AAN HET STRAND

[Inhoud]AAN HET STRAND[91]Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof, schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.[92]De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten[93]die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden, dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van het leven der Westerlingen.Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert over het strand.[94]Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht, hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om de lenden.De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet. Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden, voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst. Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.[95]Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een ragfijn zwart streepsel achterzichaan. De oude man gaat bedachtzaam te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde, als het getij verloopt.De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche stemmen roepen.„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch, prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den strak-oogden kop en de sidderende vinnen[96]tegen de spijlen! Haast-je maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje, je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende, ontelbare oogst der zee!”De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den maïskolf[97]gerold.Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand; schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die even drie is.Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam[98]her- en derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke zee!”[99]De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg. Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de houten blokken, de uitgeholde stukkenboomstronkwaarin de vrouwen rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort, in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig[100]kleintje. Zij houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de maat zij stampen.De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen schitterend door elkaar.Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen, volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai, waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw. Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch, aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood;[101]maar in elk harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid. Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in. Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm omvangend; aan de[102]afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der twee over het strand.„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen, en jouw kleeren!”Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan,met beide handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de hand nemend,[103]waadt zij met hem het water in.Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens weer over haar kleintje uit.[104]Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij dieper de zee in.Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in, onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.De Westersche vrouw ziet[105]naar haar. De speelsche stemmen zijn stil geworden.Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend. Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken[106]en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar evenwichtige gedachte.Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling, verlangend naar de[107]baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een weinigje van dat overvloedige geluk.Maar zij weet veel te goed dat zij zelve niet kan vragen en de andere niet kan geven, dat haar verlangende handen niet bereiken zouden, al hielden zij omvat, en haar blik dien blik niet vinden, al spiegelde oog in oog. Zij zit in donkere zwoelte, zij waagt de zee niet in te gaan. Zij is zoo lang van de zee weg gebleven, zoo lang, zoo ver, nu ligt het gore stof der stad op haar hart.De zwaaiende oneindigheid van den horizont maakt haar duizelig, zij vreest het vliegen en tuimelen der golven, liever dan de vrijheid is haar veiligheid geworden.Of toch niet, tòch niet?[108]Waarom anders die sprong van vreugde dien haar hart plotseling doet?Een koelte, een schittering is rondom haar, de onmerkbaar gestegen vloed omkranst haar met schuim, de zee is tot haar gekomen, tot de vreesachtige die niet durfde gaan.En de vrees valt van haar af.Zij staat op, zij gaat de vrijheid tegemoet.De steedsche verbeeldingen en verzinsels die zoo lang zij voor wijsheid hield, wrevelig besef van armoede, haast om toch maar vooruit te komen in de wereld, loodzware arbeid om het loon alleen gedaan, gezelschap en oordeel van sierlijke menschen, met de steedsche kleedij werpt zij het alles van zich af.Zij gaat de Zee in—de vrij-makende Zee.[109][Inhoud]DE JAGER[111]De jager en zijn bediende, de blanke heer en de bruine knecht, die op de jacht kameraden zijn geworden, wachten op wild, aan den zoom van de kleine weide midden in het woud. Het is hun om het even wat er komt, altijd immers zal het een sterk dier zijn of een vlug, een dat kracht heeft om aan te vallen of een dat kracht heeft om te ontkomen, altijd iets om te dooden.Zooals zij nu wachten aan den zoom van de woudweide, zoo wachten zij altijd, op alle plekken waar zij zijn. Aan den woudrand waar de harde, onwrikbare boomenlijven zoo dicht niet meer op elkander gedrongen staan met struiken en doornig slingergewas ertusschen, of zachte haastige[112]dierenlijven kunnen er doorheenglippen; en aan het bergmeer, ’s nachts, als veel dorstigen bukkend komen slurpen en, gelaafd, blijven staan, roerloos een wijle tegen de lucht, terwijl droppels als vloeibare maanlichtvonkenaflekkenvan de neusgaten, waar de adem als een zilverig nevelwolkje om heen drijft; en in het manshooge wildernis-gras, alang-alang en glagah, het gevaarlijke, dat vervolger en vervolgden voor elkander verbergt, zoodat de een van den ander niet weet, en van zich zelven niet, of hij vervolger of vervolgde is; en ook op hun eigen erf wachten zij, in hun eigen glad blank huis.Als andere menschen woont de jager in een huis en doet de dingen die binnen huismuren onder een huisdak worden gedaan, gemakkelijke dingen, zonder hartstocht,[113]waarbij het lichaam traagweg gedijt, en zonder hartstocht ook moeilijke dingen, die dienen voor zulk gedijen in de toekomst. Hij eet velerlei spijs die een ander voor hem bereid heeft en gereed gezet op een met linnen bedekte tafel, hij doet dunne koele kleeren aan, heeft een gladden vloer onder de voeten, zit op een gemakkelijken stoel en gaat slapen op een effen gespreid bed; het kan hem eender zijn of het stortregent en stormt, of dat de barre zon brandt; het is droog onder zijn dak, koel tusschen zijn muren. En hij leest, denkt na en schrijft, om zekerheid in de toekomst van altijd datzelfde wel-beschutte wel-gevoede leven; geen ander doel noch wensch heeft hij daarmee. Maar terwijl hij in zijn gladde blanke huis zit, al die dingen zonder hartstocht doende, uit gewoonte en uit noodzaak,[114]wacht ongedurig en fel het groote verlangen naar zijn waarachtig leven. Hij denkt aan het land vol dieren daar buiten, buiten de muren, boven het dak, rond en rond-alom, het gras, het water, het bosch, de bergen, de lucht vol dieren. Dan begint hij te sidderen van begeerte en ongeduld. Terwijl zijn oogen lezen, zijn vingers schrijven, terwijl zijn mond eet, terwijl zijn lichaam uitgestrekt ligt, zit zijn binnenste gedachte op den loer, spiedend naar dieren om te dooden. Omdat zijn eigen oogen blind en zijn eigen ooren doof gemaakt worden, zoo dikwijls en zoo lang achtereen in het besluitende huis, heeft hij oogen en ooren in andere menschen die overal rondspeuren te allen tijd. Des avonds verneemt hij hun vonden.Als het klare lichtgroen, dat na[115]zonsondergang effen meren breidt rondom gouden en purperen wolken-eilandjes, in het Westen ebbend vertroebelt en verdoft, als de boomen op het erf ontzaggelijk gaan groeien, de breedte in, de hoogte in, van uitwademende duisternis, en voor de binnenspoelende vloeden van den nacht de gladde, blanke dingen in het huis verzinken en vergaan, zit hij achter de hooge pilaren der voorgalerij als achter hooge, gladde stammen aan den boschrand te wachten. Als een lok-lichtje glimt zijn sigaar naar het duistere van den landweg. De Inlanders zien het van verre, zij komen af op dat roode lichtje, waarachter zij zilvergeld weten te liggen. Uit het donker mompelen stemmen:„Ik vraag verlof!”Weltevreden antwoordt de jager:[116]„Kom tot mij!”Op de onderste trede van den opgang hurken onduidelijke gestalten; stemmen verhalen.„Groote Heer! elken nacht komen herten drinken uit de beek die langs het bamboeboschje stroomt.”„Een kudde wilde zwijnen is door alle omheiningen heengebroken tot in mijn ketellah-aanplant! Ach, alles hebben zij omgewroet en afgevreten!”„Rondom de bergdessa, Groote Heer, sluipt een tijger. Wij hebben zijn spoor gevonden dicht bij de buffelkraal.”Het hart van den jager begint te bonzen. Hij vraagt naar het uur en de plek, naar de gewende gangen van het dier. Vroolijk bevoelt de Inlander het stukje zilvergeld in zijn palm. Vroolijk roept de jager zijn kameraad.[117]„Djongolan! Djongolan!”Djongolan staat al achter hem. Hij heeft in de donkerte naast het huis gezeten, óok wachtend, óok op de jacht al, en zijn fijnere ooren hebben de naakte voetstappen gehoord al van den landweg af.„Djongolan! zorg voor de geweren! zorg voor rijst in een gevlochten zakje van versche pisangbladreepen, voor water in een bamboe-koker! Wij gaan jagen morgen voor het aanlichten van den dag.”Nu mag de lamp wel aangestoken boven de schrijftafel. Het is niets, al liggen daar nog zoovele, nog zoo hooge stapels papieren. Fluitend zet de jager zich in zijn stoel. En door den eentonigen arbeid heen hoort hij de muziek van het lichte klikken der geweren in de handen van Djongolan, de muziek van zijn hanteeringen en[118]zijn stem bij de voorraadskamer en de keuken. Als hij zich uitstrekt over het gladde laken van zijn bed denkt hij:„Morgennacht lig ik op de droge bladers, en ik zie den schijn van het wachtvuur heen en weer spelen in de boomen boven mijn hoofd!”De kameraden zijn al halverwege het woud als de morgenster nog boordevol licht hangt aan den duisteren hemel.Zwijgend en zeker gaan zij door de zwoele donkerte van het woud, nacht om hun voeten, nacht tegen hun aangezicht en dauw-kille volte van bladeren. Het ruikt naar leven. Waar de reuk dof is en stil ligt, als een donkere, platte poel, daar is het roerlooze leven van aarde en gesteente. Zooals in een donkeren platten poel, heimelijk, uit zwarten modderbodem op,[119]bij kleinste bollinkjes wel levend water opgeklommen komt, zooals wel ergens tusschen het oeverdras een smalste uitloop wegsiepelt, zoo drijft, uit den doffen en stillen reuk van aard en steenen, even bespeurbaar maar, de reuk van beginnend leven in mos en paddenstoelen omhoog, zoo vloeit er de reuk van heengaand leven uit rottende bladeren en molmend hout van weg. Waar reuken scherp zijn en vluchtig, als lichtstralen, daar zijn de snelle levens geweest van dieren. Was het een vogel, warm uit het nachtelijke nest? Een roodoogde eekhoorn met een zwiependen sprong het dichtste ingevlogen van de takken? Misschien is wel een wilde koe voorbij gekomen met haar kalf, dat onder ’t voortgaan zijn neus in den vollen uier drukte. Misschien is die scherpe reuk opgewademd uit den[120]donker-natten rug van een hert, het meer overgezwommen naar de hinde die liep te weiden in het oevergras aan gene zij. De twee mannen ademen en ruiken. Zij snuiven al dat vele leven op. Hun eigen wordt er sterker van en wilder. Hun oogen staan fel. Sluipend zetten zij hun voeten neer. Zij waarschuwen elkander sprakeloos, met de oogen en met de handen.Om hen heen, over hen heen is het woud als een bladeren-gebergte, en zij bewegen langs de haast onzichtbare voetpaden van kolenbranders en zoekers naar palmsuiker als langs mollen-gangetjes in het gedegen groen gewroet. Dikwijls moeten zij ook zelf hun eigen wegen maken; met hun korte breede messen kappen zij in struiken en jong geboomte en door de warnis heen van[121]doornigen rottan die met gehaakte zweepen naar hen striemt. De bloedzuigers die uit het schuddende gebladert op hen neerregenen boren zoo scherp en diep, dat hun kleeren rood zien van hun eigen bloed. Zij letten er niet op. Zij jagen. Violen-paars en goud-door-groen fladdert een bosch-haan; een tijgerkat zit te blazen met geel-flonkerende oogen; huilend van angst springt een troep apen door de takken van een boomgroep, waarlangs de zwarte panter sluipt. En zoo dikwijls als de jager, onbewegelijk een wijle en wel verborgen mikt, valt, gebroken en bloedig, met scherpen schreeuw een dier.In het manshooge wildernis-gras, dat de hellingen bleekgrauw maakt, daar heeft de tijger zijn leger. Als een slang door de hooge[122]halmen sluipend, valt hij bliksemend in de hertekudde die de jonge spruitsels afweidt, op den wilde-zwijnen-troep aan het wroeten naar de zoete wortels. Zat en log van zoet zwaar bloed ligt hij te slapen in het bamboeboschje dat steil boven de grauwe graszee opsteekt. In de takken komen pauwen zitten, zijn volgelingen, die leven van zijn afval; als een donkere regenboog groen-blauw en gouden glanst hun afhangende staart tusschen de wolken van het drijvende bamboe-groen. Hun scherpe kop met het blauwe aren-kroontje er boven schittert als zij hals-rekkend omlaag gluren, of tusschen het geel en zwart van zonnestraal en schaduwstrepen niet ànder geel en zwart begint te bewegen, of het niet rekkend zich opricht, en een bloedroode muil geeuwend[123]opengaat onder het geglim van felle oogen. Flikkerend in de middagzon opgevlogen schreeuwen zij van vreugd.In de alang-alang wildernis