XIVDe verandering in opvatting en uitdrukking van ons huiselijk leven, zoo snel en krachtig rondom ons plaats grijpend, sluit vele ver-reikende gevolgen in, die alle bevorderlijk zijn aan den menschelijken vooruitgang. Niet de minste van deze is de verbetering in de samenstelling van het maatschappelijk verkeer.Deze behoefte der beschaving was in vroeger tijd onbekend, toen familie-omgang voldoende was voor allen en toen elke verdere aanraking tusschen individuen oorlog beteekende. Handel en het daaruit voortvloeiend reizen voor zaken, de specialisatie van arbeid en de verspreiding van zijn producten, en alle verdere ontwikkeling, hebben een ruimer en vrijer en herhaaldelijker omgang ten gevolge gehad van de tallooze individuen, wier onderlinge handelingen de maatschappij vormen. Slechts kort geleden en nog maar gedeeltelijk, hebben de vrouwen als individuen aan dit onderling maatschappelijk verkeer deelgenomen, en toch maakt dit de wezenlijke voorwaarde uit voor ware beschaving. Het maatschappelijk verkeer bestaat niet voor ons genoegen, maar als een noodzakelijkheid voor den mensch.Voor vrouwen als individuen is het een steeds grooter wordende eisch om mannen en andere vrouwen als individuen te ontmoeten, zonder juist in familiebetrekking tot hen te staan. Als een sociale behoefte moet er noodzakelijk eenige vorm aan gegeven worden; maar de juiste ontwikkeling er van wordt thans nog sterk belemmerd door de haar aanklevende vormen vanhuiselijke en maatschappelijke gewoonten, die hun ontstaan danken aan de sexueel-economische verhouding. De eisch van een vrijer en ruimer maatschappelijken omgang tusschen de beide seksen berust hoofdzakelijk op een wederzijds gevoelde behoefte; doch in het hedendaagsche leven is dit een veel reiner gevoelde en hooger opgevatte aandoening geworden dan zij aanvankelijk was, toen nog slechts één behoefte en één wijze om daaraan te voldoen bestond. Thans eischt deze behoefte dringend een betere regeling van onze levenswijze.In sociale evolutie, evenals in andere evolutiën, ontgroeien wij slechts langzaam aan den uiterlijken vorm passend voor de vroegere behoeften; en de overgangsperiode, zoolang de nieuwe functiën tastend rondzoeken door de oude organen en die eerst langzamerhand tot een werktuigelijke uiting kunnen dwingen, is steeds onvermijdelijk pijnlijk. Voor zoover onze ontwikkeling thans gevorderd is,—nog steunende op een diep gewortelde overtuiging dat de wereld alleen uit gezinnen is samengesteld en de regeling der zaken noodzakelijk het belang dezer gezinnen moet bevorderen,—hebben wij er nauwgezet naar gestreefd het familie-belang te bevorderen en het familie-leven te veraangenamen en zijn daarbij onbewust of onwillekeurig gedwongen geworden, voor individuen slechts voorbijgaande maatregelen te nemen. Wat niet strekte tot bevordering van het familieleven, maar wel om te gemoet te komen aan de behoeften van individuen, op dat tijdstip in geen familie-verhouding levende, werd steeds in beginsel krachtig bestreden, ofschoon men gedwongen werd in de praktijk er aan toe te geven.Nog heden worden er ernstige en humoristische artikelen geschreven, met het doel te protesteerentegen de toenemend weelderige en gemakkelijke inrichting der gehuurde vertrekken voor ongehuwde mannen, even als men te velde trekt tegen de financieele onafhankelijkheid der vrouwen, op grond dat deze omstandigheden het huwelijk en het familieleven tegengaan. De meeste mannen doorleven tegenwoordig een tijdruimte van misschien tien jaren, dat zij op zich zelf staande menschen zijn; zaken roepen hen uit het ouderlijk huis en veroorloven hun voorloopig niet een nieuw gezin voor zich zelf op te bouwen. Ook vrouwen treden elk jaar meer en meer een gelijke individueele levensperiode in. En er is een zeker vast percentage van individuen, “oneven nummers” en “gebroken stellen”, die in het familieleven overschieten of achtergebleven zijn; en ook dezen moeten leven.Het familiehotel, het pension, de club, de gehuurde kamer en het restaurant zijn tegenwoordig de toevlucht voor deze groote en steeds grooter wordende klasse. Het zijn menschen, die voor zekeren tijd ergens willen wonen, soms voor jaren, doch die niet gehuwd zijn of op andere wijze een gezin bezitten. Omdat huiselijk leven in onzen geest onafscheidelijk verbonden is met huwelijksleven, een woning verondersteld wordt een gezin te bevatten en een gezin een hoofd te hebben, zijn zulke alleenstaande personen niet bij machte eenig huiselijk leven te leiden en worden daarom verplicht het ongerief, de schade, de duurte, de dikwijls onhygienische en somtijds onzedelijke invloeden van onze plaatsvervangende hulpmiddelen te verdragen.Het menschelijk ras eischt thans dat er voorzien wordt in de behoeften van individuen, afgescheiden van hun geslachts-verhouding. Wij dwalen wanneer wij meenen dat alleen gehuwde menschen en hunne onmiddellijke verwanten eenig recht hebben om incomfort en in een gezonde omgeving te leven. Ieder mensch heeft behoefte aan een woning,—ongehuwde, echtgenoot, weduwnaar, meisje, vrouw, weduwe, jong en oud. Zij hebben er behoefte aan van de wieg tot het graf, zonder dat dit iets met hunne geslachts-verbintenissen te maken heeft. Wij moesten de woning en het comfort der menschheid zoodanig inrichten en opbouwen dat het huwelijk er niet door benadeeld wordt, doch dat zij ook niet van het huwelijk afhankelijk waren. Door de werkzaamheden van het huiselijk levenberoepsmatigte doen uitoefenen, met kamers en suites van kamers en huizen voor een of meer personen verkrijgbaar, zouden wij ongehuwd kunnen leven, zonder iets van het aangename van een eigen woning of van de gewone gezelligheid op te offeren; wij zouden onze familie kunnen verliezen, zonder daarom beroofd te worden van de genoegens van het huiselijk leven; wij zouden kunnen huwen in vrijheid en geluk, zonder eenige verandering te brengen in de economische basis van een der betreffende partijen.Gehuwde lieden zullen wel altijd aan een gezamenlijke woning de voorkeur geven en die kunnen zij hebben; maar groepen van vrouwen of groepen van mannen zouden ook een gezamenlijke woning of aangrenzende kamers kunnen hebben, indien zij dat wenschten. Doch zelfs alleenstaande personen zouden een woning voor zich zelf kunnen hebben, zonder dat zij daarom ook de drukte van een huishouding op hun schouders behoeven te laden.Indien men de keukens uit de woningen neemt, houdt men kamers over voor elken regelingsvorm geschikt; men kan die kamers bewonen zonder dat dit beteekent “huishouding” doen. Het persoonlijk karakter en de smaak zouden met zoo’n levenswijze tot bloei kunnenkomen als nooit te voren; de woning van elk individu zou ten slotte de persoonlijkheid van den bewoner uitdrukken, en de vereeniging van twee personen tot een huwelijk zou niet noodzakelijk het dooreen gooien van de geheele uiterlijke inrichting van hun leven ten gevolge hebben,—een zaak waarbij steeds veel van de teederheid en frischheid der liefde verloren gaat. Het gevoel van levenslange vrijheid en van vrede in en duurzaamheid van iemands eigen woning zal er veel toe bijdragen de persoonlijke levensverhoudingen te louteren en te verheffen, maar nog meer de maatschappelijke verhoudingen te versterken en uit te breiden. Het individu zal leeren zich zelf een samenstellend deel van het maatschappelijk gebouw te voelen, in nauw, rechtstreeksch en bestendig verband staande met de behoeften en eischen der maatschappij.Dit is voor vrouwen bijzonder noodig, omdat men haar meestal alleen beschouwt, en zij zelf doen het ook, als deelen van gezinnen, niet in staat om op zich zelf gelukkig te leven. De overtuiging, dat zij voor haar geheele leven rust en vrede kunnen vinden, zelfs zonder dat zij trouwen,—en dat zij die ook kunnen vinden indien zij trouwen,—zal een kalmte en kracht in haar ontwikkelen, die haar zelf en de wereld zeer ten goede zal komen. Het is een schitterend bewijs hoezeer de bestaande huwelijksvorm het karakter prikkelt en den mensch onvoldaan laat, dat de vrouwen door de behoefte aan voedsel en kleederen en de mannen door de behoefte aan keukenmeiden en huishoudsters er toe gedwongen moeten worden. Wij zijn bespottelijk bang, dat mannen en vrouwen, indien zij hun levensbehoeften op andere wijze dan door het huwelijk kunnen verkrijgen, voor de huwelijks-verhouding hartelijk zullen bedanken. En dan bezingen wij nog bewonderend de macht der liefde!Wij mogen waarlijk hopen, dat het meest te waardeeren gevolg van de verandering in den grondslag van het leven, liefde en huwelijk zal reinigen van dit lage bijvoegsel van financieel belang en persoonlijk gemak; en dat mannen en vrouwen, eeuwig tot elkaar aangetrokken door de sterkste kracht in de natuur, ten laatste in staat zullen zijn elkander op het gebied van zuivere en volmaakte liefde te ontmoeten. Wij maken onze eigen idealen, ons diepste instinkt, onze hoogste overtuiging te schande door deze grove verdenking, dat het edelste ras op aarde niet zou willen paren, of ten minste niet monogaam zou willen paren, tenzij het gekocht en gelokt wordt door de gewone dierlijke behoefte aan voedsel en dekking, en geketend wordt door gewoonte en wet.De innigheid, de reinheid, de bestendigheid der huwelijksverhouding berusten op de noodzakelijkheid dat beide ouders voor de kinderen langdurig zorg moeten dragen,—een gevolg van de ontwikkeling van het ras, waaraan wij nooit kunnen ontsnappen. Wanneer ouders zich minder zullen uitsloven om voedsel te verkrijgen en het te koken, om meubelen te verkrijgen en ze schoon te houden, dan zullen zij misschien meer tijd vinden om nieuwe gedachten en nieuwe inspanning aan de verzorging hunner kinderen te wijden. Het kind heeft hooger behoeften dan aan een boterham en een bed; dit zijn alleen ras-behoeften die het met zijn geheele soort gemeen heeft. Het heeft veel meer behoefte—en aan deze wordt minder voldaan—aan het gezelschap van, en de vereeniging, de persoonlijke aanraking met zijn vader en zijne moeder. Wanneer vele van de tegenwoordige werkzaamheden uit het huis verwijderd zijn, dan zullen wij den tijd vinden en misschien ook den lust om werkelijk met onze kinderen kennis te maken. Het zal ons dantoeschijnen dat zij niet zoo zeer schepselen zijn die bewaakt, als wel menschjes die begrepen willen worden. Even als door de burgerlijke en militaire bescherming der maatschappij reeds sedert lang de tand-en-klauw-verdediging van wreede ouders werd afgeschaft, zonder dat daardoor de familieband in gevaar gebracht werd, zoo zullen ook de economische veranderingen in de maatschappij, die aan het tehuis brengen van voedsel door de ouders een einde zullen maken, geen slechte gevolgen voor de liefde en achting in het gezin medebrengen. Deze primitieve behoeften en de primitieve wijze om er aan te gemoet te komen, hielden de familie-verhouding ongetwijfeld op een zeer laag standpunt; maar zij liggen reeds gedeeltelijk achter ons en de band tusschen ouders en kinderen werd door de verandering niet verzwakt, maar integendeel versterkt.Hoe meer wij aan deze lage toestanden ontgroeien, des te volkomener zullen wij de dieper en hooger verhoudingsvormen kunnen verwezenlijken, welke de kracht en den lust van het menschelijk leven uitmaken. Goed en voortdurend voor de veraangenaming van het individueele leven te zorgen, zal niet de kracht vernietigen waardoor mannen en vrouwen zich tot elkander voelen aangetrokken, of die de kinderen aan de ouders bindt; doch het zal deze verhoudingen reiner en sterker maken en tot een hoogte opvoeren, welke wij eenigszins kunnen afleiden uit het resultaat, door zulke veranderingen in sommige gezinnen reeds tot stand gebracht. Door de individuen, oud en jong, van den dwang te bevrijden om deel van een gezin uit te maken en hun te veroorloven vrij in de maatschappij te leven, werken wij bovendien krachtig mede aan de ontwikkeling van het ware maatschappelijk verkeer.De tegenwoordige economische grondslag van hetfamilieleven houdt onzen vriendschappelijken en gemeenzamen omgang binnen enge grenzen. Het is thans alleen mogelijk met families om te gaan en families te bezoeken in plaats van om te gaan met individuen; en het toenemend persoonlijk verschil der individuen maakt het hoe langer hoe onmogelijker dat alle leden van een zeker gezin den bezoeker behagen of behagen vinden in hem. Zoolang wij op den tegenwoordigen grondslag blijven voortleven belemmeren wij den vrijen omgang en brengen de familieverhouding dikwijls in pijnlijke spanning. De verandering der economische verhouding in de gezinnen, van de geslachts-basis tot de maatschappelijke basis, zal een ruimer individueelen omgang mogelijk maken, zonder dat hiermede een breuk der familiebanden vergezeld behoeft te gaan.Men heeft den drang der familieleden, hun toenemenden wensch naar een algemeener en persoonlijker maatschappelijken omgang enkel toegeschreven aan dorst naar genoegens, en daarom meenden de moralisten er krachtig tegen te velde te moeten trekken. Zij beweerden dat de hoogste vorm van omgang, omgang met eigen familieleden was en dat de wensch om ruimer en gemakkelijker met anderen te kunnen verkeeren uit onwaardige gevoelens voortsproot. “Hij is goed voor zijn gezin;” zeggen wij vol bewondering van den man die s’avonds niets meer verlangt dan zijn courant en zijn pantoffels; en voor de vrouw, die durft bekennen dat zij nog ander gezelschap wenscht dan haar man, hebben wij slechts één naam. Ook voor de kinderen geldt dit. Onophoudelijk spannen wij ons in “de jongens tehuis te houden”, “het tehuis aantrekkelijk te maken”, opdat ons oud ideaal, het patriarchaal ideaal, een wereld van gezinnen en niets anders, gehandhaafd blijft.Maar wij leven in een wereld van personen zoowelals van gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij geboren zijn, ofschoon geboren in gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij de gezinnen verlaten hebben en nog personen, zelfs wanneer wij een nieuw, ons eigen gezin, gevormd hebben. Als personen hebben wij in elke generatie meer, behoefte ons met andere personen te vereenigen. Het is zeer interessant op te merken hoe deze behoefte zich steeds deed gevoelen en zich zelf, door reine en onreine middelen, in de voorafgaande duistere eeuwen heeft trachten te helpen. Door onze onzinnige overdrijving van de geslachtsverhouding hebben wij ruwweg voorondersteld, dat de wensch naar vrijer menschelijken omgang beteekende een vrijer geslachts-verhouding en daarom moest tegengegaan worden; evenals men het in Spanje voor zeer onverstandig hield vrouwen te leeren schrijven, omdat zij dan gemakkelijker met hun minnaars konden omgaan en zoodoende de grondslagen der maatschappij aan het wankelen zouden kunnen brengen.Zoodra echter onze geslachts-verhouding door de economische onafhankelijkheid der vrouwen gezuiverd en geregeld is, zoodra geslachts-aantrekking niet langer een verterende koorts is, die onze maatschappij voortdurend in beroering brengt, zullen wij niet meer tevreden neerzitten bij een half dozijn bloedverwanten, als onzen eenigen maatschappelijken cirkel. Wij zullen elkander dan meer, niet minder, noodig hebben en wij zullen de behoefte aan maatschappelijk verkeer erkennen en beschouwen als het hoogste recht van hen, die het hoogste ras op aarde zijn.De kracht, waardoor vrienden zich tot elkander voelen aangetrokken is een hoogere dan die welke de seksen tot elkander brengt,—hooger in dien zin, dat zij bij een latere ras-ontwikkeling past. “De liefde vanvrouwen overtreffend”, is geen onbeteekenende phrase. Kinderen hebben elkanders omgang noodig, zoo ook jonge menschen. Menschen van middelbaren leeftijd hebben elkanders omgang noodig, oude menschen eveneens. Wij hebben elkander allen noodig, veel en dikwijls. Even als ieder mensch behoefte heeft aan een plaats waar hij alleen kan zijn, zoo hebben alle menschen eveneens behoefte aan een plaats van samenzijn; van de twee die elkaar ongestoord hun innigste gewaarwordingen willen toevertrouwen, tot het grootst aantal dat zich in harmonie kan verzamelen en bewegen.Menschheid beteekent samenzijn, terwijl onze levenswijze, waaraan wij ontegenzeggelijk ontgroeid zijn, ons apart houdt. Hoe vele menschen, indien zij het feit onder de oogen durven zien, hebben niet dikwijls hopeloos verlangd om hunne vrienden op betere wijze te kunnen ontmoeten, hun eigen ware vrienden, verwanten door den geest, indien niet door het lichaam.Doch wij, levende in de verhitte atmospheer van onzen overseksten geest, hebben de menschen steeds als een ras van beesten uitgeschilderd, wier eenige wensch tot samenzijn gebaseerd is op den grooten, overwerkten hartstocht, en die alleen van gemengde nachtelijke zwelgpartijen teruggehouden worden door dat zij aan huis gebonden zijn. Dit is onwaar! Het is zelfs nu in onzen over-seksten toestand niet waar. En het zal nog minder waar zijn, wanneer wij van den kunstmatigen druk der sexueel-economische verhouding verlost zullen zijn en ons weder natuurlijk kunnen ontwikkelen.Mannen, vrouwen en kinderen hebben behoefte aan vrijheid om op een menschelijken grondslag samen te komen, dat wil zeggen, dat zij in hun dagelijksch leven en door hunne bezigheden bijeenkomen, zonderbepaald doel, en niet opzettelijk elkander behoeven op te zoeken. Wij weten allen hoe prettig de kennismaking en de innige vriendschap is die ontstaat, wanneer menschen op natuurlijke wijze samen worden gebracht, op de school, aan de universiteit, op een werkplaats, aan boord van een schip, in den trein, op een gezamenlijk uitstapje, in zaken. De maatschappelijke behoefte van beide partijen aan een algemeene, functioneele ontwikkeling van het maatschappelijk verkeer is een uitgemaakte zaak en gemeenschappelijke functioneele werkzaamheden bieden daarvoor op natuurlijke wijze de gelegenheid.De reden waarom vriendschap voor mannen meer beteekent dan voor vrouwen en waarom de mannen zich veel gemakkelijker en vrijer vereenigen, ligt in de omstandigheid dat zij zooveel verder in de ras-functiën ontwikkeld zijn en dat zijsamen werken. Het natuurlijk verbond van gemeenschappelijke inspanning en gemeenschappelijke ontspanning is de beste bron voor vriendschap. Alleen door een aantal menschen in een zelfde vertrek bijeen te brengen, om de kubieke ruimte, als het ware, met hunne lichamen te vullen, daardoor brengt men hunne zielen niet tot elkander. Onze tegenwoordige vereenigingswijze, in het bijzonder die der vrouwen, is zeer onvoldoende. Zij kleeden zich en brengen elkaar een kort bezoek. Dit kort bezoek wordt evenzoo beantwoord. Of zij zetten veel voedsel gereed en verzoeken veel menschen om het te komen opeten; of een danspartij, muziek of voordracht is het lokmiddel voor hun bijeenkomst. Maar zulke menschen ontmoeten elkander niet werkelijk. Zij doorleven op deze wijze heele leeftijden, zonder ooit kennis met elkaar gemaakt te hebben. Wij dorsten thans naar een voller en eerlijker maatschappelijken omgang, maar onze samenleving verschaftons thans de middelen nog niet om dien dorst te lesschen.Mannen hebben onderling in deze behoefte ruimschoots voorzien; maar tusschen vrouwen onderling of tusschen mannen en vrouwen bestaat nog geen vrije omgang. Mannen ontmoeten elkaar vrij bij hun werk, terwijl vrouwen alleen werken. Maar het verschil komt nog sterker uit bij hun spelen. “Meisjes hebben nooit eenige pret”, zeggen de jongens verwijtend, en zij hebben gelijk. De pret die de meisjes hebben, moet, evenals haar boterham, langs de geslachts-lijn komen. Mannen moeten haar het vermaak verschaffen, evenals zij haar al het overige verschaffen, De mannen hebben de wereld gevuld met spelen en sport, van de edele worstelperken der Olympische spelen tot de geest en lichaam versterkende sport van heden; goede, slechte en onbeteekenende sport. Door alle eeuwen heen hebben de mannen gespeeld en de vrouwen toegezien, als zij daartoe ten minste uitgenoodigd waren. Zelfs de prettige bezigheid om mannen te zien spelen was haar ontzegd, tenzij zij door de deelnemers daarvoor gevraagd werden. De “koningin van het bal” blijft een muurbloempje, totdat zij door den koning ten dans gevraagd wordt.Zelfs thans, nu vele gymnastische spelen voor vrouwen open staan, nu zij zich kunnen oefenen in tennis en golfspel en al de overige vermaken, zijn de kansen om te spelen voor beide seksen toch nog niet gelijk. Een goeden speelmakker te wenschen, is niet hetzelfde als het gezelschap van de andere sekse te begeeren, en toch hangt de vervulling van den wensch van een meisje om een goede tegenpartij bij haar spel te hebben, sterk af van haar macht tot geslachts-aantrekking; dit is een andere van de vele betreurenswaardige uitingen dier macht. De wensch om elkander te ontmoeten, wordt door ons uitgelegd als: ”hij” wenscht”haar” te zien, of ”zij” wenscht ”hem” te zien. De ontspanning en het pleizier van de menschen is zoo verward met de geslachts-afhankelijkheid der vrouwen van mannen, dat vrouwen gedwongen worden naar “hofmakerij” te streven, als zij in waarheid niets anders wenschen dan zich te amuseeren; en zoolang wij de vereeniging der geslachten in die richting dringen, houden wij een heilzamer samenkomen tegen.Zelfs onze kleine kinderen worden bij hun spel zorgvuldig geoefend het geslacht te doen uitkomen; en op verschil in gedrag van jongens en meisjes wordt sterk en aanhoudend aangedrongen, nog voor dat een van hen aan het bestaan van zulk een verschil denkt. Wanneer meisjes en jongens samen spelen, worden zij zoo door anderen geplaagd en moeten zij zooveel aanmerkingen hooren, dat dit alleen reeds elken gezonden vriendschapsband tegenhoudt en aanleiding geeft tot een vroegtijdig geslachts-bewustzijn. Jonge mannen en jonge vrouwen wordt toegestaan meer of minder vrij samen te komen, maar altijd op een strenge geslachts-basis, want vriendschap tusschen mannen en vrouwen wordt als iets belachelijks aangemerkt. Iedere gezonde jongen en ieder meisje neemt dit kwalijk en tracht een vrije, natuurlijke verhouding te vormen; maar de maatschappelijke druk hiervan is moeilijk te dragen. Zij mag zooveel “beaux” hebben, als zij omarmen kan; hij mag aan zooveel meisjes als hij wil “attenties bewijzen”, maar op die wijze alleen mogen zij elkaar ontmoeten.Het staken van alle vriendschapsbezoeken zoodra een van beide partijen verloofd is, bewijst den aard van dien band. Wanneer