kleed moet zijnVerdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;Indien de kwist-goed dacht op huiden[419]om den morgen,Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.XCI.DE VOGELAAR EN 'T VELD-HOEN.De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik.""Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,Werd[420]zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.XCII.DE HENNEN EN 'T VELD-HOEN.De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,De koppens[421]in de ren het arme hoen verpikten:Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvredenDe kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreedHet een gekamd geslacht het andere bestreed,Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,Daar borgers onderling malkanderen bestaan,Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.XCIII.DE VOGELAAR EN DE OOYEVAAR.Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheidDen akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen.""Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.XCIV.DE WOLF VERVOLGT HET SCHAAP.Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen,Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen:Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam,En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam;Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424],En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hielZoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel,Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen:Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen.De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht,Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen lesteVergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.XCV.JUPITER EN DE SLANGE.

De hongerige gier, al toornig en verbolgen,Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351]zijn taal:"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,En voor die deugd uw geest vermaken met gezang.""Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;Den honger is te groot, den buik en heeft geen oorenOm luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mijniet."Waar nood den mensch bekrijgt, daaracht menop geen zaken,Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.

De hongerige gier, al toornig en verbolgen,Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351]zijn taal:"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,En voor die deugd uw geest vermaken met gezang.""Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;Den honger is te groot, den buik en heeft geen oorenOm luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mijniet."Waar nood den mensch bekrijgt, daaracht menop geen zaken,Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.

De hongerige gier, al toornig en verbolgen,Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351]zijn taal:"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,En voor die deugd uw geest vermaken met gezang.""Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;Den honger is te groot, den buik en heeft geen oorenOm luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mijniet."Waar nood den mensch bekrijgt, daaracht menop geen zaken,Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.

De hongerige gier, al toornig en verbolgen,

Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,

En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,

Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351]zijn taal:

"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,

Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:

Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,

En voor die deugd uw geest vermaken met gezang."

"Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;

Den honger is te groot, den buik en heeft geen ooren

Om luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;

Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mijniet."

Waar nood den mensch bekrijgt, daaracht menop geen zaken,

Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.

Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,

Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren,Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,'t Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],En kloof[353]haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren,Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,'t Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],En kloof[353]haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren,Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,'t Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],En kloof[353]haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren,

Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,

Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,

En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.

Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,

't Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;

Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,

En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,

Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,

Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],

En kloof[353]haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!

Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"

Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,

Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,

De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,

Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,En hadden onderling haar praterij gemeen,Ter tijd[354]zij zagen, uitgehouwen in een steen,Een man en ruigen leeuw, die worstelende dedenHaar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.De wandelaars hier op haar oogen bezig[356]sloegen,En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357]biên!"Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358]onder voet,En zijn verdiende straften laatste dragen moet.

Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,En hadden onderling haar praterij gemeen,Ter tijd[354]zij zagen, uitgehouwen in een steen,Een man en ruigen leeuw, die worstelende dedenHaar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.De wandelaars hier op haar oogen bezig[356]sloegen,En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357]biên!"Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358]onder voet,En zijn verdiende straften laatste dragen moet.

Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,En hadden onderling haar praterij gemeen,Ter tijd[354]zij zagen, uitgehouwen in een steen,Een man en ruigen leeuw, die worstelende dedenHaar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.De wandelaars hier op haar oogen bezig[356]sloegen,En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357]biên!"Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358]onder voet,En zijn verdiende straften laatste dragen moet.

Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,

Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,

En hadden onderling haar praterij gemeen,

Ter tijd[354]zij zagen, uitgehouwen in een steen,

Een man en ruigen leeuw, die worstelende deden

Haar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];

Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,

Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.

De wandelaars hier op haar oogen bezig[356]sloegen,

En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.

De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,

De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,

Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:

De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,

Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,

Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357]biên!"

Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,

Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,

Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358]onder voet,

En zijn verdiende straften laatste dragen moet.

Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,Gelijkerhand[359]om roof en buit te gaan uit jagen:Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.

Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,Gelijkerhand[359]om roof en buit te gaan uit jagen:Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.

Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,Gelijkerhand[359]om roof en buit te gaan uit jagen:Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.

Den ezel, vos, en leeuw zijn onderling verdragen,

Gelijkerhand[359]om roof en buit te gaan uit jagen:

Zij renden door het woud, en hielden nergens steê,

Ter tijd zij afgejaagd betrapten een jong rhee.

Toen sprak den ezel: "laat ons nu geenzins krakeelen,

Maar 't jonge rhee in driên voor ons te gader deelen."

De leeuw, hierom verstoord en eisselijken gram,

Den ezel fluks verscheurde, en daadlijk 't leven nam,

En spreekt het vosken aan: "'t zal nu met ons gelukken,

Deelt gij den verschen roof in twee gelijke stukken."

De vos verscheurde 't hert, en deelde 't beest van een,

Maar gaf zijn koning't grootste en 't beste deel van tweên.

Dies zich der dieren vorst tot Reinaart spoedig keerde,

En vraagde, in wat school hij dees beleefdheid leerde?

"Eens anders ongeluk," sprak Reintiën heel beleefd,

"Des ezels droevig eind, mij onderwezen heeft."

Wie 's andren voorbeeld zich verstrekken laat een lesse,

En houdt de ervarentheid zijn voedster en meestresse,

Veel zwarigheids ontgaat, en 's levens tijd verlengt,

Terwijl de onwijze zich in druk en lijden brengt.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:'t Is de andere nature in 't redelijk gemoed.Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360]toegeschreven.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:'t Is de andere nature in 't redelijk gemoed.Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360]toegeschreven.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:'t Is de andere nature in 't redelijk gemoed.Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360]toegeschreven.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,

Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:

Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,

En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.

Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;

Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,

Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.

Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;

Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,

Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.

Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:

't Is de andere nature in 't redelijk gemoed.

Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,

Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360]toegeschreven.

De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:'t Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiênVan eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,En vast op[362]d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.

De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:'t Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiênVan eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,En vast op[362]d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.

De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:'t Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiênVan eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,En vast op[362]d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.

De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,

Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.

De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,

Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],

En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:

't Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,

En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:

Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiên

Van eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,

En vast op[362]d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].

Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,

En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,

Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,

Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.

Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,

En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,

Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:

Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.

De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.De vos, die bij geval passeerde langs het gat,Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelvenOp 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365]klipgewelven:Verbrast hem[366]aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)Ten leste deerlijk wordt der feller[367]honden aas.Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368]te plagen,Een beudel[369]wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],Om andren leed te doen hem[366]zelven niet verschoont.

De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.De vos, die bij geval passeerde langs het gat,Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelvenOp 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365]klipgewelven:Verbrast hem[366]aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)Ten leste deerlijk wordt der feller[367]honden aas.Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368]te plagen,Een beudel[369]wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],Om andren leed te doen hem[366]zelven niet verschoont.

De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.De vos, die bij geval passeerde langs het gat,Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelvenOp 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365]klipgewelven:Verbrast hem[366]aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)Ten leste deerlijk wordt der feller[367]honden aas.Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368]te plagen,Een beudel[369]wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],Om andren leed te doen hem[366]zelven niet verschoont.

De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,

Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.

De vos, die bij geval passeerde langs het gat,

Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.

Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,

Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:

De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,

Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.

De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelven

Op 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365]klipgewelven:

Verbrast hem[366]aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)

Ten leste deerlijk wordt der feller[367]honden aas.

Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368]te plagen,

Een beudel[369]wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.

De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],

Om andren leed te doen hem[366]zelven niet verschoont.