hooren het de herten, en vluchten met veerende sprongen, hooren het de zwarte wilde zwijnen en galoppeeren, dat de grond onder hun hamers van hoeven trilt.Op de magere bergrijst-velden hooren het de mannen, en werpen houweel en kapmes weg in den ren naar de dorpspoort, smal in de omheining van spits bekapte stammen.In de gevlochten hutten van het gehucht hooren het de vrouwen en ijlen naar buiten om hun kind.Aan den woudzoom hoort de jager het. De jager verheugt zich.Terwijl de kameraad de vreesachtige mannen aanvoert in wijden half-kring den alang-alang[124]in, om met geschreeuw uit volle borst en luid gegalm uit bekkens en holle houtblokken den tijger op te jagen naar den zoom van het woud, staat hij te wachten, tegen een boom zich bergend, ruggelings naar het beest. Achter zich hoort hij een schurende schuifeling al nader en nader komen. Hij staat roerloos, strak gespannen van zijn hoofd dat luistert en denkt, tot zijn vinger die aan den trekker is. Takken breken onder een zachten zwaren tred, een vergiftige ademstank van bloed en rotting gaat langs hem heen, hij ziet de loom-schokkende geel-en-zwarte schonken. Op de plek die hij gekozen heeft, dertig pas ver, slaat zijn kogel den tijger in den nek. Als het vreeselijke beest, brullend, opspringt, als het zich omwendt, en die vlammende kop komt op[125]hem toe, treft hij in het leven.De kameraad bukt zich over den open bloedenden muil om de snorharen uit te trekken die hij onder zijn hoofddoek bergt, voor talisman. De mannen uit het gehucht komen toeloopen; zij weten dat de jager hun zijn buit laat om het loon dat toegezegd is aan wie een tijger doodt. Met hun achten dragen zij het ontzaggelijke lichaam aan een bamboestam, die knersend doorbuigt. Het wit van buik en keel, zoo fijn gegroeid voor de schaduw en de koele groen en bruine opschijningen van den boschgrond, hangt naar boven gekeerd in het felle zonlicht; de kop bengelt, geknakt, dat de neus en de goudig-glazen oogen, het groote voorhoofd, bonken tegen de steenen en wortelknobbels. De jager wendt de oogen af.Als de kameraden het woud[126]door, langs het ravijn, de hellingen over, een spoor volgen, en zij geven het niet op, zij achterhalen het hert en den gevaarlijken, door de kudde uitgestooten wilden stier op zijn eenzame gangen, dan zijn zij wegen en uren vergeten. Wanneer de hitte van den middag al begint te minderen, en al verder van hen af loopen tusschen struiken en steenklompen, en plotseling hoog tegen stammen op, als een paar ijle zwarte beestjes de twee schaduwen van hun hoofden, dan staan zij ergens in het onbekende, waar geen menschen zijn. De kameraad begint te speuren. Aan den stam van een aren-palm, gekerfd met een ladder van diepe keepen, aan een zwart-geschroeid stuk hout op den grond of een haast onmerkbare rook-lucht op den wind, weet hij het pad te vinden naar de hut van den zwervenden[127]palmsuiker-zoeker, naar de kolenbranders aan den zoom van het woud. Maar de jager schuwt als een gevangenis alle huis, zelfs een dat van vezels en bladeren is gevlochten als een vogelnest, en waar de wind doorhenen speelt en het licht van den hemel. Hij verlangt de wijdte om zich heen van de grenzenlooze wereld, vrijuit vloeiend en stijgend, alle verten in, alle hoogten in, zóó, als zij is om alle wezens, behalve om den mensch alleen. Op een luchte hoogte ontsteekt hij het wachtvuur: het vlammenschijnsel zal de dunne dansende muur wezen rondom zijn weerloozen slaap in den nacht.De kameraad koestert zich aan het vuur, hij droogt zijn druipende kleeren en zijn kille huid, hij zoekt splinters en dorens die diep ingeboord zitten in zijn voeten en[128]rukt de zwarte dik gezwollen bloedzuigers af, terwijl hij den roosterenden bout in het oog houdt waar het sap van afdruppelt met gesis. Na den maaltijd is hij dronken van verzadiging, welbehagen, slaap. En als de jager ziet hoe hij geen wil meer heeft over zijn oogen en zijn hoofd, het niet kan beletten dat zij omvallen en blijven hangen als bloemen voor het verwelken, zegt hij met een glimlach dat de kameraad moet gaan slapen, hij zelf zal waken dat het vuur niet uitgaat, hun bescherming in den nacht.Nu is hij alleen; hij wil graag zoo wezen. En om hem is de nacht als een zwarte zee, golvend op den wind, wemelend van verborgen leven, als de zee.Hij zit stil. Boven zijn hoofd zijn de hooge sterren, een wolk die langzaam trekt, het hangende[129]gebladerte, daar de vlammenschijn in speelt. Nergens grenzen, nergens nauwheden. Hij voelt de groote bewegingen die altijd door gaan, nergens te stuiten, nooit. In de kilte van den zwarten grond, in de sterrestraling, in den wind die waait door de bruisende boomen en weer stil ligt, in de lichte geruchten her en der, in zijn eigen ademhalen voelt hij den nimmer eindigenden gang van het leven, den nimmer eindigenden gang van geboorte en van dood. Als golven, als de groote golven van de zee, die altijd weer komen en altijd weer gaan, die op elkander zich werpen en elkander neerslaan en verzwelgen, dat de eene zwelt en geweldig wordt van het ingulpen der overweldigde, maar zij zelve stort van haar overwinnende hoogte ter neder en wordt een holte en is vervloeid:[130]zoo altijd door komen en altijd door gaan de ongetelde levens, de snelle sterke verzwelgende levens, die toornig zich werpen op elkander, elk grooter op elk geringer, en van de vele zwakkeren wordt het eene sterkere allersterkst, tot van zijn hoogste hoogte het neerstort en niets meer is, de vlammende oogen, de klauw die neersloeg en vasthield, de verscheurende muil die zooveel leven openrukte en uitdronk, niets meer. Niets meer. Alles weer. Een volgend leven rijst waar een vorig viel. Er is geen minder van eenig verdwijnen, ooit, er is geen meer van eenig verschijnen, ooit. Wat van den beginne geweest is, dat is nu nog. Wat is dat dan als iemand spreekt: „Ik?” Wat dan datgene wat geboorte lijkt? en wat, in waarheid, ligt onder dien schijn van sterven?[131]De vlammen worden klein, gedachteloos werpt de jager er rijs op en dorre bladeren. Om een tak, half levend nog, groen, sputteren in damp en rook de vlammen. De kameraad beweegt en mompelt in zijn slaap.Wat was dat geluid, vlak bij? en nu die kreet? De jager steekt het hoofd op, scherp luisterend. In den donker ziet zijne gedachte. Hij weet hoe de slang in bochten opgeloopen is tegen den boom en den kleinen aap heeft gepakt in een kronkeling die hem de ribben brak, hij volgt den loewak die met druipenden muil het woudduiven-nest vol jonkjes uitkomt, en kan wel raden waar de panther het hert besprong. Hij werpt nog meer hout op ’t vuur, en trekt dieper den lichtkring in wat nog overbleef van den buit, een koppel[132]bronsgroen gevlerkte wilde eenden misschien, die hij schoot zooals zij opfladderden uit het rivierriet—zwart tegen de roode avondlucht, of een langbeenigen reiger die wijdwieks dreef boven zijn wittige spiegelbeeld in het moeras. Hij luistert, zijn neusvleugels staan gespannen, zijn mond is even open in den grauwen baard. Is daar nog meer leven, nog meer felle dood? En hij houdt den adem in om te beter te hooren, plotseling, naar, verre weg, het hooge, schorre geloei van den neushoorn.In een steil dal tusschen de bergen die hoog opstaan boven de zee—de rivieren die daar afstorten hangen in watervallen, verstuivend wit, boven het opvliegende wit van de branding—, in het steile dal tusschen de rotsen waaroverheen hij zijn weg[133]heeft uitgehold, den steen wegslijpend met zijn sleependen buik, daar staat het geweldige stier-beest, zwarter dan de zwarte nacht rondom, een gebalde duisternis. Onwrikbaar staat hij en zwaar, een heuvel van kracht. Hij brult van toorn, van driftige begeerte om tegen een anderen even geweldige, tegen een anderen zwarten daverenden heuvel van hitte en kracht aan te schokken. Hij stampt dat het dal er van dreunt. Hij snuift de lucht op waar hij zijn vijand in ruikt; het wit van den verschrikkelijken hoorn schemert door den nacht als hij zijn gebukten kop met een ruk omhoog werpt.De jager ziet het als met oogen, hij balt de vuisten van spijt dat hij door den blinden nacht niet heen kan. En de kameraad, die wakker geworden is, richt zich op—wonderlijk[134]vertrokken staat zijn gezicht met de uitspringende jukbeenderen en de wijkende kin in den vlammenschijn—en verhaalt hoe Inlanders den neushoorn dooden, buiten alle gevaar om, dat al te zeker en te verschrikkelijk dreigt van dit sterkste en moedigste aller beesten in het bosch: in den hol-geslepen weg over de rotsen steken zij immers een puntig mes, het heft in den grond gegraven, het lemmet naar boven, dat de sleepende hangbuik zich open vlijmt daartegen.Maar de jager antwoordt niet eens. Misschien heeft hij ook niet gehoord wat daar gezegd werd van veiligheid en gemakkelijken buit, hij die van het diepe van het hart tot aan den uitersten rand der zinnen vol is van die ééne drift naar leven en naar dood, die elken sterke op elken anderen sterke aanhitst.[135]Zoo lang is die drift in hem, den eenzaam levende die oud begint te worden, al geweest, dat hij niet anders meer weet of zij was er altijd. Zoo groot en sterk is zij geworden in de vele jachtjaren, zoo zeer de allergrootste, allersterkste dat hij niet beter weet of zij is de eenige in hem. Daarom was de verwarring zoo groot, toen, plotseling, in een uur, dat toch niet anders was dan alle andere uren, terwijl hij op den loer zat in het bosch naar eenig dier om te dooden, en om het even was het hem wat daar kwam, toen in dat oogenblik een gevoel in hem oprees waarvoor dat groote, sterke wegdook, en henensloop. En nog begrijpt hij niet goed wat in dat oogenblik hem is gebeurd.Hij zat aan den rand van een klare weide, midden in het woud, wel verborgen met zijn spiedende[136]oogen, en wel verborgen zat niet ver van hem zijn kameraad. Zij hielden den dood van vele dieren in hun handen; welgemoed wachtten zij om hem los te laten, op eenig sterk wild leven. De weide lag lichtgroen onder vroegsten zonneschijn, de roode bloemen van het vele kruidje-roer-mij-niet stonden te gloren boven de nog dichte van dauw witte bladerkransen.Plotseling kraakte heftig het kreupelhout. Bijna tegelijk sprongen twee dieren, een bruinig, een zwartgestreept geel, uit het dichte groen de opene en zonlichte weide in.Een seconde lang stonden zij stil, schrikkend tegen den schellen dag. Maar toen, los, zooals de wind uitloopt door het gebladerte, ijlde het eene weg, ijlde het andere na, begonnen zij dwars[137]door de bloeiende weide en rondom in snelle kringen een spelletje van dartel jagen en vluchten. Die spelend joeg was een jong reetje, die spelend vluchtte een klein tijgerjong.Het reekalfje liep op hooge houterige beenen, het hield zijn fijn-neusden kop nukkig op zij, en als het deed of het naar zijn speelnoot stooten wilde met dat ronde, zacht-kroezige voorhoofd, maakte het opeens, dwarsweg, alle vier de hoefjes tegelijk van den grond, een sprong, waar het zelf niet op verdacht geweest was, en stond als verbijsterd.Het tijgertje had een dikken, zachten kop, dikke, zachte pooten, een buikje dat heelenal rond en volgezogen stond. Het wit langs zijn kleinen muil leek wel afgelekte melk. En het liep wat het loopen kon, het trok zijn ooren[138]plat naar achteren, met een vaart schoot het door het gras, dook in elkaar, gluurde naar zijn makker, en wierp zich plat op zijn flank om hem af te wachten. Daar lag het, als zoo een plekje zonneschijn, en zijn zwarte strepen leken wel de schaduwen van grashalmen en kruidje-roer-me-niet stengels.Het reetje kwam voorzichtig, stijfbeens, aanstappen, den kop scheef. Het stond stil, en zag er uit als een bruine kluit boschgrond, waar blank zonnevlekken op willen door het roerloos hangende loof. Plat tegen den grond kwam de kleine tijger op hem toe-gekropen, zijn schouderbladen staken smal en hoekig uit op zijn rug, zijn korte, stompe staart beefde. Het kromp ineen of het springen wou; maar juist toen sprong het ree en in zijn vaart[139]over het tijgertje heen, en een heel eind de wei in voor het zich in kon houden. De kleine tijger was al weg eer de ander tot staan kwam. Hij rende. En het ree hem achterna, door het gras en de bloemen, dat de dauw sprenkelde. Als de wind in golvige halmen liep het tijgertje, als de wind door struiken en knikkend varenkruid sprong het jonge ree, als zonnestralen glansde de geel-gestreepte speelnoot, als zonnevlekken de gespikkeld-bruine.En ineens, zoo plots als wind en zonneglanzen weg kunnen zijn, waren zij, beide tegelijk, weg uit de wei.Eerst toen de kameraad mompelde, dat zij nu wel niet meer terug zouden komen, begreep de jager dat hij een poos lang had gewacht. Had hij daar zoo stil gezeten in het groen, zijn geweer[140]vergeten, glimlachend? En hij zag dat ook de kameraad glimlachend keek.Hij ging langzaam naar huis, zonder te spreken.Dien avond, toen de Inlanders kwamen met jagertijding, gaf hij hun het zilverstukje wel van altijd, maar hij deed geen vragen, en hij riep ook naar den kameraad niet.Met zich zelven zat hij als met een vreemde lang nog in den donker, terwijl in het gebladerte de krekels begonnen te tjilpen en de sterren aangingen aan den hemel; zoo louter; zoo stil.Er was een klank dien hij nooit vernomen had nog in het krekelgetjilp, fijn vroolijk, zoo heel zacht.Kwam het van het sterrelicht? hij moest al maar denken aan de oogen van zijn jonge moeder, gestorven toen hij nog een kind was.[141][Inhoud]GEZICHTEN OP ZEE[143][Inhoud]I.IN DE BAAI VAN TERNATE.Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.Nu moest de zee haar beproeven en de wind!Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]Hij haalde de riemen in.Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.De jongen haalde diep adem.Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150][Inhoud]II.OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.Zij schiet er heen.Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!De riem ligt aan haar voeten.Lichtweg draagt haar de golving.[160]Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]