hij eenmaal een keuze voor een huwelijk gedaan heeft, waarom zou hij dan nog andere meisjes bezoeken? Wanneer zij eenmaal den mangevonden heeft die haar wil trouwen, waarom zou zij dan nog met andere mannen omgaan? Die “bezoeken” en die “omgang” waren alleen maar onderzoekende voorbereidingen voor een mogelijk huwelijk. En na het huwelijk wordt verondersteld dat de vrouw geen anderen man dan haar echtgenoot wenscht te zien en de echtgenoot geen andere vrouw dan de zijne. In sommige landen keert men deze regeling om, door meer maatschappelijke vrijheid aan gehuwde lieden toe te staan, maar die gewoonte gaat vergezeld van een totaal gemis aan vrijheid vóór het huwelijk, waaruit zoowel in het huwelijksleven als in het maatschappelijk leven zeer twijfelachtige resultaten verkregen worden. In de hooger maatschappelijke kringen heeft altijd na het huwelijk meer vrijheid van socialen omgang tusschen de beide geslachten bestaan; maar in het algemeen van Amerika gesproken, na de periode van de bezoeken vóór het huwelijk vinden er zeer weinig natuurlijke en ernstige kennismakingen tusschen mannen en vrouwen plaats.Zelfs de vriendschap welke tusschen man en vrouw kan bestaan hebbenvóórhet huwelijk, wordt dikwijlsinhet huwelijk met zijne economische verwikkelingen spoedig verwoest. Zij hebben dan geen tijd meer om over vraagstukken te spreken zooals vóór hun huwelijk; zij zijn te veel bij elkander en stellen te diep belang in de technische en financieele zaken, hun nieuwe huishouding betreffende. Dit werkt de ontwikkeling van hooger en reiner verhoudingen tusschen mannen en vrouwen bestendig tegen en leidt er toe, hen op denzelfden primitieven voet van geslachts-vereeniging te houden.Een jong man gaat naar een stad om te leven en te werken. Hij heeft even goed behoefte aan het gezelschap van vrouwen als van mannen. Voorheen had hij zijnmoeder, zijne zusters en hare vriendinnen, zijne schoolkameraden. Nu moet hij onze onvrije sociale toestanden onder de oogen zien. Hij mag twee soorten van vrouwen bezoeken, degenen die wij “goed” noemen en degenen die wij “slecht” noemen. (Deze indeeling berust slechts op één zedelijke eigenschap en dat is een geslachts-eigenschap). Natuurlijk verkiest hij de goeden. De goeden zijn weder verdeeld in twee soorten, gehuwden en ongehuwden. Indien hij een gehuwde vrouw dikwijls bezoekt, wordt er aanmerking op gemaakt; dit vindt hij onpleizierig en laat het daarom na. Bezoekt hij een ongehuwde vrouw dikwijls, dan wordt er ook aanmerking op gemaakt; hij wordt dan beschouwd “bedoelingen” te hebben. De beste middenweg is een aantal ongehuwde vrouwen te bezoeken en de attenties zoo omzichtig te verdeelen, dat niemand ze zich persoonlijk kan aantrekken.Nu treedt hij in de eerste phase van onze sexueel-economische verhouding: hij kan zelfs geen meisje vrijelijk bezoeken of het kost hem geld. Het meisje enkel in den familiekring te ontmoeten kan toch moeilijk verondersteld worden als door een der beide partijen gewenscht. Men ontmoet niet een half dozijn menschen van verschillenden leeftijd en van beide seksen zooals men een vriend alleen ontmoet. Te trachten haar alleen te zien, wordt als een “bedoeling” beschouwd. “Haar mede uit te nemen”, kost geld en hij betaalt het graag. Maar hij kan dit niet te dikwijls doen, of hij wordt beschouwd “ernstige bedoelingen” te hebben, en elke stap van de verdere kennismaking wordt uit een sexueel oogpunt beschouwd en gekritiseerd.Er bestaat geen natuurlijk, eenvoudig middelpunt van maatschappelijk verkeer tusschen mannen en vrouwen. De jonge man zal weldra ontdekken dat zijne bekendheidmet vrouwen zeer hoog in zijn zakboekje genoteerd staat. Het geld dat hij voor het huwelijk zou kunnen bewaren, wordt nu voor deze verschillende voorbereidingen gebruikt. Wanneer hij ziet waarvan de vrouwen houden en hoeveel het kost ze te bevredigen, dan wijkt zijn hoop op een huwelijk al verder en verder naar den achtergrond. De periode waarin hij als individu moet leven duurt langer en hij gewent zich aan oppervlakkige kennismaking met veel vrouwen, hij leert haar van de meest onbeteekenende zijde kennen, zonder gelegenheid te hebben tot het vormen van een oprecht verbond en ware vriendschap. Is het dan te verwonderen dat de andere soort vrouwen, die ook geld kosten, dat is waar, maar die geen voortdurende verplichting medebrengen, zulk een bestendige factor in ons sociaal leven zijn geworden? De sexueel-economische verhouding bevordert de ondeugd op meer dan één wijze.De economische onafhankelijkheid der vrouw zal al deze omstandigheden veranderen even natuurlijk en onvermijdelijk als haar afhankelijkheid ze ingevoerd heeft. Door zich te wijden aan een of anderen tak van nijverheid zal zij meer persoonlijkheid en minder sexualiteit ontwikkelen, en hierdoor zal de druk op de geslachts-verhouding verminderen, zoowel in mannen als in vrouwen. De nieuwe levenswijze en het nieuwe karakter dat er aan gegeven wordt, zal in ons maatschappelijk verkeer de vereeniging van menschen ten volle tot ontwikkeling brengen. Wanneer de eigen woning inderdaad een privaat leven mogelijk maakt en niet langer de maatschappelijke en industrieele horizon der vrouw is; wanneer de werkplaatsen overal—het gebied der vrouw zoowel als van den man,—huiselijk en gezellig worden door haar invloed; en wanneer mannen en vrouwen zich gezamenlijk vrij bewegen bij de uitoefeningder gemeenschappelijke rasfunctiën,—dan zal de stroom van het menschelijk leven door nieuwe kanalen gaan.Dan zullen de vrouwen zich niet meer hoofdzakelijk bewegen van de geïsoleerde woning naar den geïsoleerden winkel en terug, in een wereld die uit elkander gerukt en in tweespalt gebracht wordt door de zelfzuchtige voortbrenging van het eene geslacht en het zelfzuchtig verbruik van het andere; dan zullen wij leven in een wereld van mannen en vrouwen, die even goed menschelijk als geslachtelijk vereenigd zijn, en die tezamen voor het algemeen welzijn werken, wat hun ware bestemming is. De woning zal dan niet langer een economische éénheid zijn, waar de vervelende huishoudelijke werkzaamheden heel gemeen gauw aan toegevoegd zijn, maar zij zal een vredige uitdrukking zijn van persoonlijk leven, wanneer dat zich uit de maatschappelijke omgeving terugtrekt; en voor aanraking met de maatschappij zal gezorgd worden door de vele plaatsen van samenkomst, die door de organisatie der huiselijke werkzaamheden noodig geworden zijn.De vereenigings-kamer is inderdaad een even groote behoefte voor het menschelijk leven als de afzonderingskamer,—geen balzaal of theater, waar men voor een bepaald doel moet uitgenoodigd worden, maar groote gemeenschappelijke leesmusea en conversatie-kamers, bad-inrichtingen en gymnastiek-zalen, werk- en speelkamers, waarin beide geslachten op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel toegang hebben, en waar zij vrij kunnen bijeen komen om uiting te geven aan algemeen menschelijke gevoelens. De soort gebouwen, door de organisatie der huiselijke werkzaamheden ontstaan, zullen ook voor deze plaatsen moeten zorgen. Zij zullen afzonderlijke kamers voor individuen en afzonderlijkewoningen voor gezinnen moeten bevatten, doch de gemeenschappelijke zaal, de kamer voor allen, mag er evenmin ontbreken. Zij behooren een plaats voor de kinderen te hebben, ontworpen en bedoeld als prettige speelplaats van veel kinderen voor veel jaren, een woning zooals kinderen tot nu toe nooit gehad hebben. Eveneens moeten er gezelschapskamers voor jonge en oude menschen zijn, waarin men even natuurlijk bijeenkomt alsof men in zijn eigen kamer gaat, zonder moeite, navraag of aanmerking.Zulk een inrichting zou een vrije vereeniging, op gemeenschappelijk belang gebaseerd, onder ons mogelijk maken, en door de natuurlijke en gemakkelijke samenvloeiing zouden wij veel hooger eigenschappen ontwikkelen, dan nu met de inspanning om in onze tegenwoordige kringen elkander zonder bepaald doel te bezoeken, mogelijk is. Het zou voor de vrouwen veel gemakkelijker worden den rechten man te kiezen. Zij zouden de mannen in hun dagelijksche werkzaamheden en ontspanning kunnen gadeslaan en leeren kennen, waartoe zij nu ten eenenmale de gelegenheid missen. De koopkracht van den man, welke hem nu den gemakkelijksten weg verschaft om aan zijn geslachts-lust te voldoen, zou dan hierop zonder invloed zijn. De vrouw, ontwikkeld door een vrij en nuttig leven, helder van hoofd en open van oog,—een vrouw nog, maar een zelfstandig wezen tevens,—die als meisje opgevoed werd tot economische onafhankelijkheid en vrij mocht omgaan met jonge mannen in gemeenschappelijk spel en werk, zal geleerd hebben edele mannen naar waarde te schatten.De jonge man, wetende dat hij zijne tekortkomingen niet langer met een gekleede jas kan bedekken en dat hij niet meer alles mag doen eenvoudig op boete vaner voor te betalen, die eigenlijk ook niet veel kwaad meer kan doen, omdat de vroegere gelegenheid en aansporing ontbreken, zal, voortdurend bijgestaan en bezield door den vriendschappelijken omgang met eerlijke en ernstige vrouwen, met al de kracht die de natuur hem biedt zich kunnen verheffen, in plaats van, zooals nu, steeds met geweld naar omlaag gerukt worden.Wanneer de druk van ons over-ontwikkeld geslachts-instinkt uit de wereld verwijderd is, kan en zal de man, rein en sterk geboren uit edelhartige, edeldenkende en edelgebouwde moeders, groot gebracht met de uitgebreide kennis van de nieuwe opvatting van het moederschap, en dagelijks in vrijen omgang levende met de beste vrouwen, een geheel nieuw karakter aannemen. Wat dit het ras aan macht en vrede en geluk zal aanbrengen kan niemand voorspellen. Maar dit zien wij nu reeds:—dat wij bezig zijn aan onze eens zoo nuttige sexueel-economische verhouding te ontgroeien; dat deze verhouding thans vele slechte gevolgen heeft en dat hare verwisseling met economische vrijheid der vrouw nieuwe krachten in de wereld zal brengen, die door hare natuurlijke werking de deugden, waarnaar wij reeds zoo lang gestreefd en verlangd hebben, in ons ontwikkelen zullen.Deze verandering wordt niet voorspeld en wij kunnen er ook niet voor pleiten. Zij is reeds in wording en met bewonderenswaardige snelheid wint zij elk jaar meer en meer veld. Vrouwen noch mannen wenschen de verandering. Vrouwen noch mannen hebben haar gezocht. Maar dezelfde groote kracht van sociale evolutie, welke ons in de oude verhouding bracht,—tot groot verdriet en ellende,—is bezig ons er uit te brengen,eveneensmet droefheid en smart. De tijd is daar, waarin het voor de wereld beter is dat vrouweneconomisch onafhankelijk zijn en daarom beginnen zij het te worden.Onderwijl loont het de moeite, den toestand ten volle en eerlijk onder de oogen te zien, opdat wij weten wat met ons gebeurt en opdat wij de gelukkigste verandering in menschelijke omstandigheden, die ooit door de wereld aanschouwd werd, met vreugde kunnen begroeten. De helft der menschheid uit een gekunstelde positie te bevrijden; sterke natuurkrachten uit haar gespannen en pijnlijken toestand te verlossen en ze vrij te maken om ongehinderd te kunnen werken, wat ook haar bestemming was; toestanden in het leven te roepen, die de menschheid innerlijk zal veranderen door een beter moederschap en vaderschap, een beter jeugd en zuigelingsperiode, beter voedsel, beter woningen, beter maatschappelijken omgang,—beteekent: verbetering der menschheid langs natuurlijke banen. Zij zal daarom grooten vooruitgang van het ras en wel met groote snelheid ten gevolge hebben, omdat deze verandering niet behoeft te wachten tot er nieuwe krachten geschapen worden, maar omdat zij eenvoudig krachten vrijmaakt, die reeds machtig en sterk zijn, en de menschheid dus kan opvliegen als een losgelaten springveer. En het gebeurt reeds. Alles wat wij nog te doen hebben is te begrijpen en te helpen.XVNu wij weten hoe nauw ons geestelijk bestaan verband houdt met onze uiterlijke omstandigheden, hoe het zedelijk gevoel en het gedrag van den mensch gewijzigd worden door de omgeving, moeten wij natuurlijk uitzien naar kenmerkende gevolgen in de geestelijke ontwikkeling, voortspruitende uit een zoo belangrijke omstandigheid als onze sexueel-economische verhouding.Voortdurend is opgemerkt dat de verhouding der geslachten, in welken vorm ook, op den zedelijken aard van het menschdom van sterken invloed was, en dat is één der redenen, waarom in dit boek zulk een groote nadruk is gelegd op de bijzondere zedelijke kracht dier verhouding. In het dagelijksch leven beteekent het woord “zedelijk”, “kuisch” en wanneer men van vrouwen spreekt heeft het woord “deugd” alleen beteekenis als deugd van kuischheid. Groote volksbegrippen zijn nimmer zonder grondslag. Zij zijn geworteld in diepzinnige waarheden, die beter gevoeld dan gezien worden en, hoe dom en onwaar zij ook in hun woordelijke vertolking zijn, in hun algemeene strekking kan men ze vertrouwen. Niet omdat de deugd van kuischheid voor het ras zooveel belangrijker is dan de deugd van trouw, de deugd van moed, de deugden van blijmoedigheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, maar omdat de geslachts-verhouding waarin wij leven zooveel invloed uitoefent op de verdere ontwikkeling en regeling van onzen geheelen zedelijken aard, daarom hechten wij er zooveel beteekenis aan.Wat wij zedelijk gevoel noemen, is een erkenning van de betrekkelijke belangrijkheid van zekere handelingen en hare gevolgen. Vaag en zwak kwam dit bij de vroegere wilden voor en het werd gedurende langen tijd hoofdzakelijk toegepast bij onduidelijk omschreven en willekeurig vastgestelde godsdienstige plechtigheden en ceremoniën. Maar de gewoonte om een gevoel van deugdzaamheid te verbinden met zekere handelingen door welke lof en voordeel werd ingeoogst, wortelde zich in de kinderlijke ziel en de reeks van zedelijke handelingen werd grooter. Sedert is die reeks steeds grooter, hooger en ingewikkelder geworden, met de andere maatschappelijke hoedanigheden zich uitbreidende.Geen menschelijke eigenschap is meer absoluut maatschappelijk dan het zedelijk gevoel. Ethica is een sociale wetenschap. Er bestaat geen zedeleer voor het individu. Op zich zelf genomen is de mensch maar een dier; zijn gedrag staat dan alleen in betrekking tot zijn dierlijke behoeften,—zelf-behoud en ras-behoud. Elke deugd en de wil ze te erkennen en er naar te streven is een maatschappelijke hoedanigheid. De hoogste deugden zijn die waarmede wij op de beste wijze de meeste menschen dienen en haar ontwikkeling in ons houdt gelijken tred met de ontwikkeling der maatschappij. Door onze maatschappelijke verhouding worden onze deugden te voorschijn geroepen en blijven zij in stand.Een eenvoudig voorbeeld hiervan vinden wij in het gemakkelijk tot wreedheid vervallen van iemand, die afgesneden is van zijn stamgenooten en gedwongen wordt in een woeste omgeving te leven. Zelfs een korte en gedeeltelijke verandering van toestand wijzigt dikwijls op eens het gedrag, wat men bij de vroomste Nieuw-Engelanders heeft kunnen opmerken toen zij tijdelijk in de mijnwerken vertoefden. Het blijkt ook uit hetverschil van deugd bij de verschillende klassen van menschen en in de verschillende takken van nijverheid.Elke sociale verhouding heeft haar eigen zedewetten; en de algemeene behoeften der maatschappij, als een geheel, vormen de grondslagen der zedeleer. Dit kan voor iedere eeuw en voor elk ras nagegaan worden en steeds zal men een duidelijk verband vinden tusschen de deugden en ondeugden van een gegeven volk en zijne plaatselijke toestanden. De economische omgeving beheerscht hoofdzakelijk de ontwikkeling der zedewetten. Voor iemand die gewend is de zedewetten te beschouwen als niet van deze wereld afkomstig en die ziet hoe dikwijls deugdzaamheid den bezitter duur te staan komt, kan dit vreemd schijnen. Het zedelijk gedrag van een gegeven aantal menschen hangt ten eerste van het bestaan van deze menschen af. Een gedrag dat er toe zou leiden om hen uit te roeien, zoude eveneens hunne zedewetten uitroeien. Een gedrag dat hen doet in stand blijven en toenemen, is het eenige gedrag waarvan de zedelijke waarde kan worden vastgesteld. Daarom wordt de zedeleer absoluut beheerscht door het leven en de handhaving daarvan. Van het laagste en meest bekrompen inzicht dat een handeling goed of slecht noemt naar gelang van haren onmiddellijken invloed op iemands tegenwoordig leven, tot het helder vooruitzien van latere gevolgen dat een gedrag goed of slecht noemt naar gelang het van invloed is op iemands leven hiernamaals, wordt onze zedeleer, de wetenschap van het menschelijk gedrag, alleen beoordeeld naar zijne gevolgen.Daarom vinden wij onvermijdelijk bij alle rassen die handelingen waardoor menschen leven, als goed aangemerkt en wij zien hooge goedkeuring geschonken aan hem, die het best die handelingen volbrengt. In de jacht- en vischperiode werd de beste jager en de bestevisscher ook als de beste man, door zijn stam geprezen en geëerd. Men kweekte die deugden aan, die den bezitter in staat stelden met het meeste succes te jagen en te dooden, niet alleen om zelf te kunnen leven, maar ook om een vertrouwde hulp te zijn voor zijn vrienden. Barbaarsche deugden waren enkel de terugkaatsing van barbaarsche toestanden. Geduld en zelfbedwang te bezitten, was voor den jager een economische behoefte; pijn en langdurige inspanning gemakkelijk te dragen, was voor den krijger een noodzakelijkheid. Daarom werden deze deugden, door voorbeeld en voorschrift, bij de wilden aangekweekt.In de lange landbouw- en militaire tijdperken geschiedde hetzelfde. Arbeidzaamheid en geduld werden als deugden in de boeren geprezen, want het vereischt ijver en geduld om koren te oogsten. De deugden van moed en gehoorzaamheid werden in den soldaat hoog verheven, en iedereen moest de deugd van geloof bezitten omdat die een eerste vereischte was voor het bestaan van den godsdienst. En er werd een groote mate van geloof vereischt om den godsdienst van die tijden aan te nemen. De deugd van geloof verminderde in belangrijkheid, zoodra de godsdienst verstandiger en toepasselijk op het leven werd. Het vereischt geen inspanning om te gelooven wat men kan begrijpen en begrijpt. Langzamerhand ontstond het nijverheids-tijdperk en ontwikkelde zich dit van de zwakke, sporadische pogingen van den nederigen marskramer en handwerksman,—het slachtoffer van de overheerschende klasse van militairen—tot onze hedendaagsche kolossale industrieele organisatie, waarin de soldaat onbarmhartig geëxploiteerd wordt voor het een of ander financieel belang. Met deze verandering in economische omstandigheden werd ook de schaal der deugden veranderd.Lichamelijke moed verminderde in waarde; gehoorzaamheid, geduld, geloof en de rest staan niet meer zoo hoog aangeschreven als vroeger. Evenals altijd prijzen en waardeeren wij heden de deugden waardoor wij leven. Elk dier ontwikkelt de deugden passend voor zijn omstandigheden; het kenmerkend verschil voor den mensch ligt hierin dat hij de macht van het bewust begrip en de persoonlijke wilskracht bij de werking der natuurkracht voegt. Niet alleen voor ons eigen ras, maar ook voor andere rassen noemen wij die hoedanigheden “goed” en “slecht,” naarmate zij ons tot voordeel strekken; en de beesten die wij grootbrengen en gebruiken, ontwikkelen noodzakelijkerwijze de eigenschappen die hun in hun nieuwen toestand het meest tot nut strekken, zooals bijv. onze welbekende vriend, de hond.De hond is een dier dat sedert lang van zijne natuurlijke onderhoudsmiddelen is afgesneden en voor zijn voedsel geheel afhankelijk is van den mensch. Als een vrije, wilde hond, was hij onverschrokken, moedig, wreed. Als een tamme, slaafsche hond, bezit hij lage onderworpenheid, kruipende willoosheid; hij klaagt wanneer hij een trap krijgt en likt den voet die hem kastijdt. Wij hebben den oorspronkelijken hond geheel herschapen en zijn zedelijke aard, zijn geest, toont de verandering meer dan zijn lichaam. De kracht waardoor dit tot stand werd gebracht is een economische,—de bron van voedsel en de wijze om het te bemachtigen werden veranderd.Laat ons eens de kenmerkende deugden der menschheid in het kort nagaan, haar wijze van ontstaan en ontwikkeling onderzoeken en zien hoe die ééne bijzondere verhouding, de sexueel-economische, er op geïnfluenceerd heeft.Het voornaamste kenmerk van menschelijke deugdzaamheid ligt in, wat wij ruwweg als altruisme beschrijven,—“zelfopoffering.” Elkander lief te hebben en te dienen, voor elkander zorg te dragen, voor en met elkander te voelen,—het bijvoegelijk naamwoord van ons ras, “menschelijk”, sluit deze eigenschappen in. Het eigenlijk bestaan der menschheid maakt deze hoedanigheid tot zekere hoogte noodzakelijk en de ontwikkeling der menschheid gaat met hare ontwikkeling hand aan hand.Wanneer wij deze dingen bestudeeren, dan maken wij gewoonlijk de fout, de noodzakelijkheid van zulke zedelijke hoedanigheden in het menschelijk leven niet genoeg te waardeeren. Wij hebben gemeend dat het in toepassing brengen van deze maatschappelijke deugden persoonlijke inspanning en opoffering kost, en dat er een eeuwigdurende strijd bestaat tusschen de cosmische ontwikkelingsprocessen en de ethische processen, zooals Huxley het voorstelt. De sociale evolutie brengt evenwel de essentieele hoedanigheden van de sociale verhouding mede, en dat zijn dan onze deugden, waarop wij zoo trotsch zijn. De natuurlijke veranderingen in het onderling verkeer en de onderlinge verhouding der menschen ontwikkelden van zelf de hoedanigheden, zonder welke dat verkeer en die verhouding niet mogelijk waren; en deze ontwikkeling verliep even geregeld, even natuurlijk, even “cosmisch”, als de organische werkzaamheden in het menschelijk lichaam. Het is even natuurlijk voor een industrieele maatschappij om in vrede, als voor een jagersvolk om in oorlog te leven. Die vrede is geen gevolg van heldhaftige en zelfopofferende inspanning van de leden der industrieele maatschappij; het is niets anders dan een noodzakelijke voorwaarde voor hun bestaan.In het ontwikkelingsverloop der menschelijke zeden wordt een trapsgewijze uitbreiding van ons begrip van algemeen “goed” en “kwaad” opgemerkt, in tegenstelling met ons oorspronkelijk begrip van individueel “goed” en “kwaad.” Dit komt bij de personen die zich geheel aan de maatschappij wijden zeer sterk uit, zooals bij de groote