De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513]meerder leeren,Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerijVerachten en vertreên?—dus, mensche! wilt u keeren,En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.De peerle' is ook de konst[514]der wijze en hooggeleerde,Die van d' onwetend' haan verniet[515]wordt en verneêrd:Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516]ontbeert.CXIV.DE LEEUW, DEN HAAN EN DEN EZEL.Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,Vand[517]eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedigHem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.De leeuwe int zwingen[519]ziet den tragen ezel volgen,Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].Verstonden zij te recht den korrel[522]van de zaak,Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,Zij zouden welbezind op beter kansen letten,Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.CXV.DEN HAZE EN DE SCHILDPADDE.Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523]aan,Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpenNog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525]voor de stad,Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;En vindt den haze niet als op den avond spâ,Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.CXVI.DE SPIJS-DRAGENDE EZEL.Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladenMet bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526]gier'ge slaven:In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:Een ander heeft uw haaf, derf[527]lekkerlijken smullen.Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528]uit zijn mond;Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.CXVII.DEN HOND EN DE SCHADUWE.Een flukschen[529]waterhond kwam uit een slagers hal,En kreeg dit hachjen[530]voor zijn trouwigheids verval[531]:Al wandelende voorts een treedjen over 't waterVergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschaterVan vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig haptNaar den gewaanden brok;—doe[532]was hem 't vleesch ontsnapt.Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.'t Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534]gieren[535],'t Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.'t Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)Één vogel in de hand, als honderd in de locht.CXVIII.DEN WREEDEN VEROUDERDEN LEEUW.De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagenAl 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,Ontzien word[536]om zijn moord en strenge tyrannij;Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne noodZijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.CXIX.DE STRUIS EN 'T NACHTEGAALKEN.De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,Elkandren haren roem trotzeerende benamen:De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief."Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,Met mijne pluimen haar[539]vereedlen en vercieren.""Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."'t Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewisGetrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540]hem niet vervelen.Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.CXX.DE KRANKE GIER.De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wondenDoch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542]kruid,"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;'t Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen.""Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.CXXI.'T ONVERNOEGDE PEERD EN D' EZEL.Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glasDes Amstels, die alom glad toegevrozen was.Het dertel kreng[543]werd boos, en wonder ongeduldig,Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,Die naauwlijks slepen mocht[544]den zwaar geladen wagen,En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.Het Dene kopken[545]dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.CXXII.DE ZWAAN EN DEN OOYEVAAR.Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoetenEn aangenamen lied hier eindigden op 't lest?"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,En in de zachte schoot van ruste word gedragen."Een arm katijvig[547]man, die vroom is van gemoed,Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:Van 't leven, dat veel eer een durig[548]sterven is,Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.CXXIII.DE VOGEL FENIX.Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijkenVan de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,Vermids[549]zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551]eenen worm,Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,Die werden[552]hier bij niet onvoeglijk vergeleken,Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].CXXIV.DE OUDE OOYEVAAR.In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555]aanbiedt,En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:'t Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.Aan[556]oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:De aankomers[557]slaan ze gâ, en nemen op haar[558]acht,En hechten 't geen zij zien haar[559]zelven in 't gedacht:Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.CXXV.GODSDIENST DES OOYEVAARS.Ziet, hoe de klepelaar den Schepper aller dingenOp-offert jaarlijks één van zijn vruchts eerstelingen;En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,Ter tijd een vluggeloos[560]het lage kiezen moet.O mensche, die noch groeit en lacht in uwe zonden,En aan godsdienstigheid u niet en acht verbonden;Ziet, hoe den ooyevaar u voor het vierschaar daagt,En van ondankbaarheidvoor 'taanschijn Gods verklaagt:Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varenHet wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom:En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.Doch 't is vergeefs gepreêkt, gij houdt het zelfde spoor,Neemt op geen leering acht, geeft wijsheid geen gehoor;Welaan, gij goddelooz'! God zal u niet verschoonen:Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen!—[561][1]De eerste uitgave verscheen, in 1617, bij den uitgever van denGulden Winkel, die onder ieder der "aardige afbeeldingen" waarmede zij "versierd" was, een "exempel uit de oude historiën", stelde (zie het slot derVoorreden). Sedert werd het boekjen herhaaldelijk herdrukt.[2]Nam.de vos.[3]uit zich zelf.[4]Gelijk gewoonlijk bij Vondel voormoest.[5]bijzondere.[6]Latinisme voordoor de.[7]Thanshun.[8]Thanszij kunnen.[9]Thansniets.[10]Thansbij 't vuur.[11]Door(verg. 't Eng.by).[12]De maker der platen bij de afzonderlijke uitgaven (verg. ook die van Van Lennep.)[13]Germanisme vooronbeperkt.[14]Daar deze (naar Van Lenneps opmerking) blijkbaar niet van Vondel zelf, maar van Pers waren, zijn ze hier achterwege gelaten; de desbeluste lezer kan ze in zijne uitgave naslaan.[15]redelooze(verg. het Hoogd.unvernünftig.)[16]Voorstiert het.[17]Thansveroorlooft.[18]Thanswordt.[19]Thans verkort totzon.[20]Versta: door menig voor meer dan Hemelsch geacht.[21]Ariadne, die Theseus, naar de oude legende, uit den doolhof op Creta (Candia) hielp.[22]Anderskluwen(verg.waarschouwen,stouwen, enz.)[23]Voorhoude het.[24]Voorerken 't.[25]Voorzoo hij best mag(of kan.)[26]Voorbloemrijkin 't algemeen.[27]Thanszich zelf.[28]Rijmshalve, maar anders vrij oneigenlijk, voormet spoed.[29]Drinkt elkander toe; van 't Franscheà vous.[30]afscheid.[31]VoorLabyrinth, d.i.doolhof.[32]bevatting,inhoud.[33]Terecht herinnert Van Lennep hierbij aan den zoogenoemdenMuzentempelop Hendrik Laurentz. Spiegel'sMeerhuizen; waarover verg. Drost's bevallige schets in zijneSchetsenenVerhalen, bladz. 203.[34]Weder met verkeerden klemtoon voor Heraclítus, den bekenden diepzinnigen wijsgeer der oudheid, in de volksoverlevering tegenover den blijmoedigen Democritus gesteld.[35]Thansmaan.[36]Gelijk reeds herhaaldelijk voorstrand.[37]kunt gij.[38]werpen.[39]Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.[40]ziet gij.[41]opmaken van 't haar.[42]Netten tegen de zee-boeven of zee-schuimers gespannen.[43]vreeslijk(thans verkeerdelijkijslijkgespeld; verg. vroeger.).[44]Thansuit zijn keelofhals.[45]kleverig.[46]pochen.[47]Thanskalkoenen(eig.kalikoenscheofcalicutsche haanofhen.)[48]Geheel naar de Nederlandsche spreektaal; de boekentaal onzer dagen zou meenen hier het stijve, en meer Latijnsche dan Hollandschediete moeten schrijven.[49]Thans totbeulzaamgetrokken; eigenlijk degerechts-bodelofbode, en in 't Middeleeuwsch Latijn metpedellusvertaald.[50]opengaat.[51]een(nam. van kleur), tegenover 't bontverwige der anderen.[52]Gelijk men reeds herhaaldelijk zal opgemerkt hebben, heeft Vondel steedsnavoor onsnaar, en wij meenden dit te moeten behouden. Omgekeerd heeft hij veelalnaar, waar wijnabezigen (gelijk bijv. zelfs in 't wanluidendenaarderenvoornaderen); wij hebben ons daarin echter, ter liefde der welluidendheid, aan het latere gebruik gehouden.[53]voordeelig zijn.[54]leger, 't Franschearmée.[55]hoveling,kamerjonkerof iets derg.[56]Van 't Latijnschesimia, vooraap.[57]Thanstooneelen.[58]'t Fransche voor 't Nederlandschezotternijenofzotte kluchten; thans alleen door dat laatste woord aangeduid.[59]Men zou lieverenwillen lezen.[60]Voorverschiltofscheelt.[61]'t Zelfde alsruw, hierwildofwoest.[62]manieren,wetten.[63]lastdragend.
De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513]meerder leeren,Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerijVerachten en vertreên?—dus, mensche! wilt u keeren,En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.De peerle' is ook de konst[514]der wijze en hooggeleerde,Die van d' onwetend' haan verniet[515]wordt en verneêrd:Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516]ontbeert.
De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513]meerder leeren,Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerijVerachten en vertreên?—dus, mensche! wilt u keeren,En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.De peerle' is ook de konst[514]der wijze en hooggeleerde,Die van d' onwetend' haan verniet[515]wordt en verneêrd:Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516]ontbeert.
De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513]meerder leeren,Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerijVerachten en vertreên?—dus, mensche! wilt u keeren,En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.De peerle' is ook de konst[514]der wijze en hooggeleerde,Die van d' onwetend' haan verniet[515]wordt en verneêrd:Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516]ontbeert.
De krijgsche en strijdbaar' hane, al krabbelend' met sporen,
Zoekt in het vuile slik, ontrent de Gooische kant,
Na haver of na kaf, na boek-weit of na koren;
Terwijl hij 't kostjen zoekt, vindt hij een diamant.
Sprak: "wat mag mij 't juweel, (dus cierelijk) vermaken,
Dat d' oogen wel verfraait[512], en lonkt mij lieflijk an?
Ik zoek slechts kaf en graan, om aan den kost te raken:
Dees pracht en overdaad, daar heb ik 't walgen van."
Gekroonde vogel wijs! kont gij dijn[513]meerder leeren,
Haar wulpsche dartelheid, en diere pronkerij
Verachten en vertreên?—dus, mensche! wilt u keeren,
En spiegelt doch aan hem uw praal en hoverdij.
De peerle' is ook de konst[514]der wijze en hooggeleerde,
Die van d' onwetend' haan verniet[515]wordt en verneêrd:
Uitwendiglijk en is cieraad van geender weerde,
Zoo gij inwendiglijk nooddruftigheid[516]ontbeert.
Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,Vand[517]eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedigHem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.De leeuwe int zwingen[519]ziet den tragen ezel volgen,Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].Verstonden zij te recht den korrel[522]van de zaak,Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,Zij zouden welbezind op beter kansen letten,Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.
Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,Vand[517]eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedigHem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.De leeuwe int zwingen[519]ziet den tragen ezel volgen,Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].Verstonden zij te recht den korrel[522]van de zaak,Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,Zij zouden welbezind op beter kansen letten,Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.
Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,Vand[517]eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedigHem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.De leeuwe int zwingen[519]ziet den tragen ezel volgen,Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].Verstonden zij te recht den korrel[522]van de zaak,Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,Zij zouden welbezind op beter kansen letten,Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.
Den hoog verheven leeuw, vermoeid van 't stadig jagen,
Vand[517]eenen ezel staan, verloomd door 't zakke-dragen,
Daar bij een Lombaardsch' haan[518], die, door zijn luid gekraai,
Den trotschen leeuw verschrikt, dat hij, met eenen draai,
Zich op der vlucht begeeft. Den ezel overmoedig,
Waant, dat de leeuw bedeesd wordt door zijn felheid woedig
Hem op zijn hielen volgt met een gezwinden loop,
En t' onbedachtelijk brengt hij zijn vleesch te koop.
De leeuwe int zwingen[519]ziet den tragen ezel volgen,
Scheurt hem ter aarden straks, met een gemoed verbolgen,
En zegt: "dit is voor mij, voor 't welgeboren bloed,
En 't eedle konings herte, een doren in mijn voet,
Dat ik voor iemand wijk! dit is, o slechten broeder!
Dijn uiterste banket; o, aller hazen moeder!"
Volg waanwijs niet dien raad, om, als dijn prince vliedt,
Hem smaad en spot te doen, om voeden zijn verdriet:
Of u schoon 't avontuur toont gunstig hare tuiten[520],
Zij draait te schielijk 't hoofd, en steekt u in de kluiten[521].
Verstonden zij te recht den korrel[522]van de zaak,
Dat onbedachtheid is 't verderf der dwazen vaak,
Zij zouden welbezind op beter kansen letten,
Den ezel zou den leeuw niet naar zijne eere zetten.
Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523]aan,Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpenNog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525]voor de stad,Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;En vindt den haze niet als op den avond spâ,Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.
Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523]aan,Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpenNog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525]voor de stad,Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;En vindt den haze niet als op den avond spâ,Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.
Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523]aan,Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpenNog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525]voor de stad,Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;En vindt den haze niet als op den avond spâ,Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.
Een ongeziene kans de schildpadd' heeft bestaan,
Als met den lichten haas zij gingk een wedspul[523]aan,
Die, met zijn snelligheid, en rassigheid van leden,
Dit loome dier verbaast, met alle schamperheden:
"Wat wilt gij, kruiper! doen? o, luyen rondassier[524]
En al te tragen prij! kruip, kruip, naar dijn manier.
Ik koom nog vroeg genoeg, schud van dijn harde schelpen
Nog zooveel beenen uit, en laat ze d' ander helpen:
Ik ben doch morgen vroeg te Ronsen[525]voor de stad,
Eer gij ten einde zijt het geldelooze pad."
De schildpadd' haren weg spoeit stadig zonder dralen:
Geen slaap ontrooft haar vlijt, om eere' en prijs te halen;
En vindt den haze niet als op den avond spâ,
Die toen zijn daad verfoeit, meer om de schande' als schâ:
Koomt, rappen wispeltuur! die schijnt den baars t' ontgallen,
Uw roem is al gedaan, uw spillen zijn ontvallen:
Schouwt, hoe gestadigheid den lauwer-kroon ontvangt,
En 't wispelturig hert aan 's armoeds borsten hangt.
De een groote steden bouwt, verrijkt ze door haar wallen,
En d' ander werpt ze neêr, doet alle dingk vervallen.
De staâge jager jaagt, en wint ten leste 't veld,
Wanneer hij op den troon der eeren wordt gesteld.
Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladenMet bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526]gier'ge slaven:In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:Een ander heeft uw haaf, derf[527]lekkerlijken smullen.Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528]uit zijn mond;Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.
Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladenMet bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526]gier'ge slaven:In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:Een ander heeft uw haaf, derf[527]lekkerlijken smullen.Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528]uit zijn mond;Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.
Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladenMet bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526]gier'ge slaven:In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:Een ander heeft uw haaf, derf[527]lekkerlijken smullen.Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528]uit zijn mond;Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.
Hier, hier, gij vrekken! hier: schouwt d' ezel overladen
Met bouten, hoenders, taart, gezoden, en gebraden,
Saucijsen, hazen, wijn, capoenen, en pastei,
En hij eet distlen zelf op schrale en dorre wei.
Zoo gaat het ook met u, verschrookte[526]gier'ge slaven:
In rijkdom zijdy arm, bekommerd gaat gij draven,
Hebt stadelijken zorg, bezwaard met druk en klag,
Vindt geen gerust gemoed, en woelt schier nacht en dag:
Slurpt wei en water in, schroomt uwen buik te vullen:
Een ander heeft uw haaf, derf[527]lekkerlijken smullen.
Die 't goed heeft, zuigt de poot; die 't niet heeft, eet gebraad.
Dees loert op woekers-winst, en de ander op verraad:
En altijd heeft hij vrees, versmoord in ijdle zorgen:
Komt stadig brood te kort, bekommerd voor den morgen:
Onthoudt zijn lust het goed, en spaartet[528]uit zijn mond;
Dat in het eind verbrast wordt door de katt' of hond.