[Inhoud]AAN HET STRAND[91]Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof, schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.[92]De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten[93]die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden, dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van het leven der Westerlingen.Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert over het strand.[94]Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht, hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om de lenden.De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet. Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden, voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst. Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.[95]Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een ragfijn zwart streepsel achterzichaan. De oude man gaat bedachtzaam te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde, als het getij verloopt.De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche stemmen roepen.„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch, prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den strak-oogden kop en de sidderende vinnen[96]tegen de spijlen! Haast-je maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje, je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende, ontelbare oogst der zee!”De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den maïskolf[97]gerold.Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand; schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die even drie is.Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam[98]her- en derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke zee!”[99]De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg. Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de houten blokken, de uitgeholde stukkenboomstronkwaarin de vrouwen rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort, in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig[100]kleintje. Zij houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de maat zij stampen.De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen schitterend door elkaar.Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen, volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai, waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw. Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch, aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood;[101]maar in elk harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid. Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in. Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm omvangend; aan de[102]afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der twee over het strand.„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen, en jouw kleeren!”Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan,met beide handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de hand nemend,[103]waadt zij met hem het water in.Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens weer over haar kleintje uit.[104]Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij dieper de zee in.Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in, onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.De Westersche vrouw ziet[105]naar haar. De speelsche stemmen zijn stil geworden.Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend. Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken[106]en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar evenwichtige gedachte.Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling, verlangend naar de[107]baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een weinigje van dat overvloedige geluk.Maar zij weet veel te goed dat zij zelve niet kan vragen en de andere niet kan geven, dat haar verlangende handen niet bereiken zouden, al hielden zij omvat, en haar blik dien blik niet vinden, al spiegelde oog in oog. Zij zit in donkere zwoelte, zij waagt de zee niet in te gaan. Zij is zoo lang van de zee weg gebleven, zoo lang, zoo ver, nu ligt het gore stof der stad op haar hart.De zwaaiende oneindigheid van den horizont maakt haar duizelig, zij vreest het vliegen en tuimelen der golven, liever dan de vrijheid is haar veiligheid geworden.Of toch niet, tòch niet?[108]Waarom anders die sprong van vreugde dien haar hart plotseling doet?Een koelte, een schittering is rondom haar, de onmerkbaar gestegen vloed omkranst haar met schuim, de zee is tot haar gekomen, tot de vreesachtige die niet durfde gaan.En de vrees valt van haar af.Zij staat op, zij gaat de vrijheid tegemoet.De steedsche verbeeldingen en verzinsels die zoo lang zij voor wijsheid hield, wrevelig besef van armoede, haast om toch maar vooruit te komen in de wereld, loodzware arbeid om het loon alleen gedaan, gezelschap en oordeel van sierlijke menschen, met de steedsche kleedij werpt zij het alles van zich af.Zij gaat de Zee in—de vrij-makende Zee.[109]

AAN HET STRAND[91]

[91]

Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof, schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.[92]De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten[93]die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden, dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van het leven der Westerlingen.Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert over het strand.[94]Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht, hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om de lenden.De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet. Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden, voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst. Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.[95]Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een ragfijn zwart streepsel achterzichaan. De oude man gaat bedachtzaam te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde, als het getij verloopt.De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche stemmen roepen.„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch, prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den strak-oogden kop en de sidderende vinnen[96]tegen de spijlen! Haast-je maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje, je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende, ontelbare oogst der zee!”De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den maïskolf[97]gerold.Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand; schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die even drie is.Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam[98]her- en derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke zee!”[99]De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg. Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de houten blokken, de uitgeholde stukkenboomstronkwaarin de vrouwen rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort, in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig[100]kleintje. Zij houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de maat zij stampen.De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen schitterend door elkaar.Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen, volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai, waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw. Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch, aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood;[101]maar in elk harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid. Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in. Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm omvangend; aan de[102]afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der twee over het strand.„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen, en jouw kleeren!”Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan,met beide handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de hand nemend,[103]waadt zij met hem het water in.Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens weer over haar kleintje uit.[104]Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij dieper de zee in.Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in, onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.De Westersche vrouw ziet[105]naar haar. De speelsche stemmen zijn stil geworden.Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend. Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken[106]en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar evenwichtige gedachte.Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling, verlangend naar de[107]baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een weinigje van dat overvloedige geluk.Maar zij weet veel te goed dat zij zelve niet kan vragen en de andere niet kan geven, dat haar verlangende handen niet bereiken zouden, al hielden zij omvat, en haar blik dien blik niet vinden, al spiegelde oog in oog. Zij zit in donkere zwoelte, zij waagt de zee niet in te gaan. Zij is zoo lang van de zee weg gebleven, zoo lang, zoo ver, nu ligt het gore stof der stad op haar hart.De zwaaiende oneindigheid van den horizont maakt haar duizelig, zij vreest het vliegen en tuimelen der golven, liever dan de vrijheid is haar veiligheid geworden.Of toch niet, tòch niet?[108]Waarom anders die sprong van vreugde dien haar hart plotseling doet?Een koelte, een schittering is rondom haar, de onmerkbaar gestegen vloed omkranst haar met schuim, de zee is tot haar gekomen, tot de vreesachtige die niet durfde gaan.En de vrees valt van haar af.Zij staat op, zij gaat de vrijheid tegemoet.De steedsche verbeeldingen en verzinsels die zoo lang zij voor wijsheid hield, wrevelig besef van armoede, haast om toch maar vooruit te komen in de wereld, loodzware arbeid om het loon alleen gedaan, gezelschap en oordeel van sierlijke menschen, met de steedsche kleedij werpt zij het alles van zich af.Zij gaat de Zee in—de vrij-makende Zee.[109]

Het is aan het zeestrand, aan de ondiepe baai, waar, voorbij de groep bruine visschershutten aan den zoom van het palmenbosch, hoog en breed uitgegroeid in ruimte rondalom een prachtige njamploeng-boom staat, een heuvel van groen tegen de lichte ledigheid van zee en lucht.

Nog vroeg is het aan den dag, nog koel en stil. Het njamploeng loover ligt roerloos op de lucht, de geur der opengaande bloesemtrossen hangt dicht om den boom heen, de zee en de horizont dien de wijd-gespreide laagste takken behangen met wimpels en slingers van donker loof, schijnen met gedempten glans de groene schemering binnen.[92]

De jonge Westersche vrouw zit tegen den stam geleund, tusschen hoogopstaande wortels waarvan de zee in vloed en ebbe de aarde heeft weggespoeld. Boven haar hoofd drijft als een groene wolk de volte van het groot-bladerige loover, met gekartelde randen licht-goudachtig glorend op de eene plek, dof-donker op de andere, dampig-blauw in holten van schaduw, waarboven het wit der verborgen bloesemtrossen doorschijnend schemert. Door flonkeringen en donkerten heen stijgt sterk de rechte stam op tot waar, in een verre hoogte, twijgen en bladers verwarren tot een gelig schijnsel tegen blank van lucht. Zij tuurt omhoog in die stille pracht; haar oogen die schrijnen van een slapeloozen nacht worden koel aan die koele klaarten, haar gedachten[93]die heftig waren en moede, in de effen stilte stil.

De groene van bloesem wit doorschenen welving boven haar, het groene spreidsel en hangsel rondom, het is een schoone scheiding tusschen haar en de dingen waarvan haar oogen en gedachten zoo schrijnend branden, dingen van de felle stad aan gene zijde van het strandbosch, dingen van het leven der Westerlingen.

Een ander is hier aan het zeestrand, een dat zij nog niet kende—of kende zij het niet meer? Want met een blijdschap als over onverwacht hervinden worden al vroolijker haar gedachten, beginnen speelsche stemmen in haar hart te roepen tegen een kleine donkere gedaante, die uit het visschersgehucht te voorschijn is gekomen, en langzaam, nadert over het strand.[94]

Het is een oud mannetje, een visscher, met zijn gereedschap in een bundel op den rug. Een hoed van gevlochten bamboevezels, bruin en vlak-rond als een groote bosch-paddenstoel, overdonkert zijn gezicht, hij heeft een verschoten paarsen sarong, met een riem vastgesjord, om de lenden.

De jonge vrouw zit zoo klein ineengedoken tusschen de hoog-opstaande wortels van den njamploengboom, het oude visschertje ziet haar niet. Dicht langs haar heen gaat hij de zee in. Hij moet een eindweegs waden, voor het water hem tot aan de knieën komt; het getij is op zijn laagst. Nu, een smalle zwarte schim tegen het zilver van zee en lucht, blijft hij staan; en den last van den gebukten rug latende glijden, begint hij zijn dagwerk: hij zet de visch-hekken uit.[95]

Heen en weer beweegt de kleine donkere gedaante, kleintjes heen en weer tegen den blanken glans der verte; hij trekt de visch-hekken als een ragfijn zwart streepsel achterzichaan. De oude man gaat bedachtzaam te werk, met ervaren list. Zóo moet hij de buigzame staketsels doen kronkelen en slingeren, doodloopend in eigen draai, dat de visch die bij rijzenden vloed er binnen zwemt, onmogelijk weer een uitweg vinde, als het getij verloopt.

De gedachte der jonge vrouw waadt naast hem door de zee, de speelsche stemmen roepen.

„Zwem maar, zwem maar, kleine zilveren visch, vlugge gouden visch, prachtige blauwe en groene en regenboog-gloorde visch! Stoot den strak-oogden kop en de sidderende vinnen[96]tegen de spijlen! Haast-je maar, haast-je maar, veel-pootige krab! loop maar heen en weer, schuif en graaf in het van schelpjes ruwe zand! Vischje, je komt er niet meer uit—al te veel slingeringen van het vischhek omringelen je. Krabbetje, je graaft je niet vrij! al te diep staan de hekken gedreven. Geeft het op, ligt stil! Het laatste water is al weggeloopen. Nu komen de visschers-vrouwen, nu heffen zij de hekken, nu lezen zij je op, o zilveren en gouden, o roze-roode en blauwe, o schitterende, sidderende, ontelbare oogst der zee!”

De hekken staan. De oude visscher komt plassend aan land gewaad. Nu zal hij op de bamboe rustbank voor zijn hut gaan liggen, en een sigaar rooken van fijn-gesneden tabak in het papier-achtige hulsel van den maïskolf[97]gerold.Terwijl hij rust arbeidt voor hem de zee.

Daar komt een geheele bende kinders aangerend over het strand; schel-stemmig joelen ze. Zij draven spiernaakt; de rappe beenen flikkeren, in den lachend open mond blinken de melkwitte tanden, de oogen tintelen van pret onder den ruigen in zee en zon rossig geworden haarbos. Die het eerst de zee in plast schreeuwt zijn victorie uit, dat een echo terugjuicht uit het bosch. Allen plonzen zij hem na, van den grootste af, die misschien twaalf, tot den dikbuikigen kleinste die even drie is.

Zij baden niet, het water is hier te ondiep; zij zoeken paarlmoer. In dunne plaatjes en scherven ligt het tusschen het losse zand, waar de vloed de ledige schelpen heeft neergestrooid. Bedachtzaam[98]her- en derwaarts gaande, tasten ze er naar met den voet. Die een puntig scherfje voelt, staat stil, rechtop op éen been, en met de teenen van den anderen voet raapt hij de vondst op, en beurt ze in de afhangende hand. Als beide handen vol zijn, steekt hij de glanzige stukken in den mond. Hij heeft geen plooi of vouw van kleeding om zijn schatten te bergen; maar zijn moeder noemt hem daarom niet naakt. Zij heeft hem een snoer kralen om den hals gebonden, en een touwtje om het middel. Haar kind is geen hond of kat, die geen moeder hebben om hen aan te kleeden!

„Zoek je glinsterende scherven, kleine bruine jongen! zoek scherven en vind schatten, vind schat van kracht en joligheid in d’eb der rijke zee!”[99]

De zon is boven de witte wolkbank uit gestegen die haar opgang verborg. Alles begint te schitteren, het njamploeng groen, het strand, de zee.

Het dorp is wakker en doende. Een licht rhythmisch getokkel huppelt door de lucht; dat zijn de houten stampers die op en neer dansen in de houten blokken, de uitgeholde stukkenboomstronkwaarin de vrouwen rijst ontbolsteren. Zij zijn niet te zien, maar de gedachte vindt hen waar zij staan onder een luchtig-gevoegd bladeren-dak dat schaduw breidt over hun werk. Zij hebben het zwarte haar in een laag-afhangenden knoop getrokken, de sarong is in der haast geschort, in den slendang, den breeden sjerp dien ze van schouder naar heup om en om geslagen hebben, hangt als in een wieg een slaperig[100]kleintje. Zij houden beide handen aan den stamper terwijl met haar gezellinnen in de maat zij stampen.

De zonneglimpjes door het losse bladeren-dak laten de kleuren in hun kleedij bloeien, het rood en geel der sarongs, de zachte tinten der kabaias. In het rijstblok huppelt en springt de rijst onder de dansende stampers; gouden kafjes en paarlige kernen vliegen en vallen schitterend door elkaar.

Nu komt een forscher geluid er aangeklonken, sterk neerkomende slagen, volhardend hamer-geklop. De werkman staat aan den overkant der baai, waar een palmengroep dunne schaduw strooit; hij timmert aan zijn prauw. Met de kiel naar boven gekeerd gelijkt zij een grooten zwartigen visch, aemechtig op het droge. Zij ligt roerloos nu, als dood;[101]maar in elk harer slanke lijnen, in de smalle welving der zij, in de scherpe kiel lang gestrekt, in den oprekkenden steven wacht verborgen lenigheid. Straks komt de eerste golf, die den vloed vooruit draaft, straks komt het opbeurende getij, straks met een sprong, schiet zij de branding in. Uit slaat zij den grooten grauwen zeilen-vlerk aan den mast. Weg scheert zij voor den wind. Zij schiet over de golven, vogel en visch tegelijk. En de schipper die op den steven staat, voelt de touwen straf als zijn armen, zijn borst ruim aad’mend als het zeil. Daar denkt hij aan, terwijl hij hamert, hamert aan de kiel.

Zijn jonge vrouw komt op hem toe. Zij draagt haar kleine schrijlings op de slanke, even uitgebogen heup, het naakte lijfje met haar arm omvangend; aan de[102]afhangende linkerhand schommelt een bundel goed. De timmerman roept haar aan; zij antwoordt; klaar klinken de stemmen der twee over het strand.

„Ik wil gaan baden met het kind! En de kleeren van het kind wasschen, en jouw kleeren!”

Den slendang lostrekkend, zet zij den kleine neer in het zand, en maakt zich tot het bad gereed. Zij schudt den zwaren haarknoop die haar in den nek is gezakt, los in een glinster-zwarte golf; dan,met beide handen den overvloed bijeengarend, draait zij vlugvingerig den vasten wrong, dien zijn eigen zwaarte houdt. De kabaja glijdt haar van de schouders; haar armen glanzen goud-achtig bruin. Zij trekt den hoog geschorten sarong nog wat strakker om de borst. En den kleine bij de hand nemend,[103]waadt zij met hem het water in.

Het jongetje is nog warm van haar koesterende lende; hij begint te huilen om de natheid en de kou. Hij hangt aan haar sarong, en krijt dat hij gedragen wil worden. Maar zij leidt hem dieper den vloed in, en bukkend, schept zij beide holle handen vol, en giet het water over hem heen, over zijn mollig bibberend lijfje, over zijn kaalgeschoren kleinen bol, dat water en tranen hem tegelijk in het schreeuwend-open mondje loopen. Weinig stoort zij zich aan zijn gekrijt. Zij kijkt zelfs niet eens naar hem. Haar rustige oogen blikken recht uit over zee. Zoo gestadig en onverstoorbaar de zee-zelve haar golven neerwerpt op het strand, zoo gestadig en onverstoorbaar giet zij de volle handen telkens weer over haar kleintje uit.[104]

Dan droogt zij hem met den vouw van haar sarong het gezicht af, en laat hem loopen naar zijn paarlmoer-zoekende makkers. En zelve waadt zij dieper de zee in.

Zij hurkt neer, en laat de kabbeling over haar schouders spoelen en om haar hals; met beide handen het gezicht bettend, snuift zij de frischheid op der natte palmen, en aait het haar dat het spiegelend glimt. Dan, opgerezen, staat zij stil, en tuurt de verte in, onbewegelijk, als eene die in droomen haar wil te loor laat gaan. Het water vloeit blinkend langs haar af; het vleit den sarong glad tegen haar boezem en haar slanke dijen aan. Haar oogen zijn stil in het effen gezicht. Zij denkt aan niets. Het is haar wèl te moede.

De Westersche vrouw ziet[105]naar haar. De speelsche stemmen zijn stil geworden.

Wèl mag zij te vreden zijn, de jonge vrouw van den visscher. Zoo vriendelijk omvangen haar alle de machten des levens, zoo goed zijn de ontzaggelijken voor haar. Zij openbaren haar niet hun grootheid, zij laten haar hun overmacht niet gevoelen, hun gunst vloeit haar toe als de lucht die zij inademt, zij ontvangt haar en weet het niet.

Aarde, zon en zee begiftigen haar uit onuitputtelijken rijkdom. In vrijheid weeldert haar krachtig-mooi lijf, bloeiend en vrucht-dragend. Zij leeft bij den dag die schijnt, bij den nacht die schaduwt—vandaag is alles goed, en zij treurt niet om gisteren en verlangt naar morgen niet. Die zij kent zijn haar gelijken en kameraden; zij eten en werken[106]en spelen samen, zij leenen in geven en in nemen, zij worden boos op elkander en schelden, maar dat duurt niet lang. Toewan Allah en de geesten, de goede en de booze die zeer machtig zijn, stellen zich toch met geringe offeranden tevreden, en de handvol melati-bloesem die zij neerlegt onder den heiligen waringin dunkt hun hulde genoeg bij het eer-brengend gebed. Ook voor den dood vreest zij niet zeer, want het is eenmaal zóo beschikt, dat het leven langs éenen weg heengaat en komt langs een anderen terug. Zóo is zij met alle dingen, de zienlijke en de onzienlijke, wèl vertrouwd. En geen twijfel stoot ooit aan haar evenwichtige gedachte.

Uit de njamploeng schaduw ziet de Westersche vrouw, de stedeling, verlangend naar de[107]baadster, glanzende in den vloed die glanst. Zij zou op haar willen toegaan, en haar beide ledige handen uitstrekken om een weinigje van dat overvloedige geluk.

Maar zij weet veel te goed dat zij zelve niet kan vragen en de andere niet kan geven, dat haar verlangende handen niet bereiken zouden, al hielden zij omvat, en haar blik dien blik niet vinden, al spiegelde oog in oog. Zij zit in donkere zwoelte, zij waagt de zee niet in te gaan. Zij is zoo lang van de zee weg gebleven, zoo lang, zoo ver, nu ligt het gore stof der stad op haar hart.