staatkundigen, patriotten en philanthropen. Ieder van deze woorden toont in zijne samenstelling reeds dat de beschreven hoedanigheid van socialen aard is,—de staatsman denkt en werkt voor den staat; de patriot heeft zijn land lief en werkt er voor, de philanthroop handelt uit liefde voor de menschheid. Deze eigenschappen zijn allen van het begin tot het einde een bloote erkenning van het gelijk recht van den naaste, rechtvaardigheid en hoffelijkheid voor allen; zij zijn slechts het natuurlijk product der maatschappelijke omstandigheden, welke door de noodzakelijkheid om in de economische behoeften te voorzien op het individu inwerken. Het individu dat economisch absoluut alleen staat evenals het beest, wordt door zuiver egoisme bevoordeeld, en ontwikkelt dat.Onze deugden kunnen allen op deze wijze opgespoord en verklaard worden. De groote voorname stam van alle deugden, welke wij “liefde” noemen, is niets anders dan de eerste voorwaarde voor ons maatschappelijk bestaan. Het is cohaesie, waardoor de afzonderlijke deelen der maatschappij saamgehouden worden. Indien er niet een of andere aantrekking tusschen ons bestond, dan zouden wij niet in staat zijn om samen te blijven; en deze aantrekking die door ons bewustzijn wordt waargenomen, noemen wij liefde. De deugd van gehoorzaamheid bestaat in de overgave van den eigen wil, wat dikwijls noodzakelijk is voor het algemeen welzijn; en zij staat daarom bij militairen zoo hoog aangeschreven, omdatbij hen dikwijls een groot aantal mannen te zamen moet handelen ten dienste der gemeenschap tegen hun persoonlijk belang, zelfs met opoffering van hun leven.Toen wij ons tot een voller maatschappelijk leven ontwikkelden, ontdekten wij langzaam en zoekend, na vele droevige en kostbare ervaringen, welk soort van mensch de beste maatschappelijke factor was. Het type van een goed lid der hedendaagsche maatschappij is een zich zelf beheerschend, vriendelijk, beschaafd, sterk, verstandig, dapper, hoffelijk, opgeruimd, waar mensch. In de Middeleeuwen zoude sterk, moedig en waar, aan de eischen van dien tijd voldaan hebben. Wij eischen nu voor ons algemeen welzijn een grooter reeks van hoedanigheden, een meer doorwrochte zedelijke organisatie. Dit alles geschiedt op eenvoudige, evolutionaire wijze in het maatschappelijk leven, en moest niet meer verwarring, inspanning en smart veroorzaken dan eenig ander natuurlijk proces.De zedelijke ontwikkeling der menschheid was echter een zeer verward en ingewikkeld proces. Enkele deugden hebben wij in geregelden vorm ontwikkeld, nauwelijks bemerkende dat het deugden waren, omdat zij zoo gemakkelijk in gebruik kwamen. Nauwkeurigheid en stiptheid zijn deugden die de wilden niet kenden, omdat zij ze voor hunne bezigheden niet noodig hadden. Wij hebben ze ontwikkeld, omdat zij vereischt werden en zoo werden zij door den druk der economische behoeften langzamerhand aangenomen. Gehoorzaamheid, zelfs in haren uitersten vorm van zelfopoffering, werd den soldaat geleerd; toch bestaat er geen hoedanigheid die altruistischer en onnatuurlijker is, of moeilijker valt aan te nemen voor den krachtigen individueelen wil. De gewone, wet-eerbiedigende burger beschouwt zich zelf niet als een held; toch openbaart hij een hooge matevan maatschappelijke deugdzaamheid, dikwijls een groote zelfopoffering.Maar in andere deugden zijn wij niet zoo geleidelijk vooruitgegaan. In de gewone economische levensverhoudingen en in de geslachtsverhoudingen onderscheiden wij ons door bijzondere en schadelijke hoedanigheden. Wij bezitten nog onuitgeroeide hoedanigheden, welke wij op grond van het maatschappelijk welzijn reeds lang afgelegd moesten hebben en waardoor nu onophoudelijk strijd ontstaat tusschen deze rudimentaire overblijfsels en onzen normalen groei. Dit is het waardoor ons geweten sedert zijn ontwaken onophoudelijk wordt geplaagd en wat wij “den strijd tusschen goed en kwaad” noemen. Wij hebben het rukken van die verschillende neigingen innerlijk gevoeld,—den drang om te doen wat onmiddellijk goed voor ons zelf is, maar wat ons toenemend sociaal gevoel ons als nadeelig voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom slecht is; en den drang om te doen wat onmiddellijk slecht voor ons zelf kon zijn, maar hetzelfde sociale gevoel ons als goed voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom als goed moet worden aangemerkt. Dit voelden wij, en zochten in onzen geest naar een verklaring van ons gedrag, omdat wij wisten dat het vreemd was. Het menschelijk verstand wil een verklaring hebben, indien het er een zoekt. Wij maakten er een.De achtergebleven impulsiën van het individueele dier,—goed voor hem, omdat hij ze noodig had, maar slecht voor ons, omdat wij begonnen mensch te worden en andere behoeften kregen,—pakten wij tot één hoop samen, en met onze gemakkelijke, dramatische, personifieerende neiging noemden wij dien “den duivel.” En aangezien deze slechte ingevingen gewoonlijk aandriftenvan physischen aard waren, beschouwden wij onze lichamen, en onzen aard in het algemeen, als deel van het kwade,—“de wereld, het vleesch en de duivel.” Wij voelden evenwel ook in ons een krachtige beroering van nieuwe machten en vreemde neigingen, die onze zelfzucht tot zwijgen brachten en ons voor anderen deden gevoelen; nieuwe liefde, hoop en wenschen, nieuwe verlangens om te geven in plaats van te nemen, te dienen in plaats van te strijden; en met echt maatschappelijk instinkt begrijpende dat deze aandriften ons ten goede zouden leiden, ons tot voordeel zouden strekken, noemden wij ze den wil van God, de stem van God, den weg tot God. De tweespalt tusschen deze slechte impulsiën en neigingen, en onze toenemende macht om zelfbewust en naar willekeur te handelen, veroorzaakte bij onze geestelijke ontwikkeling den strijd tusschen goed en kwaad.En vaag en onbestemd naar de bronnen van onze smart zoekende, voor zoover wij ze konden nasporen, en even als altijd personen in plaats van toestanden beoordeelend,—zooals een kind de tafel slaat als het zijn hoofdje stoot,—hebben wij, ras na ras, de vrouw als oorzaak van alle ellende beschouwd. Niet dat zij aanvankelijk het kwaad zou hebben uitgedacht,—de vage duivel was de verwijderde oorzaak,—maar de vrouw zou het over ons hebben gebracht. Pandora maakte de onheils-doos niet; maar koppig als zij was opende zij haar, niettegenstaande den wijzen raad van haar man. Eva plantte den appelboom niet; maar zij at van de vruchten en verleidde haar superieuren man. Het lijkt een kinderachtige en domme redeneering, maar er zit toch iets in. Ik bedoel niet de ergerlijke blaam en schande die de mannen, gedurende al deze eeuwen op hunne moeders geworpen hebben,maar de sociologische waarheid die er in schuilt.Niet de vrouw, maar de toestand der vrouw is altijd de oorzaak van het kwade geweest. De sexueel-economische verhouding heeft haar bij de maatschappelijke werkzaamheden buiten gesloten, waardoor en waardoor ook alleen de maatschappelijke deugden tot ontwikkeling kunnen komen. Zij mocht de hoedanigheden voor onzen ras-vooruitgang noodig niet verwerven; en in haar in ontwikkeling achtergebleven toestand heeft zij de deugden en de ondeugden behouden uit die ontwikkelingsperiode, waarin zij aan banden gelegd werd. In een periode van geïsoleerde economische werkzaamheden,—enkel dierlijk individualisme,—in een periode waarin maatschappelijke banden niet verder reikten dan tusschen bloedverwanten, werd de vrouw van de aanraking met de maatschappij afgesneden en bestemd voor de functioneele werkzaamheden van haar geslacht.Door haar op dezen primitieven grondslag van het economisch leven te houden, hebben wij de halve menschheid aan het uitgangspunt vastgebonden en de andere helft laten voortrennen. Wij hebben één soort van hoedanigheden in de eene helft van ons ras geoefend en aangekweekt, en een ander soort in de andere helft. En dan verwonderen wij ons over de tegenstrijdigheden in de menschelijke natuur. Bijvoorbeeld, wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten om mannen moedig te maken. Wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten, om vrouwen lafhartig te maken. En aangezien ieder menschelijk wezen uit man en vrouw geboren is, is het niet zoo verbazend vreemd dat wij een beetje van gemengden aard zijn.Wij hebben in de mannen de groote hoedanigheden aangekweekt die tot nut der maatschappij strekkenen die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden; wij deden dit door te prijzen of te berispen, te beloonen of te straffen, en met de hulp van wet en gewoonte. Door dezelfde middelen hebben wij de vrouwen geoefend in de kleine hoedanigheden van persoonlijk nut, die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden. Wij hebben daardoor een wezen gevormd, dat niet homogeen is, welks leven gevoed wordt door twee hereditaire stroomen, zoo ongelijk en tegen elkaar indruischend, als men zich maar met mogelijkheid kan voorstellen. Wij hebben een ras van geestelijke hybriden voortgebracht, en de geestelijke eigenschappen der hybriden zijn maar al te goed bekend.Teruggaande naar dat vroege begin, hebben wij, door de economische omstandigheden van mannen en vrouwen te doen verschillen, hun geestelijke ontwikkeling doen verschillen en de lichaamsgesteldheid van het ras uit de tegenstrijdige elementen van deze uiteenloopende karakters opgebouwd. Het tegenstrijdig gedrag van dit gekruist product is het raadsel van het menschelijk leven. Door dit kunstmatig onderscheid tusschen de beide geslachten te laten voortduren, hebben wij het raadsel, dat wij zoo moeilijk vonden op te lossen, steeds behouden en in onze eigen karakters de verwarring en tegenstrijdigheid bewaard, die ons grootste bezwaar in het leven zijn.Het grootste en meest radicale gevolg van het herstellen der economische onafhankelijkheid der vrouwen zal zijn, dat ten slotte de menschelijke geest helder wordt en kan harmonieeren. Met een homogene natuur, voortgekomen uit ouders van denzelfden graad van maatschappelijke ontwikkeling, zullen wij enkelvoudig kunnen voelen, helder zien, het eens zijn met ons zelf,de dienaar en de meester van ons eigen leven zijn, in plaats van in zulk een hopelooze verwarring te worstelen met hetgeen wij genoemd hebben “den dualistischen aard van den mensch.” Laat een beschaafd man met een oorspronkelijke wilde paren, dan zal hun kind een tweeslachtigen aard hebben. Laat een Anglo-Sakser met een Afrikaner of Oosterling paren en hun kind zal van tweeslachtigen aard zijn. Laat een of ander man van een hoog ontwikkelde natie, vol van de hoog ontwikkelde werkzaamheden van zijn ras en de daarmede gepaard gaande zedelijke hoedanigheden, huwen met een zorgvuldig dom gehouden, onontwikkeld vrouwelijk wezen, dat liefderijk aan zijn zijde gekoesterd wordt, en men krijgt tot resultaat dat wij allen zoo goed kennen,—de menschelijke geest in zijn bedroevende, goedgemeende pogingen, zijn blinde dwalingen, zijn stuipen van hartstocht, en tusschen al dit wankelen door, zijn schoonen en onophoudelijken drang tot een hooger leven.Wij zijn met dit resultaat volkomen bekend, maar tot dusver hebben wij de plaats nog niet bepaald waar de oorzaak gezeteld is. Wij hadden een flauw vermoeden dat de vrouw er iets mede te maken had; en men heeft haar, in vele eenvoudige rassen, dienovereenkomstig behandeld, tot haar verder nadeel en tot dat van alle menschen. Wij moeten echter inzien dat niet de vrouwen als een sekse verantwoordelijk zijn voor de slechte moeders in de wereld, maar dat de economische toestand van de vrouwen haar gemaakt heeft tot wat zij zijn. Indien de mannen in die omstandigheden geplaatst waren, zouden wij hetzelfde effect gekregen hebben. Niet de geslachts-verhouding, maar de economische verhouding van de geslachten heeft den draad van het menschelijk leven zoo verward.Behalve de essentieele gebreken van een natuur die niet in evenwicht is, werden door deze omstandigheden nog andere schadelijke hoedanigheden in de menschelijke karakters ontwikkeld. Gedurende ontelbare eeuwen hebben wij getracht, door teeltkeus en opvoeding, een angstige onderwerping in vrouwen te ontwikkelen. Wanneer er een “bij-de-handje” verscheen, dan bleef zij ongetrouwd, en dan verdween haar aard met haar, of zij werd door den een of ander Petruchio “getemd.” In haar afhankelijkheid van de persoonlijke gunst der mannen, hebben de vrouwen zich met buitengewone bekwaamheid aan haar bron van bestaan aangepast. Door de noodzakelijkheid van te moeten behagen, of zij het wenscht of niet, te moeten pleiten voor vergiffenis van haar kind, of te smeeken om genoegens voor zich zelf, heeft men “de gebreken van den slaaf” in deze dienstbode der wereld steeds behouden.Een andere strijd door den toestand van dienstbaarheid ontstaan, is die tusschen willen en doen. Een dienstbare stelt zijn tijd en kracht ter beschikking van den wil van een ander. Hij moet steeds gereed zijn te doen wat hem wordt bevolen, en de natuurwet van krachtsbesparing, om niet te spreken van zijn eigen bewust oordeel, verbiedt hem zenuwkracht te verspillen met plannen te beramen en te ondernemen, die hij waarschijnlijk toch niet mag uitvoeren. Hierdoor ontstaat een toestand van luiheid, tenzij er gedwongen gewerkt wordt, maar tevens een onhandelbare, grillige onbuigzaamheid in kleine zaken,—als reactie van een gedwongen onderwerping.Een gevaarlijker kracht, die meer de evolutie van het menschelijk karakter tegenhoudt, dan deze bestendige oefening van de gewoonten der dienstbaarheid in de helft der menschheid,—en de moeder van allen,—is nauwelijks denkbaar. De gevolgen werden natuurlijk gewijzigd, door dat de mannen anders dan de vrouwen werden opgevoed en een andere omgeving hadden, waardoor in hen tegenovergestelde hoedanigheden tot ontwikkeling kwamen en deze vermengd op de kinderen werden overgebracht.Erfelijkheid kent geen Salische wet. De jongen erft van zijn moeder evengoed als van zijn vader; het meisje van haar vader, evengoed als van haar moeder. Dit heeft de slechte resultaten, die ontstaan konden, ten deele tegengehouden, maar het heeft onze persoonlijke bezwaren vermeerderd en den algemeenen vooruitgang van het ras vertraagd.Doch erger dan de gevolgen waren van de belemmering van den lichamelijken arbeid der vrouwen, was het gevolg van de beperking van haar macht om voor zich zelf te mogen denken en te handelen. Het uitgebreide gebruik van den menschelijken wil verkrijgt men alleen door vrij en willekeurig handelen. De vrouw werd in nog onontwikkelden toestand lichamelijke vrijheid, de grondslag van alle kennis, onthouden; haar werd geestelijke vrijheid, de weg tot verdere wijsheid, niet verleend; haar werd zedelijke vrijheid, om meesteres over haar eigen daden te zijn en door de genadige wet van consequentie te leeren wat goed en wat slecht was, geweigerd; en dientengevolge bleef zij ten achter in de hoogere opvatting der zeden.Haar zedelijk gevoel is groot genoeg, ziekelijk groot zelfs, omdat zij in dit opzicht voor haar gedrag steeds gelaakt of geprezen werd. Haar fijngevoeligheid voor zedelijke handelingen werd zelfs in een broeikas gekweekt, maar het breede oordeel, waardoor alleen deze fijngevoeligheid bestuurd kan worden, bezit zij niet. Haar medewerking tot zedelijken vooruitgang heeft de wereldslechts het wreede besef van zonde en schande gegeven; de wanhopige wensch om goed te doen en de vrees om kwaad te doen, doch niet de hulp van een praktisch verstand en een geregelden wil. De vrouwen zijn, door met elke generatie de opgehoopte krachten van onzen socialen aard te erven, en door in elke generatie ten gevolge van haar bekrompen leven weder achteruit te gaan, krachtige, zelfbewuste middelpunten van zedelijke impulsie geworden, doch tegelijkertijd slechte gidsen voor het gedrag, en deze kunnen toch alleen die impulsie van nut zijn en het karakter van het ras verbeteren.Men heeft in latere jaren aangenomen dat de vrouw zedelijk hooger staat dan de man, omdat men in haar sterk het gevoel van kuischheid, de deugden van trouw, onderwerping en zelfopoffering,—eigenschappen die in de middeleeuwen tot de eerste deugden gerekend werden,—bewaard vond. Maar de onophoudelijke groei van het menschelijk leven, het sociale leven, heeft in den man nieuwe deugden ontwikkeld, die hooger en noodzakelijker waren; terwijl de zedelijke aard der vrouw, in het oorspronkelijk stadium van economische afhankelijkheid, een aanhoudende rem voor den vooruitgang van den menschelijken geest is. De voornaamste trek van haar leven,—beperking van haar plichten tot de liefde en hulp van haar naaste bloedverwanten—werkt op ons voortdurend als een rem, doordat zij den geest belet zich tot de sociale liefde en sociale diensten uit te breiden, waarvan ons bestaan afhankelijk is. Hierdoor worden wij op de zedelijke hoogte van het patriarchale tijdperk gehouden en worden onze oogen gesloten voor den vollen menschenplicht.Een sterk zelfbewustzijn, gevolg van den voortdurendenomgang met hetzelfde groepje menschen; een overdreven eigenbelang, gekweekt door aanhoudend aandacht te schenken en diensten te bewijzen aan die menschen; een koortsige, martelende, moreele fijngevoeligheid, zonder den breeden en helderen blik van een goed ontwikkeld zedelijkheidsbegrip; een gedwarsboomde wil, die dan eens dienst doet om zich gedwee over te geven, dan weder om listig iets te ontduiken of zich nutteloos te verzetten; een kinderlijk, weifelend, onbeteekenend oordeel, verkleind nog door aandoening; een veel te groote toewijding aan eigen bloedverwanten en een overdreven moederlijke hartstocht; zulke geestelijke hoedanigheden zijn de onvermijdelijke gevolgen van onze sexueel-economische verhouding.Wij kunnen de slechte gevolgen hiervan niet alleen bij de vrouw en door haar bij het ras bespeuren. Ook de man, als heer en meester, heeft er in zijn positie onder geleden. De begeerte om macht uit te oefenen en te heerschen, aan de mannelijke leden van elke diersoort eigen, werd door deze goedkoope en gemakkelijke heerschappij veel te sterk gevoed. De heerschappij van den man is geen gevolg van zijn geschiktheid daarvoor, of omdat hij in eerlijken strijd “zijn waardigen tegenstander” met gunstigen uitslag verslagen heeft, maar zij berust alleen op het toeval der geboorte, en hij heerscht over zulke hulpelooze en inferieure onderdanen, die niet in opstand komen of er zich tegen verzetten. De gemakkelijke heerschappij, die geen inspanning vereischt om haar te handhaven; de verzoeking om tot wreedheid te vervallen, als gevolg van macht zonder verantwoordelijkheid; trots en eigenzinnigheid welke er steeds mede gepaard gaan,—deze hoedanigheden zijn door de sexueel-economische verhouding bij de mannen aangekweekt.Toen de man zijn plaats moest handhaven door ruwe kracht, maakte dit hem ruwer: toen hij zijn plaats moest handhaven door koop, door de macht der economische behoeften, toen wendde hij deze macht zoo meedoogenloos aan, dat hij nog heden ten dage de kenmerken er van draagt.Een ander reusachtig kwaad, door deze verhouding veroorzaakt, is de zelfzucht. Het maatschappelijk leven tracht dit gevoel, dat niets anders is dan een verachterd individualisme, te overwinnen, maar door de sexueel-economische verhouding wordt het gevoed. Een wezen te hebben dat zich geheel wijdt aan zijn directen persoonlijken dienst, en hem op alle mogelijke wijzen zoekt te behagen en te voldoen, dat heeft den man, meer dan voor ons stadium van maatschappelijke ontwikkeling past, zelfzuchtig gemaakt. Zelfs in onze gekunstelde voorname kringen zijn de mannen verdraagzamer en beleefder en vriendelijker buitenshuis dan tehuis. Trots, wreedheid en zelfzucht zijn de fouten van den meester; en deze fouten worden in den boezem van het gezin versterkt door de valsche positie der vrouw. En elke menschelijke ziel, in de jeugd licht voor indrukken vatbaar, leeft in nauwe aanraking met deze toestanden. Onze kinderen moesten door de zeden van een beschaafde, vrije, ijverige, democratische eeuw omringd zijn; maar zij worden geboren en opgevoed in de zedelijke atmospheer van het patriarchale tijdperk. Geen wonder dat het dan wat lang duurt eer wij in staat zijn van de groote gaven en voorrechten der democratie te kunnen genieten, de volle maatschappelijke waardigheid en maatschappelijken plicht te voelen, nu ieder onzer wordt groot gebracht in de vesting van oude en verouderde aandoeningen,—in het economisch verwante gezin.Zoo kunnen wij, als gevolg van de sexueel-economische verhouding der menschen, niet alleen bepaalde gebreken in hun geestelijke ontwikkeling opsporen, op verschillende wijze in mannen en vrouwen ontstaan doch gelijkelijk op de kinderen overgebracht, maar ook de aangeboren karaktervorming deugt niet, wegens de samenvoeging van twee zoo verschillend geestelijk gevormde menschen;—het menschelijk karakter is daardoor dikwijls van den aanvang af duister en verwrongen. Wij worden naar lichaam en geest benadeeld door te ongelijke trekken van de te zeer uiteenloopende karakters der ouders over te erven, maar het nadeel komt hier duidelijker aan het licht dan bij den zedelijken aard van het ras.Toch kunnen wij ook hier, evenals met de andere slechte gevolgen wan de sexueel-economische verhouding, het bijkomende goede zien dat dezen toestand in zijn tijd noodzakelijk maakte, en wij kunnen met gemakkelijke zekerheid de schoone resultaten van onze tegenwoordige verandering volgen. Een gezond, normaal zedelijk gewoel, bevrijd van zijn overdrijvingen en tegenstrijdigheden, zal ons deel worden; en met een helder besef zullen wij ons de ethische processen niet langer voorstellen als iets dat boven- en tegennatuurlijk is, maar als de natuurlijkste zaak der wereld.Terwijl wij ons nu inspannen en kwellen om onmogelijke deugden te erlangen, zullen wij dan gemakkelijk en als van zelf deze eigenschappen verwerven, zonder er zelfs over te denken dat dit iets bijzonder prijzenswaardigs is. Terwijl onze vooruitgang tot nu toe zoo belemmerd werd door den invloed van rudimentaire krachten uit vroegere levensperioden, zal hij dan effen en snel voorwaarts schrijden, zoodramannen en vrouwen in economische verhouding gelijk staan. Zoodra de moeder van het ras vrij zal zijn, zullen wij in een beter wereld leven, door het ongedwongen recht van geboorte en door de geleidelijke, langzame, vreedzame krachten der maatschappelijke evolutie.