Een flukschen[529]waterhond kwam uit een slagers hal,En kreeg dit hachjen[530]voor zijn trouwigheids verval[531]:Al wandelende voorts een treedjen over 't waterVergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschaterVan vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig haptNaar den gewaanden brok;—doe[532]was hem 't vleesch ontsnapt.Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.'t Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534]gieren[535],'t Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.'t Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)Één vogel in de hand, als honderd in de locht.
Een flukschen[529]waterhond kwam uit een slagers hal,En kreeg dit hachjen[530]voor zijn trouwigheids verval[531]:Al wandelende voorts een treedjen over 't waterVergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschaterVan vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig haptNaar den gewaanden brok;—doe[532]was hem 't vleesch ontsnapt.Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.'t Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534]gieren[535],'t Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.'t Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)Één vogel in de hand, als honderd in de locht.
Een flukschen[529]waterhond kwam uit een slagers hal,En kreeg dit hachjen[530]voor zijn trouwigheids verval[531]:Al wandelende voorts een treedjen over 't waterVergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschaterVan vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig haptNaar den gewaanden brok;—doe[532]was hem 't vleesch ontsnapt.Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.'t Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534]gieren[535],'t Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.'t Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)Één vogel in de hand, als honderd in de locht.
Een flukschen[529]waterhond kwam uit een slagers hal,
En kreeg dit hachjen[530]voor zijn trouwigheids verval[531]:
Al wandelende voorts een treedjen over 't water
Vergroot der zonnen schaâuw zijn aas zoo, dat 't geschater
Van vreugde in 't herte sprang, mitsdien hij hongrig hapt
Naar den gewaanden brok;—doe[532]was hem 't vleesch ontsnapt.
Dit is een leerlijk beeld van bodemlooze menschen,
Die, nimmermeer vernoegd, naar groote schatten wenschen,
Gepijnigd strengelijk van d' helsche gierigheid,
Die nacht en dag ontrooft al haar gerustigheid;
Vergapen zich aan 't groote, en laten 't zekre varen,
En wilden, op een bot[533], dat zij de keizer waren.
't Waar beter, dat zij haar genoegden met den buit.
De valsche hoop bedriegt, en jaagt ter poorten uit.
Laat dit een bake zijn, onzadelijke[534]gieren[535],
't Zeil uws begeerlijkheids niet ruim te laten vieren.
't Genoegen is het al: 't is beter (hoe gij pocht)
Één vogel in de hand, als honderd in de locht.
De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagenAl 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,Ontzien word[536]om zijn moord en strenge tyrannij;Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne noodZijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.
De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagenAl 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,Ontzien word[536]om zijn moord en strenge tyrannij;Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne noodZijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.
De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagenAl 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,Ontzien word[536]om zijn moord en strenge tyrannij;Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne noodZijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.
De koninklijke leeuw, die in zijn frissche dagen
Al 't andere gediert plag wreedelijk te plagen,
Ontzien word[536]om zijn moord en strenge tyrannij;
Dies sidderde elk bevreesd voor zijne razernij:
Nu zijnde traag en zwak, van alle man verstooten,
Veracht wordt en beschimpt van al zijn rijks genooten.
Dies de een, uit ouden haat, wijst hem zijn stalen voet,
En de ander wrokkig toont hem zijn ivoren hoed[537].
Elk juicht, om dat hij moet in bittere armoê leven:
Nu leît hij hulpeloos, die 't eertijds al deed beven.
Zoo dat hij, zonder troost, verwacht in zijne nood
Zijn kwijnend' ouderdom te scheiden met de dood.
Zoo steunt de stoute mensch op rijkdom en op krachten:
Verdrukt en vilt bijna zijn minder met verachten:
Houdt, dien hij overmag[538], geduriglijk in angst,
En toont zich als den leeuw, heer in der dieren vangst:
Stelt 't recht naar zijnen zin, daar de arme moet om treuren,
En schraapt in zijnen zak, al wat hem komt te veuren;
Dies als hij komt in nood, dan is een ieder t' zoek:
Want hij laadt op zijn hals den welverdienden vloek.
De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,Elkandren haren roem trotzeerende benamen:De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief."Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,Met mijne pluimen haar[539]vereedlen en vercieren.""Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."'t Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewisGetrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540]hem niet vervelen.Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.
De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,Elkandren haren roem trotzeerende benamen:De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief."Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,Met mijne pluimen haar[539]vereedlen en vercieren.""Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."'t Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewisGetrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540]hem niet vervelen.Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.
De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,Elkandren haren roem trotzeerende benamen:De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief."Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,Met mijne pluimen haar[539]vereedlen en vercieren.""Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."'t Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewisGetrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540]hem niet vervelen.Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.
De staalverslinder struis en 't nachtegaalken t' zamen,
Elkandren haren roem trotzeerende benamen:
De vogel lang-gebeend zijn vederen verhief;
De nachtegaal zijn stemme, elk een om hooren lief.
"Monarchen (sprak de struis), die werelden bestieren,
Met mijne pluimen haar[539]vereedlen en vercieren."
"Mijn liefelijk geluid, op welgestelde maat,
(Riep 't vogelken) verheugt een ieder in zijn staat."