De zwaaiende oneindigheid van den horizont maakt haar duizelig, zij vreest het vliegen en tuimelen der golven, liever dan de vrijheid is haar veiligheid geworden.

Of toch niet, tòch niet?[108]

Waarom anders die sprong van vreugde dien haar hart plotseling doet?

Een koelte, een schittering is rondom haar, de onmerkbaar gestegen vloed omkranst haar met schuim, de zee is tot haar gekomen, tot de vreesachtige die niet durfde gaan.

En de vrees valt van haar af.

Zij staat op, zij gaat de vrijheid tegemoet.

De steedsche verbeeldingen en verzinsels die zoo lang zij voor wijsheid hield, wrevelig besef van armoede, haast om toch maar vooruit te komen in de wereld, loodzware arbeid om het loon alleen gedaan, gezelschap en oordeel van sierlijke menschen, met de steedsche kleedij werpt zij het alles van zich af.

Zij gaat de Zee in—de vrij-makende Zee.[109]

[Inhoud]DE JAGER[111]De jager en zijn bediende, de blanke heer en de bruine knecht, die op de jacht kameraden zijn geworden, wachten op wild, aan den zoom van de kleine weide midden in het woud. Het is hun om het even wat er komt, altijd immers zal het een sterk dier zijn of een vlug, een dat kracht heeft om aan te vallen of een dat kracht heeft om te ontkomen, altijd iets om te dooden.Zooals zij nu wachten aan den zoom van de woudweide, zoo wachten zij altijd, op alle plekken waar zij zijn. Aan den woudrand waar de harde, onwrikbare boomenlijven zoo dicht niet meer op elkander gedrongen staan met struiken en doornig slingergewas ertusschen, of zachte haastige[112]dierenlijven kunnen er doorheenglippen; en aan het bergmeer, ’s nachts, als veel dorstigen bukkend komen slurpen en, gelaafd, blijven staan, roerloos een wijle tegen de lucht, terwijl droppels als vloeibare maanlichtvonkenaflekkenvan de neusgaten, waar de adem als een zilverig nevelwolkje om heen drijft; en in het manshooge wildernis-gras, alang-alang en glagah, het gevaarlijke, dat vervolger en vervolgden voor elkander verbergt, zoodat de een van den ander niet weet, en van zich zelven niet, of hij vervolger of vervolgde is; en ook op hun eigen erf wachten zij, in hun eigen glad blank huis.Als andere menschen woont de jager in een huis en doet de dingen die binnen huismuren onder een huisdak worden gedaan, gemakkelijke dingen, zonder hartstocht,[113]waarbij het lichaam traagweg gedijt, en zonder hartstocht ook moeilijke dingen, die dienen voor zulk gedijen in de toekomst. Hij eet velerlei spijs die een ander voor hem bereid heeft en gereed gezet op een met linnen bedekte tafel, hij doet dunne koele kleeren aan, heeft een gladden vloer onder de voeten, zit op een gemakkelijken stoel en gaat slapen op een effen gespreid bed; het kan hem eender zijn of het stortregent en stormt, of dat de barre zon brandt; het is droog onder zijn dak, koel tusschen zijn muren. En hij leest, denkt na en schrijft, om zekerheid in de toekomst van altijd datzelfde wel-beschutte wel-gevoede leven; geen ander doel noch wensch heeft hij daarmee. Maar terwijl hij in zijn gladde blanke huis zit, al die dingen zonder hartstocht doende, uit gewoonte en uit noodzaak,[114]wacht ongedurig en fel het groote verlangen naar zijn waarachtig leven. Hij denkt aan het land vol dieren daar buiten, buiten de muren, boven het dak, rond en rond-alom, het gras, het water, het bosch, de bergen, de lucht vol dieren. Dan begint hij te sidderen van begeerte en ongeduld. Terwijl zijn oogen lezen, zijn vingers schrijven, terwijl zijn mond eet, terwijl zijn lichaam uitgestrekt ligt, zit zijn binnenste gedachte op den loer, spiedend naar dieren om te dooden. Omdat zijn eigen oogen blind en zijn eigen ooren doof gemaakt worden, zoo dikwijls en zoo lang achtereen in het besluitende huis, heeft hij oogen en ooren in andere menschen die overal rondspeuren te allen tijd. Des avonds verneemt hij hun vonden.Als het klare lichtgroen, dat na[115]zonsondergang effen meren breidt rondom gouden en purperen wolken-eilandjes, in het Westen ebbend vertroebelt en verdoft, als de boomen op het erf ontzaggelijk gaan groeien, de breedte in, de hoogte in, van uitwademende duisternis, en voor de binnenspoelende vloeden van den nacht de gladde, blanke dingen in het huis verzinken en vergaan, zit hij achter de hooge pilaren der voorgalerij als achter hooge, gladde stammen aan den boschrand te wachten. Als een lok-lichtje glimt zijn sigaar naar het duistere van den landweg. De Inlanders zien het van verre, zij komen af op dat roode lichtje, waarachter zij zilvergeld weten te liggen. Uit het donker mompelen stemmen:„Ik vraag verlof!”Weltevreden antwoordt de jager:[116]„Kom tot mij!”Op de onderste trede van den opgang hurken onduidelijke gestalten; stemmen verhalen.„Groote Heer! elken nacht komen herten drinken uit de beek die langs het bamboeboschje stroomt.”„Een kudde wilde zwijnen is door alle omheiningen heengebroken tot in mijn ketellah-aanplant! Ach, alles hebben zij omgewroet en afgevreten!”„Rondom de bergdessa, Groote Heer, sluipt een tijger. Wij hebben zijn spoor gevonden dicht bij de buffelkraal.”Het hart van den jager begint te bonzen. Hij vraagt naar het uur en de plek, naar de gewende gangen van het dier. Vroolijk bevoelt de Inlander het stukje zilvergeld in zijn palm. Vroolijk roept de jager zijn kameraad.[117]„Djongolan! Djongolan!”Djongolan staat al achter hem. Hij heeft in de donkerte naast het huis gezeten, óok wachtend, óok op de jacht al, en zijn fijnere ooren hebben de naakte voetstappen gehoord al van den landweg af.„Djongolan! zorg voor de geweren! zorg voor rijst in een gevlochten zakje van versche pisangbladreepen, voor water in een bamboe-koker! Wij gaan jagen morgen voor het aanlichten van den dag.”Nu mag de lamp wel aangestoken boven de schrijftafel. Het is niets, al liggen daar nog zoovele, nog zoo hooge stapels papieren. Fluitend zet de jager zich in zijn stoel. En door den eentonigen arbeid heen hoort hij de muziek van het lichte klikken der geweren in de handen van Djongolan, de muziek van zijn hanteeringen en[118]zijn stem bij de voorraadskamer en de keuken. Als hij zich uitstrekt over het gladde laken van zijn bed denkt hij:„Morgennacht lig ik op de droge bladers, en ik zie den schijn van het wachtvuur heen en weer spelen in de boomen boven mijn hoofd!”De kameraden zijn al halverwege het woud als de morgenster nog boordevol licht hangt aan den duisteren hemel.Zwijgend en zeker gaan zij door de zwoele donkerte van het woud, nacht om hun voeten, nacht tegen hun aangezicht en dauw-kille volte van bladeren. Het ruikt naar leven. Waar de reuk dof is en stil ligt, als een donkere, platte poel, daar is het roerlooze leven van aarde en gesteente. Zooals in een donkeren platten poel, heimelijk, uit zwarten modderbodem op,[119]bij kleinste bollinkjes wel levend water opgeklommen komt, zooals wel ergens tusschen het oeverdras een smalste uitloop wegsiepelt, zoo drijft, uit den doffen en stillen reuk van aard en steenen, even bespeurbaar maar, de reuk van beginnend leven in mos en paddenstoelen omhoog, zoo vloeit er de reuk van heengaand leven uit rottende bladeren en molmend hout van weg. Waar reuken scherp zijn en vluchtig, als lichtstralen, daar zijn de snelle levens geweest van dieren. Was het een vogel, warm uit het nachtelijke nest? Een roodoogde eekhoorn met een zwiependen sprong het dichtste ingevlogen van de takken? Misschien is wel een wilde koe voorbij gekomen met haar kalf, dat onder ’t voortgaan zijn neus in den vollen uier drukte. Misschien is die scherpe reuk opgewademd uit den[120]donker-natten rug van een hert, het meer overgezwommen naar de hinde die liep te weiden in het oevergras aan gene zij. De twee mannen ademen en ruiken. Zij snuiven al dat vele leven op. Hun eigen wordt er sterker van en wilder. Hun oogen staan fel. Sluipend zetten zij hun voeten neer. Zij waarschuwen elkander sprakeloos, met de oogen en met de handen.Om hen heen, over hen heen is het woud als een bladeren-gebergte, en zij bewegen langs de haast onzichtbare voetpaden van kolenbranders en zoekers naar palmsuiker als langs mollen-gangetjes in het gedegen groen gewroet. Dikwijls moeten zij ook zelf hun eigen wegen maken; met hun korte breede messen kappen zij in struiken en jong geboomte en door de warnis heen van[121]doornigen rottan die met gehaakte zweepen naar hen striemt. De bloedzuigers die uit het schuddende gebladert op hen neerregenen boren zoo scherp en diep, dat hun kleeren rood zien van hun eigen bloed. Zij letten er niet op. Zij jagen. Violen-paars en goud-door-groen fladdert een bosch-haan; een tijgerkat zit te blazen met geel-flonkerende oogen; huilend van angst springt een troep apen door de takken van een boomgroep, waarlangs de zwarte panter sluipt. En zoo dikwijls als de jager, onbewegelijk een wijle en wel verborgen mikt, valt, gebroken en bloedig, met scherpen schreeuw een dier.In het manshooge wildernis-gras, dat de hellingen bleekgrauw maakt, daar heeft de tijger zijn leger. Als een slang door de hooge[122]halmen sluipend, valt hij bliksemend in de hertekudde die de jonge spruitsels afweidt, op den wilde-zwijnen-troep aan het wroeten naar de zoete wortels. Zat en log van zoet zwaar bloed ligt hij te slapen in het bamboeboschje dat steil boven de grauwe graszee opsteekt. In de takken komen pauwen zitten, zijn volgelingen, die leven van zijn afval; als een donkere regenboog groen-blauw en gouden glanst hun afhangende staart tusschen de wolken van het drijvende bamboe-groen. Hun scherpe kop met het blauwe aren-kroontje er boven schittert als zij hals-rekkend omlaag gluren, of tusschen het geel en zwart van zonnestraal en schaduwstrepen niet ànder geel en zwart begint te bewegen, of het niet rekkend zich opricht, en een bloedroode muil geeuwend[123]opengaat onder het geglim van felle oogen. Flikkerend in de middagzon opgevlogen schreeuwen zij van vreugd.In de alang-alang wildernis hooren het de herten, en vluchten met veerende sprongen, hooren het de zwarte wilde zwijnen en galoppeeren, dat de grond onder hun hamers van hoeven trilt.Op de magere bergrijst-velden hooren het de mannen, en werpen houweel en kapmes weg in den ren naar de dorpspoort, smal in de omheining van spits bekapte stammen.In de gevlochten hutten van het gehucht hooren het de vrouwen en ijlen naar buiten om hun kind.Aan den woudzoom hoort de jager het. De jager verheugt zich.Terwijl de kameraad de vreesachtige mannen aanvoert in wijden half-kring den alang-alang[124]in, om met geschreeuw uit volle borst en luid gegalm uit bekkens en holle houtblokken den tijger op te jagen naar den zoom van het woud, staat hij te wachten, tegen een boom zich bergend, ruggelings naar het beest. Achter zich hoort hij een schurende schuifeling al nader en nader komen. Hij staat roerloos, strak gespannen van zijn hoofd dat luistert en denkt, tot zijn vinger die aan den trekker is. Takken breken onder een zachten zwaren tred, een vergiftige ademstank van bloed en rotting gaat langs hem heen, hij ziet de loom-schokkende geel-en-zwarte schonken. Op de plek die hij gekozen heeft, dertig pas ver, slaat zijn kogel den tijger in den nek. Als het vreeselijke beest, brullend, opspringt, als het zich omwendt, en die vlammende kop komt op[125]hem toe, treft hij in het leven.De kameraad bukt zich over den open bloedenden muil om de snorharen uit te trekken die hij onder zijn hoofddoek bergt, voor talisman. De mannen uit het gehucht komen toeloopen; zij weten dat de jager hun zijn buit laat om het loon dat toegezegd is aan wie een tijger doodt. Met hun achten dragen zij het ontzaggelijke lichaam aan een bamboestam, die knersend doorbuigt. Het wit van buik en keel, zoo fijn gegroeid voor de schaduw en de koele groen en bruine opschijningen van den boschgrond, hangt naar boven gekeerd in het felle zonlicht; de kop bengelt, geknakt, dat de neus en de goudig-glazen oogen, het groote voorhoofd, bonken tegen de steenen en wortelknobbels. De jager wendt de oogen af.Als de kameraden het woud[126]door, langs het ravijn, de hellingen over, een spoor volgen, en zij geven het niet op, zij achterhalen het hert en den gevaarlijken, door de kudde uitgestooten wilden stier op zijn eenzame gangen, dan zijn zij wegen en uren vergeten. Wanneer de hitte van den middag al begint te minderen, en al verder van hen af loopen tusschen struiken en steenklompen, en plotseling hoog tegen stammen op, als een paar ijle zwarte beestjes de twee schaduwen van hun hoofden, dan staan zij ergens in het onbekende, waar geen menschen zijn. De kameraad begint te speuren. Aan den stam van een aren-palm, gekerfd met een ladder van diepe keepen, aan een zwart-geschroeid stuk hout op den grond of een haast onmerkbare rook-lucht op den wind, weet hij het pad te vinden naar de hut van den zwervenden[127]palmsuiker-zoeker, naar de kolenbranders aan den zoom van het woud. Maar de jager schuwt als een gevangenis alle huis, zelfs een dat van vezels en bladeren is gevlochten als een vogelnest, en waar de wind doorhenen speelt en het licht van den hemel. Hij verlangt de wijdte om zich heen van de grenzenlooze wereld, vrijuit vloeiend en stijgend, alle verten in, alle hoogten in, zóó, als zij is om alle wezens, behalve om den mensch alleen. Op een luchte hoogte ontsteekt hij het wachtvuur: het vlammenschijnsel zal de dunne dansende muur wezen rondom zijn weerloozen slaap in den nacht.De kameraad koestert zich aan het vuur, hij droogt zijn druipende kleeren en zijn kille huid, hij zoekt splinters en dorens die diep ingeboord zitten in zijn voeten en[128]rukt de zwarte dik gezwollen bloedzuigers af, terwijl hij den roosterenden bout in het oog houdt waar het sap van afdruppelt met gesis. Na den maaltijd is hij dronken van verzadiging, welbehagen, slaap. En als de jager ziet hoe hij geen wil meer heeft over zijn oogen en zijn hoofd, het niet kan beletten dat zij omvallen en blijven hangen als bloemen voor het verwelken, zegt hij met een glimlach dat de kameraad moet gaan slapen, hij zelf zal waken dat het vuur niet uitgaat, hun bescherming in den nacht.Nu is hij alleen; hij wil graag zoo wezen. En om hem is de nacht als een zwarte zee, golvend op den wind, wemelend van verborgen leven, als de zee.Hij zit stil. Boven zijn hoofd zijn de hooge sterren, een wolk die langzaam trekt, het hangende[129]gebladerte, daar de vlammenschijn in speelt. Nergens grenzen, nergens nauwheden. Hij voelt de groote bewegingen die altijd door gaan, nergens te stuiten, nooit. In de kilte van den zwarten grond, in de sterrestraling, in den wind die waait door de bruisende boomen en weer stil ligt, in de lichte geruchten her en der, in zijn eigen ademhalen voelt hij den nimmer eindigenden gang van het leven, den nimmer eindigenden gang van geboorte en van dood. Als golven, als de groote golven van de zee, die altijd weer komen en altijd weer gaan, die op elkander zich werpen en elkander neerslaan en verzwelgen, dat de eene zwelt en geweldig wordt van het ingulpen der overweldigde, maar zij zelve stort van haar overwinnende hoogte ter neder en wordt een holte en is vervloeid:[130]zoo altijd door komen en altijd door gaan de ongetelde levens, de snelle sterke verzwelgende levens, die toornig zich werpen op elkander, elk grooter op elk geringer, en van de vele zwakkeren wordt het eene sterkere allersterkst, tot van zijn hoogste hoogte het neerstort en niets meer is, de vlammende oogen, de klauw die neersloeg en vasthield, de verscheurende muil die zooveel leven openrukte en uitdronk, niets meer. Niets meer. Alles weer. Een volgend leven rijst waar een vorig viel. Er is geen minder van eenig verdwijnen, ooit, er is geen meer van eenig verschijnen, ooit. Wat van den beginne geweest is, dat is nu nog. Wat is dat dan als iemand spreekt: „Ik?” Wat dan datgene wat geboorte lijkt? en wat, in waarheid, ligt onder dien schijn van sterven?[131]De vlammen worden klein, gedachteloos werpt de jager er rijs op en dorre bladeren. Om een tak, half levend nog, groen, sputteren in damp en rook de vlammen. De kameraad beweegt en mompelt in zijn slaap.Wat was dat geluid, vlak bij? en nu die kreet? De jager steekt het hoofd op, scherp luisterend. In den donker ziet zijne gedachte. Hij weet hoe de slang in bochten opgeloopen is tegen den boom en den kleinen aap heeft gepakt in een kronkeling die hem de ribben brak, hij volgt den loewak die met druipenden muil het woudduiven-nest vol jonkjes uitkomt, en kan wel raden waar de panther het hert besprong. Hij werpt nog meer hout op ’t vuur, en trekt dieper den lichtkring in wat nog overbleef van den buit, een koppel[132]bronsgroen gevlerkte wilde eenden misschien, die hij schoot zooals zij opfladderden uit het rivierriet—zwart tegen de roode avondlucht, of een langbeenigen reiger die wijdwieks dreef boven zijn wittige spiegelbeeld in het moeras. Hij luistert, zijn neusvleugels staan gespannen, zijn mond is even open in den grauwen baard. Is daar nog meer leven, nog meer felle dood? En hij houdt den adem in om te beter te hooren, plotseling, naar, verre weg, het hooge, schorre geloei van den neushoorn.In een steil dal tusschen de bergen die hoog opstaan boven de zee—de rivieren die daar afstorten hangen in watervallen, verstuivend wit, boven het opvliegende wit van de branding—, in het steile dal tusschen de rotsen waaroverheen hij zijn weg[133]heeft uitgehold, den steen wegslijpend met zijn sleependen buik, daar staat het geweldige stier-beest, zwarter dan de zwarte nacht rondom, een gebalde duisternis. Onwrikbaar staat hij en zwaar, een heuvel van kracht. Hij brult van toorn, van driftige begeerte om tegen een anderen even geweldige, tegen een anderen zwarten daverenden heuvel van hitte en kracht aan te schokken. Hij stampt dat het dal er van dreunt. Hij snuift de lucht op waar hij zijn vijand in ruikt; het wit van den verschrikkelijken hoorn schemert door den nacht als hij zijn gebukten kop met een ruk omhoog werpt.De jager ziet het als met oogen, hij balt de vuisten van spijt dat hij door den blinden nacht niet heen kan. En de kameraad, die wakker geworden is, richt zich op—wonderlijk[134]vertrokken staat zijn gezicht met de uitspringende jukbeenderen en de wijkende kin in den vlammenschijn—en verhaalt hoe Inlanders den neushoorn dooden, buiten alle gevaar om, dat al te zeker en te verschrikkelijk dreigt van dit sterkste en moedigste aller beesten in het bosch: in den hol-geslepen weg over de rotsen steken zij immers een puntig mes, het heft in den grond gegraven, het lemmet naar boven, dat de sleepende hangbuik zich open vlijmt daartegen.Maar de jager antwoordt niet eens. Misschien heeft hij ook niet gehoord wat daar gezegd werd van veiligheid en gemakkelijken buit, hij die van het diepe van het hart tot aan den uitersten rand der zinnen vol is van die ééne drift naar leven en naar dood, die elken sterke op elken anderen sterke aanhitst.[135]Zoo lang is die drift in hem, den eenzaam levende die oud begint te worden, al geweest, dat hij niet anders meer weet of zij was er altijd. Zoo groot en sterk is zij geworden in de vele jachtjaren, zoo zeer de allergrootste, allersterkste dat hij niet beter weet of zij is de eenige in hem. Daarom was de verwarring zoo groot, toen, plotseling, in een uur, dat toch niet anders was dan alle andere uren, terwijl hij op den loer zat in het bosch naar eenig dier om te dooden, en om het even was het hem wat daar kwam, toen in dat oogenblik een gevoel in hem oprees waarvoor dat groote, sterke wegdook, en henensloop. En nog begrijpt hij niet goed wat in dat oogenblik hem is gebeurd.Hij zat aan den rand van een klare weide, midden in het woud, wel verborgen met zijn spiedende[136]oogen, en wel verborgen zat niet ver van hem zijn kameraad. Zij hielden den dood van vele dieren in hun handen; welgemoed wachtten zij om hem los te laten, op eenig sterk wild leven. De weide lag lichtgroen onder vroegsten zonneschijn, de roode bloemen van het vele kruidje-roer-mij-niet stonden te gloren boven de nog dichte van dauw witte bladerkransen.Plotseling kraakte heftig het kreupelhout. Bijna tegelijk sprongen twee dieren, een bruinig, een zwartgestreept geel, uit het dichte groen de opene en zonlichte weide in.Een seconde lang stonden zij stil, schrikkend tegen den schellen dag. Maar toen, los, zooals de wind uitloopt door het gebladerte, ijlde het eene weg, ijlde het andere na, begonnen zij dwars[137]door de bloeiende weide en rondom in snelle kringen een spelletje van dartel jagen en vluchten. Die spelend joeg was een jong reetje, die spelend vluchtte een klein tijgerjong.Het reekalfje liep op hooge houterige beenen, het hield zijn fijn-neusden kop nukkig op zij, en als het deed of het naar zijn speelnoot stooten wilde met dat ronde, zacht-kroezige voorhoofd, maakte het opeens, dwarsweg, alle vier de hoefjes tegelijk van den grond, een sprong, waar het zelf niet op verdacht geweest was, en stond als verbijsterd.Het tijgertje had een dikken, zachten kop, dikke, zachte pooten, een buikje dat heelenal rond en volgezogen stond. Het wit langs zijn kleinen muil leek wel afgelekte melk. En het liep wat het loopen kon, het trok zijn ooren[138]plat naar achteren, met een vaart schoot het door het gras, dook in elkaar, gluurde naar zijn makker, en wierp zich plat op zijn flank om hem af te wachten. Daar lag het, als zoo een plekje zonneschijn, en zijn zwarte strepen leken wel de schaduwen van grashalmen en kruidje-roer-me-niet stengels.Het reetje kwam voorzichtig, stijfbeens, aanstappen, den kop scheef. Het stond stil, en zag er uit als een bruine kluit boschgrond, waar blank zonnevlekken op willen door het roerloos hangende loof. Plat tegen den grond kwam de kleine tijger op hem toe-gekropen, zijn schouderbladen staken smal en hoekig uit op zijn rug, zijn korte, stompe staart beefde. Het kromp ineen of het springen wou; maar juist toen sprong het ree en in zijn vaart[139]over het tijgertje heen, en een heel eind de wei in voor het zich in kon houden. De kleine tijger was al weg eer de ander tot staan kwam. Hij rende. En het ree hem achterna, door het gras en de bloemen, dat de dauw sprenkelde. Als de wind in golvige halmen liep het tijgertje, als de wind door struiken en knikkend varenkruid sprong het jonge ree, als zonnestralen glansde de geel-gestreepte speelnoot, als zonnevlekken de gespikkeld-bruine.En ineens, zoo plots als wind en zonneglanzen weg kunnen zijn, waren zij, beide tegelijk, weg uit de wei.Eerst toen de kameraad mompelde, dat zij nu wel niet meer terug zouden komen, begreep de jager dat hij een poos lang had gewacht. Had hij daar zoo stil gezeten in het groen, zijn geweer[140]vergeten, glimlachend? En hij zag dat ook de kameraad glimlachend keek.Hij ging langzaam naar huis, zonder te spreken.Dien avond, toen de Inlanders kwamen met jagertijding, gaf hij hun het zilverstukje wel van altijd, maar hij deed geen vragen, en hij riep ook naar den kameraad niet.Met zich zelven zat hij als met een vreemde lang nog in den donker, terwijl in het gebladerte de krekels begonnen te tjilpen en de sterren aangingen aan den hemel; zoo louter; zoo stil.Er was een klank dien hij nooit vernomen had nog in het krekelgetjilp, fijn vroolijk, zoo heel zacht.Kwam het van het sterrelicht? hij moest al maar denken aan de oogen van zijn jonge moeder, gestorven toen hij nog een kind was.[141]