XIVDe verandering in opvatting en uitdrukking van ons huiselijk leven, zoo snel en krachtig rondom ons plaats grijpend, sluit vele ver-reikende gevolgen in, die alle bevorderlijk zijn aan den menschelijken vooruitgang. Niet de minste van deze is de verbetering in de samenstelling van het maatschappelijk verkeer.Deze behoefte der beschaving was in vroeger tijd onbekend, toen familie-omgang voldoende was voor allen en toen elke verdere aanraking tusschen individuen oorlog beteekende. Handel en het daaruit voortvloeiend reizen voor zaken, de specialisatie van arbeid en de verspreiding van zijn producten, en alle verdere ontwikkeling, hebben een ruimer en vrijer en herhaaldelijker omgang ten gevolge gehad van de tallooze individuen, wier onderlinge handelingen de maatschappij vormen. Slechts kort geleden en nog maar gedeeltelijk, hebben de vrouwen als individuen aan dit onderling maatschappelijk verkeer deelgenomen, en toch maakt dit de wezenlijke voorwaarde uit voor ware beschaving. Het maatschappelijk verkeer bestaat niet voor ons genoegen, maar als een noodzakelijkheid voor den mensch.Voor vrouwen als individuen is het een steeds grooter wordende eisch om mannen en andere vrouwen als individuen te ontmoeten, zonder juist in familiebetrekking tot hen te staan. Als een sociale behoefte moet er noodzakelijk eenige vorm aan gegeven worden; maar de juiste ontwikkeling er van wordt thans nog sterk belemmerd door de haar aanklevende vormen vanhuiselijke en maatschappelijke gewoonten, die hun ontstaan danken aan de sexueel-economische verhouding. De eisch van een vrijer en ruimer maatschappelijken omgang tusschen de beide seksen berust hoofdzakelijk op een wederzijds gevoelde behoefte; doch in het hedendaagsche leven is dit een veel reiner gevoelde en hooger opgevatte aandoening geworden dan zij aanvankelijk was, toen nog slechts één behoefte en één wijze om daaraan te voldoen bestond. Thans eischt deze behoefte dringend een betere regeling van onze levenswijze.In sociale evolutie, evenals in andere evolutiën, ontgroeien wij slechts langzaam aan den uiterlijken vorm passend voor de vroegere behoeften; en de overgangsperiode, zoolang de nieuwe functiën tastend rondzoeken door de oude organen en die eerst langzamerhand tot een werktuigelijke uiting kunnen dwingen, is steeds onvermijdelijk pijnlijk. Voor zoover onze ontwikkeling thans gevorderd is,—nog steunende op een diep gewortelde overtuiging dat de wereld alleen uit gezinnen is samengesteld en de regeling der zaken noodzakelijk het belang dezer gezinnen moet bevorderen,—hebben wij er nauwgezet naar gestreefd het familie-belang te bevorderen en het familie-leven te veraangenamen en zijn daarbij onbewust of onwillekeurig gedwongen geworden, voor individuen slechts voorbijgaande maatregelen te nemen. Wat niet strekte tot bevordering van het familieleven, maar wel om te gemoet te komen aan de behoeften van individuen, op dat tijdstip in geen familie-verhouding levende, werd steeds in beginsel krachtig bestreden, ofschoon men gedwongen werd in de praktijk er aan toe te geven.Nog heden worden er ernstige en humoristische artikelen geschreven, met het doel te protesteerentegen de toenemend weelderige en gemakkelijke inrichting der gehuurde vertrekken voor ongehuwde mannen, even als men te velde trekt tegen de financieele onafhankelijkheid der vrouwen, op grond dat deze omstandigheden het huwelijk en het familieleven tegengaan. De meeste mannen doorleven tegenwoordig een tijdruimte van misschien tien jaren, dat zij op zich zelf staande menschen zijn; zaken roepen hen uit het ouderlijk huis en veroorloven hun voorloopig niet een nieuw gezin voor zich zelf op te bouwen. Ook vrouwen treden elk jaar meer en meer een gelijke individueele levensperiode in. En er is een zeker vast percentage van individuen, “oneven nummers” en “gebroken stellen”, die in het familieleven overschieten of achtergebleven zijn; en ook dezen moeten leven.Het familiehotel, het pension, de club, de gehuurde kamer en het restaurant zijn tegenwoordig de toevlucht voor deze groote en steeds grooter wordende klasse. Het zijn menschen, die voor zekeren tijd ergens willen wonen, soms voor jaren, doch die niet gehuwd zijn of op andere wijze een gezin bezitten. Omdat huiselijk leven in onzen geest onafscheidelijk verbonden is met huwelijksleven, een woning verondersteld wordt een gezin te bevatten en een gezin een hoofd te hebben, zijn zulke alleenstaande personen niet bij machte eenig huiselijk leven te leiden en worden daarom verplicht het ongerief, de schade, de duurte, de dikwijls onhygienische en somtijds onzedelijke invloeden van onze plaatsvervangende hulpmiddelen te verdragen.Het menschelijk ras eischt thans dat er voorzien wordt in de behoeften van individuen, afgescheiden van hun geslachts-verhouding. Wij dwalen wanneer wij meenen dat alleen gehuwde menschen en hunne onmiddellijke verwanten eenig recht hebben om incomfort en in een gezonde omgeving te leven. Ieder mensch heeft behoefte aan een woning,—ongehuwde, echtgenoot, weduwnaar, meisje, vrouw, weduwe, jong en oud. Zij hebben er behoefte aan van de wieg tot het graf, zonder dat dit iets met hunne geslachts-verbintenissen te maken heeft. Wij moesten de woning en het comfort der menschheid zoodanig inrichten en opbouwen dat het huwelijk er niet door benadeeld wordt, doch dat zij ook niet van het huwelijk afhankelijk waren. Door de werkzaamheden van het huiselijk levenberoepsmatigte doen uitoefenen, met kamers en suites van kamers en huizen voor een of meer personen verkrijgbaar, zouden wij ongehuwd kunnen leven, zonder iets van het aangename van een eigen woning of van de gewone gezelligheid op te offeren; wij zouden onze familie kunnen verliezen, zonder daarom beroofd te worden van de genoegens van het huiselijk leven; wij zouden kunnen huwen in vrijheid en geluk, zonder eenige verandering te brengen in de economische basis van een der betreffende partijen.Gehuwde lieden zullen wel altijd aan een gezamenlijke woning de voorkeur geven en die kunnen zij hebben; maar groepen van vrouwen of groepen van mannen zouden ook een gezamenlijke woning of aangrenzende kamers kunnen hebben, indien zij dat wenschten. Doch zelfs alleenstaande personen zouden een woning voor zich zelf kunnen hebben, zonder dat zij daarom ook de drukte van een huishouding op hun schouders behoeven te laden.Indien men de keukens uit de woningen neemt, houdt men kamers over voor elken regelingsvorm geschikt; men kan die kamers bewonen zonder dat dit beteekent “huishouding” doen. Het persoonlijk karakter en de smaak zouden met zoo’n levenswijze tot bloei kunnenkomen als nooit te voren; de woning van elk individu zou ten slotte de persoonlijkheid van den bewoner uitdrukken, en de vereeniging van twee personen tot een huwelijk zou niet noodzakelijk het dooreen gooien van de geheele uiterlijke inrichting van hun leven ten gevolge hebben,—een zaak waarbij steeds veel van de teederheid en frischheid der liefde verloren gaat. Het gevoel van levenslange vrijheid en van vrede in en duurzaamheid van iemands eigen woning zal er veel toe bijdragen de persoonlijke levensverhoudingen te louteren en te verheffen, maar nog meer de maatschappelijke verhoudingen te versterken en uit te breiden. Het individu zal leeren zich zelf een samenstellend deel van het maatschappelijk gebouw te voelen, in nauw, rechtstreeksch en bestendig verband staande met de behoeften en eischen der maatschappij.Dit is voor vrouwen bijzonder noodig, omdat men haar meestal alleen beschouwt, en zij zelf doen het ook, als deelen van gezinnen, niet in staat om op zich zelf gelukkig te leven. De overtuiging, dat zij voor haar geheele leven rust en vrede kunnen vinden, zelfs zonder dat zij trouwen,—en dat zij die ook kunnen vinden indien zij trouwen,—zal een kalmte en kracht in haar ontwikkelen, die haar zelf en de wereld zeer ten goede zal komen. Het is een schitterend bewijs hoezeer de bestaande huwelijksvorm het karakter prikkelt en den mensch onvoldaan laat, dat de vrouwen door de behoefte aan voedsel en kleederen en de mannen door de behoefte aan keukenmeiden en huishoudsters er toe gedwongen moeten worden. Wij zijn bespottelijk bang, dat mannen en vrouwen, indien zij hun levensbehoeften op andere wijze dan door het huwelijk kunnen verkrijgen, voor de huwelijks-verhouding hartelijk zullen bedanken. En dan bezingen wij nog bewonderend de macht der liefde!Wij mogen waarlijk hopen, dat het meest te waardeeren gevolg van de verandering in den grondslag van het leven, liefde en huwelijk zal reinigen van dit lage bijvoegsel van financieel belang en persoonlijk gemak; en dat mannen en vrouwen, eeuwig tot elkaar aangetrokken door de sterkste kracht in de natuur, ten laatste in staat zullen zijn elkander op het gebied van zuivere en volmaakte liefde te ontmoeten. Wij maken onze eigen idealen, ons diepste instinkt, onze hoogste overtuiging te schande door deze grove verdenking, dat het edelste ras op aarde niet zou willen paren, of ten minste niet monogaam zou willen paren, tenzij het gekocht en gelokt wordt door de gewone dierlijke behoefte aan voedsel en dekking, en geketend wordt door gewoonte en wet.De innigheid, de reinheid, de bestendigheid der huwelijksverhouding berusten op de noodzakelijkheid dat beide ouders voor de kinderen langdurig zorg moeten dragen,—een gevolg van de ontwikkeling van het ras, waaraan wij nooit kunnen ontsnappen. Wanneer ouders zich minder zullen uitsloven om voedsel te verkrijgen en het te koken, om meubelen te verkrijgen en ze schoon te houden, dan zullen zij misschien meer tijd vinden om nieuwe gedachten en nieuwe inspanning aan de verzorging hunner kinderen te wijden. Het kind heeft hooger behoeften dan aan een boterham en een bed; dit zijn alleen ras-behoeften die het met zijn geheele soort gemeen heeft. Het heeft veel meer behoefte—en aan deze wordt minder voldaan—aan het gezelschap van, en de vereeniging, de persoonlijke aanraking met zijn vader en zijne moeder. Wanneer vele van de tegenwoordige werkzaamheden uit het huis verwijderd zijn, dan zullen wij den tijd vinden en misschien ook den lust om werkelijk met onze kinderen kennis te maken. Het zal ons dantoeschijnen dat zij niet zoo zeer schepselen zijn die bewaakt, als wel menschjes die begrepen willen worden. Even als door de burgerlijke en militaire bescherming der maatschappij reeds sedert lang de tand-en-klauw-verdediging van wreede ouders werd afgeschaft, zonder dat daardoor de familieband in gevaar gebracht werd, zoo zullen ook de economische veranderingen in de maatschappij, die aan het tehuis brengen van voedsel door de ouders een einde zullen maken, geen slechte gevolgen voor de liefde en achting in het gezin medebrengen. Deze primitieve behoeften en de primitieve wijze om er aan te gemoet te komen, hielden de familie-verhouding ongetwijfeld op een zeer laag standpunt; maar zij liggen reeds gedeeltelijk achter ons en de band tusschen ouders en kinderen werd door de verandering niet verzwakt, maar integendeel versterkt.Hoe meer wij aan deze lage toestanden ontgroeien, des te volkomener zullen wij de dieper en hooger verhoudingsvormen kunnen verwezenlijken, welke de kracht en den lust van het menschelijk leven uitmaken. Goed en voortdurend voor de veraangenaming van het individueele leven te zorgen, zal niet de kracht vernietigen waardoor mannen en vrouwen zich tot elkander voelen aangetrokken, of die de kinderen aan de ouders bindt; doch het zal deze verhoudingen reiner en sterker maken en tot een hoogte opvoeren, welke wij eenigszins kunnen afleiden uit het resultaat, door zulke veranderingen in sommige gezinnen reeds tot stand gebracht. Door de individuen, oud en jong, van den dwang te bevrijden om deel van een gezin uit te maken en hun te veroorloven vrij in de maatschappij te leven, werken wij bovendien krachtig mede aan de ontwikkeling van het ware maatschappelijk verkeer.De tegenwoordige economische grondslag van hetfamilieleven houdt onzen vriendschappelijken en gemeenzamen omgang binnen enge grenzen. Het is thans alleen mogelijk met families om te gaan en families te bezoeken in plaats van om te gaan met individuen; en het toenemend persoonlijk verschil der individuen maakt het hoe langer hoe onmogelijker dat alle leden van een zeker gezin den bezoeker behagen of behagen vinden in hem. Zoolang wij op den tegenwoordigen grondslag blijven voortleven belemmeren wij den vrijen omgang en brengen de familieverhouding dikwijls in pijnlijke spanning. De verandering der economische verhouding in de gezinnen, van de geslachts-basis tot de maatschappelijke basis, zal een ruimer individueelen omgang mogelijk maken, zonder dat hiermede een breuk der familiebanden vergezeld behoeft te gaan.Men heeft den drang der familieleden, hun toenemenden wensch naar een algemeener en persoonlijker maatschappelijken omgang enkel toegeschreven aan dorst naar genoegens, en daarom meenden de moralisten er krachtig tegen te velde te moeten trekken. Zij beweerden dat de hoogste vorm van omgang, omgang met eigen familieleden was en dat de wensch om ruimer en gemakkelijker met anderen te kunnen verkeeren uit onwaardige gevoelens voortsproot. “Hij is goed voor zijn gezin;” zeggen wij vol bewondering van den man die s’avonds niets meer verlangt dan zijn courant en zijn pantoffels; en voor de vrouw, die durft bekennen dat zij nog ander gezelschap wenscht dan haar man, hebben wij slechts één naam. Ook voor de kinderen geldt dit. Onophoudelijk spannen wij ons in “de jongens tehuis te houden”, “het tehuis aantrekkelijk te maken”, opdat ons oud ideaal, het patriarchaal ideaal, een wereld van gezinnen en niets anders, gehandhaafd blijft.Maar wij leven in een wereld van personen zoowelals van gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij geboren zijn, ofschoon geboren in gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij de gezinnen verlaten hebben en nog personen, zelfs wanneer wij een nieuw, ons eigen gezin, gevormd hebben. Als personen hebben wij in elke generatie meer, behoefte ons met andere personen te vereenigen. Het is zeer interessant op te merken hoe deze behoefte zich steeds deed gevoelen en zich zelf, door reine en onreine middelen, in de voorafgaande duistere eeuwen heeft trachten te helpen. Door onze onzinnige overdrijving van de geslachtsverhouding hebben wij ruwweg voorondersteld, dat de wensch naar vrijer menschelijken omgang beteekende een vrijer geslachts-verhouding en daarom moest tegengegaan worden; evenals men het in Spanje voor zeer onverstandig hield vrouwen te leeren schrijven, omdat zij dan gemakkelijker met hun minnaars konden omgaan en zoodoende de grondslagen der maatschappij aan het wankelen zouden kunnen brengen.Zoodra echter onze geslachts-verhouding door de economische onafhankelijkheid der vrouwen gezuiverd en geregeld is, zoodra geslachts-aantrekking niet langer een verterende koorts is, die onze maatschappij voortdurend in beroering brengt, zullen wij niet meer tevreden neerzitten bij een half dozijn bloedverwanten, als onzen eenigen maatschappelijken cirkel. Wij zullen elkander dan meer, niet minder, noodig hebben en wij zullen de behoefte aan maatschappelijk verkeer erkennen en beschouwen als het hoogste recht van hen, die het hoogste ras op aarde zijn.De kracht, waardoor vrienden zich tot elkander voelen aangetrokken is een hoogere dan die welke de seksen tot elkander brengt,—hooger in dien zin, dat zij bij een latere ras-ontwikkeling past. “De liefde vanvrouwen overtreffend”, is geen onbeteekenende phrase. Kinderen hebben elkanders omgang noodig, zoo ook jonge menschen. Menschen van middelbaren leeftijd hebben elkanders omgang noodig, oude menschen eveneens. Wij hebben elkander allen noodig, veel en dikwijls. Even als ieder mensch behoefte heeft aan een plaats waar hij alleen kan zijn, zoo hebben alle menschen eveneens behoefte aan een plaats van samenzijn; van de twee die elkaar ongestoord hun innigste gewaarwordingen willen toevertrouwen, tot het grootst aantal dat zich in harmonie kan verzamelen en bewegen.Menschheid beteekent samenzijn, terwijl onze levenswijze, waaraan wij ontegenzeggelijk ontgroeid zijn, ons apart houdt. Hoe vele menschen, indien zij het feit onder de oogen durven zien, hebben niet dikwijls hopeloos verlangd om hunne vrienden op betere wijze te kunnen ontmoeten, hun eigen ware vrienden, verwanten door den geest, indien niet door het lichaam.Doch wij, levende in de verhitte atmospheer van onzen overseksten geest, hebben de menschen steeds als een ras van beesten uitgeschilderd, wier eenige wensch tot samenzijn gebaseerd is op den grooten, overwerkten hartstocht, en die alleen van gemengde nachtelijke zwelgpartijen teruggehouden worden door dat zij aan huis gebonden zijn. Dit is onwaar! Het is zelfs nu in onzen over-seksten toestand niet waar. En het zal nog minder waar zijn, wanneer wij van den kunstmatigen druk der sexueel-economische verhouding verlost zullen zijn en ons weder natuurlijk kunnen ontwikkelen.Mannen, vrouwen en kinderen hebben behoefte aan vrijheid om op een menschelijken grondslag samen te komen, dat wil zeggen, dat zij in hun dagelijksch leven en door hunne bezigheden bijeenkomen, zonderbepaald doel, en niet opzettelijk elkander behoeven op te zoeken. Wij weten allen hoe prettig de kennismaking en de innige vriendschap is die ontstaat, wanneer menschen op natuurlijke wijze samen worden gebracht, op de school, aan de universiteit, op een werkplaats, aan boord van een schip, in den trein, op een gezamenlijk uitstapje, in zaken. De maatschappelijke behoefte van beide partijen aan een algemeene, functioneele ontwikkeling van het maatschappelijk verkeer is een uitgemaakte zaak en gemeenschappelijke functioneele werkzaamheden bieden daarvoor op natuurlijke wijze de gelegenheid.De reden waarom vriendschap voor mannen meer beteekent dan voor vrouwen en waarom de mannen zich veel gemakkelijker en vrijer vereenigen, ligt in de omstandigheid dat zij zooveel verder in de ras-functiën ontwikkeld zijn en dat zijsamen werken. Het natuurlijk verbond van gemeenschappelijke inspanning en gemeenschappelijke ontspanning is de beste bron voor vriendschap. Alleen door een aantal menschen in een zelfde vertrek bijeen te brengen, om de kubieke ruimte, als het ware, met hunne lichamen te vullen, daardoor brengt men hunne zielen niet tot elkander. Onze tegenwoordige vereenigingswijze, in het bijzonder die der vrouwen, is zeer onvoldoende. Zij kleeden zich en brengen elkaar een kort bezoek. Dit kort bezoek wordt evenzoo beantwoord. Of zij zetten veel voedsel gereed en verzoeken veel menschen om het te komen opeten; of een danspartij, muziek of voordracht is het lokmiddel voor hun bijeenkomst. Maar zulke menschen ontmoeten elkander niet werkelijk. Zij doorleven op deze wijze heele leeftijden, zonder ooit kennis met elkaar gemaakt te hebben. Wij dorsten thans naar een voller en eerlijker maatschappelijken omgang, maar onze samenleving verschaftons thans de middelen nog niet om dien dorst te lesschen.Mannen hebben onderling in deze behoefte ruimschoots voorzien; maar tusschen vrouwen onderling of tusschen mannen en vrouwen bestaat nog geen vrije omgang. Mannen ontmoeten elkaar vrij bij hun werk, terwijl vrouwen alleen werken. Maar het verschil komt nog sterker uit bij hun spelen. “Meisjes hebben nooit eenige pret”, zeggen de jongens verwijtend, en zij hebben gelijk. De pret die de meisjes hebben, moet, evenals haar boterham, langs de geslachts-lijn komen. Mannen moeten haar het vermaak verschaffen, evenals zij haar al het overige verschaffen, De mannen hebben de wereld gevuld met spelen en sport, van de edele worstelperken der Olympische spelen tot de geest en lichaam versterkende sport van heden; goede, slechte en onbeteekenende sport. Door alle eeuwen heen hebben de mannen gespeeld en de vrouwen toegezien, als zij daartoe ten minste uitgenoodigd waren. Zelfs de prettige bezigheid om mannen te zien spelen was haar ontzegd, tenzij zij door de deelnemers daarvoor gevraagd werden. De “koningin van het bal” blijft een muurbloempje, totdat zij door den koning ten dans gevraagd wordt.Zelfs thans, nu vele gymnastische spelen voor vrouwen open staan, nu zij zich kunnen oefenen in tennis en golfspel en al de overige vermaken, zijn de kansen om te spelen voor beide seksen toch nog niet gelijk. Een goeden speelmakker te wenschen, is niet hetzelfde als het gezelschap van de andere sekse te begeeren, en toch hangt de vervulling van den wensch van een meisje om een goede tegenpartij bij haar spel te hebben, sterk af van haar macht tot geslachts-aantrekking; dit is een andere van de vele betreurenswaardige uitingen dier macht. De wensch om elkander te ontmoeten, wordt door ons uitgelegd als: ”hij” wenscht”haar” te zien, of ”zij” wenscht ”hem” te zien. De ontspanning en het pleizier van de menschen is zoo verward met de geslachts-afhankelijkheid der vrouwen van mannen, dat vrouwen gedwongen worden naar “hofmakerij” te streven, als zij in waarheid niets anders wenschen dan zich te amuseeren; en zoolang wij de vereeniging der geslachten in die richting dringen, houden wij een heilzamer samenkomen tegen.Zelfs onze kleine kinderen worden bij hun spel zorgvuldig geoefend het geslacht te doen uitkomen; en op verschil in gedrag van jongens en meisjes wordt sterk en aanhoudend aangedrongen, nog voor dat een van hen aan het bestaan van zulk een verschil denkt. Wanneer meisjes en jongens samen spelen, worden zij zoo door anderen geplaagd en moeten zij zooveel aanmerkingen hooren, dat dit alleen reeds elken gezonden vriendschapsband tegenhoudt en aanleiding geeft tot een vroegtijdig geslachts-bewustzijn. Jonge mannen en jonge vrouwen wordt toegestaan meer of minder vrij samen te komen, maar altijd op een strenge geslachts-basis, want vriendschap tusschen mannen en vrouwen wordt als iets belachelijks aangemerkt. Iedere gezonde jongen en ieder meisje neemt dit kwalijk en tracht een vrije, natuurlijke verhouding te vormen; maar de maatschappelijke druk hiervan is moeilijk te dragen. Zij mag zooveel “beaux” hebben, als zij omarmen kan; hij mag aan zooveel meisjes als hij wil “attenties bewijzen”, maar op die wijze alleen mogen zij elkaar ontmoeten.Het staken van alle vriendschapsbezoeken zoodra een van beide partijen verloofd is, bewijst den aard van dien band. Wanneer hij eenmaal een keuze voor een huwelijk gedaan heeft, waarom zou hij dan nog andere meisjes bezoeken? Wanneer zij eenmaal den mangevonden heeft die haar wil trouwen, waarom zou zij dan nog met andere mannen omgaan? Die “bezoeken” en die “omgang” waren alleen