't Zij vorsten, trotsch gehuld met purpre en zijde banden,
Of landliên, die 't gelust te ploegen de akkerlanden.
Een ieder die hier leeft, 't zij van wat staat, gewis
Getrokken wordt tot 't geen zijns herten wellust is:
Dàt dunkt hem alderschoonst, en mag[540]hem niet vervelen.
Elk zot heeft zijn marot[541], en tijdverdrijf om spelen.
De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wondenDoch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542]kruid,"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;'t Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen.""Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.
De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wondenDoch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542]kruid,"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;'t Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen.""Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.
De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wondenDoch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542]kruid,"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;'t Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen.""Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.
De kranke vogel Gier bad ernstig een gezonden,
Hij wilde' hem in 's doods nood zijns krankheids diepe wonden
Doch helpen heelen nu, met goed en heelzaam[542]kruid,
"Of anders is 't met mij (sprak de arme zuchter) uit;
't Is heel met mij gedaan, zal 't lijf niet houden mogen."
"Neen (sprak zijn makker) 'k heb met u geen mededoogen,
Gij hebt mij dik gebracht in al te veel gevaars,
'k En maak zoo licht geen roê voor mijnen eigen aars.
Mijn hulp is u ontzeîd; kont gij u zelf niet helpen,
Ik zal in dezen nood uw lijden geenzins stelpen."
De erfvijand in den angst belooft al 't geen hij mag,
Vermits hij in zijn kruis zich geern geholpen zag;
Maar waar hij eens verlost uit al zijn ongevallen,
Van al 't geen hij beloofde, en hield hij niets met allen.
Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glasDes Amstels, die alom glad toegevrozen was.Het dertel kreng[543]werd boos, en wonder ongeduldig,Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,Die naauwlijks slepen mocht[544]den zwaar geladen wagen,En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.Het Dene kopken[545]dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.
Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glasDes Amstels, die alom glad toegevrozen was.Het dertel kreng[543]werd boos, en wonder ongeduldig,Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,Die naauwlijks slepen mocht[544]den zwaar geladen wagen,En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.Het Dene kopken[545]dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.
Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glasDes Amstels, die alom glad toegevrozen was.Het dertel kreng[543]werd boos, en wonder ongeduldig,Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,Die naauwlijks slepen mocht[544]den zwaar geladen wagen,En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.Het Dene kopken[545]dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.
Een fier Deens peerdjen most somwijlen eens braveeren,
Met 't narrensleetjen en speelwagentjen zijns heeren:
Most somwijl over 't ijs, en scheuren 't spiegel-glas
Des Amstels, die alom glad toegevrozen was.
Het dertel kreng[543]werd boos, en wonder ongeduldig,
Want 't waande, 't was zijn heer niet zoo veel arbeids schuldig,
Ter tijd het eens ontmoette een wagen zwaar gelaân,
Daar eenen ezel rank voor was gespannen aan,
Die naauwlijks slepen mocht[544]den zwaar geladen wagen,
En dapper werd gegroet en afgesmeerd met slagen.
Het Dene kopken[545]dacht: "Nu zie ik hoe 't er gaat,
'k Heb oorzaak om vernoegd te zijn met mijnen staat:
Vermids men andren vindt, in steden en in dorpen,
Die veel meer slavernije, als ik, zijn onderworpen."
Wie op zijn minder ziet, wanneer hem 't herte wroegt[546],
Kan lichtlijk in zijn staat zich vinden wel vernoegd:
Om dat men menschen vindt, 't zij waar wij de oogen wenden,
Die onderworpen zijn nog tienmaal meer ellenden.
Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoetenEn aangenamen lied hier eindigden op 't lest?"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,En in de zachte schoot van ruste word gedragen."Een arm katijvig[547]man, die vroom is van gemoed,Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:Van 't leven, dat veel eer een durig[548]sterven is,Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.
Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoetenEn aangenamen lied hier eindigden op 't lest?"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,En in de zachte schoot van ruste word gedragen."Een arm katijvig[547]man, die vroom is van gemoed,Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:Van 't leven, dat veel eer een durig[548]sterven is,Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.
Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoetenEn aangenamen lied hier eindigden op 't lest?"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,En in de zachte schoot van ruste word gedragen."Een arm katijvig[547]man, die vroom is van gemoed,Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:Van 't leven, dat veel eer een durig[548]sterven is,Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.
Des zomers voorbode eens de blanke zwaan ontmoetten,
En vraagde, waarom zij haar leven met zoo zoeten
En aangenamen lied hier eindigden op 't lest?
"O! (zegt zij) 't is van vreugd, dat ik van 't aardsche nest,
Vol kommer en verdriet, ten laatste worde ontslagen,
En in de zachte schoot van ruste word gedragen."
Een arm katijvig[547]man, die vroom is van gemoed,
Valt 't leven wonder zuur, en 't sterven honig-zoet.
Den dood hij vreugdenrijk wil in zijn armen loopen,
Als die hem sluit de poort van 's levens kerker open:
Van 't leven, dat veel eer een durig[548]sterven is,
Een gasthuis vol verdriet, en vol bekommernis,
Een zee die altijd woelt, daar 's droefheids baren bruizen.
Gelukkig is de ziel, die vrolijk mag verhuizen.
Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijkenVan de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,Vermids[549]zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551]eenen worm,Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,Die werden[552]hier bij niet onvoeglijk vergeleken,Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].
Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijkenVan de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,Vermids[549]zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551]eenen worm,Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,Die werden[552]hier bij niet onvoeglijk vergeleken,Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].
Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijkenVan de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,Vermids[549]zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551]eenen worm,Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,Die werden[552]hier bij niet onvoeglijk vergeleken,Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].
Arabiën draagt moed, en gaat de roem afstrijken
Van de ander wereld wijd, en alle koninkrijken:
Om dat de Fenix staag haar zoele locht doorzweeft,
Die nimmer zijns gelijk ziet, noch gezien en heeft.
Die, na zelfs eeuwen, zat, en moê van hier te zwerven,
Zich willig en van zelf toe-rustet om te sterven,
Op eenen steilen berg, daar hij zijn dood-bed sticht,
Met zoet welruikend hout, 't welk 't heete zomer-licht,
Vermids[549]zijn stralen, komt ontstekende verasschen[550];
De vogel fluks verbrandt, en wordt verteerd tot asschen;
Waar uit allengs ontstaat en voortskruipt[551]eenen worm,
Daar uit een Fenix wordt vernieuwd, naar 's eersten vorm.
Verstanden, die geleerd in wijsheid wijd uitsteken,
Die werden[552]hier bij niet onvoeglijk vergeleken,
Om dat zij zelden eens aantreffen haars gelijk,
En, door haar groote faam en eere onsterfelijk,
Ook andren prikklen, om, met uitgerekte veêren,
Te volgen, die geraakt zijn op den berg van eeren;
Te vliegen sterrenwaarts, verheven met 't gemoed,
Tot daar men erft te loon den groenen lauwer-hoed[553].
In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555]aanbiedt,En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:'t Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.Aan[556]oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:De aankomers[557]slaan ze gâ, en nemen op haar[558]acht,En hechten 't geen zij zien haar[559]zelven in 't gedacht:Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.
In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555]aanbiedt,En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:'t Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.Aan[556]oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:De aankomers[557]slaan ze gâ, en nemen op haar[558]acht,En hechten 't geen zij zien haar[559]zelven in 't gedacht:Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.
In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555]aanbiedt,En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:'t Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.Aan[556]oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:De aankomers[557]slaan ze gâ, en nemen op haar[558]acht,En hechten 't geen zij zien haar[559]zelven in 't gedacht:Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.
In Godsdienst zal met recht de klepelaar uitsteken;
Vermids hij zijn gebroed, in liefde onvergeleken[554],
Getrouw tot in den dood, zijn hulpe en jonste[555]aanbiedt,
En stadig bijstand reikt in allerlei verdriet:
't Gebroedzel, dat van jongs zij oefnen en gewennen,
Zal deze ontvangen deugd in de oudren weêr erkennen,
En 't aas, verre opgespeurd, haar deelen wederom,
Wanneer haar overvalt den grijzen ouderdom.
Aan[556]oprechte oud'ren, die godzaligheid hanteeren,
De kind'ren niet dan deugd en ware wijsheid leeren:
De aankomers[557]slaan ze gâ, en nemen op haar[558]acht,
En hechten 't geen zij zien haar[559]zelven in 't gedacht:
Waar goê voorgangers zijn, daar zijn ontsteken lichten,
En goede hoeken, die in deugd de jonkheid stichten.
Ziet, hoe de klepelaar den Schepper aller dingenOp-offert jaarlijks één van zijn vruchts eerstelingen;En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,Ter tijd een vluggeloos[560]het lage kiezen moet.O mensche, die noch groeit en lacht in uwe zonden,En aan godsdienstigheid u niet en acht verbonden;Ziet, hoe den ooyevaar u voor het vierschaar daagt,En van ondankbaarheidvoor 'taanschijn Gods verklaagt:Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varenHet wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom:En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.Doch 't is vergeefs gepreêkt, gij houdt het zelfde spoor,Neemt op geen leering acht, geeft wijsheid geen gehoor;Welaan, gij goddelooz'! God zal u niet verschoonen:Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen!—[561]
Ziet, hoe de klepelaar den Schepper aller dingenOp-offert jaarlijks één van zijn vruchts eerstelingen;En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,Ter tijd een vluggeloos[560]het lage kiezen moet.O mensche, die noch groeit en lacht in uwe zonden,En aan godsdienstigheid u niet en acht verbonden;Ziet, hoe den ooyevaar u voor het vierschaar daagt,En van ondankbaarheidvoor 'taanschijn Gods verklaagt:Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varenHet wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom:En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.Doch 't is vergeefs gepreêkt, gij houdt het zelfde spoor,Neemt op geen leering acht, geeft wijsheid geen gehoor;Welaan, gij goddelooz'! God zal u niet verschoonen:Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen!—[561]
Ziet, hoe de klepelaar den Schepper aller dingenOp-offert jaarlijks één van zijn vruchts eerstelingen;En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,Ter tijd een vluggeloos[560]het lage kiezen moet.O mensche, die noch groeit en lacht in uwe zonden,En aan godsdienstigheid u niet en acht verbonden;Ziet, hoe den ooyevaar u voor het vierschaar daagt,En van ondankbaarheidvoor 'taanschijn Gods verklaagt:Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varenHet wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom:En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.Doch 't is vergeefs gepreêkt, gij houdt het zelfde spoor,Neemt op geen leering acht, geeft wijsheid geen gehoor;Welaan, gij goddelooz'! God zal u niet verschoonen:Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen!—[561]
Ziet, hoe de klepelaar den Schepper aller dingen
Op-offert jaarlijks één van zijn vruchts eerstelingen;
En uit het hooge nest verpikt zijn kaal gebroed,
Ter tijd een vluggeloos[560]het lage kiezen moet.