DE JAGER[111]

[111]

De jager en zijn bediende, de blanke heer en de bruine knecht, die op de jacht kameraden zijn geworden, wachten op wild, aan den zoom van de kleine weide midden in het woud. Het is hun om het even wat er komt, altijd immers zal het een sterk dier zijn of een vlug, een dat kracht heeft om aan te vallen of een dat kracht heeft om te ontkomen, altijd iets om te dooden.Zooals zij nu wachten aan den zoom van de woudweide, zoo wachten zij altijd, op alle plekken waar zij zijn. Aan den woudrand waar de harde, onwrikbare boomenlijven zoo dicht niet meer op elkander gedrongen staan met struiken en doornig slingergewas ertusschen, of zachte haastige[112]dierenlijven kunnen er doorheenglippen; en aan het bergmeer, ’s nachts, als veel dorstigen bukkend komen slurpen en, gelaafd, blijven staan, roerloos een wijle tegen de lucht, terwijl droppels als vloeibare maanlichtvonkenaflekkenvan de neusgaten, waar de adem als een zilverig nevelwolkje om heen drijft; en in het manshooge wildernis-gras, alang-alang en glagah, het gevaarlijke, dat vervolger en vervolgden voor elkander verbergt, zoodat de een van den ander niet weet, en van zich zelven niet, of hij vervolger of vervolgde is; en ook op hun eigen erf wachten zij, in hun eigen glad blank huis.Als andere menschen woont de jager in een huis en doet de dingen die binnen huismuren onder een huisdak worden gedaan, gemakkelijke dingen, zonder hartstocht,[113]waarbij het lichaam traagweg gedijt, en zonder hartstocht ook moeilijke dingen, die dienen voor zulk gedijen in de toekomst. Hij eet velerlei spijs die een ander voor hem bereid heeft en gereed gezet op een met linnen bedekte tafel, hij doet dunne koele kleeren aan, heeft een gladden vloer onder de voeten, zit op een gemakkelijken stoel en gaat slapen op een effen gespreid bed; het kan hem eender zijn of het stortregent en stormt, of dat de barre zon brandt; het is droog onder zijn dak, koel tusschen zijn muren. En hij leest, denkt na en schrijft, om zekerheid in de toekomst van altijd datzelfde wel-beschutte wel-gevoede leven; geen ander doel noch wensch heeft hij daarmee. Maar terwijl hij in zijn gladde blanke huis zit, al die dingen zonder hartstocht doende, uit gewoonte en uit noodzaak,[114]wacht ongedurig en fel het groote verlangen naar zijn waarachtig leven. Hij denkt aan het land vol dieren daar buiten, buiten de muren, boven het dak, rond en rond-alom, het gras, het water, het bosch, de bergen, de lucht vol dieren. Dan begint hij te sidderen van begeerte en ongeduld. Terwijl zijn oogen lezen, zijn vingers schrijven, terwijl zijn mond eet, terwijl zijn lichaam uitgestrekt ligt, zit zijn binnenste gedachte op den loer, spiedend naar dieren om te dooden. Omdat zijn eigen oogen blind en zijn eigen ooren doof gemaakt worden, zoo dikwijls en zoo lang achtereen in het besluitende huis, heeft hij oogen en ooren in andere menschen die overal rondspeuren te allen tijd. Des avonds verneemt hij hun vonden.Als het klare lichtgroen, dat na[115]zonsondergang effen meren breidt rondom gouden en purperen wolken-eilandjes, in het Westen ebbend vertroebelt en verdoft, als de boomen op het erf ontzaggelijk gaan groeien, de breedte in, de hoogte in, van uitwademende duisternis, en voor de binnenspoelende vloeden van den nacht de gladde, blanke dingen in het huis verzinken en vergaan, zit hij achter de hooge pilaren der voorgalerij als achter hooge, gladde stammen aan den boschrand te wachten. Als een lok-lichtje glimt zijn sigaar naar het duistere van den landweg. De Inlanders zien het van verre, zij komen af op dat roode lichtje, waarachter zij zilvergeld weten te liggen. Uit het donker mompelen stemmen:„Ik vraag verlof!”Weltevreden antwoordt de jager:[116]„Kom tot mij!”Op de onderste trede van den opgang hurken onduidelijke gestalten; stemmen verhalen.„Groote Heer! elken nacht komen herten drinken uit de beek die langs het bamboeboschje stroomt.”„Een kudde wilde zwijnen is door alle omheiningen heengebroken tot in mijn ketellah-aanplant! Ach, alles hebben zij omgewroet en afgevreten!”„Rondom de bergdessa, Groote Heer, sluipt een tijger. Wij hebben zijn spoor gevonden dicht bij de buffelkraal.”Het hart van den jager begint te bonzen. Hij vraagt naar het uur en de plek, naar de gewende gangen van het dier. Vroolijk bevoelt de Inlander het stukje zilvergeld in zijn palm. Vroolijk roept de jager zijn kameraad.[117]„Djongolan! Djongolan!”Djongolan staat al achter hem. Hij heeft in de donkerte naast het huis gezeten, óok wachtend, óok op de jacht al, en zijn fijnere ooren hebben de naakte voetstappen gehoord al van den landweg af.„Djongolan! zorg voor de geweren! zorg voor rijst in een gevlochten zakje van versche pisangbladreepen, voor water in een bamboe-koker! Wij gaan jagen morgen voor het aanlichten van den dag.”Nu mag de lamp wel aangestoken boven de schrijftafel. Het is niets, al liggen daar nog zoovele, nog zoo hooge stapels papieren. Fluitend zet de jager zich in zijn stoel. En door den eentonigen arbeid heen hoort hij de muziek van het lichte klikken der geweren in de handen van Djongolan, de muziek van zijn hanteeringen en[118]zijn stem bij de voorraadskamer en de keuken. Als hij zich uitstrekt over het gladde laken van zijn bed denkt hij:„Morgennacht lig ik op de droge bladers, en ik zie den schijn van het wachtvuur heen en weer spelen in de boomen boven mijn hoofd!”De kameraden zijn al halverwege het woud als de morgenster nog boordevol licht hangt aan den duisteren hemel.Zwijgend en zeker gaan zij door de zwoele donkerte van het woud, nacht om hun voeten, nacht tegen hun aangezicht en dauw-kille volte van bladeren. Het ruikt naar leven. Waar de reuk dof is en stil ligt, als een donkere, platte poel, daar is het roerlooze leven van aarde en gesteente. Zooals in een donkeren platten poel, heimelijk, uit zwarten modderbodem op,[119]bij kleinste bollinkjes wel levend water opgeklommen komt, zooals wel ergens tusschen het oeverdras een smalste uitloop wegsiepelt, zoo drijft, uit den doffen en stillen reuk van aard en steenen, even bespeurbaar maar, de reuk van beginnend leven in mos en paddenstoelen omhoog, zoo vloeit er de reuk van heengaand leven uit rottende bladeren en molmend hout van weg. Waar reuken scherp zijn en vluchtig, als lichtstralen, daar zijn de snelle levens geweest van dieren. Was het een vogel, warm uit het nachtelijke nest? Een roodoogde eekhoorn met een zwiependen sprong het dichtste ingevlogen van de takken? Misschien is wel een wilde koe voorbij gekomen met haar kalf, dat onder ’t voortgaan zijn neus in den vollen uier drukte. Misschien is die scherpe reuk opgewademd uit den[120]donker-natten rug van een hert, het meer overgezwommen naar de hinde die liep te weiden in het oevergras aan gene zij. De twee mannen ademen en ruiken. Zij snuiven al dat vele leven op. Hun eigen wordt er sterker van en wilder. Hun oogen staan fel. Sluipend zetten zij hun voeten neer. Zij waarschuwen elkander sprakeloos, met de oogen en met de handen.Om hen heen, over hen heen is het woud als een bladeren-gebergte, en zij bewegen langs de haast onzichtbare voetpaden van kolenbranders en zoekers naar palmsuiker als langs mollen-gangetjes in het gedegen groen gewroet. Dikwijls moeten zij ook zelf hun eigen wegen maken; met hun korte breede messen kappen zij in struiken en jong geboomte en door de warnis heen van[121]doornigen rottan die met gehaakte zweepen naar hen striemt. De bloedzuigers die uit het schuddende gebladert op hen neerregenen boren zoo scherp en diep, dat hun kleeren rood zien van hun eigen bloed. Zij letten er niet op. Zij jagen. Violen-paars en goud-door-groen fladdert een bosch-haan; een tijgerkat zit te blazen met geel-flonkerende oogen; huilend van angst springt een troep apen door de takken van een boomgroep, waarlangs de zwarte panter sluipt. En zoo dikwijls als de jager, onbewegelijk een wijle en wel verborgen mikt, valt, gebroken en bloedig, met scherpen schreeuw een dier.In het manshooge wildernis-gras, dat de hellingen bleekgrauw maakt, daar heeft de tijger zijn leger. Als een slang door de hooge[122]halmen sluipend, valt hij bliksemend in de hertekudde die de jonge spruitsels afweidt, op den wilde-zwijnen-troep aan het wroeten naar de zoete wortels. Zat en log van zoet zwaar bloed ligt hij te slapen in het bamboeboschje dat steil boven de grauwe graszee opsteekt. In de takken komen pauwen zitten, zijn volgelingen, die leven van zijn afval; als een donkere regenboog groen-blauw en gouden glanst hun afhangende staart tusschen de wolken van het drijvende bamboe-groen. Hun scherpe kop met het blauwe aren-kroontje er boven schittert als zij hals-rekkend omlaag gluren, of tusschen het geel en zwart van zonnestraal en schaduwstrepen niet ànder geel en zwart begint te bewegen, of het niet rekkend zich opricht, en een bloedroode muil geeuwend[123]opengaat onder het geglim van felle oogen. Flikkerend in de middagzon opgevlogen schreeuwen zij van vreugd.In de alang-alang wildernis hooren het de herten, en vluchten met veerende sprongen, hooren het de zwarte wilde zwijnen en galoppeeren, dat de grond onder hun hamers van hoeven trilt.Op de magere bergrijst-velden hooren het de mannen, en werpen houweel en kapmes weg in den ren naar de dorpspoort, smal in de omheining van spits bekapte stammen.In de gevlochten hutten van het gehucht hooren het de vrouwen en ijlen naar buiten om hun kind.Aan den woudzoom hoort de jager het. De jager verheugt zich.Terwijl de kameraad de vreesachtige mannen aanvoert in wijden half-kring den alang-alang[124]in, om met geschreeuw uit volle borst en luid gegalm uit bekkens en holle houtblokken den tijger op te jagen naar den zoom van het woud, staat hij te wachten, tegen een boom zich bergend, ruggelings naar het beest. Achter zich hoort hij een schurende schuifeling al nader en nader komen. Hij staat roerloos, strak gespannen van zijn hoofd dat luistert en denkt, tot zijn vinger die aan den trekker is. Takken breken onder een zachten zwaren tred, een vergiftige ademstank van bloed en rotting gaat langs hem heen, hij ziet de loom-schokkende geel-en-zwarte schonken. Op de plek die hij gekozen heeft, dertig pas ver, slaat zijn kogel den tijger in den nek. Als het vreeselijke beest, brullend, opspringt, als het zich omwendt, en die vlammende kop komt op[125]hem toe, treft hij in het leven.De kameraad bukt zich over den open bloedenden muil om de snorharen uit te trekken die hij onder zijn hoofddoek bergt, voor talisman. De mannen uit het gehucht komen toeloopen; zij weten dat de jager hun zijn buit laat om het loon dat toegezegd is aan wie een tijger doodt. Met hun achten dragen zij het ontzaggelijke lichaam aan een bamboestam, die knersend doorbuigt. Het wit van buik en keel, zoo fijn gegroeid voor de schaduw en de koele groen en bruine opschijningen van den boschgrond, hangt naar boven gekeerd in het felle zonlicht; de kop bengelt, geknakt, dat de neus en de goudig-glazen oogen, het groote voorhoofd, bonken tegen de steenen en wortelknobbels. De jager wendt de oogen af.Als de kameraden het woud[126]door, langs het ravijn, de hellingen over, een spoor volgen, en zij geven het niet op, zij achterhalen het hert en den gevaarlijken, door de kudde uitgestooten wilden stier op zijn eenzame gangen, dan zijn zij wegen en uren vergeten. Wanneer de hitte van den middag al begint te minderen, en al verder van hen af loopen tusschen struiken en steenklompen, en plotseling hoog tegen stammen op, als een paar ijle zwarte beestjes de twee schaduwen van hun hoofden, dan staan zij ergens in het onbekende, waar geen menschen zijn. De kameraad begint te speuren. Aan den stam van een aren-palm, gekerfd met een ladder van diepe keepen, aan een zwart-geschroeid stuk hout op den grond of een haast onmerkbare rook-lucht op den wind, weet hij het pad te vinden naar de hut van den zwervenden[127]palmsuiker-zoeker, naar de kolenbranders aan den zoom van het woud. Maar de jager schuwt als een gevangenis alle huis, zelfs een dat van vezels en bladeren is gevlochten als een vogelnest, en waar de wind doorhenen speelt en het licht van den hemel. Hij verlangt de wijdte om zich heen van de grenzenlooze wereld, vrijuit vloeiend en stijgend, alle verten in, alle hoogten in, zóó, als zij is om alle wezens, behalve om den mensch alleen. Op een luchte hoogte ontsteekt hij het wachtvuur: het vlammenschijnsel zal de dunne dansende muur wezen rondom zijn weerloozen slaap in den nacht.De kameraad koestert zich aan het vuur, hij droogt zijn druipende kleeren en zijn kille huid, hij zoekt splinters en dorens die diep ingeboord zitten in zijn voeten en[128]rukt de zwarte dik gezwollen bloedzuigers af, terwijl hij den roosterenden bout in het oog houdt waar het sap van afdruppelt met gesis. Na den maaltijd is hij dronken van verzadiging, welbehagen, slaap. En als de jager ziet hoe hij geen wil meer heeft over zijn oogen en zijn hoofd, het niet kan beletten dat zij omvallen en blijven hangen als bloemen voor het verwelken, zegt hij met een glimlach dat de kameraad moet gaan slapen, hij zelf zal waken dat het vuur niet uitgaat, hun bescherming in den nacht.Nu is hij alleen; hij wil graag zoo wezen. En om hem is de nacht als een zwarte zee, golvend op den wind, wemelend van verborgen leven, als de zee.Hij zit stil. Boven zijn hoofd zijn de hooge sterren, een wolk die langzaam trekt, het hangende[129]gebladerte, daar de vlammenschijn in speelt. Nergens grenzen, nergens nauwheden. Hij voelt de groote bewegingen die altijd door gaan, nergens te stuiten, nooit. In de kilte van den zwarten grond, in de sterrestraling, in den wind die waait door de bruisende boomen en weer stil ligt, in de lichte geruchten her en der, in zijn eigen ademhalen voelt hij den nimmer eindigenden gang van het leven, den nimmer eindigenden gang van geboorte en van dood. Als golven, als de groote golven van de zee, die altijd weer komen en altijd weer gaan, die op elkander zich werpen en elkander neerslaan en verzwelgen, dat de eene zwelt en geweldig wordt van het ingulpen der overweldigde, maar zij zelve stort van haar overwinnende hoogte ter neder en wordt een holte en is vervloeid:[130]zoo altijd door komen en altijd door gaan de ongetelde levens, de snelle sterke verzwelgende levens, die toornig zich werpen op elkander, elk grooter op elk geringer, en van de vele zwakkeren wordt het eene sterkere allersterkst, tot van zijn hoogste hoogte het neerstort en niets meer is, de vlammende oogen, de klauw die neersloeg en vasthield, de verscheurende muil die zooveel leven openrukte en uitdronk, niets meer. Niets meer. Alles weer. Een volgend leven rijst waar een vorig viel. Er is geen minder van eenig verdwijnen, ooit, er is geen meer van eenig verschijnen, ooit. Wat van den beginne geweest is, dat is nu nog. Wat is dat dan als iemand spreekt: „Ik?” Wat dan datgene wat geboorte lijkt? en wat, in waarheid, ligt onder dien schijn van sterven?[131]De vlammen worden klein, gedachteloos werpt de jager er rijs op en dorre bladeren. Om een tak, half levend nog, groen, sputteren in damp en rook de vlammen. De kameraad beweegt en mompelt in zijn slaap.Wat was dat geluid, vlak bij? en nu die kreet? De jager steekt het hoofd op, scherp luisterend. In den donker ziet zijne gedachte. Hij weet hoe de slang in bochten opgeloopen is tegen den boom en den kleinen aap heeft gepakt in een kronkeling die hem de ribben brak, hij volgt den loewak die met druipenden muil het woudduiven-nest vol jonkjes uitkomt, en kan wel raden waar de panther het hert besprong. Hij werpt nog meer hout op ’t vuur, en trekt dieper den lichtkring in wat nog overbleef van den buit, een koppel[132]bronsgroen gevlerkte wilde eenden misschien, die hij schoot zooals zij opfladderden uit het rivierriet—zwart tegen de roode avondlucht, of een langbeenigen reiger die wijdwieks dreef boven zijn wittige spiegelbeeld in het moeras. Hij luistert, zijn neusvleugels staan gespannen, zijn mond is even open in den grauwen baard. Is daar nog meer leven, nog meer felle dood? En hij houdt den adem in om te beter te hooren, plotseling, naar, verre weg, het hooge, schorre geloei van den neushoorn.In een steil dal tusschen de bergen die hoog opstaan boven de zee—de rivieren die daar afstorten hangen in watervallen, verstuivend wit, boven het opvliegende wit van de branding—, in het steile dal tusschen de rotsen waaroverheen hij zijn weg[133]heeft uitgehold, den steen wegslijpend met zijn sleependen buik, daar staat het geweldige stier-beest, zwarter dan de zwarte nacht rondom, een gebalde duisternis. Onwrikbaar staat hij en zwaar, een heuvel van kracht. Hij brult van toorn, van driftige begeerte om tegen een anderen even geweldige, tegen een anderen zwarten daverenden heuvel van hitte en kracht aan te schokken. Hij stampt dat het dal er van dreunt. Hij snuift de lucht op waar hij zijn vijand in ruikt; het wit van den verschrikkelijken hoorn schemert door den nacht als hij zijn gebukten kop met een ruk omhoog werpt.De jager ziet het als met oogen, hij balt de vuisten van spijt dat hij door den blinden nacht niet heen kan. En de kameraad, die wakker geworden is, richt zich op—wonderlijk[134]vertrokken staat zijn gezicht met de uitspringende jukbeenderen en de wijkende kin in den vlammenschijn—en verhaalt hoe Inlanders den neushoorn dooden, buiten alle gevaar om, dat al te zeker en te verschrikkelijk dreigt van dit sterkste en moedigste aller beesten in het bosch: in den hol-geslepen weg over de rotsen steken zij immers een puntig mes, het heft in den grond gegraven, het lemmet naar boven, dat de sleepende hangbuik zich open vlijmt daartegen.Maar de jager antwoordt niet eens. Misschien heeft hij ook niet gehoord wat daar gezegd werd van veiligheid en gemakkelijken buit, hij die van het diepe van het hart tot aan den uitersten rand der zinnen vol is van die ééne drift naar leven en naar dood, die elken sterke op elken anderen sterke aanhitst.[135]Zoo lang is die drift in hem, den eenzaam levende die oud begint te worden, al geweest, dat hij niet anders meer weet of zij was er altijd. Zoo groot en sterk is zij geworden in de vele jachtjaren, zoo zeer de allergrootste, allersterkste dat hij niet beter weet of zij is de eenige in hem. Daarom was de verwarring zoo groot, toen, plotseling, in een uur, dat toch niet anders was dan alle andere uren, terwijl hij op den loer zat in het bosch naar eenig dier om te dooden, en om het even was het hem wat daar kwam, toen in dat oogenblik een gevoel in hem oprees waarvoor dat groote, sterke wegdook, en henensloop. En nog begrijpt hij niet goed wat in dat oogenblik hem is gebeurd.Hij zat aan den rand van een klare weide, midden in het woud, wel verborgen met zijn spiedende[136]oogen, en wel verborgen zat niet ver van hem zijn kameraad. Zij hielden den dood van vele dieren in hun handen; welgemoed wachtten zij om hem los te laten, op eenig sterk wild leven. De weide lag lichtgroen onder vroegsten zonneschijn, de roode bloemen van het vele kruidje-roer-mij-niet stonden te gloren boven de nog dichte van dauw witte bladerkransen.Plotseling kraakte heftig het kreupelhout. Bijna tegelijk sprongen twee dieren, een bruinig, een zwartgestreept geel, uit het dichte groen de opene en zonlichte weide in.Een seconde lang stonden zij stil, schrikkend tegen den schellen dag. Maar toen, los, zooals de wind uitloopt door het gebladerte, ijlde het eene weg, ijlde het andere na, begonnen zij dwars[137]door de bloeiende weide en rondom in snelle kringen een spelletje van dartel jagen en vluchten. Die spelend joeg was een jong reetje, die spelend vluchtte een klein tijgerjong.Het reekalfje liep op hooge houterige beenen, het hield zijn fijn-neusden kop nukkig op zij, en als het deed of het naar zijn speelnoot stooten wilde met dat ronde, zacht-kroezige voorhoofd, maakte het opeens, dwarsweg, alle vier de hoefjes tegelijk van den grond, een sprong, waar het zelf niet op verdacht geweest was, en stond als verbijsterd.Het tijgertje had een dikken, zachten kop, dikke, zachte pooten, een buikje dat heelenal rond en volgezogen stond. Het wit langs zijn kleinen muil leek wel afgelekte melk. En het liep wat het loopen kon, het trok zijn ooren[138]plat naar achteren, met een vaart schoot het door het gras, dook in elkaar, gluurde naar zijn makker, en wierp zich plat op zijn flank om hem af te wachten. Daar lag het, als zoo een plekje zonneschijn, en zijn zwarte strepen leken wel de schaduwen van grashalmen en kruidje-roer-me-niet stengels.Het reetje kwam voorzichtig, stijfbeens, aanstappen, den kop scheef. Het stond stil, en zag er uit als een bruine kluit boschgrond, waar blank zonnevlekken op willen door het roerloos hangende loof. Plat tegen den grond kwam de kleine tijger op hem toe-gekropen, zijn schouderbladen staken smal en hoekig uit op zijn rug, zijn korte, stompe staart beefde. Het kromp ineen of het springen wou; maar juist toen sprong het ree en in zijn vaart[139]over het tijgertje heen, en een heel eind de wei in voor het zich in kon houden. De kleine tijger was al weg eer de ander tot staan kwam. Hij rende. En het ree hem achterna, door het gras en de bloemen, dat de dauw sprenkelde. Als de wind in golvige halmen liep het tijgertje, als de wind door struiken en knikkend varenkruid sprong het jonge ree, als zonnestralen glansde de geel-gestreepte speelnoot, als zonnevlekken de gespikkeld-bruine.En ineens, zoo plots als wind en zonneglanzen weg kunnen zijn, waren zij, beide tegelijk, weg uit de wei.Eerst toen de kameraad mompelde, dat zij nu wel niet meer terug zouden komen, begreep de jager dat hij een poos lang had gewacht. Had hij daar zoo stil gezeten in het groen, zijn geweer[140]vergeten, glimlachend? En hij zag dat ook de kameraad glimlachend keek.Hij ging langzaam naar huis, zonder te spreken.Dien avond, toen de Inlanders kwamen met jagertijding, gaf hij hun het zilverstukje wel van altijd, maar hij deed geen vragen, en hij riep ook naar den kameraad niet.Met zich zelven zat hij als met een vreemde lang nog in den donker, terwijl in het gebladerte de krekels begonnen te tjilpen en de sterren aangingen aan den hemel; zoo louter; zoo stil.Er was een klank dien hij nooit vernomen had nog in het krekelgetjilp, fijn vroolijk, zoo heel zacht.Kwam het van het sterrelicht? hij moest al maar denken aan de oogen van zijn jonge moeder, gestorven toen hij nog een kind was.[141]