maar onderzoekende voorbereidingen voor een mogelijk huwelijk. En na het huwelijk wordt verondersteld dat de vrouw geen anderen man dan haar echtgenoot wenscht te zien en de echtgenoot geen andere vrouw dan de zijne. In sommige landen keert men deze regeling om, door meer maatschappelijke vrijheid aan gehuwde lieden toe te staan, maar die gewoonte gaat vergezeld van een totaal gemis aan vrijheid vóór het huwelijk, waaruit zoowel in het huwelijksleven als in het maatschappelijk leven zeer twijfelachtige resultaten verkregen worden. In de hooger maatschappelijke kringen heeft altijd na het huwelijk meer vrijheid van socialen omgang tusschen de beide geslachten bestaan; maar in het algemeen van Amerika gesproken, na de periode van de bezoeken vóór het huwelijk vinden er zeer weinig natuurlijke en ernstige kennismakingen tusschen mannen en vrouwen plaats.Zelfs de vriendschap welke tusschen man en vrouw kan bestaan hebbenvóórhet huwelijk, wordt dikwijlsinhet huwelijk met zijne economische verwikkelingen spoedig verwoest. Zij hebben dan geen tijd meer om over vraagstukken te spreken zooals vóór hun huwelijk; zij zijn te veel bij elkander en stellen te diep belang in de technische en financieele zaken, hun nieuwe huishouding betreffende. Dit werkt de ontwikkeling van hooger en reiner verhoudingen tusschen mannen en vrouwen bestendig tegen en leidt er toe, hen op denzelfden primitieven voet van geslachts-vereeniging te houden.Een jong man gaat naar een stad om te leven en te werken. Hij heeft even goed behoefte aan het gezelschap van vrouwen als van mannen. Voorheen had hij zijnmoeder, zijne zusters en hare vriendinnen, zijne schoolkameraden. Nu moet hij onze onvrije sociale toestanden onder de oogen zien. Hij mag twee soorten van vrouwen bezoeken, degenen die wij “goed” noemen en degenen die wij “slecht” noemen. (Deze indeeling berust slechts op één zedelijke eigenschap en dat is een geslachts-eigenschap). Natuurlijk verkiest hij de goeden. De goeden zijn weder verdeeld in twee soorten, gehuwden en ongehuwden. Indien hij een gehuwde vrouw dikwijls bezoekt, wordt er aanmerking op gemaakt; dit vindt hij onpleizierig en laat het daarom na. Bezoekt hij een ongehuwde vrouw dikwijls, dan wordt er ook aanmerking op gemaakt; hij wordt dan beschouwd “bedoelingen” te hebben. De beste middenweg is een aantal ongehuwde vrouwen te bezoeken en de attenties zoo omzichtig te verdeelen, dat niemand ze zich persoonlijk kan aantrekken.Nu treedt hij in de eerste phase van onze sexueel-economische verhouding: hij kan zelfs geen meisje vrijelijk bezoeken of het kost hem geld. Het meisje enkel in den familiekring te ontmoeten kan toch moeilijk verondersteld worden als door een der beide partijen gewenscht. Men ontmoet niet een half dozijn menschen van verschillenden leeftijd en van beide seksen zooals men een vriend alleen ontmoet. Te trachten haar alleen te zien, wordt als een “bedoeling” beschouwd. “Haar mede uit te nemen”, kost geld en hij betaalt het graag. Maar hij kan dit niet te dikwijls doen, of hij wordt beschouwd “ernstige bedoelingen” te hebben, en elke stap van de verdere kennismaking wordt uit een sexueel oogpunt beschouwd en gekritiseerd.Er bestaat geen natuurlijk, eenvoudig middelpunt van maatschappelijk verkeer tusschen mannen en vrouwen. De jonge man zal weldra ontdekken dat zijne bekendheidmet vrouwen zeer hoog in zijn zakboekje genoteerd staat. Het geld dat hij voor het huwelijk zou kunnen bewaren, wordt nu voor deze verschillende voorbereidingen gebruikt. Wanneer hij ziet waarvan de vrouwen houden en hoeveel het kost ze te bevredigen, dan wijkt zijn hoop op een huwelijk al verder en verder naar den achtergrond. De periode waarin hij als individu moet leven duurt langer en hij gewent zich aan oppervlakkige kennismaking met veel vrouwen, hij leert haar van de meest onbeteekenende zijde kennen, zonder gelegenheid te hebben tot het vormen van een oprecht verbond en ware vriendschap. Is het dan te verwonderen dat de andere soort vrouwen, die ook geld kosten, dat is waar, maar die geen voortdurende verplichting medebrengen, zulk een bestendige factor in ons sociaal leven zijn geworden? De sexueel-economische verhouding bevordert de ondeugd op meer dan één wijze.De economische onafhankelijkheid der vrouw zal al deze omstandigheden veranderen even natuurlijk en onvermijdelijk als haar afhankelijkheid ze ingevoerd heeft. Door zich te wijden aan een of anderen tak van nijverheid zal zij meer persoonlijkheid en minder sexualiteit ontwikkelen, en hierdoor zal de druk op de geslachts-verhouding verminderen, zoowel in mannen als in vrouwen. De nieuwe levenswijze en het nieuwe karakter dat er aan gegeven wordt, zal in ons maatschappelijk verkeer de vereeniging van menschen ten volle tot ontwikkeling brengen. Wanneer de eigen woning inderdaad een privaat leven mogelijk maakt en niet langer de maatschappelijke en industrieele horizon der vrouw is; wanneer de werkplaatsen overal—het gebied der vrouw zoowel als van den man,—huiselijk en gezellig worden door haar invloed; en wanneer mannen en vrouwen zich gezamenlijk vrij bewegen bij de uitoefeningder gemeenschappelijke rasfunctiën,—dan zal de stroom van het menschelijk leven door nieuwe kanalen gaan.Dan zullen de vrouwen zich niet meer hoofdzakelijk bewegen van de geïsoleerde woning naar den geïsoleerden winkel en terug, in een wereld die uit elkander gerukt en in tweespalt gebracht wordt door de zelfzuchtige voortbrenging van het eene geslacht en het zelfzuchtig verbruik van het andere; dan zullen wij leven in een wereld van mannen en vrouwen, die even goed menschelijk als geslachtelijk vereenigd zijn, en die tezamen voor het algemeen welzijn werken, wat hun ware bestemming is. De woning zal dan niet langer een economische éénheid zijn, waar de vervelende huishoudelijke werkzaamheden heel gemeen gauw aan toegevoegd zijn, maar zij zal een vredige uitdrukking zijn van persoonlijk leven, wanneer dat zich uit de maatschappelijke omgeving terugtrekt; en voor aanraking met de maatschappij zal gezorgd worden door de vele plaatsen van samenkomst, die door de organisatie der huiselijke werkzaamheden noodig geworden zijn.De vereenigings-kamer is inderdaad een even groote behoefte voor het menschelijk leven als de afzonderingskamer,—geen balzaal of theater, waar men voor een bepaald doel moet uitgenoodigd worden, maar groote gemeenschappelijke leesmusea en conversatie-kamers, bad-inrichtingen en gymnastiek-zalen, werk- en speelkamers, waarin beide geslachten op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel toegang hebben, en waar zij vrij kunnen bijeen komen om uiting te geven aan algemeen menschelijke gevoelens. De soort gebouwen, door de organisatie der huiselijke werkzaamheden ontstaan, zullen ook voor deze plaatsen moeten zorgen. Zij zullen afzonderlijke kamers voor individuen en afzonderlijkewoningen voor gezinnen moeten bevatten, doch de gemeenschappelijke zaal, de kamer voor allen, mag er evenmin ontbreken. Zij behooren een plaats voor de kinderen te hebben, ontworpen en bedoeld als prettige speelplaats van veel kinderen voor veel jaren, een woning zooals kinderen tot nu toe nooit gehad hebben. Eveneens moeten er gezelschapskamers voor jonge en oude menschen zijn, waarin men even natuurlijk bijeenkomt alsof men in zijn eigen kamer gaat, zonder moeite, navraag of aanmerking.Zulk een inrichting zou een vrije vereeniging, op gemeenschappelijk belang gebaseerd, onder ons mogelijk maken, en door de natuurlijke en gemakkelijke samenvloeiing zouden wij veel hooger eigenschappen ontwikkelen, dan nu met de inspanning om in onze tegenwoordige kringen elkander zonder bepaald doel te bezoeken, mogelijk is. Het zou voor de vrouwen veel gemakkelijker worden den rechten man te kiezen. Zij zouden de mannen in hun dagelijksche werkzaamheden en ontspanning kunnen gadeslaan en leeren kennen, waartoe zij nu ten eenenmale de gelegenheid missen. De koopkracht van den man, welke hem nu den gemakkelijksten weg verschaft om aan zijn geslachts-lust te voldoen, zou dan hierop zonder invloed zijn. De vrouw, ontwikkeld door een vrij en nuttig leven, helder van hoofd en open van oog,—een vrouw nog, maar een zelfstandig wezen tevens,—die als meisje opgevoed werd tot economische onafhankelijkheid en vrij mocht omgaan met jonge mannen in gemeenschappelijk spel en werk, zal geleerd hebben edele mannen naar waarde te schatten.De jonge man, wetende dat hij zijne tekortkomingen niet langer met een gekleede jas kan bedekken en dat hij niet meer alles mag doen eenvoudig op boete vaner voor te betalen, die eigenlijk ook niet veel kwaad meer kan doen, omdat de vroegere gelegenheid en aansporing ontbreken, zal, voortdurend bijgestaan en bezield door den vriendschappelijken omgang met eerlijke en ernstige vrouwen, met al de kracht die de natuur hem biedt zich kunnen verheffen, in plaats van, zooals nu, steeds met geweld naar omlaag gerukt worden.Wanneer de druk van ons over-ontwikkeld geslachts-instinkt uit de wereld verwijderd is, kan en zal de man, rein en sterk geboren uit edelhartige, edeldenkende en edelgebouwde moeders, groot gebracht met de uitgebreide kennis van de nieuwe opvatting van het moederschap, en dagelijks in vrijen omgang levende met de beste vrouwen, een geheel nieuw karakter aannemen. Wat dit het ras aan macht en vrede en geluk zal aanbrengen kan niemand voorspellen. Maar dit zien wij nu reeds:—dat wij bezig zijn aan onze eens zoo nuttige sexueel-economische verhouding te ontgroeien; dat deze verhouding thans vele slechte gevolgen heeft en dat hare verwisseling met economische vrijheid der vrouw nieuwe krachten in de wereld zal brengen, die door hare natuurlijke werking de deugden, waarnaar wij reeds zoo lang gestreefd en verlangd hebben, in ons ontwikkelen zullen.Deze verandering wordt niet voorspeld en wij kunnen er ook niet voor pleiten. Zij is reeds in wording en met bewonderenswaardige snelheid wint zij elk jaar meer en meer veld. Vrouwen noch mannen wenschen de verandering. Vrouwen noch mannen hebben haar gezocht. Maar dezelfde groote kracht van sociale evolutie, welke ons in de oude verhouding bracht,—tot groot verdriet en ellende,—is bezig ons er uit te brengen,eveneensmet droefheid en smart. De tijd is daar, waarin het voor de wereld beter is dat vrouweneconomisch onafhankelijk zijn en daarom beginnen zij het te worden.Onderwijl loont het de moeite, den toestand ten volle en eerlijk onder de oogen te zien, opdat wij weten wat met ons gebeurt en opdat wij de gelukkigste verandering in menschelijke omstandigheden, die ooit door de wereld aanschouwd werd, met vreugde kunnen begroeten. De helft der menschheid uit een gekunstelde positie te bevrijden; sterke natuurkrachten uit haar gespannen en pijnlijken toestand te verlossen en ze vrij te maken om ongehinderd te kunnen werken, wat ook haar bestemming was; toestanden in het leven te roepen, die de menschheid innerlijk zal veranderen door een beter moederschap en vaderschap, een beter jeugd en zuigelingsperiode, beter voedsel, beter woningen, beter maatschappelijken omgang,—beteekent: verbetering der menschheid langs natuurlijke banen. Zij zal daarom grooten vooruitgang van het ras en wel met groote snelheid ten gevolge hebben, omdat deze verandering niet behoeft te wachten tot er nieuwe krachten geschapen worden, maar omdat zij eenvoudig krachten vrijmaakt, die reeds machtig en sterk zijn, en de menschheid dus kan opvliegen als een losgelaten springveer. En het gebeurt reeds. Alles wat wij nog te doen hebben is te begrijpen en te helpen.
De verandering in opvatting en uitdrukking van ons huiselijk leven, zoo snel en krachtig rondom ons plaats grijpend, sluit vele ver-reikende gevolgen in, die alle bevorderlijk zijn aan den menschelijken vooruitgang. Niet de minste van deze is de verbetering in de samenstelling van het maatschappelijk verkeer.
Deze behoefte der beschaving was in vroeger tijd onbekend, toen familie-omgang voldoende was voor allen en toen elke verdere aanraking tusschen individuen oorlog beteekende. Handel en het daaruit voortvloeiend reizen voor zaken, de specialisatie van arbeid en de verspreiding van zijn producten, en alle verdere ontwikkeling, hebben een ruimer en vrijer en herhaaldelijker omgang ten gevolge gehad van de tallooze individuen, wier onderlinge handelingen de maatschappij vormen. Slechts kort geleden en nog maar gedeeltelijk, hebben de vrouwen als individuen aan dit onderling maatschappelijk verkeer deelgenomen, en toch maakt dit de wezenlijke voorwaarde uit voor ware beschaving. Het maatschappelijk verkeer bestaat niet voor ons genoegen, maar als een noodzakelijkheid voor den mensch.
Voor vrouwen als individuen is het een steeds grooter wordende eisch om mannen en andere vrouwen als individuen te ontmoeten, zonder juist in familiebetrekking tot hen te staan. Als een sociale behoefte moet er noodzakelijk eenige vorm aan gegeven worden; maar de juiste ontwikkeling er van wordt thans nog sterk belemmerd door de haar aanklevende vormen vanhuiselijke en maatschappelijke gewoonten, die hun ontstaan danken aan de sexueel-economische verhouding. De eisch van een vrijer en ruimer maatschappelijken omgang tusschen de beide seksen berust hoofdzakelijk op een wederzijds gevoelde behoefte; doch in het hedendaagsche leven is dit een veel reiner gevoelde en hooger opgevatte aandoening geworden dan zij aanvankelijk was, toen nog slechts één behoefte en één wijze om daaraan te voldoen bestond. Thans eischt deze behoefte dringend een betere regeling van onze levenswijze.
In sociale evolutie, evenals in andere evolutiën, ontgroeien wij slechts langzaam aan den uiterlijken vorm passend voor de vroegere behoeften; en de overgangsperiode, zoolang de nieuwe functiën tastend rondzoeken door de oude organen en die eerst langzamerhand tot een werktuigelijke uiting kunnen dwingen, is steeds onvermijdelijk pijnlijk. Voor zoover onze ontwikkeling thans gevorderd is,—nog steunende op een diep gewortelde overtuiging dat de wereld alleen uit gezinnen is samengesteld en de regeling der zaken noodzakelijk het belang dezer gezinnen moet bevorderen,—hebben wij er nauwgezet naar gestreefd het familie-belang te bevorderen en het familie-leven te veraangenamen en zijn daarbij onbewust of onwillekeurig gedwongen geworden, voor individuen slechts voorbijgaande maatregelen te nemen. Wat niet strekte tot bevordering van het familieleven, maar wel om te gemoet te komen aan de behoeften van individuen, op dat tijdstip in geen familie-verhouding levende, werd steeds in beginsel krachtig bestreden, ofschoon men gedwongen werd in de praktijk er aan toe te geven.
Nog heden worden er ernstige en humoristische artikelen geschreven, met het doel te protesteerentegen de toenemend weelderige en gemakkelijke inrichting der gehuurde vertrekken voor ongehuwde mannen, even als men te velde trekt tegen de financieele onafhankelijkheid der vrouwen, op grond dat deze omstandigheden het huwelijk en het familieleven tegengaan. De meeste mannen doorleven tegenwoordig een tijdruimte van misschien tien jaren, dat zij op zich zelf staande menschen zijn; zaken roepen hen uit het ouderlijk huis en veroorloven hun voorloopig niet een nieuw gezin voor zich zelf op te bouwen. Ook vrouwen treden elk jaar meer en meer een gelijke individueele levensperiode in. En er is een zeker vast percentage van individuen, “oneven nummers” en “gebroken stellen”, die in het familieleven overschieten of achtergebleven zijn; en ook dezen moeten leven.
Het familiehotel, het pension, de club, de gehuurde kamer en het restaurant zijn tegenwoordig de toevlucht voor deze groote en steeds grooter wordende klasse. Het zijn menschen, die voor zekeren tijd ergens willen wonen, soms voor jaren, doch die niet gehuwd zijn of op andere wijze een gezin bezitten. Omdat huiselijk leven in onzen geest onafscheidelijk verbonden is met huwelijksleven, een woning verondersteld wordt een gezin te bevatten en een gezin een hoofd te hebben, zijn zulke alleenstaande personen niet bij machte eenig huiselijk leven te leiden en worden daarom verplicht het ongerief, de schade, de duurte, de dikwijls onhygienische en somtijds onzedelijke invloeden van onze plaatsvervangende hulpmiddelen te verdragen.
Het menschelijk ras eischt thans dat er voorzien wordt in de behoeften van individuen, afgescheiden van hun geslachts-verhouding. Wij dwalen wanneer wij meenen dat alleen gehuwde menschen en hunne onmiddellijke verwanten eenig recht hebben om incomfort en in een gezonde omgeving te leven. Ieder mensch heeft behoefte aan een woning,—ongehuwde, echtgenoot, weduwnaar, meisje, vrouw, weduwe, jong en oud. Zij hebben er behoefte aan van de wieg tot het graf, zonder dat dit iets met hunne geslachts-verbintenissen te maken heeft. Wij moesten de woning en het comfort der menschheid zoodanig inrichten en opbouwen dat het huwelijk er niet door benadeeld wordt, doch dat zij ook niet van het huwelijk afhankelijk waren. Door de werkzaamheden van het huiselijk levenberoepsmatigte doen uitoefenen, met kamers en suites van kamers en huizen voor een of meer personen verkrijgbaar, zouden wij ongehuwd kunnen leven, zonder iets van het aangename van een eigen woning of van de gewone gezelligheid op te offeren; wij zouden onze familie kunnen verliezen, zonder daarom beroofd te worden van de genoegens van het huiselijk leven; wij zouden kunnen huwen in vrijheid en geluk, zonder eenige verandering te brengen in de economische basis van een der betreffende partijen.
Gehuwde lieden zullen wel altijd aan een gezamenlijke woning de voorkeur geven en die kunnen zij hebben; maar groepen van vrouwen of groepen van mannen zouden ook een gezamenlijke woning of aangrenzende kamers kunnen hebben, indien zij dat wenschten. Doch zelfs alleenstaande personen zouden een woning voor zich zelf kunnen hebben, zonder dat zij daarom ook de drukte van een huishouding op hun schouders behoeven te laden.
Indien men de keukens uit de woningen neemt, houdt men kamers over voor elken regelingsvorm geschikt; men kan die kamers bewonen zonder dat dit beteekent “huishouding” doen. Het persoonlijk karakter en de smaak zouden met zoo’n levenswijze tot bloei kunnenkomen als nooit te voren; de woning van elk individu zou ten slotte de persoonlijkheid van den bewoner uitdrukken, en de vereeniging van twee personen tot een huwelijk zou niet noodzakelijk het dooreen gooien van de geheele uiterlijke inrichting van hun leven ten gevolge hebben,—een zaak waarbij steeds veel van de teederheid en frischheid der liefde verloren gaat. Het gevoel van levenslange vrijheid en van vrede in en duurzaamheid van iemands eigen woning zal er veel toe bijdragen de persoonlijke levensverhoudingen te louteren en te verheffen, maar nog meer de maatschappelijke verhoudingen te versterken en uit te breiden. Het individu zal leeren zich zelf een samenstellend deel van het maatschappelijk gebouw te voelen, in nauw, rechtstreeksch en bestendig verband staande met de behoeften en eischen der maatschappij.
Dit is voor vrouwen bijzonder noodig, omdat men haar meestal alleen beschouwt, en zij zelf doen het ook, als deelen van gezinnen, niet in staat om op zich zelf gelukkig te leven. De overtuiging, dat zij voor haar geheele leven rust en vrede kunnen vinden, zelfs zonder dat zij trouwen,—en dat zij die ook kunnen vinden indien zij trouwen,—zal een kalmte en kracht in haar ontwikkelen, die haar zelf en de wereld zeer ten goede zal komen. Het is een schitterend bewijs hoezeer de bestaande huwelijksvorm het karakter prikkelt en den mensch onvoldaan laat, dat de vrouwen door de behoefte aan voedsel en kleederen en de mannen door de behoefte aan keukenmeiden en huishoudsters er toe gedwongen moeten worden. Wij zijn bespottelijk bang, dat mannen en vrouwen, indien zij hun levensbehoeften op andere wijze dan door het huwelijk kunnen verkrijgen, voor de huwelijks-verhouding hartelijk zullen bedanken. En dan bezingen wij nog bewonderend de macht der liefde!
Wij mogen waarlijk hopen, dat het meest te waardeeren gevolg van de verandering in den grondslag van het leven, liefde en huwelijk zal reinigen van dit lage bijvoegsel van financieel belang en persoonlijk gemak; en dat mannen en vrouwen, eeuwig tot elkaar aangetrokken door de sterkste kracht in de natuur, ten laatste in staat zullen zijn elkander op het gebied van zuivere en volmaakte liefde te ontmoeten. Wij maken onze eigen idealen, ons diepste instinkt, onze hoogste overtuiging te schande door deze grove verdenking, dat het edelste ras op aarde niet zou willen paren, of ten minste niet monogaam zou willen paren, tenzij het gekocht en gelokt wordt door de gewone dierlijke behoefte aan voedsel en dekking, en geketend wordt door gewoonte en wet.
De innigheid, de reinheid, de bestendigheid der huwelijksverhouding berusten op de noodzakelijkheid dat beide ouders voor de kinderen langdurig zorg moeten dragen,—een gevolg van de ontwikkeling van het ras, waaraan wij nooit kunnen ontsnappen. Wanneer ouders zich minder zullen uitsloven om voedsel te verkrijgen en het te koken, om meubelen te verkrijgen en ze schoon te houden, dan zullen zij misschien meer tijd vinden om nieuwe gedachten en nieuwe inspanning aan de verzorging hunner kinderen te wijden. Het kind heeft hooger behoeften dan aan een boterham en een bed; dit zijn alleen ras-behoeften die het met zijn geheele soort gemeen heeft. Het heeft veel meer behoefte—en aan deze wordt minder voldaan—aan het gezelschap van, en de vereeniging, de persoonlijke aanraking met zijn vader en zijne moeder. Wanneer vele van de tegenwoordige werkzaamheden uit het huis verwijderd zijn, dan zullen wij den tijd vinden en misschien ook den lust om werkelijk met onze kinderen kennis te maken. Het zal ons dantoeschijnen dat zij niet zoo zeer schepselen zijn die bewaakt, als wel menschjes die begrepen willen worden. Even als door de burgerlijke en militaire bescherming der maatschappij reeds sedert lang de tand-en-klauw-verdediging van wreede ouders werd afgeschaft, zonder dat daardoor de familieband in gevaar gebracht werd, zoo zullen ook de economische veranderingen in de maatschappij, die aan het tehuis brengen van voedsel door de ouders een einde zullen maken, geen slechte gevolgen voor de liefde en achting in het gezin medebrengen. Deze primitieve behoeften en de primitieve wijze om er aan te gemoet te komen, hielden de familie-verhouding ongetwijfeld op een zeer laag standpunt; maar zij liggen reeds gedeeltelijk achter ons en de band tusschen ouders en kinderen werd door de verandering niet verzwakt, maar integendeel versterkt.