't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaakIs 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:'t Bezwaart, en kookt[371]gants niet in hongerige magen.Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;Het is 't gezochtste wild in aller princenhoven."De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,'t Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten."O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.De schalk[373]heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.

't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaakIs 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:'t Bezwaart, en kookt[371]gants niet in hongerige magen.Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;Het is 't gezochtste wild in aller princenhoven."De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,'t Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten."O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.De schalk[373]heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.

't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaakIs 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:'t Bezwaart, en kookt[371]gants niet in hongerige magen.Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;Het is 't gezochtste wild in aller princenhoven."De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,'t Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten."O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.De schalk[373]heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.

't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:

De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;

Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:

"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaak

Is 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:

't Bezwaart, en kookt[371]gants niet in hongerige magen.

Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,

Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,

Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;

Het is 't gezochtste wild in aller princenhoven."

De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,

't Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;

Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,

Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten.

"O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?

Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"

Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,

Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.

De schalk[373]heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,

Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.

Den horen-drager stier hem[374]zelven koning noemdeVan al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,'t Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,Al is hij schoon[375]het hoofd van menig duizend steden,Zoo kan een onderzaat en minder onderdaanHem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.

Den horen-drager stier hem[374]zelven koning noemdeVan al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,'t Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,Al is hij schoon[375]het hoofd van menig duizend steden,Zoo kan een onderzaat en minder onderdaanHem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.

Den horen-drager stier hem[374]zelven koning noemdeVan al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,'t Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,Al is hij schoon[375]het hoofd van menig duizend steden,Zoo kan een onderzaat en minder onderdaanHem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.

Den horen-drager stier hem[374]zelven koning noemde

Van al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;

Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:

Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,

Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,

En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.

Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,

En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,

Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,

't Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;

Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,

Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.

Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,

Al is hij schoon[375]het hoofd van menig duizend steden,

Zoo kan een onderzaat en minder onderdaan

Hem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.

De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,Opdat ze afschutten[377]mocht haar schande en ook de koû,Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mistIets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378]armen.

De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,Opdat ze afschutten[377]mocht haar schande en ook de koû,Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mistIets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378]armen.

De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,Opdat ze afschutten[377]mocht haar schande en ook de koû,Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mistIets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378]armen.

De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],

Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,

Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,

Opdat ze afschutten[377]mocht haar schande en ook de koû,

Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.

Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,

En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,

De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,

Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;

Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."

De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)

Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mist

Iets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,

Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378]armen.

De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde't Hoofd, dat een beeldenaar[379]zeer schoon na 't leven bouwde[380]:Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,'t Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;Het welk hij om de kunst geloofd[381]heeft en verheven,En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?O, schoon gebootste[382]kop! ik vinde niet in u,Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.

De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde't Hoofd, dat een beeldenaar[379]zeer schoon na 't leven bouwde[380]:Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,'t Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;Het welk hij om de kunst geloofd[381]heeft en verheven,En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?O, schoon gebootste[382]kop! ik vinde niet in u,Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.

De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde't Hoofd, dat een beeldenaar[379]zeer schoon na 't leven bouwde[380]:Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,'t Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;Het welk hij om de kunst geloofd[381]heeft en verheven,En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?O, schoon gebootste[382]kop! ik vinde niet in u,Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.

De vos, in 't rijk kasteel eens edelmans, aanschouwde

't Hoofd, dat een beeldenaar[379]zeer schoon na 't leven bouwde[380]:

Zoo dat in 't aanzien eerst hij vastlijk heeft geloofd,

't Was geen gegoten beeld, maar een natuurlijk hoofd;

Het welk hij om de kunst geloofd[381]heeft en verheven,

En sprak: "Wat ooge zag ooit schoonder beeld zijn leven?

Maar niettemin wat ligt hier aan bedreven nu?

O, schoon gebootste[382]kop! ik vinde niet in u,

Noch reden, noch verstand, noch hersenen, noch zinnen:

Uitwendig schijndy wat, maar niets en is er binnen."