De jager en zijn bediende, de blanke heer en de bruine knecht, die op de jacht kameraden zijn geworden, wachten op wild, aan den zoom van de kleine weide midden in het woud. Het is hun om het even wat er komt, altijd immers zal het een sterk dier zijn of een vlug, een dat kracht heeft om aan te vallen of een dat kracht heeft om te ontkomen, altijd iets om te dooden.

Zooals zij nu wachten aan den zoom van de woudweide, zoo wachten zij altijd, op alle plekken waar zij zijn. Aan den woudrand waar de harde, onwrikbare boomenlijven zoo dicht niet meer op elkander gedrongen staan met struiken en doornig slingergewas ertusschen, of zachte haastige[112]dierenlijven kunnen er doorheenglippen; en aan het bergmeer, ’s nachts, als veel dorstigen bukkend komen slurpen en, gelaafd, blijven staan, roerloos een wijle tegen de lucht, terwijl droppels als vloeibare maanlichtvonkenaflekkenvan de neusgaten, waar de adem als een zilverig nevelwolkje om heen drijft; en in het manshooge wildernis-gras, alang-alang en glagah, het gevaarlijke, dat vervolger en vervolgden voor elkander verbergt, zoodat de een van den ander niet weet, en van zich zelven niet, of hij vervolger of vervolgde is; en ook op hun eigen erf wachten zij, in hun eigen glad blank huis.

Als andere menschen woont de jager in een huis en doet de dingen die binnen huismuren onder een huisdak worden gedaan, gemakkelijke dingen, zonder hartstocht,[113]waarbij het lichaam traagweg gedijt, en zonder hartstocht ook moeilijke dingen, die dienen voor zulk gedijen in de toekomst. Hij eet velerlei spijs die een ander voor hem bereid heeft en gereed gezet op een met linnen bedekte tafel, hij doet dunne koele kleeren aan, heeft een gladden vloer onder de voeten, zit op een gemakkelijken stoel en gaat slapen op een effen gespreid bed; het kan hem eender zijn of het stortregent en stormt, of dat de barre zon brandt; het is droog onder zijn dak, koel tusschen zijn muren. En hij leest, denkt na en schrijft, om zekerheid in de toekomst van altijd datzelfde wel-beschutte wel-gevoede leven; geen ander doel noch wensch heeft hij daarmee. Maar terwijl hij in zijn gladde blanke huis zit, al die dingen zonder hartstocht doende, uit gewoonte en uit noodzaak,[114]wacht ongedurig en fel het groote verlangen naar zijn waarachtig leven. Hij denkt aan het land vol dieren daar buiten, buiten de muren, boven het dak, rond en rond-alom, het gras, het water, het bosch, de bergen, de lucht vol dieren. Dan begint hij te sidderen van begeerte en ongeduld. Terwijl zijn oogen lezen, zijn vingers schrijven, terwijl zijn mond eet, terwijl zijn lichaam uitgestrekt ligt, zit zijn binnenste gedachte op den loer, spiedend naar dieren om te dooden. Omdat zijn eigen oogen blind en zijn eigen ooren doof gemaakt worden, zoo dikwijls en zoo lang achtereen in het besluitende huis, heeft hij oogen en ooren in andere menschen die overal rondspeuren te allen tijd. Des avonds verneemt hij hun vonden.

Als het klare lichtgroen, dat na[115]zonsondergang effen meren breidt rondom gouden en purperen wolken-eilandjes, in het Westen ebbend vertroebelt en verdoft, als de boomen op het erf ontzaggelijk gaan groeien, de breedte in, de hoogte in, van uitwademende duisternis, en voor de binnenspoelende vloeden van den nacht de gladde, blanke dingen in het huis verzinken en vergaan, zit hij achter de hooge pilaren der voorgalerij als achter hooge, gladde stammen aan den boschrand te wachten. Als een lok-lichtje glimt zijn sigaar naar het duistere van den landweg. De Inlanders zien het van verre, zij komen af op dat roode lichtje, waarachter zij zilvergeld weten te liggen. Uit het donker mompelen stemmen:

„Ik vraag verlof!”

Weltevreden antwoordt de jager:[116]

„Kom tot mij!”

Op de onderste trede van den opgang hurken onduidelijke gestalten; stemmen verhalen.

„Groote Heer! elken nacht komen herten drinken uit de beek die langs het bamboeboschje stroomt.”

„Een kudde wilde zwijnen is door alle omheiningen heengebroken tot in mijn ketellah-aanplant! Ach, alles hebben zij omgewroet en afgevreten!”

„Rondom de bergdessa, Groote Heer, sluipt een tijger. Wij hebben zijn spoor gevonden dicht bij de buffelkraal.”

Het hart van den jager begint te bonzen. Hij vraagt naar het uur en de plek, naar de gewende gangen van het dier. Vroolijk bevoelt de Inlander het stukje zilvergeld in zijn palm. Vroolijk roept de jager zijn kameraad.[117]

„Djongolan! Djongolan!”

Djongolan staat al achter hem. Hij heeft in de donkerte naast het huis gezeten, óok wachtend, óok op de jacht al, en zijn fijnere ooren hebben de naakte voetstappen gehoord al van den landweg af.

„Djongolan! zorg voor de geweren! zorg voor rijst in een gevlochten zakje van versche pisangbladreepen, voor water in een bamboe-koker! Wij gaan jagen morgen voor het aanlichten van den dag.”

Nu mag de lamp wel aangestoken boven de schrijftafel. Het is niets, al liggen daar nog zoovele, nog zoo hooge stapels papieren. Fluitend zet de jager zich in zijn stoel. En door den eentonigen arbeid heen hoort hij de muziek van het lichte klikken der geweren in de handen van Djongolan, de muziek van zijn hanteeringen en[118]zijn stem bij de voorraadskamer en de keuken. Als hij zich uitstrekt over het gladde laken van zijn bed denkt hij:

„Morgennacht lig ik op de droge bladers, en ik zie den schijn van het wachtvuur heen en weer spelen in de boomen boven mijn hoofd!”

De kameraden zijn al halverwege het woud als de morgenster nog boordevol licht hangt aan den duisteren hemel.

Zwijgend en zeker gaan zij door de zwoele donkerte van het woud, nacht om hun voeten, nacht tegen hun aangezicht en dauw-kille volte van bladeren. Het ruikt naar leven. Waar de reuk dof is en stil ligt, als een donkere, platte poel, daar is het roerlooze leven van aarde en gesteente. Zooals in een donkeren platten poel, heimelijk, uit zwarten modderbodem op,[119]bij kleinste bollinkjes wel levend water opgeklommen komt, zooals wel ergens tusschen het oeverdras een smalste uitloop wegsiepelt, zoo drijft, uit den doffen en stillen reuk van aard en steenen, even bespeurbaar maar, de reuk van beginnend leven in mos en paddenstoelen omhoog, zoo vloeit er de reuk van heengaand leven uit rottende bladeren en molmend hout van weg. Waar reuken scherp zijn en vluchtig, als lichtstralen, daar zijn de snelle levens geweest van dieren. Was het een vogel, warm uit het nachtelijke nest? Een roodoogde eekhoorn met een zwiependen sprong het dichtste ingevlogen van de takken? Misschien is wel een wilde koe voorbij gekomen met haar kalf, dat onder ’t voortgaan zijn neus in den vollen uier drukte. Misschien is die scherpe reuk opgewademd uit den[120]donker-natten rug van een hert, het meer overgezwommen naar de hinde die liep te weiden in het oevergras aan gene zij. De twee mannen ademen en ruiken. Zij snuiven al dat vele leven op. Hun eigen wordt er sterker van en wilder. Hun oogen staan fel. Sluipend zetten zij hun voeten neer. Zij waarschuwen elkander sprakeloos, met de oogen en met de handen.

Om hen heen, over hen heen is het woud als een bladeren-gebergte, en zij bewegen langs de haast onzichtbare voetpaden van kolenbranders en zoekers naar palmsuiker als langs mollen-gangetjes in het gedegen groen gewroet. Dikwijls moeten zij ook zelf hun eigen wegen maken; met hun korte breede messen kappen zij in struiken en jong geboomte en door de warnis heen van[121]doornigen rottan die met gehaakte zweepen naar hen striemt. De bloedzuigers die uit het schuddende gebladert op hen neerregenen boren zoo scherp en diep, dat hun kleeren rood zien van hun eigen bloed. Zij letten er niet op. Zij jagen. Violen-paars en goud-door-groen fladdert een bosch-haan; een tijgerkat zit te blazen met geel-flonkerende oogen; huilend van angst springt een troep apen door de takken van een boomgroep, waarlangs de zwarte panter sluipt. En zoo dikwijls als de jager, onbewegelijk een wijle en wel verborgen mikt, valt, gebroken en bloedig, met scherpen schreeuw een dier.

In het manshooge wildernis-gras, dat de hellingen bleekgrauw maakt, daar heeft de tijger zijn leger. Als een slang door de hooge[122]halmen sluipend, valt hij bliksemend in de hertekudde die de jonge spruitsels afweidt, op den wilde-zwijnen-troep aan het wroeten naar de zoete wortels. Zat en log van zoet zwaar bloed ligt hij te slapen in het bamboeboschje dat steil boven de grauwe graszee opsteekt. In de takken komen pauwen zitten, zijn volgelingen, die leven van zijn afval; als een donkere regenboog groen-blauw en gouden glanst hun afhangende staart tusschen de wolken van het drijvende bamboe-groen. Hun scherpe kop met het blauwe aren-kroontje er boven schittert als zij hals-rekkend omlaag gluren, of tusschen het geel en zwart van zonnestraal en schaduwstrepen niet ànder geel en zwart begint te bewegen, of het niet rekkend zich opricht, en een bloedroode muil geeuwend[123]opengaat onder het geglim van felle oogen. Flikkerend in de middagzon opgevlogen schreeuwen zij van vreugd.

In de alang-alang wildernis hooren het de herten, en vluchten met veerende sprongen, hooren het de zwarte wilde zwijnen en galoppeeren, dat de grond onder hun hamers van hoeven trilt.

Op de magere bergrijst-velden hooren het de mannen, en werpen houweel en kapmes weg in den ren naar de dorpspoort, smal in de omheining van spits bekapte stammen.

In de gevlochten hutten van het gehucht hooren het de vrouwen en ijlen naar buiten om hun kind.

Aan den woudzoom hoort de jager het. De jager verheugt zich.

Terwijl de kameraad de vreesachtige mannen aanvoert in wijden half-kring den alang-alang[124]in, om met geschreeuw uit volle borst en luid gegalm uit bekkens en holle houtblokken den tijger op te jagen naar den zoom van het woud, staat hij te wachten, tegen een boom zich bergend, ruggelings naar het beest. Achter zich hoort hij een schurende schuifeling al nader en nader komen. Hij staat roerloos, strak gespannen van zijn hoofd dat luistert en denkt, tot zijn vinger die aan den trekker is. Takken breken onder een zachten zwaren tred, een vergiftige ademstank van bloed en rotting gaat langs hem heen, hij ziet de loom-schokkende geel-en-zwarte schonken. Op de plek die hij gekozen heeft, dertig pas ver, slaat zijn kogel den tijger in den nek. Als het vreeselijke beest, brullend, opspringt, als het zich omwendt, en die vlammende kop komt op[125]hem toe, treft hij in het leven.

De kameraad bukt zich over den open bloedenden muil om de snorharen uit te trekken die hij onder zijn hoofddoek bergt, voor talisman. De mannen uit het gehucht komen toeloopen; zij weten dat de jager hun zijn buit laat om het loon dat toegezegd is aan wie een tijger doodt. Met hun achten dragen zij het ontzaggelijke lichaam aan een bamboestam, die knersend doorbuigt. Het wit van buik en keel, zoo fijn gegroeid voor de schaduw en de koele groen en bruine opschijningen van den boschgrond, hangt naar boven gekeerd in het felle zonlicht; de kop bengelt, geknakt, dat de neus en de goudig-glazen oogen, het groote voorhoofd, bonken tegen de steenen en wortelknobbels. De jager wendt de oogen af.