Hoe meer wij aan deze lage toestanden ontgroeien, des te volkomener zullen wij de dieper en hooger verhoudingsvormen kunnen verwezenlijken, welke de kracht en den lust van het menschelijk leven uitmaken. Goed en voortdurend voor de veraangenaming van het individueele leven te zorgen, zal niet de kracht vernietigen waardoor mannen en vrouwen zich tot elkander voelen aangetrokken, of die de kinderen aan de ouders bindt; doch het zal deze verhoudingen reiner en sterker maken en tot een hoogte opvoeren, welke wij eenigszins kunnen afleiden uit het resultaat, door zulke veranderingen in sommige gezinnen reeds tot stand gebracht. Door de individuen, oud en jong, van den dwang te bevrijden om deel van een gezin uit te maken en hun te veroorloven vrij in de maatschappij te leven, werken wij bovendien krachtig mede aan de ontwikkeling van het ware maatschappelijk verkeer.
De tegenwoordige economische grondslag van hetfamilieleven houdt onzen vriendschappelijken en gemeenzamen omgang binnen enge grenzen. Het is thans alleen mogelijk met families om te gaan en families te bezoeken in plaats van om te gaan met individuen; en het toenemend persoonlijk verschil der individuen maakt het hoe langer hoe onmogelijker dat alle leden van een zeker gezin den bezoeker behagen of behagen vinden in hem. Zoolang wij op den tegenwoordigen grondslag blijven voortleven belemmeren wij den vrijen omgang en brengen de familieverhouding dikwijls in pijnlijke spanning. De verandering der economische verhouding in de gezinnen, van de geslachts-basis tot de maatschappelijke basis, zal een ruimer individueelen omgang mogelijk maken, zonder dat hiermede een breuk der familiebanden vergezeld behoeft te gaan.
Men heeft den drang der familieleden, hun toenemenden wensch naar een algemeener en persoonlijker maatschappelijken omgang enkel toegeschreven aan dorst naar genoegens, en daarom meenden de moralisten er krachtig tegen te velde te moeten trekken. Zij beweerden dat de hoogste vorm van omgang, omgang met eigen familieleden was en dat de wensch om ruimer en gemakkelijker met anderen te kunnen verkeeren uit onwaardige gevoelens voortsproot. “Hij is goed voor zijn gezin;” zeggen wij vol bewondering van den man die s’avonds niets meer verlangt dan zijn courant en zijn pantoffels; en voor de vrouw, die durft bekennen dat zij nog ander gezelschap wenscht dan haar man, hebben wij slechts één naam. Ook voor de kinderen geldt dit. Onophoudelijk spannen wij ons in “de jongens tehuis te houden”, “het tehuis aantrekkelijk te maken”, opdat ons oud ideaal, het patriarchaal ideaal, een wereld van gezinnen en niets anders, gehandhaafd blijft.
Maar wij leven in een wereld van personen zoowelals van gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij geboren zijn, ofschoon geboren in gezinnen. Wij zijn personen zoodra wij de gezinnen verlaten hebben en nog personen, zelfs wanneer wij een nieuw, ons eigen gezin, gevormd hebben. Als personen hebben wij in elke generatie meer, behoefte ons met andere personen te vereenigen. Het is zeer interessant op te merken hoe deze behoefte zich steeds deed gevoelen en zich zelf, door reine en onreine middelen, in de voorafgaande duistere eeuwen heeft trachten te helpen. Door onze onzinnige overdrijving van de geslachtsverhouding hebben wij ruwweg voorondersteld, dat de wensch naar vrijer menschelijken omgang beteekende een vrijer geslachts-verhouding en daarom moest tegengegaan worden; evenals men het in Spanje voor zeer onverstandig hield vrouwen te leeren schrijven, omdat zij dan gemakkelijker met hun minnaars konden omgaan en zoodoende de grondslagen der maatschappij aan het wankelen zouden kunnen brengen.
Zoodra echter onze geslachts-verhouding door de economische onafhankelijkheid der vrouwen gezuiverd en geregeld is, zoodra geslachts-aantrekking niet langer een verterende koorts is, die onze maatschappij voortdurend in beroering brengt, zullen wij niet meer tevreden neerzitten bij een half dozijn bloedverwanten, als onzen eenigen maatschappelijken cirkel. Wij zullen elkander dan meer, niet minder, noodig hebben en wij zullen de behoefte aan maatschappelijk verkeer erkennen en beschouwen als het hoogste recht van hen, die het hoogste ras op aarde zijn.
De kracht, waardoor vrienden zich tot elkander voelen aangetrokken is een hoogere dan die welke de seksen tot elkander brengt,—hooger in dien zin, dat zij bij een latere ras-ontwikkeling past. “De liefde vanvrouwen overtreffend”, is geen onbeteekenende phrase. Kinderen hebben elkanders omgang noodig, zoo ook jonge menschen. Menschen van middelbaren leeftijd hebben elkanders omgang noodig, oude menschen eveneens. Wij hebben elkander allen noodig, veel en dikwijls. Even als ieder mensch behoefte heeft aan een plaats waar hij alleen kan zijn, zoo hebben alle menschen eveneens behoefte aan een plaats van samenzijn; van de twee die elkaar ongestoord hun innigste gewaarwordingen willen toevertrouwen, tot het grootst aantal dat zich in harmonie kan verzamelen en bewegen.
Menschheid beteekent samenzijn, terwijl onze levenswijze, waaraan wij ontegenzeggelijk ontgroeid zijn, ons apart houdt. Hoe vele menschen, indien zij het feit onder de oogen durven zien, hebben niet dikwijls hopeloos verlangd om hunne vrienden op betere wijze te kunnen ontmoeten, hun eigen ware vrienden, verwanten door den geest, indien niet door het lichaam.
Doch wij, levende in de verhitte atmospheer van onzen overseksten geest, hebben de menschen steeds als een ras van beesten uitgeschilderd, wier eenige wensch tot samenzijn gebaseerd is op den grooten, overwerkten hartstocht, en die alleen van gemengde nachtelijke zwelgpartijen teruggehouden worden door dat zij aan huis gebonden zijn. Dit is onwaar! Het is zelfs nu in onzen over-seksten toestand niet waar. En het zal nog minder waar zijn, wanneer wij van den kunstmatigen druk der sexueel-economische verhouding verlost zullen zijn en ons weder natuurlijk kunnen ontwikkelen.
Mannen, vrouwen en kinderen hebben behoefte aan vrijheid om op een menschelijken grondslag samen te komen, dat wil zeggen, dat zij in hun dagelijksch leven en door hunne bezigheden bijeenkomen, zonderbepaald doel, en niet opzettelijk elkander behoeven op te zoeken. Wij weten allen hoe prettig de kennismaking en de innige vriendschap is die ontstaat, wanneer menschen op natuurlijke wijze samen worden gebracht, op de school, aan de universiteit, op een werkplaats, aan boord van een schip, in den trein, op een gezamenlijk uitstapje, in zaken. De maatschappelijke behoefte van beide partijen aan een algemeene, functioneele ontwikkeling van het maatschappelijk verkeer is een uitgemaakte zaak en gemeenschappelijke functioneele werkzaamheden bieden daarvoor op natuurlijke wijze de gelegenheid.
De reden waarom vriendschap voor mannen meer beteekent dan voor vrouwen en waarom de mannen zich veel gemakkelijker en vrijer vereenigen, ligt in de omstandigheid dat zij zooveel verder in de ras-functiën ontwikkeld zijn en dat zijsamen werken. Het natuurlijk verbond van gemeenschappelijke inspanning en gemeenschappelijke ontspanning is de beste bron voor vriendschap. Alleen door een aantal menschen in een zelfde vertrek bijeen te brengen, om de kubieke ruimte, als het ware, met hunne lichamen te vullen, daardoor brengt men hunne zielen niet tot elkander. Onze tegenwoordige vereenigingswijze, in het bijzonder die der vrouwen, is zeer onvoldoende. Zij kleeden zich en brengen elkaar een kort bezoek. Dit kort bezoek wordt evenzoo beantwoord. Of zij zetten veel voedsel gereed en verzoeken veel menschen om het te komen opeten; of een danspartij, muziek of voordracht is het lokmiddel voor hun bijeenkomst. Maar zulke menschen ontmoeten elkander niet werkelijk. Zij doorleven op deze wijze heele leeftijden, zonder ooit kennis met elkaar gemaakt te hebben. Wij dorsten thans naar een voller en eerlijker maatschappelijken omgang, maar onze samenleving verschaftons thans de middelen nog niet om dien dorst te lesschen.
Mannen hebben onderling in deze behoefte ruimschoots voorzien; maar tusschen vrouwen onderling of tusschen mannen en vrouwen bestaat nog geen vrije omgang. Mannen ontmoeten elkaar vrij bij hun werk, terwijl vrouwen alleen werken. Maar het verschil komt nog sterker uit bij hun spelen. “Meisjes hebben nooit eenige pret”, zeggen de jongens verwijtend, en zij hebben gelijk. De pret die de meisjes hebben, moet, evenals haar boterham, langs de geslachts-lijn komen. Mannen moeten haar het vermaak verschaffen, evenals zij haar al het overige verschaffen, De mannen hebben de wereld gevuld met spelen en sport, van de edele worstelperken der Olympische spelen tot de geest en lichaam versterkende sport van heden; goede, slechte en onbeteekenende sport. Door alle eeuwen heen hebben de mannen gespeeld en de vrouwen toegezien, als zij daartoe ten minste uitgenoodigd waren. Zelfs de prettige bezigheid om mannen te zien spelen was haar ontzegd, tenzij zij door de deelnemers daarvoor gevraagd werden. De “koningin van het bal” blijft een muurbloempje, totdat zij door den koning ten dans gevraagd wordt.
Zelfs thans, nu vele gymnastische spelen voor vrouwen open staan, nu zij zich kunnen oefenen in tennis en golfspel en al de overige vermaken, zijn de kansen om te spelen voor beide seksen toch nog niet gelijk. Een goeden speelmakker te wenschen, is niet hetzelfde als het gezelschap van de andere sekse te begeeren, en toch hangt de vervulling van den wensch van een meisje om een goede tegenpartij bij haar spel te hebben, sterk af van haar macht tot geslachts-aantrekking; dit is een andere van de vele betreurenswaardige uitingen dier macht. De wensch om elkander te ontmoeten, wordt door ons uitgelegd als: ”hij” wenscht”haar” te zien, of ”zij” wenscht ”hem” te zien. De ontspanning en het pleizier van de menschen is zoo verward met de geslachts-afhankelijkheid der vrouwen van mannen, dat vrouwen gedwongen worden naar “hofmakerij” te streven, als zij in waarheid niets anders wenschen dan zich te amuseeren; en zoolang wij de vereeniging der geslachten in die richting dringen, houden wij een heilzamer samenkomen tegen.
Zelfs onze kleine kinderen worden bij hun spel zorgvuldig geoefend het geslacht te doen uitkomen; en op verschil in gedrag van jongens en meisjes wordt sterk en aanhoudend aangedrongen, nog voor dat een van hen aan het bestaan van zulk een verschil denkt. Wanneer meisjes en jongens samen spelen, worden zij zoo door anderen geplaagd en moeten zij zooveel aanmerkingen hooren, dat dit alleen reeds elken gezonden vriendschapsband tegenhoudt en aanleiding geeft tot een vroegtijdig geslachts-bewustzijn. Jonge mannen en jonge vrouwen wordt toegestaan meer of minder vrij samen te komen, maar altijd op een strenge geslachts-basis, want vriendschap tusschen mannen en vrouwen wordt als iets belachelijks aangemerkt. Iedere gezonde jongen en ieder meisje neemt dit kwalijk en tracht een vrije, natuurlijke verhouding te vormen; maar de maatschappelijke druk hiervan is moeilijk te dragen. Zij mag zooveel “beaux” hebben, als zij omarmen kan; hij mag aan zooveel meisjes als hij wil “attenties bewijzen”, maar op die wijze alleen mogen zij elkaar ontmoeten.
Het staken van alle vriendschapsbezoeken zoodra een van beide partijen verloofd is, bewijst den aard van dien band. Wanneer hij eenmaal een keuze voor een huwelijk gedaan heeft, waarom zou hij dan nog andere meisjes bezoeken? Wanneer zij eenmaal den mangevonden heeft die haar wil trouwen, waarom zou zij dan nog met andere mannen omgaan? Die “bezoeken” en die “omgang” waren alleen maar onderzoekende voorbereidingen voor een mogelijk huwelijk. En na het huwelijk wordt verondersteld dat de vrouw geen anderen man dan haar echtgenoot wenscht te zien en de echtgenoot geen andere vrouw dan de zijne. In sommige landen keert men deze regeling om, door meer maatschappelijke vrijheid aan gehuwde lieden toe te staan, maar die gewoonte gaat vergezeld van een totaal gemis aan vrijheid vóór het huwelijk, waaruit zoowel in het huwelijksleven als in het maatschappelijk leven zeer twijfelachtige resultaten verkregen worden. In de hooger maatschappelijke kringen heeft altijd na het huwelijk meer vrijheid van socialen omgang tusschen de beide geslachten bestaan; maar in het algemeen van Amerika gesproken, na de periode van de bezoeken vóór het huwelijk vinden er zeer weinig natuurlijke en ernstige kennismakingen tusschen mannen en vrouwen plaats.
Zelfs de vriendschap welke tusschen man en vrouw kan bestaan hebbenvóórhet huwelijk, wordt dikwijlsinhet huwelijk met zijne economische verwikkelingen spoedig verwoest. Zij hebben dan geen tijd meer om over vraagstukken te spreken zooals vóór hun huwelijk; zij zijn te veel bij elkander en stellen te diep belang in de technische en financieele zaken, hun nieuwe huishouding betreffende. Dit werkt de ontwikkeling van hooger en reiner verhoudingen tusschen mannen en vrouwen bestendig tegen en leidt er toe, hen op denzelfden primitieven voet van geslachts-vereeniging te houden.
Een jong man gaat naar een stad om te leven en te werken. Hij heeft even goed behoefte aan het gezelschap van vrouwen als van mannen. Voorheen had hij zijnmoeder, zijne zusters en hare vriendinnen, zijne schoolkameraden. Nu moet hij onze onvrije sociale toestanden onder de oogen zien. Hij mag twee soorten van vrouwen bezoeken, degenen die wij “goed” noemen en degenen die wij “slecht” noemen. (Deze indeeling berust slechts op één zedelijke eigenschap en dat is een geslachts-eigenschap). Natuurlijk verkiest hij de goeden. De goeden zijn weder verdeeld in twee soorten, gehuwden en ongehuwden. Indien hij een gehuwde vrouw dikwijls bezoekt, wordt er aanmerking op gemaakt; dit vindt hij onpleizierig en laat het daarom na. Bezoekt hij een ongehuwde vrouw dikwijls, dan wordt er ook aanmerking op gemaakt; hij wordt dan beschouwd “bedoelingen” te hebben. De beste middenweg is een aantal ongehuwde vrouwen te bezoeken en de attenties zoo omzichtig te verdeelen, dat niemand ze zich persoonlijk kan aantrekken.
Nu treedt hij in de eerste phase van onze sexueel-economische verhouding: hij kan zelfs geen meisje vrijelijk bezoeken of het kost hem geld. Het meisje enkel in den familiekring te ontmoeten kan toch moeilijk verondersteld worden als door een der beide partijen gewenscht. Men ontmoet niet een half dozijn menschen van verschillenden leeftijd en van beide seksen zooals men een vriend alleen ontmoet. Te trachten haar alleen te zien, wordt als een “bedoeling” beschouwd. “Haar mede uit te nemen”, kost geld en hij betaalt het graag. Maar hij kan dit niet te dikwijls doen, of hij wordt beschouwd “ernstige bedoelingen” te hebben, en elke stap van de verdere kennismaking wordt uit een sexueel oogpunt beschouwd en gekritiseerd.
Er bestaat geen natuurlijk, eenvoudig middelpunt van maatschappelijk verkeer tusschen mannen en vrouwen. De jonge man zal weldra ontdekken dat zijne bekendheidmet vrouwen zeer hoog in zijn zakboekje genoteerd staat. Het geld dat hij voor het huwelijk zou kunnen bewaren, wordt nu voor deze verschillende voorbereidingen gebruikt. Wanneer hij ziet waarvan de vrouwen houden en hoeveel het kost ze te bevredigen, dan wijkt zijn hoop op een huwelijk al verder en verder naar den achtergrond. De periode waarin hij als individu moet leven duurt langer en hij gewent zich aan oppervlakkige kennismaking met veel vrouwen, hij leert haar van de meest onbeteekenende zijde kennen, zonder gelegenheid te hebben tot het vormen van een oprecht verbond en ware vriendschap. Is het dan te verwonderen dat de andere soort vrouwen, die ook geld kosten, dat is waar, maar die geen voortdurende verplichting medebrengen, zulk een bestendige factor in ons sociaal leven zijn geworden? De sexueel-economische verhouding bevordert de ondeugd op meer dan één wijze.
De economische onafhankelijkheid der vrouw zal al deze omstandigheden veranderen even natuurlijk en onvermijdelijk als haar afhankelijkheid ze ingevoerd heeft. Door zich te wijden aan een of anderen tak van nijverheid zal zij meer persoonlijkheid en minder sexualiteit ontwikkelen, en hierdoor zal de druk op de geslachts-verhouding verminderen, zoowel in mannen als in vrouwen. De nieuwe levenswijze en het nieuwe karakter dat er aan gegeven wordt, zal in ons maatschappelijk verkeer de vereeniging van menschen ten volle tot ontwikkeling brengen. Wanneer de eigen woning inderdaad een privaat leven mogelijk maakt en niet langer de maatschappelijke en industrieele horizon der vrouw is; wanneer de werkplaatsen overal—het gebied der vrouw zoowel als van den man,—huiselijk en gezellig worden door haar invloed; en wanneer mannen en vrouwen zich gezamenlijk vrij bewegen bij de uitoefeningder gemeenschappelijke rasfunctiën,—dan zal de stroom van het menschelijk leven door nieuwe kanalen gaan.
Dan zullen de vrouwen zich niet meer hoofdzakelijk bewegen van de geïsoleerde woning naar den geïsoleerden winkel en terug, in een wereld die uit elkander gerukt en in tweespalt gebracht wordt door de zelfzuchtige voortbrenging van het eene geslacht en het zelfzuchtig verbruik van het andere; dan zullen wij leven in een wereld van mannen en vrouwen, die even goed menschelijk als geslachtelijk vereenigd zijn, en die tezamen voor het algemeen welzijn werken, wat hun ware bestemming is. De woning zal dan niet langer een economische éénheid zijn, waar de vervelende huishoudelijke werkzaamheden heel gemeen gauw aan toegevoegd zijn, maar zij zal een vredige uitdrukking zijn van persoonlijk leven, wanneer dat zich uit de maatschappelijke omgeving terugtrekt; en voor aanraking met de maatschappij zal gezorgd worden door de vele plaatsen van samenkomst, die door de organisatie der huiselijke werkzaamheden noodig geworden zijn.
De vereenigings-kamer is inderdaad een even groote behoefte voor het menschelijk leven als de afzonderingskamer,—geen balzaal of theater, waar men voor een bepaald doel moet uitgenoodigd worden, maar groote gemeenschappelijke leesmusea en conversatie-kamers, bad-inrichtingen en gymnastiek-zalen, werk- en speelkamers, waarin beide geslachten op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel toegang hebben, en waar zij vrij kunnen bijeen komen om uiting te geven aan algemeen menschelijke gevoelens. De soort gebouwen, door de organisatie der huiselijke werkzaamheden ontstaan, zullen ook voor deze plaatsen moeten zorgen. Zij zullen afzonderlijke kamers voor individuen en afzonderlijkewoningen voor gezinnen moeten bevatten, doch de gemeenschappelijke zaal, de kamer voor allen, mag er evenmin ontbreken. Zij behooren een plaats voor de kinderen te hebben, ontworpen en bedoeld als prettige speelplaats van veel kinderen voor veel jaren, een woning zooals kinderen tot nu toe nooit gehad hebben. Eveneens moeten er gezelschapskamers voor jonge en oude menschen zijn, waarin men even natuurlijk bijeenkomt alsof men in zijn eigen kamer gaat, zonder moeite, navraag of aanmerking.
Zulk een inrichting zou een vrije vereeniging, op gemeenschappelijk belang gebaseerd, onder ons mogelijk maken, en door de natuurlijke en gemakkelijke samenvloeiing zouden wij veel hooger eigenschappen ontwikkelen, dan nu met de inspanning om in onze tegenwoordige kringen elkander zonder bepaald doel te bezoeken, mogelijk is. Het zou voor de vrouwen veel gemakkelijker worden den rechten man te kiezen. Zij zouden de mannen in hun dagelijksche werkzaamheden en ontspanning kunnen gadeslaan en leeren kennen, waartoe zij nu ten eenenmale de gelegenheid missen. De koopkracht van den man, welke hem nu den gemakkelijksten weg verschaft om aan zijn geslachts-lust te voldoen, zou dan hierop zonder invloed zijn. De vrouw, ontwikkeld door een vrij en nuttig leven, helder van hoofd en open van oog,—een vrouw nog, maar een zelfstandig wezen tevens,—die als meisje opgevoed werd tot economische onafhankelijkheid en vrij mocht omgaan met jonge mannen in gemeenschappelijk spel en werk, zal geleerd hebben edele mannen naar waarde te schatten.
De jonge man, wetende dat hij zijne tekortkomingen niet langer met een gekleede jas kan bedekken en dat hij niet meer alles mag doen eenvoudig op boete vaner voor te betalen, die eigenlijk ook niet veel kwaad meer kan doen, omdat de vroegere gelegenheid en aansporing ontbreken, zal, voortdurend bijgestaan en bezield door den vriendschappelijken omgang met eerlijke en ernstige vrouwen, met al de kracht die de natuur hem biedt zich kunnen verheffen, in plaats van, zooals nu, steeds met geweld naar omlaag gerukt worden.
Wanneer de druk van ons over-ontwikkeld geslachts-instinkt uit de wereld verwijderd is, kan en zal de man, rein en sterk geboren uit edelhartige, edeldenkende en edelgebouwde moeders, groot gebracht met de uitgebreide kennis van de nieuwe opvatting van het moederschap, en dagelijks in vrijen omgang levende met de beste vrouwen, een geheel nieuw karakter aannemen. Wat dit het ras aan macht en vrede en geluk zal aanbrengen kan niemand voorspellen. Maar dit zien wij nu reeds:—dat wij bezig zijn aan onze eens zoo nuttige sexueel-economische verhouding te ontgroeien; dat deze verhouding thans vele slechte gevolgen heeft en dat hare verwisseling met economische vrijheid der vrouw nieuwe krachten in de wereld zal brengen, die door hare natuurlijke werking de deugden, waarnaar wij reeds zoo lang gestreefd en verlangd hebben, in ons ontwikkelen zullen.
Deze verandering wordt niet voorspeld en wij kunnen er ook niet voor pleiten. Zij is reeds in wording en met bewonderenswaardige snelheid wint zij elk jaar meer en meer veld. Vrouwen noch mannen wenschen de verandering. Vrouwen noch mannen hebben haar gezocht. Maar dezelfde groote kracht van sociale evolutie, welke ons in de oude verhouding bracht,—tot groot verdriet en ellende,—is bezig ons er uit te brengen,eveneensmet droefheid en smart. De tijd is daar, waarin het voor de wereld beter is dat vrouweneconomisch onafhankelijk zijn en daarom beginnen zij het te worden.