O mensche, die noch groeit en lacht in uwe zonden,
En aan godsdienstigheid u niet en acht verbonden;
Ziet, hoe den ooyevaar u voor het vierschaar daagt,
En van ondankbaarheidvoor 'taanschijn Gods verklaagt:
Vermids gij roekeloos nooit liet ten Hemel varen
Het wierook, dat hij eischt op zijn gewijde altaren,
Maar volgt uws wellusts pad, en danst op hare trom,
Betreedt de dorpels noch van kerk noch heiligdom:
En weidt uw beesten-ziel in haar wellustigheden,
Terwijl verbannen zijn de waarheid en de reden.
Doch 't is vergeefs gepreêkt, gij houdt het zelfde spoor,
Neemt op geen leering acht, geeft wijsheid geen gehoor;
Welaan, gij goddelooz'! God zal u niet verschoonen:
Gedenkt, gij dient u zelf, gij moogt u zelven loonen!—[561]
[1]De eerste uitgave verscheen, in 1617, bij den uitgever van denGulden Winkel, die onder ieder der "aardige afbeeldingen" waarmede zij "versierd" was, een "exempel uit de oude historiën", stelde (zie het slot derVoorreden). Sedert werd het boekjen herhaaldelijk herdrukt.
[1]De eerste uitgave verscheen, in 1617, bij den uitgever van denGulden Winkel, die onder ieder der "aardige afbeeldingen" waarmede zij "versierd" was, een "exempel uit de oude historiën", stelde (zie het slot derVoorreden). Sedert werd het boekjen herhaaldelijk herdrukt.
[2]Nam.de vos.
[2]Nam.de vos.
[3]uit zich zelf.
[3]uit zich zelf.
[4]Gelijk gewoonlijk bij Vondel voormoest.
[4]Gelijk gewoonlijk bij Vondel voormoest.
[5]bijzondere.
[5]bijzondere.
[6]Latinisme voordoor de.
[6]Latinisme voordoor de.
[7]Thanshun.
[7]Thanshun.
[8]Thanszij kunnen.
[8]Thanszij kunnen.
[9]Thansniets.
[9]Thansniets.
[10]Thansbij 't vuur.
[10]Thansbij 't vuur.
[11]Door(verg. 't Eng.by).
[11]Door(verg. 't Eng.by).
[12]De maker der platen bij de afzonderlijke uitgaven (verg. ook die van Van Lennep.)
[12]De maker der platen bij de afzonderlijke uitgaven (verg. ook die van Van Lennep.)
[13]Germanisme vooronbeperkt.
[13]Germanisme vooronbeperkt.
[14]Daar deze (naar Van Lenneps opmerking) blijkbaar niet van Vondel zelf, maar van Pers waren, zijn ze hier achterwege gelaten; de desbeluste lezer kan ze in zijne uitgave naslaan.
[14]Daar deze (naar Van Lenneps opmerking) blijkbaar niet van Vondel zelf, maar van Pers waren, zijn ze hier achterwege gelaten; de desbeluste lezer kan ze in zijne uitgave naslaan.
[15]redelooze(verg. het Hoogd.unvernünftig.)
[15]redelooze(verg. het Hoogd.unvernünftig.)
[16]Voorstiert het.
[16]Voorstiert het.
[17]Thansveroorlooft.
[17]Thansveroorlooft.
[18]Thanswordt.
[18]Thanswordt.
[19]Thans verkort totzon.
[19]Thans verkort totzon.
[20]Versta: door menig voor meer dan Hemelsch geacht.
[20]Versta: door menig voor meer dan Hemelsch geacht.
[21]Ariadne, die Theseus, naar de oude legende, uit den doolhof op Creta (Candia) hielp.
[21]Ariadne, die Theseus, naar de oude legende, uit den doolhof op Creta (Candia) hielp.
[22]Anderskluwen(verg.waarschouwen,stouwen, enz.)
[22]Anderskluwen(verg.waarschouwen,stouwen, enz.)
[23]Voorhoude het.
[23]Voorhoude het.
[24]Voorerken 't.
[24]Voorerken 't.
[25]Voorzoo hij best mag(of kan.)
[25]Voorzoo hij best mag(of kan.)
[26]Voorbloemrijkin 't algemeen.
[26]Voorbloemrijkin 't algemeen.
[27]Thanszich zelf.
[27]Thanszich zelf.
[28]Rijmshalve, maar anders vrij oneigenlijk, voormet spoed.
[28]Rijmshalve, maar anders vrij oneigenlijk, voormet spoed.
[29]Drinkt elkander toe; van 't Franscheà vous.