Als de kameraden het woud[126]door, langs het ravijn, de hellingen over, een spoor volgen, en zij geven het niet op, zij achterhalen het hert en den gevaarlijken, door de kudde uitgestooten wilden stier op zijn eenzame gangen, dan zijn zij wegen en uren vergeten. Wanneer de hitte van den middag al begint te minderen, en al verder van hen af loopen tusschen struiken en steenklompen, en plotseling hoog tegen stammen op, als een paar ijle zwarte beestjes de twee schaduwen van hun hoofden, dan staan zij ergens in het onbekende, waar geen menschen zijn. De kameraad begint te speuren. Aan den stam van een aren-palm, gekerfd met een ladder van diepe keepen, aan een zwart-geschroeid stuk hout op den grond of een haast onmerkbare rook-lucht op den wind, weet hij het pad te vinden naar de hut van den zwervenden[127]palmsuiker-zoeker, naar de kolenbranders aan den zoom van het woud. Maar de jager schuwt als een gevangenis alle huis, zelfs een dat van vezels en bladeren is gevlochten als een vogelnest, en waar de wind doorhenen speelt en het licht van den hemel. Hij verlangt de wijdte om zich heen van de grenzenlooze wereld, vrijuit vloeiend en stijgend, alle verten in, alle hoogten in, zóó, als zij is om alle wezens, behalve om den mensch alleen. Op een luchte hoogte ontsteekt hij het wachtvuur: het vlammenschijnsel zal de dunne dansende muur wezen rondom zijn weerloozen slaap in den nacht.

De kameraad koestert zich aan het vuur, hij droogt zijn druipende kleeren en zijn kille huid, hij zoekt splinters en dorens die diep ingeboord zitten in zijn voeten en[128]rukt de zwarte dik gezwollen bloedzuigers af, terwijl hij den roosterenden bout in het oog houdt waar het sap van afdruppelt met gesis. Na den maaltijd is hij dronken van verzadiging, welbehagen, slaap. En als de jager ziet hoe hij geen wil meer heeft over zijn oogen en zijn hoofd, het niet kan beletten dat zij omvallen en blijven hangen als bloemen voor het verwelken, zegt hij met een glimlach dat de kameraad moet gaan slapen, hij zelf zal waken dat het vuur niet uitgaat, hun bescherming in den nacht.

Nu is hij alleen; hij wil graag zoo wezen. En om hem is de nacht als een zwarte zee, golvend op den wind, wemelend van verborgen leven, als de zee.

Hij zit stil. Boven zijn hoofd zijn de hooge sterren, een wolk die langzaam trekt, het hangende[129]gebladerte, daar de vlammenschijn in speelt. Nergens grenzen, nergens nauwheden. Hij voelt de groote bewegingen die altijd door gaan, nergens te stuiten, nooit. In de kilte van den zwarten grond, in de sterrestraling, in den wind die waait door de bruisende boomen en weer stil ligt, in de lichte geruchten her en der, in zijn eigen ademhalen voelt hij den nimmer eindigenden gang van het leven, den nimmer eindigenden gang van geboorte en van dood. Als golven, als de groote golven van de zee, die altijd weer komen en altijd weer gaan, die op elkander zich werpen en elkander neerslaan en verzwelgen, dat de eene zwelt en geweldig wordt van het ingulpen der overweldigde, maar zij zelve stort van haar overwinnende hoogte ter neder en wordt een holte en is vervloeid:[130]zoo altijd door komen en altijd door gaan de ongetelde levens, de snelle sterke verzwelgende levens, die toornig zich werpen op elkander, elk grooter op elk geringer, en van de vele zwakkeren wordt het eene sterkere allersterkst, tot van zijn hoogste hoogte het neerstort en niets meer is, de vlammende oogen, de klauw die neersloeg en vasthield, de verscheurende muil die zooveel leven openrukte en uitdronk, niets meer. Niets meer. Alles weer. Een volgend leven rijst waar een vorig viel. Er is geen minder van eenig verdwijnen, ooit, er is geen meer van eenig verschijnen, ooit. Wat van den beginne geweest is, dat is nu nog. Wat is dat dan als iemand spreekt: „Ik?” Wat dan datgene wat geboorte lijkt? en wat, in waarheid, ligt onder dien schijn van sterven?[131]

De vlammen worden klein, gedachteloos werpt de jager er rijs op en dorre bladeren. Om een tak, half levend nog, groen, sputteren in damp en rook de vlammen. De kameraad beweegt en mompelt in zijn slaap.

Wat was dat geluid, vlak bij? en nu die kreet? De jager steekt het hoofd op, scherp luisterend. In den donker ziet zijne gedachte. Hij weet hoe de slang in bochten opgeloopen is tegen den boom en den kleinen aap heeft gepakt in een kronkeling die hem de ribben brak, hij volgt den loewak die met druipenden muil het woudduiven-nest vol jonkjes uitkomt, en kan wel raden waar de panther het hert besprong. Hij werpt nog meer hout op ’t vuur, en trekt dieper den lichtkring in wat nog overbleef van den buit, een koppel[132]bronsgroen gevlerkte wilde eenden misschien, die hij schoot zooals zij opfladderden uit het rivierriet—zwart tegen de roode avondlucht, of een langbeenigen reiger die wijdwieks dreef boven zijn wittige spiegelbeeld in het moeras. Hij luistert, zijn neusvleugels staan gespannen, zijn mond is even open in den grauwen baard. Is daar nog meer leven, nog meer felle dood? En hij houdt den adem in om te beter te hooren, plotseling, naar, verre weg, het hooge, schorre geloei van den neushoorn.

In een steil dal tusschen de bergen die hoog opstaan boven de zee—de rivieren die daar afstorten hangen in watervallen, verstuivend wit, boven het opvliegende wit van de branding—, in het steile dal tusschen de rotsen waaroverheen hij zijn weg[133]heeft uitgehold, den steen wegslijpend met zijn sleependen buik, daar staat het geweldige stier-beest, zwarter dan de zwarte nacht rondom, een gebalde duisternis. Onwrikbaar staat hij en zwaar, een heuvel van kracht. Hij brult van toorn, van driftige begeerte om tegen een anderen even geweldige, tegen een anderen zwarten daverenden heuvel van hitte en kracht aan te schokken. Hij stampt dat het dal er van dreunt. Hij snuift de lucht op waar hij zijn vijand in ruikt; het wit van den verschrikkelijken hoorn schemert door den nacht als hij zijn gebukten kop met een ruk omhoog werpt.

De jager ziet het als met oogen, hij balt de vuisten van spijt dat hij door den blinden nacht niet heen kan. En de kameraad, die wakker geworden is, richt zich op—wonderlijk[134]vertrokken staat zijn gezicht met de uitspringende jukbeenderen en de wijkende kin in den vlammenschijn—en verhaalt hoe Inlanders den neushoorn dooden, buiten alle gevaar om, dat al te zeker en te verschrikkelijk dreigt van dit sterkste en moedigste aller beesten in het bosch: in den hol-geslepen weg over de rotsen steken zij immers een puntig mes, het heft in den grond gegraven, het lemmet naar boven, dat de sleepende hangbuik zich open vlijmt daartegen.

Maar de jager antwoordt niet eens. Misschien heeft hij ook niet gehoord wat daar gezegd werd van veiligheid en gemakkelijken buit, hij die van het diepe van het hart tot aan den uitersten rand der zinnen vol is van die ééne drift naar leven en naar dood, die elken sterke op elken anderen sterke aanhitst.[135]

Zoo lang is die drift in hem, den eenzaam levende die oud begint te worden, al geweest, dat hij niet anders meer weet of zij was er altijd. Zoo groot en sterk is zij geworden in de vele jachtjaren, zoo zeer de allergrootste, allersterkste dat hij niet beter weet of zij is de eenige in hem. Daarom was de verwarring zoo groot, toen, plotseling, in een uur, dat toch niet anders was dan alle andere uren, terwijl hij op den loer zat in het bosch naar eenig dier om te dooden, en om het even was het hem wat daar kwam, toen in dat oogenblik een gevoel in hem oprees waarvoor dat groote, sterke wegdook, en henensloop. En nog begrijpt hij niet goed wat in dat oogenblik hem is gebeurd.

Hij zat aan den rand van een klare weide, midden in het woud, wel verborgen met zijn spiedende[136]oogen, en wel verborgen zat niet ver van hem zijn kameraad. Zij hielden den dood van vele dieren in hun handen; welgemoed wachtten zij om hem los te laten, op eenig sterk wild leven. De weide lag lichtgroen onder vroegsten zonneschijn, de roode bloemen van het vele kruidje-roer-mij-niet stonden te gloren boven de nog dichte van dauw witte bladerkransen.

Plotseling kraakte heftig het kreupelhout. Bijna tegelijk sprongen twee dieren, een bruinig, een zwartgestreept geel, uit het dichte groen de opene en zonlichte weide in.

Een seconde lang stonden zij stil, schrikkend tegen den schellen dag. Maar toen, los, zooals de wind uitloopt door het gebladerte, ijlde het eene weg, ijlde het andere na, begonnen zij dwars[137]door de bloeiende weide en rondom in snelle kringen een spelletje van dartel jagen en vluchten. Die spelend joeg was een jong reetje, die spelend vluchtte een klein tijgerjong.

Het reekalfje liep op hooge houterige beenen, het hield zijn fijn-neusden kop nukkig op zij, en als het deed of het naar zijn speelnoot stooten wilde met dat ronde, zacht-kroezige voorhoofd, maakte het opeens, dwarsweg, alle vier de hoefjes tegelijk van den grond, een sprong, waar het zelf niet op verdacht geweest was, en stond als verbijsterd.

Het tijgertje had een dikken, zachten kop, dikke, zachte pooten, een buikje dat heelenal rond en volgezogen stond. Het wit langs zijn kleinen muil leek wel afgelekte melk. En het liep wat het loopen kon, het trok zijn ooren[138]plat naar achteren, met een vaart schoot het door het gras, dook in elkaar, gluurde naar zijn makker, en wierp zich plat op zijn flank om hem af te wachten. Daar lag het, als zoo een plekje zonneschijn, en zijn zwarte strepen leken wel de schaduwen van grashalmen en kruidje-roer-me-niet stengels.

Het reetje kwam voorzichtig, stijfbeens, aanstappen, den kop scheef. Het stond stil, en zag er uit als een bruine kluit boschgrond, waar blank zonnevlekken op willen door het roerloos hangende loof. Plat tegen den grond kwam de kleine tijger op hem toe-gekropen, zijn schouderbladen staken smal en hoekig uit op zijn rug, zijn korte, stompe staart beefde. Het kromp ineen of het springen wou; maar juist toen sprong het ree en in zijn vaart[139]over het tijgertje heen, en een heel eind de wei in voor het zich in kon houden. De kleine tijger was al weg eer de ander tot staan kwam. Hij rende. En het ree hem achterna, door het gras en de bloemen, dat de dauw sprenkelde. Als de wind in golvige halmen liep het tijgertje, als de wind door struiken en knikkend varenkruid sprong het jonge ree, als zonnestralen glansde de geel-gestreepte speelnoot, als zonnevlekken de gespikkeld-bruine.

En ineens, zoo plots als wind en zonneglanzen weg kunnen zijn, waren zij, beide tegelijk, weg uit de wei.

Eerst toen de kameraad mompelde, dat zij nu wel niet meer terug zouden komen, begreep de jager dat hij een poos lang had gewacht. Had hij daar zoo stil gezeten in het groen, zijn geweer[140]vergeten, glimlachend? En hij zag dat ook de kameraad glimlachend keek.

Hij ging langzaam naar huis, zonder te spreken.

Dien avond, toen de Inlanders kwamen met jagertijding, gaf hij hun het zilverstukje wel van altijd, maar hij deed geen vragen, en hij riep ook naar den kameraad niet.

Met zich zelven zat hij als met een vreemde lang nog in den donker, terwijl in het gebladerte de krekels begonnen te tjilpen en de sterren aangingen aan den hemel; zoo louter; zoo stil.

Er was een klank dien hij nooit vernomen had nog in het krekelgetjilp, fijn vroolijk, zoo heel zacht.

Kwam het van het sterrelicht? hij moest al maar denken aan de oogen van zijn jonge moeder, gestorven toen hij nog een kind was.[141]

[Inhoud]GEZICHTEN OP ZEE[143][Inhoud]I.IN DE BAAI VAN TERNATE.Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.Nu moest de zee haar beproeven en de wind!Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]Hij haalde de riemen in.Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.De jongen haalde diep adem.Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150][Inhoud]II.OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.Zij schiet er heen.Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!De riem ligt aan haar voeten.Lichtweg draagt haar de golving.[160]Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]

GEZICHTEN OP ZEE[143]

[143]

[Inhoud]I.IN DE BAAI VAN TERNATE.Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.Nu moest de zee haar beproeven en de wind!Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]Hij haalde de riemen in.Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.De jongen haalde diep adem.Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150][Inhoud]II.OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.Zij schiet er heen.Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!De riem ligt aan haar voeten.Lichtweg draagt haar de golving.[160]Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]

[Inhoud]I.IN DE BAAI VAN TERNATE.Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.Nu moest de zee haar beproeven en de wind!Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]Hij haalde de riemen in.Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.De jongen haalde diep adem.Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150]

I.IN DE BAAI VAN TERNATE.

Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.Nu moest de zee haar beproeven en de wind!Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]Hij haalde de riemen in.Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.De jongen haalde diep adem.Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150]

Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee zuivere spitsen van nog dieper azuur.

Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.

Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen gekapt in het strandwoud[144]van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante, veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.

Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader, half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den jongen!” als de moeder, een beschaduwende[145]hand boven de oogen die vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.

Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij zijn schip.

De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend,[146]weer het blauwe in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn schip!

Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:

„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”

Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met[147]touw van de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar houdend.

Nu moest de zee haar beproeven en de wind!

Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee, daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te zamen renden zij den roeier tegemoet.[148]

Hij haalde de riemen in.

Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan. Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij, vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was in zijn schip.

Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over, schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen. Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond[149]op tegen de golf die het haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig scheerde het over het schuim.

De jongen haalde diep adem.

Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.

De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met schoonheid dit allerschoonste.[150]

[Inhoud]II.OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.Zij schiet er heen.Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!De riem ligt aan haar voeten.Lichtweg draagt haar de golving.[160]Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]

II.OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.

Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.Zij schiet er heen.Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!De riem ligt aan haar voeten.Lichtweg draagt haar de golving.[160]Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]

Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.

De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd sits uitpakt.

IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van den wand gegrepen,[151]ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten afglijden in de aangebonden schommelende prauw.

Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor zichzelve wil het kind dit uur.

Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende[152]schuim der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep achterhaalt haar hier!

Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den riem.

De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere[153]schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.

Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht hen[154]uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben, wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord; en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord toen de vrouwen hem vroegen.

De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem brengen, langer[155]nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw, indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere vrouwen.

Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.

Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet meer.

De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden, hoe fier en blij staat[156]hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor[157]zijn de vrouwen op de wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst, en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.

De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene duiven koeren lokkend met hun diepe stem.[158]

Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.

De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.

Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.

Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.

Zij schiet er heen.

Met driftige vreugde grijpt zij[159]den buit. Zij moet hem met beide armen beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.

Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!

Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten in naar de stoomboot.

Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren voor de mannen terug zijn!

De riem ligt aan haar voeten.

Lichtweg draagt haar de golving.[160]

Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de oogen in de verte.

De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van voorhoofd tot enkels.

Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.[161]


Back to IndexNext