Onderwijl loont het de moeite, den toestand ten volle en eerlijk onder de oogen te zien, opdat wij weten wat met ons gebeurt en opdat wij de gelukkigste verandering in menschelijke omstandigheden, die ooit door de wereld aanschouwd werd, met vreugde kunnen begroeten. De helft der menschheid uit een gekunstelde positie te bevrijden; sterke natuurkrachten uit haar gespannen en pijnlijken toestand te verlossen en ze vrij te maken om ongehinderd te kunnen werken, wat ook haar bestemming was; toestanden in het leven te roepen, die de menschheid innerlijk zal veranderen door een beter moederschap en vaderschap, een beter jeugd en zuigelingsperiode, beter voedsel, beter woningen, beter maatschappelijken omgang,—beteekent: verbetering der menschheid langs natuurlijke banen. Zij zal daarom grooten vooruitgang van het ras en wel met groote snelheid ten gevolge hebben, omdat deze verandering niet behoeft te wachten tot er nieuwe krachten geschapen worden, maar omdat zij eenvoudig krachten vrijmaakt, die reeds machtig en sterk zijn, en de menschheid dus kan opvliegen als een losgelaten springveer. En het gebeurt reeds. Alles wat wij nog te doen hebben is te begrijpen en te helpen.
XVNu wij weten hoe nauw ons geestelijk bestaan verband houdt met onze uiterlijke omstandigheden, hoe het zedelijk gevoel en het gedrag van den mensch gewijzigd worden door de omgeving, moeten wij natuurlijk uitzien naar kenmerkende gevolgen in de geestelijke ontwikkeling, voortspruitende uit een zoo belangrijke omstandigheid als onze sexueel-economische verhouding.Voortdurend is opgemerkt dat de verhouding der geslachten, in welken vorm ook, op den zedelijken aard van het menschdom van sterken invloed was, en dat is één der redenen, waarom in dit boek zulk een groote nadruk is gelegd op de bijzondere zedelijke kracht dier verhouding. In het dagelijksch leven beteekent het woord “zedelijk”, “kuisch” en wanneer men van vrouwen spreekt heeft het woord “deugd” alleen beteekenis als deugd van kuischheid. Groote volksbegrippen zijn nimmer zonder grondslag. Zij zijn geworteld in diepzinnige waarheden, die beter gevoeld dan gezien worden en, hoe dom en onwaar zij ook in hun woordelijke vertolking zijn, in hun algemeene strekking kan men ze vertrouwen. Niet omdat de deugd van kuischheid voor het ras zooveel belangrijker is dan de deugd van trouw, de deugd van moed, de deugden van blijmoedigheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, maar omdat de geslachts-verhouding waarin wij leven zooveel invloed uitoefent op de verdere ontwikkeling en regeling van onzen geheelen zedelijken aard, daarom hechten wij er zooveel beteekenis aan.Wat wij zedelijk gevoel noemen, is een erkenning van de betrekkelijke belangrijkheid van zekere handelingen en hare gevolgen. Vaag en zwak kwam dit bij de vroegere wilden voor en het werd gedurende langen tijd hoofdzakelijk toegepast bij onduidelijk omschreven en willekeurig vastgestelde godsdienstige plechtigheden en ceremoniën. Maar de gewoonte om een gevoel van deugdzaamheid te verbinden met zekere handelingen door welke lof en voordeel werd ingeoogst, wortelde zich in de kinderlijke ziel en de reeks van zedelijke handelingen werd grooter. Sedert is die reeks steeds grooter, hooger en ingewikkelder geworden, met de andere maatschappelijke hoedanigheden zich uitbreidende.Geen menschelijke eigenschap is meer absoluut maatschappelijk dan het zedelijk gevoel. Ethica is een sociale wetenschap. Er bestaat geen zedeleer voor het individu. Op zich zelf genomen is de mensch maar een dier; zijn gedrag staat dan alleen in betrekking tot zijn dierlijke behoeften,—zelf-behoud en ras-behoud. Elke deugd en de wil ze te erkennen en er naar te streven is een maatschappelijke hoedanigheid. De hoogste deugden zijn die waarmede wij op de beste wijze de meeste menschen dienen en haar ontwikkeling in ons houdt gelijken tred met de ontwikkeling der maatschappij. Door onze maatschappelijke verhouding worden onze deugden te voorschijn geroepen en blijven zij in stand.Een eenvoudig voorbeeld hiervan vinden wij in het gemakkelijk tot wreedheid vervallen van iemand, die afgesneden is van zijn stamgenooten en gedwongen wordt in een woeste omgeving te leven. Zelfs een korte en gedeeltelijke verandering van toestand wijzigt dikwijls op eens het gedrag, wat men bij de vroomste Nieuw-Engelanders heeft kunnen opmerken toen zij tijdelijk in de mijnwerken vertoefden. Het blijkt ook uit hetverschil van deugd bij de verschillende klassen van menschen en in de verschillende takken van nijverheid.Elke sociale verhouding heeft haar eigen zedewetten; en de algemeene behoeften der maatschappij, als een geheel, vormen de grondslagen der zedeleer. Dit kan voor iedere eeuw en voor elk ras nagegaan worden en steeds zal men een duidelijk verband vinden tusschen de deugden en ondeugden van een gegeven volk en zijne plaatselijke toestanden. De economische omgeving beheerscht hoofdzakelijk de ontwikkeling der zedewetten. Voor iemand die gewend is de zedewetten te beschouwen als niet van deze wereld afkomstig en die ziet hoe dikwijls deugdzaamheid den bezitter duur te staan komt, kan dit vreemd schijnen. Het zedelijk gedrag van een gegeven aantal menschen hangt ten eerste van het bestaan van deze menschen af. Een gedrag dat er toe zou leiden om hen uit te roeien, zoude eveneens hunne zedewetten uitroeien. Een gedrag dat hen doet in stand blijven en toenemen, is het eenige gedrag waarvan de zedelijke waarde kan worden vastgesteld. Daarom wordt de zedeleer absoluut beheerscht door het leven en de handhaving daarvan. Van het laagste en meest bekrompen inzicht dat een handeling goed of slecht noemt naar gelang van haren onmiddellijken invloed op iemands tegenwoordig leven, tot het helder vooruitzien van latere gevolgen dat een gedrag goed of slecht noemt naar gelang het van invloed is op iemands leven hiernamaals, wordt onze zedeleer, de wetenschap van het menschelijk gedrag, alleen beoordeeld naar zijne gevolgen.Daarom vinden wij onvermijdelijk bij alle rassen die handelingen waardoor menschen leven, als goed aangemerkt en wij zien hooge goedkeuring geschonken aan hem, die het best die handelingen volbrengt. In de jacht- en vischperiode werd de beste jager en de bestevisscher ook als de beste man, door zijn stam geprezen en geëerd. Men kweekte die deugden aan, die den bezitter in staat stelden met het meeste succes te jagen en te dooden, niet alleen om zelf te kunnen leven, maar ook om een vertrouwde hulp te zijn voor zijn vrienden. Barbaarsche deugden waren enkel de terugkaatsing van barbaarsche toestanden. Geduld en zelfbedwang te bezitten, was voor den jager een economische behoefte; pijn en langdurige inspanning gemakkelijk te dragen, was voor den krijger een noodzakelijkheid. Daarom werden deze deugden, door voorbeeld en voorschrift, bij de wilden aangekweekt.In de lange landbouw- en militaire tijdperken geschiedde hetzelfde. Arbeidzaamheid en geduld werden als deugden in de boeren geprezen, want het vereischt ijver en geduld om koren te oogsten. De deugden van moed en gehoorzaamheid werden in den soldaat hoog verheven, en iedereen moest de deugd van geloof bezitten omdat die een eerste vereischte was voor het bestaan van den godsdienst. En er werd een groote mate van geloof vereischt om den godsdienst van die tijden aan te nemen. De deugd van geloof verminderde in belangrijkheid, zoodra de godsdienst verstandiger en toepasselijk op het leven werd. Het vereischt geen inspanning om te gelooven wat men kan begrijpen en begrijpt. Langzamerhand ontstond het nijverheids-tijdperk en ontwikkelde zich dit van de zwakke, sporadische pogingen van den nederigen marskramer en handwerksman,—het slachtoffer van de overheerschende klasse van militairen—tot onze hedendaagsche kolossale industrieele organisatie, waarin de soldaat onbarmhartig geëxploiteerd wordt voor het een of ander financieel belang. Met deze verandering in economische omstandigheden werd ook de schaal der deugden veranderd.Lichamelijke moed verminderde in waarde; gehoorzaamheid, geduld, geloof en de rest staan niet meer zoo hoog aangeschreven als vroeger. Evenals altijd prijzen en waardeeren wij heden de deugden waardoor wij leven. Elk dier ontwikkelt de deugden passend voor zijn omstandigheden; het kenmerkend verschil voor den mensch ligt hierin dat hij de macht van het bewust begrip en de persoonlijke wilskracht bij de werking der natuurkracht voegt. Niet alleen voor ons eigen ras, maar ook voor andere rassen noemen wij die hoedanigheden “goed” en “slecht,” naarmate zij ons tot voordeel strekken; en de beesten die wij grootbrengen en gebruiken, ontwikkelen noodzakelijkerwijze de eigenschappen die hun in hun nieuwen toestand het meest tot nut strekken, zooals bijv. onze welbekende vriend, de hond.De hond is een dier dat sedert lang van zijne natuurlijke onderhoudsmiddelen is afgesneden en voor zijn voedsel geheel afhankelijk is van den mensch. Als een vrije, wilde hond, was hij onverschrokken, moedig, wreed. Als een tamme, slaafsche hond, bezit hij lage onderworpenheid, kruipende willoosheid; hij klaagt wanneer hij een trap krijgt en likt den voet die hem kastijdt. Wij hebben den oorspronkelijken hond geheel herschapen en zijn zedelijke aard, zijn geest, toont de verandering meer dan zijn lichaam. De kracht waardoor dit tot stand werd gebracht is een economische,—de bron van voedsel en de wijze om het te bemachtigen werden veranderd.Laat ons eens de kenmerkende deugden der menschheid in het kort nagaan, haar wijze van ontstaan en ontwikkeling onderzoeken en zien hoe die ééne bijzondere verhouding, de sexueel-economische, er op geïnfluenceerd heeft.Het voornaamste kenmerk van menschelijke deugdzaamheid ligt in, wat wij ruwweg als altruisme beschrijven,—“zelfopoffering.” Elkander lief te hebben en te dienen, voor elkander zorg te dragen, voor en met elkander te voelen,—het bijvoegelijk naamwoord van ons ras, “menschelijk”, sluit deze eigenschappen in. Het eigenlijk bestaan der menschheid maakt deze hoedanigheid tot zekere hoogte noodzakelijk en de ontwikkeling der menschheid gaat met hare ontwikkeling hand aan hand.Wanneer wij deze dingen bestudeeren, dan maken wij gewoonlijk de fout, de noodzakelijkheid van zulke zedelijke hoedanigheden in het menschelijk leven niet genoeg te waardeeren. Wij hebben gemeend dat het in toepassing brengen van deze maatschappelijke deugden persoonlijke inspanning en opoffering kost, en dat er een eeuwigdurende strijd bestaat tusschen de cosmische ontwikkelingsprocessen en de ethische processen, zooals Huxley het voorstelt. De sociale evolutie brengt evenwel de essentieele hoedanigheden van de sociale verhouding mede, en dat zijn dan onze deugden, waarop wij zoo trotsch zijn. De natuurlijke veranderingen in het onderling verkeer en de onderlinge verhouding der menschen ontwikkelden van zelf de hoedanigheden, zonder welke dat verkeer en die verhouding niet mogelijk waren; en deze ontwikkeling verliep even geregeld, even natuurlijk, even “cosmisch”, als de organische werkzaamheden in het menschelijk lichaam. Het is even natuurlijk voor een industrieele maatschappij om in vrede, als voor een jagersvolk om in oorlog te leven. Die vrede is geen gevolg van heldhaftige en zelfopofferende inspanning van de leden der industrieele maatschappij; het is niets anders dan een noodzakelijke voorwaarde voor hun bestaan.In het ontwikkelingsverloop der menschelijke zeden wordt een trapsgewijze uitbreiding van ons begrip van algemeen “goed” en “kwaad” opgemerkt, in tegenstelling met ons oorspronkelijk begrip van individueel “goed” en “kwaad.” Dit komt bij de personen die zich geheel aan de maatschappij wijden zeer sterk uit, zooals bij de groote staatkundigen, patriotten en philanthropen. Ieder van deze woorden toont in zijne samenstelling reeds dat de beschreven hoedanigheid van socialen aard is,—de staatsman denkt en werkt voor den staat; de patriot heeft zijn land lief en werkt er voor, de philanthroop handelt uit liefde voor de menschheid. Deze eigenschappen zijn allen van het begin tot het einde een bloote erkenning van het gelijk recht van den naaste, rechtvaardigheid en hoffelijkheid voor allen; zij zijn slechts het natuurlijk product der maatschappelijke omstandigheden, welke door de noodzakelijkheid om in de economische behoeften te voorzien op het individu inwerken. Het individu dat economisch absoluut alleen staat evenals het beest, wordt door zuiver egoisme bevoordeeld, en ontwikkelt dat.Onze deugden kunnen allen op deze wijze opgespoord en verklaard worden. De groote voorname stam van alle deugden, welke wij “liefde” noemen, is niets anders dan de eerste voorwaarde voor ons maatschappelijk bestaan. Het is cohaesie, waardoor de afzonderlijke deelen der maatschappij saamgehouden worden. Indien er niet een of andere aantrekking tusschen ons bestond, dan zouden wij niet in staat zijn om samen te blijven; en deze aantrekking die door ons bewustzijn wordt waargenomen, noemen wij liefde. De deugd van gehoorzaamheid bestaat in de overgave van den eigen wil, wat dikwijls noodzakelijk is voor het algemeen welzijn; en zij staat daarom bij militairen zoo hoog aangeschreven, omdatbij hen dikwijls een groot aantal mannen te zamen moet handelen ten dienste der gemeenschap tegen hun persoonlijk belang, zelfs met opoffering van hun leven.Toen wij ons tot een voller maatschappelijk leven ontwikkelden, ontdekten wij langzaam en zoekend, na vele droevige en kostbare ervaringen, welk soort van mensch de beste maatschappelijke factor was. Het type van een goed lid der hedendaagsche maatschappij is een zich zelf beheerschend, vriendelijk, beschaafd, sterk, verstandig, dapper, hoffelijk, opgeruimd, waar mensch. In de Middeleeuwen zoude sterk, moedig en waar, aan de eischen van dien tijd voldaan hebben. Wij eischen nu voor ons algemeen welzijn een grooter reeks van hoedanigheden, een meer doorwrochte zedelijke organisatie. Dit alles geschiedt op eenvoudige, evolutionaire wijze in het maatschappelijk leven, en moest niet meer verwarring, inspanning en smart veroorzaken dan eenig ander natuurlijk proces.De zedelijke ontwikkeling der menschheid was echter een zeer verward en ingewikkeld proces. Enkele deugden hebben wij in geregelden vorm ontwikkeld, nauwelijks bemerkende dat het deugden waren, omdat zij zoo gemakkelijk in gebruik kwamen. Nauwkeurigheid en stiptheid zijn deugden die de wilden niet kenden, omdat zij ze voor hunne bezigheden niet noodig hadden. Wij hebben ze ontwikkeld, omdat zij vereischt werden en zoo werden zij door den druk der economische behoeften langzamerhand aangenomen. Gehoorzaamheid, zelfs in haren uitersten vorm van zelfopoffering, werd den soldaat geleerd; toch bestaat er geen hoedanigheid die altruistischer en onnatuurlijker is, of moeilijker valt aan te nemen voor den krachtigen individueelen wil. De gewone, wet-eerbiedigende burger beschouwt zich zelf niet als een held; toch openbaart hij een hooge matevan maatschappelijke deugdzaamheid, dikwijls een groote zelfopoffering.Maar in andere deugden zijn wij niet zoo geleidelijk vooruitgegaan. In de gewone economische levensverhoudingen en in de geslachtsverhoudingen onderscheiden wij ons door bijzondere en schadelijke hoedanigheden. Wij bezitten nog onuitgeroeide hoedanigheden, welke wij op grond van het maatschappelijk welzijn reeds lang afgelegd moesten hebben en waardoor nu onophoudelijk strijd ontstaat tusschen deze rudimentaire overblijfsels en onzen normalen groei. Dit is het waardoor ons geweten sedert zijn ontwaken onophoudelijk wordt geplaagd en wat wij “den strijd tusschen goed en kwaad” noemen. Wij hebben het rukken van die verschillende neigingen innerlijk gevoeld,—den drang om te doen wat onmiddellijk goed voor ons zelf is, maar wat ons toenemend sociaal gevoel ons als nadeelig voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom slecht is; en den drang om te doen wat onmiddellijk slecht voor ons zelf kon zijn, maar hetzelfde sociale gevoel ons als goed voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom als goed moet worden aangemerkt. Dit voelden wij, en zochten in onzen geest naar een verklaring van ons gedrag, omdat wij wisten dat het vreemd was. Het menschelijk verstand wil een verklaring hebben, indien het er een zoekt. Wij maakten er een.De achtergebleven impulsiën van het individueele dier,—goed voor hem, omdat hij ze noodig had, maar slecht voor ons, omdat wij begonnen mensch te worden en andere behoeften kregen,—pakten wij tot één hoop samen, en met onze gemakkelijke, dramatische, personifieerende neiging noemden wij dien “den duivel.” En aangezien deze slechte ingevingen gewoonlijk aandriftenvan physischen aard waren, beschouwden wij onze lichamen, en onzen aard in het algemeen, als deel van het kwade,—“de wereld, het vleesch en de duivel.” Wij voelden evenwel ook in ons een krachtige beroering van nieuwe machten en vreemde neigingen, die onze zelfzucht tot zwijgen brachten en ons voor anderen deden gevoelen; nieuwe liefde, hoop en wenschen, nieuwe verlangens om te geven in plaats van te nemen, te dienen in plaats van te strijden; en met echt maatschappelijk instinkt begrijpende dat deze aandriften ons ten goede zouden leiden, ons tot voordeel zouden strekken, noemden wij ze den wil van God, de stem van God, den weg tot God. De tweespalt tusschen deze slechte impulsiën en neigingen, en onze toenemende macht om zelfbewust en naar willekeur te handelen, veroorzaakte bij onze geestelijke ontwikkeling den strijd tusschen goed en kwaad.En vaag en onbestemd naar de bronnen van onze smart zoekende, voor zoover wij ze konden nasporen, en even als altijd personen in plaats van toestanden beoordeelend,—zooals een kind de tafel slaat als het zijn hoofdje stoot,—hebben wij, ras na ras, de vrouw als oorzaak van alle ellende beschouwd. Niet dat zij aanvankelijk het kwaad zou hebben uitgedacht,—de vage duivel was de verwijderde oorzaak,—maar de vrouw zou het over ons hebben gebracht. Pandora maakte de onheils-doos niet; maar koppig als zij was opende zij haar, niettegenstaande den wijzen raad van haar man. Eva plantte den appelboom niet; maar zij at van de vruchten en verleidde haar superieuren man. Het lijkt een kinderachtige en domme redeneering, maar er zit toch iets in. Ik bedoel niet de ergerlijke blaam en schande die de mannen, gedurende al deze eeuwen op hunne moeders geworpen hebben,maar de sociologische waarheid die er in schuilt.Niet de vrouw, maar de toestand der vrouw is altijd de oorzaak van het kwade geweest. De sexueel-economische verhouding heeft haar bij de maatschappelijke werkzaamheden buiten gesloten, waardoor en waardoor ook alleen de maatschappelijke deugden tot ontwikkeling kunnen komen. Zij mocht de hoedanigheden voor onzen ras-vooruitgang noodig niet verwerven; en in haar in ontwikkeling achtergebleven toestand heeft zij de deugden en de ondeugden behouden uit die ontwikkelingsperiode, waarin zij aan banden gelegd werd. In een periode van geïsoleerde economische werkzaamheden,—enkel dierlijk individualisme,—in een periode waarin maatschappelijke banden niet verder reikten dan tusschen bloedverwanten, werd de vrouw van de aanraking met de maatschappij afgesneden en bestemd voor de functioneele werkzaamheden van haar geslacht.Door haar op dezen primitieven grondslag van het economisch leven te houden, hebben wij de halve menschheid aan het uitgangspunt vastgebonden en de andere helft laten voortrennen. Wij hebben één soort van hoedanigheden in de eene helft van ons ras geoefend en aangekweekt, en een ander soort in de andere helft. En dan verwonderen wij ons over de tegenstrijdigheden in de menschelijke natuur. Bijvoorbeeld, wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten om mannen moedig te maken. Wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten, om vrouwen lafhartig te maken. En aangezien ieder menschelijk wezen uit man en vrouw geboren is, is het niet zoo verbazend vreemd dat wij een beetje van gemengden aard zijn.Wij hebben in de mannen de groote hoedanigheden aangekweekt die tot nut der maatschappij strekkenen die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden; wij deden dit door te prijzen of te berispen, te beloonen of te straffen, en met de hulp van wet en gewoonte. Door dezelfde middelen hebben wij de vrouwen geoefend in de kleine hoedanigheden van persoonlijk nut, die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden. Wij hebben daardoor een wezen gevormd, dat niet homogeen is, welks leven gevoed wordt door twee hereditaire stroomen, zoo ongelijk en tegen elkaar indruischend, als men zich maar met mogelijkheid kan voorstellen. Wij hebben een ras van geestelijke hybriden voortgebracht, en de geestelijke eigenschappen der hybriden zijn maar al te goed bekend.Teruggaande naar dat vroege begin, hebben wij, door de economische omstandigheden van mannen en vrouwen te doen verschillen, hun geestelijke ontwikkeling doen verschillen en de lichaamsgesteldheid van het ras uit de tegenstrijdige elementen van deze uiteenloopende karakters opgebouwd. Het tegenstrijdig gedrag van dit gekruist product is het raadsel van het menschelijk leven. Door dit kunstmatig onderscheid tusschen de beide geslachten te laten voortduren, hebben wij het raadsel, dat wij zoo moeilijk vonden op te lossen, steeds behouden en in onze eigen karakters de verwarring en tegenstrijdigheid bewaard, die ons grootste bezwaar in het leven zijn.Het grootste en meest radicale gevolg van het herstellen der economische onafhankelijkheid der vrouwen zal zijn, dat ten slotte de menschelijke geest helder wordt en kan harmonieeren. Met een homogene natuur, voortgekomen uit ouders van denzelfden graad van maatschappelijke ontwikkeling, zullen wij enkelvoudig kunnen voelen, helder zien, het eens zijn met ons zelf,de dienaar en de meester van ons eigen leven zijn, in plaats van in zulk een hopelooze verwarring te worstelen met hetgeen wij genoemd hebben “den dualistischen aard van den mensch.” Laat een beschaafd man met een oorspronkelijke wilde paren, dan zal hun kind een tweeslachtigen aard hebben. Laat een Anglo-Sakser met een Afrikaner of Oosterling paren en hun kind zal van tweeslachtigen aard zijn. Laat een of ander man van een hoog ontwikkelde natie, vol van de hoog ontwikkelde werkzaamheden van zijn ras en de daarmede gepaard gaande zedelijke hoedanigheden, huwen met een zorgvuldig dom gehouden, onontwikkeld vrouwelijk wezen, dat liefderijk aan zijn zijde gekoesterd wordt, en men krijgt tot resultaat dat wij allen zoo goed kennen,—de menschelijke geest in zijn bedroevende, goedgemeende pogingen, zijn blinde dwalingen, zijn stuipen van hartstocht, en tusschen al dit wankelen door, zijn schoonen en onophoudelijken drang tot een hooger leven.Wij zijn met dit resultaat volkomen bekend, maar tot dusver hebben wij de plaats nog niet