[29]Drinkt elkander toe; van 't Franscheà vous.
[30]afscheid.
[30]afscheid.
[31]VoorLabyrinth, d.i.doolhof.
[31]VoorLabyrinth, d.i.doolhof.
[32]bevatting,inhoud.
[32]bevatting,inhoud.
[33]Terecht herinnert Van Lennep hierbij aan den zoogenoemdenMuzentempelop Hendrik Laurentz. Spiegel'sMeerhuizen; waarover verg. Drost's bevallige schets in zijneSchetsenenVerhalen, bladz. 203.
[33]Terecht herinnert Van Lennep hierbij aan den zoogenoemdenMuzentempelop Hendrik Laurentz. Spiegel'sMeerhuizen; waarover verg. Drost's bevallige schets in zijneSchetsenenVerhalen, bladz. 203.
[34]Weder met verkeerden klemtoon voor Heraclítus, den bekenden diepzinnigen wijsgeer der oudheid, in de volksoverlevering tegenover den blijmoedigen Democritus gesteld.
[34]Weder met verkeerden klemtoon voor Heraclítus, den bekenden diepzinnigen wijsgeer der oudheid, in de volksoverlevering tegenover den blijmoedigen Democritus gesteld.
[35]Thansmaan.
[35]Thansmaan.
[36]Gelijk reeds herhaaldelijk voorstrand.
[36]Gelijk reeds herhaaldelijk voorstrand.
[37]kunt gij.
[37]kunt gij.
[38]werpen.
[38]werpen.
[39]Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.
[39]Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.
[40]ziet gij.
[40]ziet gij.
[41]opmaken van 't haar.
[41]opmaken van 't haar.
[42]Netten tegen de zee-boeven of zee-schuimers gespannen.
[42]Netten tegen de zee-boeven of zee-schuimers gespannen.
[43]vreeslijk(thans verkeerdelijkijslijkgespeld; verg. vroeger.).
[43]vreeslijk(thans verkeerdelijkijslijkgespeld; verg. vroeger.).
[44]Thansuit zijn keelofhals.
[44]Thansuit zijn keelofhals.
[45]kleverig.
[45]kleverig.
[46]pochen.
[46]pochen.
[47]Thanskalkoenen(eig.kalikoenscheofcalicutsche haanofhen.)
[47]Thanskalkoenen(eig.kalikoenscheofcalicutsche haanofhen.)
[48]Geheel naar de Nederlandsche spreektaal; de boekentaal onzer dagen zou meenen hier het stijve, en meer Latijnsche dan Hollandschediete moeten schrijven.
[48]Geheel naar de Nederlandsche spreektaal; de boekentaal onzer dagen zou meenen hier het stijve, en meer Latijnsche dan Hollandschediete moeten schrijven.
[49]Thans totbeulzaamgetrokken; eigenlijk degerechts-bodelofbode, en in 't Middeleeuwsch Latijn metpedellusvertaald.
[49]Thans totbeulzaamgetrokken; eigenlijk degerechts-bodelofbode, en in 't Middeleeuwsch Latijn metpedellusvertaald.
[50]opengaat.
[50]opengaat.
[51]een(nam. van kleur), tegenover 't bontverwige der anderen.
[51]een(nam. van kleur), tegenover 't bontverwige der anderen.
[52]Gelijk men reeds herhaaldelijk zal opgemerkt hebben, heeft Vondel steedsnavoor onsnaar, en wij meenden dit te moeten behouden. Omgekeerd heeft hij veelalnaar, waar wijnabezigen (gelijk bijv. zelfs in 't wanluidendenaarderenvoornaderen); wij hebben ons daarin echter, ter liefde der welluidendheid, aan het latere gebruik gehouden.
[52]Gelijk men reeds herhaaldelijk zal opgemerkt hebben, heeft Vondel steedsnavoor onsnaar, en wij meenden dit te moeten behouden. Omgekeerd heeft hij veelalnaar, waar wijnabezigen (gelijk bijv. zelfs in 't wanluidendenaarderenvoornaderen); wij hebben ons daarin echter, ter liefde der welluidendheid, aan het latere gebruik gehouden.
[53]voordeelig zijn.
[53]voordeelig zijn.
[54]leger, 't Franschearmée.
[54]leger, 't Franschearmée.
[55]hoveling,kamerjonkerof iets derg.
[55]hoveling,kamerjonkerof iets derg.
[56]Van 't Latijnschesimia, vooraap.
[56]Van 't Latijnschesimia, vooraap.
[57]Thanstooneelen.
[57]Thanstooneelen.
[58]'t Fransche voor 't Nederlandschezotternijenofzotte kluchten; thans alleen door dat laatste woord aangeduid.
[58]'t Fransche voor 't Nederlandschezotternijenofzotte kluchten; thans alleen door dat laatste woord aangeduid.
[59]Men zou lieverenwillen lezen.
[59]Men zou lieverenwillen lezen.
[60]Voorverschiltofscheelt.
[60]Voorverschiltofscheelt.
[61]'t Zelfde alsruw, hierwildofwoest.
[61]'t Zelfde alsruw, hierwildofwoest.
[62]manieren,wetten.
[62]manieren,wetten.
[63]lastdragend.
[63]lastdragend.