Een welgeschapen lijf, en treffelijk gestalt,

Uitwendig menigmaal den mensche wel gevalt:

Maar ziet men op den geest, waar in alleen den prijs leît,

Zoo vindt men hem ontbloot van reden en van wijsheid.

Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.'t Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,Heeft 't schaapken 't hart belacht[383]om 't vast beloofde graan,En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,'t Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.

Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.'t Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,Heeft 't schaapken 't hart belacht[383]om 't vast beloofde graan,En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,'t Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.

Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.'t Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,Heeft 't schaapken 't hart belacht[383]om 't vast beloofde graan,En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,'t Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.

Het rank gehorend hart 't onnoozel schaap beklaagde,

En voor den wreeden wolf vergramd ter vierschaar daagde,

Opdat het van de terwe en 't graan mocht zijn betaald,

De welk hem kwam van ouds en had tot nog gefaald.

De wolf, als rechter, heeft verhoord haar beider zeggen,

En heeft het weerloos schaap wel ernstig op gaan leggen,

Dat het aan 't klachtig hart het koren zou voldoen,

En op gezetten dag zich tot voldoening spoên.

't Onnoozel bevend schaap heeft alles aangenomen.

Maar als nu 't hart is ter gezetter tijd gekomen,

Heeft 't schaapken 't hart belacht[383]om 't vast beloofde graan,

En zeide: "Ik dede uit vreeze al 'tgene ik heb gedaan."

De onnoozle moet uit schrik in der tirannen hoven,

't Geen hij niet schuldig is, uit angst en vrees beloven;

Want wie te schaffen heeft met eenig wreed tyran,

Opdat hij hem ontga, belooft al wat hij kan.

De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,'t Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven."Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.

De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,'t Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven."Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.

De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,'t Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven."Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.

De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,

't Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,

Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;

Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:

Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,

Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven.

"Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),

Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,

Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;

Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."

Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],

Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:

Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,

Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.

De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.Gij zult vroegmorgens[387]niet meer maken groot geluid.Noch in haar[388]zoetste rust de slapers komen storen."Dies Koppen[389]om t' ontgaan des katten heeten toren[390],Zijn onschuld[391]maakte, dat hij 't niet en was alleen.Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,Al lichtelijken een gevonden[394]oorzaak vindt.Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.

De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.Gij zult vroegmorgens[387]niet meer maken groot geluid.Noch in haar[388]zoetste rust de slapers komen storen."Dies Koppen[389]om t' ontgaan des katten heeten toren[390],Zijn onschuld[391]maakte, dat hij 't niet en was alleen.Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,Al lichtelijken een gevonden[394]oorzaak vindt.Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.

De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.Gij zult vroegmorgens[387]niet meer maken groot geluid.Noch in haar[388]zoetste rust de slapers komen storen."Dies Koppen[389]om t' ontgaan des katten heeten toren[390],Zijn onschuld[391]maakte, dat hij 't niet en was alleen.Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,Al lichtelijken een gevonden[394]oorzaak vindt.Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.

De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,

En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:

"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,

Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;

Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,

En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,

Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.

Gij zult vroegmorgens[387]niet meer maken groot geluid.

Noch in haar[388]zoetste rust de slapers komen storen."

Dies Koppen[389]om t' ontgaan des katten heeten toren[390],

Zijn onschuld[391]maakte, dat hij 't niet en was alleen.

Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.

De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:

Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.

Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,

Al lichtelijken een gevonden[394]oorzaak vindt.

Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,

Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.

Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:'t Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395]van kreeg,Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397]had vergeten;Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:Zij voegd' haar[398]bij het meel en school haar[398]in de kist.De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.

Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:'t Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395]van kreeg,Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397]had vergeten;Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:Zij voegd' haar[398]bij het meel en school haar[398]in de kist.De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.

Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:'t Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395]van kreeg,Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397]had vergeten;Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:Zij voegd' haar[398]bij het meel en school haar[398]in de kist.De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.

Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,

Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:

't Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395]van kreeg,

Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.

Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],

Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397]had vergeten;

Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:

Zij voegd' haar[398]bij het meel en school haar[398]in de kist.

De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,

Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.

De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,

En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:

Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,

Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.

Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoofEen afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heerenMet lieflijk venezoen[399]op 't rijkste te stoffeeren:Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],En dat men stokken[401]hem in plaats van eten gaf,Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mijdroeg."Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402]wacht.

Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoofEen afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heerenMet lieflijk venezoen[399]op 't rijkste te stoffeeren:Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],En dat men stokken[401]hem in plaats van eten gaf,Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mijdroeg."Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402]wacht.

Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoofEen afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heerenMet lieflijk venezoen[399]op 't rijkste te stoffeeren:Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],En dat men stokken[401]hem in plaats van eten gaf,Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mijdroeg."Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402]wacht.

Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,

Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,

Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoof

Een afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:

Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heeren

Met lieflijk venezoen[399]op 't rijkste te stoffeeren:

Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],

En dat men stokken[401]hem in plaats van eten gaf,

Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,

Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;

Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,

En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mijdroeg."

Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,

Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.

Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,

Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402]wacht.

Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.

Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.

Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.

Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,

Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];

Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,

De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,

Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,

Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:

Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,

En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.

Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,

En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:

"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!

Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;

Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:

Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."

Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,

Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.

Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,

Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.

't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,'t Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404]dal:Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,En dienen tot gerief en slavernij der menschen.Den ezel lang-geoord, die kreesch[405]uit ongeduld,Hij was aan[406]zulken last noch arbeid niet verschuld,Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.Hoe menig plompaart nog al stribbende[408]bepleit,T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409]te verschrijven,Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.

't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,'t Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404]dal:Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,En dienen tot gerief en slavernij der menschen.Den ezel lang-geoord, die kreesch[405]uit ongeduld,Hij was aan[406]zulken last noch arbeid niet verschuld,Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.Hoe menig plompaart nog al stribbende[408]bepleit,T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409]te verschrijven,Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.

't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,'t Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404]dal:Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,En dienen tot gerief en slavernij der menschen.Den ezel lang-geoord, die kreesch[405]uit ongeduld,Hij was aan[406]zulken last noch arbeid niet verschuld,Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.Hoe menig plompaart nog al stribbende[408]bepleit,T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409]te verschrijven,Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.

't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,

't Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,

Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404]dal:

Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;

Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,

En dienen tot gerief en slavernij der menschen.

Den ezel lang-geoord, die kreesch[405]uit ongeduld,

Hij was aan[406]zulken last noch arbeid niet verschuld,

Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,

En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.

Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,

En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.

Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,

Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.

Hoe menig plompaart nog al stribbende[408]bepleit,

T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;

Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409]te verschrijven,

Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.

Den aap eens guichelaars[410]bedreef zeer vreemde dingen,Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,'t Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413]aan,Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,Hij een fraai hierlandsch[414]wijf ziet groote noten snoepen:Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,Dat haar[415]van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pasHetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.

Den aap eens guichelaars[410]bedreef zeer vreemde dingen,Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,'t Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413]aan,Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,Hij een fraai hierlandsch[414]wijf ziet groote noten snoepen:Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,Dat haar[415]van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pasHetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.

Den aap eens guichelaars[410]bedreef zeer vreemde dingen,Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,'t Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413]aan,Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,Hij een fraai hierlandsch[414]wijf ziet groote noten snoepen:Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,Dat haar[415]van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pasHetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.

Den aap eens guichelaars[410]bedreef zeer vreemde dingen,

Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,

't Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413]aan,

Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.

Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,

Hij een fraai hierlandsch[414]wijf ziet groote noten snoepen:

Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,

En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:

Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)

Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.

De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,

Dat haar[415]van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.

Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,

Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:

Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pas

Hetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.

Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.Doch als hij onverziens een zwaluw in de lochtHaar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:Mijn hemde[417]mij genoegt; het opper-kleed moet zijnVerdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;Indien de kwist-goed dacht op huiden[419]om den morgen,Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.

Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.Doch als hij onverziens een zwaluw in de lochtHaar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:Mijn hemde[417]mij genoegt; het opper-kleed moet zijnVerdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;Indien de kwist-goed dacht op huiden[419]om den morgen,Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.

Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.Doch als hij onverziens een zwaluw in de lochtHaar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:Mijn hemde[417]mij genoegt; het opper-kleed moet zijnVerdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;Indien de kwist-goed dacht op huiden[419]om den morgen,Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.

Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,

Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.

Doch als hij onverziens een zwaluw in de locht

Haar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:

Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,

Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:

Mijn hemde[417]mij genoegt; het opper-kleed moet zijn

Verdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.

Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,

En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!

De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,

"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,

Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,

Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."

Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,

Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;

Indien de kwist-goed dacht op huiden[419]om den morgen,

Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.

De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik.""Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,Werd[420]zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.

De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik.""Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,Werd[420]zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.

De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik.""Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,Werd[420]zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.

De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;

Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,

Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:

"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!

Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:

Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,

En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,

Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik."

"Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,

Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,

Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,

De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."

Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,

Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:

Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,

Werd[420]zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.

De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,De koppens[421]in de ren het arme hoen verpikten:Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvredenDe kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreedHet een gekamd geslacht het andere bestreed,Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,Daar borgers onderling malkanderen bestaan,Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.

De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,De koppens[421]in de ren het arme hoen verpikten:Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvredenDe kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreedHet een gekamd geslacht het andere bestreed,Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,Daar borgers onderling malkanderen bestaan,Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.

De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,De koppens[421]in de ren het arme hoen verpikten:Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvredenDe kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreedHet een gekamd geslacht het andere bestreed,Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,Daar borgers onderling malkanderen bestaan,Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.

De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,

De koppens[421]in de ren het arme hoen verpikten:

Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,

Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:

Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvreden

De kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,

De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,

Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;

En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,

Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.

Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreed

Het een gekamd geslacht het andere bestreed,

Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,

Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,

Daar borgers onderling malkanderen bestaan,

Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,

En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,

In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.

Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheidDen akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen.""Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.

Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheidDen akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen.""Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.

Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheidDen akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen.""Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.

Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,

Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;

Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,

Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.

Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,

En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.

Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheid

Den akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:

"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,

(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen."

"Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,

Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."

Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],

Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;

Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,

Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.

Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen,Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen:Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam,En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam;Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424],En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hielZoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel,Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen:Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen.De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht,Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen lesteVergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.

Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen,Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen:Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam,En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam;Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424],En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hielZoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel,Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen:Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen.De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht,Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen lesteVergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.

Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen,Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen:Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam,En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam;Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424],En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hielZoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel,Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen:Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen.De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht,Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen lesteVergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.

Den hongerigen wolf, ter zijden weggescholen,

Zag een onnoozel schaap langs 't open veld gaan dolen:

Dies gretig naar het aas hij aangevlogen kwam,

En volgden op het spoor het weerloos vluchtig lam;

Het vlies zijn leven zocht op 't spoedigste te vrijden[424],

En ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden,

Ter poorten inne vlood; dies Wolfaart op de hiel

Zoo dapper metter vlucht ter deuren inne viel,

Dat, als hij binnen was, zij fluks is toegevallen:

Dies spaard' hij 't vlies uit angst, en kwetste 't niet met allen.

De booze niet verschoont het bloed van 't vroom geslacht,

Voor dat hij heeft zich zelfs in zwaar verdriet gebracht.

Zijn honger is zoo groot, dat hij ten langen leste

Vergeet al 'tgeen hem dient ten goeden en ten beste.


Back to IndexNext