bepaald waar de oorzaak gezeteld is. Wij hadden een flauw vermoeden dat de vrouw er iets mede te maken had; en men heeft haar, in vele eenvoudige rassen, dienovereenkomstig behandeld, tot haar verder nadeel en tot dat van alle menschen. Wij moeten echter inzien dat niet de vrouwen als een sekse verantwoordelijk zijn voor de slechte moeders in de wereld, maar dat de economische toestand van de vrouwen haar gemaakt heeft tot wat zij zijn. Indien de mannen in die omstandigheden geplaatst waren, zouden wij hetzelfde effect gekregen hebben. Niet de geslachts-verhouding, maar de economische verhouding van de geslachten heeft den draad van het menschelijk leven zoo verward.Behalve de essentieele gebreken van een natuur die niet in evenwicht is, werden door deze omstandigheden nog andere schadelijke hoedanigheden in de menschelijke karakters ontwikkeld. Gedurende ontelbare eeuwen hebben wij getracht, door teeltkeus en opvoeding, een angstige onderwerping in vrouwen te ontwikkelen. Wanneer er een “bij-de-handje” verscheen, dan bleef zij ongetrouwd, en dan verdween haar aard met haar, of zij werd door den een of ander Petruchio “getemd.” In haar afhankelijkheid van de persoonlijke gunst der mannen, hebben de vrouwen zich met buitengewone bekwaamheid aan haar bron van bestaan aangepast. Door de noodzakelijkheid van te moeten behagen, of zij het wenscht of niet, te moeten pleiten voor vergiffenis van haar kind, of te smeeken om genoegens voor zich zelf, heeft men “de gebreken van den slaaf” in deze dienstbode der wereld steeds behouden.Een andere strijd door den toestand van dienstbaarheid ontstaan, is die tusschen willen en doen. Een dienstbare stelt zijn tijd en kracht ter beschikking van den wil van een ander. Hij moet steeds gereed zijn te doen wat hem wordt bevolen, en de natuurwet van krachtsbesparing, om niet te spreken van zijn eigen bewust oordeel, verbiedt hem zenuwkracht te verspillen met plannen te beramen en te ondernemen, die hij waarschijnlijk toch niet mag uitvoeren. Hierdoor ontstaat een toestand van luiheid, tenzij er gedwongen gewerkt wordt, maar tevens een onhandelbare, grillige onbuigzaamheid in kleine zaken,—als reactie van een gedwongen onderwerping.Een gevaarlijker kracht, die meer de evolutie van het menschelijk karakter tegenhoudt, dan deze bestendige oefening van de gewoonten der dienstbaarheid in de helft der menschheid,—en de moeder van allen,—is nauwelijks denkbaar. De gevolgen werden natuurlijk gewijzigd, door dat de mannen anders dan de vrouwen werden opgevoed en een andere omgeving hadden, waardoor in hen tegenovergestelde hoedanigheden tot ontwikkeling kwamen en deze vermengd op de kinderen werden overgebracht.Erfelijkheid kent geen Salische wet. De jongen erft van zijn moeder evengoed als van zijn vader; het meisje van haar vader, evengoed als van haar moeder. Dit heeft de slechte resultaten, die ontstaan konden, ten deele tegengehouden, maar het heeft onze persoonlijke bezwaren vermeerderd en den algemeenen vooruitgang van het ras vertraagd.Doch erger dan de gevolgen waren van de belemmering van den lichamelijken arbeid der vrouwen, was het gevolg van de beperking van haar macht om voor zich zelf te mogen denken en te handelen. Het uitgebreide gebruik van den menschelijken wil verkrijgt men alleen door vrij en willekeurig handelen. De vrouw werd in nog onontwikkelden toestand lichamelijke vrijheid, de grondslag van alle kennis, onthouden; haar werd geestelijke vrijheid, de weg tot verdere wijsheid, niet verleend; haar werd zedelijke vrijheid, om meesteres over haar eigen daden te zijn en door de genadige wet van consequentie te leeren wat goed en wat slecht was, geweigerd; en dientengevolge bleef zij ten achter in de hoogere opvatting der zeden.Haar zedelijk gevoel is groot genoeg, ziekelijk groot zelfs, omdat zij in dit opzicht voor haar gedrag steeds gelaakt of geprezen werd. Haar fijngevoeligheid voor zedelijke handelingen werd zelfs in een broeikas gekweekt, maar het breede oordeel, waardoor alleen deze fijngevoeligheid bestuurd kan worden, bezit zij niet. Haar medewerking tot zedelijken vooruitgang heeft de wereldslechts het wreede besef van zonde en schande gegeven; de wanhopige wensch om goed te doen en de vrees om kwaad te doen, doch niet de hulp van een praktisch verstand en een geregelden wil. De vrouwen zijn, door met elke generatie de opgehoopte krachten van onzen socialen aard te erven, en door in elke generatie ten gevolge van haar bekrompen leven weder achteruit te gaan, krachtige, zelfbewuste middelpunten van zedelijke impulsie geworden, doch tegelijkertijd slechte gidsen voor het gedrag, en deze kunnen toch alleen die impulsie van nut zijn en het karakter van het ras verbeteren.Men heeft in latere jaren aangenomen dat de vrouw zedelijk hooger staat dan de man, omdat men in haar sterk het gevoel van kuischheid, de deugden van trouw, onderwerping en zelfopoffering,—eigenschappen die in de middeleeuwen tot de eerste deugden gerekend werden,—bewaard vond. Maar de onophoudelijke groei van het menschelijk leven, het sociale leven, heeft in den man nieuwe deugden ontwikkeld, die hooger en noodzakelijker waren; terwijl de zedelijke aard der vrouw, in het oorspronkelijk stadium van economische afhankelijkheid, een aanhoudende rem voor den vooruitgang van den menschelijken geest is. De voornaamste trek van haar leven,—beperking van haar plichten tot de liefde en hulp van haar naaste bloedverwanten—werkt op ons voortdurend als een rem, doordat zij den geest belet zich tot de sociale liefde en sociale diensten uit te breiden, waarvan ons bestaan afhankelijk is. Hierdoor worden wij op de zedelijke hoogte van het patriarchale tijdperk gehouden en worden onze oogen gesloten voor den vollen menschenplicht.Een sterk zelfbewustzijn, gevolg van den voortdurendenomgang met hetzelfde groepje menschen; een overdreven eigenbelang, gekweekt door aanhoudend aandacht te schenken en diensten te bewijzen aan die menschen; een koortsige, martelende, moreele fijngevoeligheid, zonder den breeden en helderen blik van een goed ontwikkeld zedelijkheidsbegrip; een gedwarsboomde wil, die dan eens dienst doet om zich gedwee over te geven, dan weder om listig iets te ontduiken of zich nutteloos te verzetten; een kinderlijk, weifelend, onbeteekenend oordeel, verkleind nog door aandoening; een veel te groote toewijding aan eigen bloedverwanten en een overdreven moederlijke hartstocht; zulke geestelijke hoedanigheden zijn de onvermijdelijke gevolgen van onze sexueel-economische verhouding.Wij kunnen de slechte gevolgen hiervan niet alleen bij de vrouw en door haar bij het ras bespeuren. Ook de man, als heer en meester, heeft er in zijn positie onder geleden. De begeerte om macht uit te oefenen en te heerschen, aan de mannelijke leden van elke diersoort eigen, werd door deze goedkoope en gemakkelijke heerschappij veel te sterk gevoed. De heerschappij van den man is geen gevolg van zijn geschiktheid daarvoor, of omdat hij in eerlijken strijd “zijn waardigen tegenstander” met gunstigen uitslag verslagen heeft, maar zij berust alleen op het toeval der geboorte, en hij heerscht over zulke hulpelooze en inferieure onderdanen, die niet in opstand komen of er zich tegen verzetten. De gemakkelijke heerschappij, die geen inspanning vereischt om haar te handhaven; de verzoeking om tot wreedheid te vervallen, als gevolg van macht zonder verantwoordelijkheid; trots en eigenzinnigheid welke er steeds mede gepaard gaan,—deze hoedanigheden zijn door de sexueel-economische verhouding bij de mannen aangekweekt.Toen de man zijn plaats moest handhaven door ruwe kracht, maakte dit hem ruwer: toen hij zijn plaats moest handhaven door koop, door de macht der economische behoeften, toen wendde hij deze macht zoo meedoogenloos aan, dat hij nog heden ten dage de kenmerken er van draagt.Een ander reusachtig kwaad, door deze verhouding veroorzaakt, is de zelfzucht. Het maatschappelijk leven tracht dit gevoel, dat niets anders is dan een verachterd individualisme, te overwinnen, maar door de sexueel-economische verhouding wordt het gevoed. Een wezen te hebben dat zich geheel wijdt aan zijn directen persoonlijken dienst, en hem op alle mogelijke wijzen zoekt te behagen en te voldoen, dat heeft den man, meer dan voor ons stadium van maatschappelijke ontwikkeling past, zelfzuchtig gemaakt. Zelfs in onze gekunstelde voorname kringen zijn de mannen verdraagzamer en beleefder en vriendelijker buitenshuis dan tehuis. Trots, wreedheid en zelfzucht zijn de fouten van den meester; en deze fouten worden in den boezem van het gezin versterkt door de valsche positie der vrouw. En elke menschelijke ziel, in de jeugd licht voor indrukken vatbaar, leeft in nauwe aanraking met deze toestanden. Onze kinderen moesten door de zeden van een beschaafde, vrije, ijverige, democratische eeuw omringd zijn; maar zij worden geboren en opgevoed in de zedelijke atmospheer van het patriarchale tijdperk. Geen wonder dat het dan wat lang duurt eer wij in staat zijn van de groote gaven en voorrechten der democratie te kunnen genieten, de volle maatschappelijke waardigheid en maatschappelijken plicht te voelen, nu ieder onzer wordt groot gebracht in de vesting van oude en verouderde aandoeningen,—in het economisch verwante gezin.Zoo kunnen wij, als gevolg van de sexueel-economische verhouding der menschen, niet alleen bepaalde gebreken in hun geestelijke ontwikkeling opsporen, op verschillende wijze in mannen en vrouwen ontstaan doch gelijkelijk op de kinderen overgebracht, maar ook de aangeboren karaktervorming deugt niet, wegens de samenvoeging van twee zoo verschillend geestelijk gevormde menschen;—het menschelijk karakter is daardoor dikwijls van den aanvang af duister en verwrongen. Wij worden naar lichaam en geest benadeeld door te ongelijke trekken van de te zeer uiteenloopende karakters der ouders over te erven, maar het nadeel komt hier duidelijker aan het licht dan bij den zedelijken aard van het ras.Toch kunnen wij ook hier, evenals met de andere slechte gevolgen wan de sexueel-economische verhouding, het bijkomende goede zien dat dezen toestand in zijn tijd noodzakelijk maakte, en wij kunnen met gemakkelijke zekerheid de schoone resultaten van onze tegenwoordige verandering volgen. Een gezond, normaal zedelijk gewoel, bevrijd van zijn overdrijvingen en tegenstrijdigheden, zal ons deel worden; en met een helder besef zullen wij ons de ethische processen niet langer voorstellen als iets dat boven- en tegennatuurlijk is, maar als de natuurlijkste zaak der wereld.Terwijl wij ons nu inspannen en kwellen om onmogelijke deugden te erlangen, zullen wij dan gemakkelijk en als van zelf deze eigenschappen verwerven, zonder er zelfs over te denken dat dit iets bijzonder prijzenswaardigs is. Terwijl onze vooruitgang tot nu toe zoo belemmerd werd door den invloed van rudimentaire krachten uit vroegere levensperioden, zal hij dan effen en snel voorwaarts schrijden, zoodramannen en vrouwen in economische verhouding gelijk staan. Zoodra de moeder van het ras vrij zal zijn, zullen wij in een beter wereld leven, door het ongedwongen recht van geboorte en door de geleidelijke, langzame, vreedzame krachten der maatschappelijke evolutie.
Nu wij weten hoe nauw ons geestelijk bestaan verband houdt met onze uiterlijke omstandigheden, hoe het zedelijk gevoel en het gedrag van den mensch gewijzigd worden door de omgeving, moeten wij natuurlijk uitzien naar kenmerkende gevolgen in de geestelijke ontwikkeling, voortspruitende uit een zoo belangrijke omstandigheid als onze sexueel-economische verhouding.
Voortdurend is opgemerkt dat de verhouding der geslachten, in welken vorm ook, op den zedelijken aard van het menschdom van sterken invloed was, en dat is één der redenen, waarom in dit boek zulk een groote nadruk is gelegd op de bijzondere zedelijke kracht dier verhouding. In het dagelijksch leven beteekent het woord “zedelijk”, “kuisch” en wanneer men van vrouwen spreekt heeft het woord “deugd” alleen beteekenis als deugd van kuischheid. Groote volksbegrippen zijn nimmer zonder grondslag. Zij zijn geworteld in diepzinnige waarheden, die beter gevoeld dan gezien worden en, hoe dom en onwaar zij ook in hun woordelijke vertolking zijn, in hun algemeene strekking kan men ze vertrouwen. Niet omdat de deugd van kuischheid voor het ras zooveel belangrijker is dan de deugd van trouw, de deugd van moed, de deugden van blijmoedigheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, maar omdat de geslachts-verhouding waarin wij leven zooveel invloed uitoefent op de verdere ontwikkeling en regeling van onzen geheelen zedelijken aard, daarom hechten wij er zooveel beteekenis aan.
Wat wij zedelijk gevoel noemen, is een erkenning van de betrekkelijke belangrijkheid van zekere handelingen en hare gevolgen. Vaag en zwak kwam dit bij de vroegere wilden voor en het werd gedurende langen tijd hoofdzakelijk toegepast bij onduidelijk omschreven en willekeurig vastgestelde godsdienstige plechtigheden en ceremoniën. Maar de gewoonte om een gevoel van deugdzaamheid te verbinden met zekere handelingen door welke lof en voordeel werd ingeoogst, wortelde zich in de kinderlijke ziel en de reeks van zedelijke handelingen werd grooter. Sedert is die reeks steeds grooter, hooger en ingewikkelder geworden, met de andere maatschappelijke hoedanigheden zich uitbreidende.
Geen menschelijke eigenschap is meer absoluut maatschappelijk dan het zedelijk gevoel. Ethica is een sociale wetenschap. Er bestaat geen zedeleer voor het individu. Op zich zelf genomen is de mensch maar een dier; zijn gedrag staat dan alleen in betrekking tot zijn dierlijke behoeften,—zelf-behoud en ras-behoud. Elke deugd en de wil ze te erkennen en er naar te streven is een maatschappelijke hoedanigheid. De hoogste deugden zijn die waarmede wij op de beste wijze de meeste menschen dienen en haar ontwikkeling in ons houdt gelijken tred met de ontwikkeling der maatschappij. Door onze maatschappelijke verhouding worden onze deugden te voorschijn geroepen en blijven zij in stand.
Een eenvoudig voorbeeld hiervan vinden wij in het gemakkelijk tot wreedheid vervallen van iemand, die afgesneden is van zijn stamgenooten en gedwongen wordt in een woeste omgeving te leven. Zelfs een korte en gedeeltelijke verandering van toestand wijzigt dikwijls op eens het gedrag, wat men bij de vroomste Nieuw-Engelanders heeft kunnen opmerken toen zij tijdelijk in de mijnwerken vertoefden. Het blijkt ook uit hetverschil van deugd bij de verschillende klassen van menschen en in de verschillende takken van nijverheid.
Elke sociale verhouding heeft haar eigen zedewetten; en de algemeene behoeften der maatschappij, als een geheel, vormen de grondslagen der zedeleer. Dit kan voor iedere eeuw en voor elk ras nagegaan worden en steeds zal men een duidelijk verband vinden tusschen de deugden en ondeugden van een gegeven volk en zijne plaatselijke toestanden. De economische omgeving beheerscht hoofdzakelijk de ontwikkeling der zedewetten. Voor iemand die gewend is de zedewetten te beschouwen als niet van deze wereld afkomstig en die ziet hoe dikwijls deugdzaamheid den bezitter duur te staan komt, kan dit vreemd schijnen. Het zedelijk gedrag van een gegeven aantal menschen hangt ten eerste van het bestaan van deze menschen af. Een gedrag dat er toe zou leiden om hen uit te roeien, zoude eveneens hunne zedewetten uitroeien. Een gedrag dat hen doet in stand blijven en toenemen, is het eenige gedrag waarvan de zedelijke waarde kan worden vastgesteld. Daarom wordt de zedeleer absoluut beheerscht door het leven en de handhaving daarvan. Van het laagste en meest bekrompen inzicht dat een handeling goed of slecht noemt naar gelang van haren onmiddellijken invloed op iemands tegenwoordig leven, tot het helder vooruitzien van latere gevolgen dat een gedrag goed of slecht noemt naar gelang het van invloed is op iemands leven hiernamaals, wordt onze zedeleer, de wetenschap van het menschelijk gedrag, alleen beoordeeld naar zijne gevolgen.
Daarom vinden wij onvermijdelijk bij alle rassen die handelingen waardoor menschen leven, als goed aangemerkt en wij zien hooge goedkeuring geschonken aan hem, die het best die handelingen volbrengt. In de jacht- en vischperiode werd de beste jager en de bestevisscher ook als de beste man, door zijn stam geprezen en geëerd. Men kweekte die deugden aan, die den bezitter in staat stelden met het meeste succes te jagen en te dooden, niet alleen om zelf te kunnen leven, maar ook om een vertrouwde hulp te zijn voor zijn vrienden. Barbaarsche deugden waren enkel de terugkaatsing van barbaarsche toestanden. Geduld en zelfbedwang te bezitten, was voor den jager een economische behoefte; pijn en langdurige inspanning gemakkelijk te dragen, was voor den krijger een noodzakelijkheid. Daarom werden deze deugden, door voorbeeld en voorschrift, bij de wilden aangekweekt.
In de lange landbouw- en militaire tijdperken geschiedde hetzelfde. Arbeidzaamheid en geduld werden als deugden in de boeren geprezen, want het vereischt ijver en geduld om koren te oogsten. De deugden van moed en gehoorzaamheid werden in den soldaat hoog verheven, en iedereen moest de deugd van geloof bezitten omdat die een eerste vereischte was voor het bestaan van den godsdienst. En er werd een groote mate van geloof vereischt om den godsdienst van die tijden aan te nemen. De deugd van geloof verminderde in belangrijkheid, zoodra de godsdienst verstandiger en toepasselijk op het leven werd. Het vereischt geen inspanning om te gelooven wat men kan begrijpen en begrijpt. Langzamerhand ontstond het nijverheids-tijdperk en ontwikkelde zich dit van de zwakke, sporadische pogingen van den nederigen marskramer en handwerksman,—het slachtoffer van de overheerschende klasse van militairen—tot onze hedendaagsche kolossale industrieele organisatie, waarin de soldaat onbarmhartig geëxploiteerd wordt voor het een of ander financieel belang. Met deze verandering in economische omstandigheden werd ook de schaal der deugden veranderd.
Lichamelijke moed verminderde in waarde; gehoorzaamheid, geduld, geloof en de rest staan niet meer zoo hoog aangeschreven als vroeger. Evenals altijd prijzen en waardeeren wij heden de deugden waardoor wij leven. Elk dier ontwikkelt de deugden passend voor zijn omstandigheden; het kenmerkend verschil voor den mensch ligt hierin dat hij de macht van het bewust begrip en de persoonlijke wilskracht bij de werking der natuurkracht voegt. Niet alleen voor ons eigen ras, maar ook voor andere rassen noemen wij die hoedanigheden “goed” en “slecht,” naarmate zij ons tot voordeel strekken; en de beesten die wij grootbrengen en gebruiken, ontwikkelen noodzakelijkerwijze de eigenschappen die hun in hun nieuwen toestand het meest tot nut strekken, zooals bijv. onze welbekende vriend, de hond.
De hond is een dier dat sedert lang van zijne natuurlijke onderhoudsmiddelen is afgesneden en voor zijn voedsel geheel afhankelijk is van den mensch. Als een vrije, wilde hond, was hij onverschrokken, moedig, wreed. Als een tamme, slaafsche hond, bezit hij lage onderworpenheid, kruipende willoosheid; hij klaagt wanneer hij een trap krijgt en likt den voet die hem kastijdt. Wij hebben den oorspronkelijken hond geheel herschapen en zijn zedelijke aard, zijn geest, toont de verandering meer dan zijn lichaam. De kracht waardoor dit tot stand werd gebracht is een economische,—de bron van voedsel en de wijze om het te bemachtigen werden veranderd.
Laat ons eens de kenmerkende deugden der menschheid in het kort nagaan, haar wijze van ontstaan en ontwikkeling onderzoeken en zien hoe die ééne bijzondere verhouding, de sexueel-economische, er op geïnfluenceerd heeft.
Het voornaamste kenmerk van menschelijke deugdzaamheid ligt in, wat wij ruwweg als altruisme beschrijven,—“zelfopoffering.” Elkander lief te hebben en te dienen, voor elkander zorg te dragen, voor en met elkander te voelen,—het bijvoegelijk naamwoord van ons ras, “menschelijk”, sluit deze eigenschappen in. Het eigenlijk bestaan der menschheid maakt deze hoedanigheid tot zekere hoogte noodzakelijk en de ontwikkeling der menschheid gaat met hare ontwikkeling hand aan hand.
Wanneer wij deze dingen bestudeeren, dan maken wij gewoonlijk de fout, de noodzakelijkheid van zulke zedelijke hoedanigheden in het menschelijk leven niet genoeg te waardeeren. Wij hebben gemeend dat het in toepassing brengen van deze maatschappelijke deugden persoonlijke inspanning en opoffering kost, en dat er een eeuwigdurende strijd bestaat tusschen de cosmische ontwikkelingsprocessen en de ethische processen, zooals Huxley het voorstelt. De sociale evolutie brengt evenwel de essentieele hoedanigheden van de sociale verhouding mede, en dat zijn dan onze deugden, waarop wij zoo trotsch zijn. De natuurlijke veranderingen in het onderling verkeer en de onderlinge verhouding der menschen ontwikkelden van zelf de hoedanigheden, zonder welke dat verkeer en die verhouding niet mogelijk waren; en deze ontwikkeling verliep even geregeld, even natuurlijk, even “cosmisch”, als de organische werkzaamheden in het menschelijk lichaam. Het is even natuurlijk voor een industrieele maatschappij om in vrede, als voor een jagersvolk om in oorlog te leven. Die vrede is geen gevolg van heldhaftige en zelfopofferende inspanning van de leden der industrieele maatschappij; het is niets anders dan een noodzakelijke voorwaarde voor hun bestaan.
In het ontwikkelingsverloop der menschelijke zeden wordt een trapsgewijze uitbreiding van ons begrip van algemeen “goed” en “kwaad” opgemerkt, in tegenstelling met ons oorspronkelijk begrip van individueel “goed” en “kwaad.” Dit komt bij de personen die zich geheel aan de maatschappij wijden zeer sterk uit, zooals bij de groote staatkundigen, patriotten en philanthropen. Ieder van deze woorden toont in zijne samenstelling reeds dat de beschreven hoedanigheid van socialen aard is,—de staatsman denkt en werkt voor den staat; de patriot heeft zijn land lief en werkt er voor, de philanthroop handelt uit liefde voor de menschheid. Deze eigenschappen zijn allen van het begin tot het einde een bloote erkenning van het gelijk recht van den naaste, rechtvaardigheid en hoffelijkheid voor allen; zij zijn slechts het natuurlijk product der maatschappelijke omstandigheden, welke door de noodzakelijkheid om in de economische behoeften te voorzien op het individu inwerken. Het individu dat economisch absoluut alleen staat evenals het beest, wordt door zuiver egoisme bevoordeeld, en ontwikkelt dat.
Onze deugden kunnen allen op deze wijze opgespoord en verklaard worden. De groote voorname stam van alle deugden, welke wij “liefde” noemen, is niets anders dan de eerste voorwaarde voor ons maatschappelijk bestaan. Het is cohaesie, waardoor de afzonderlijke deelen der maatschappij saamgehouden worden. Indien er niet een of andere aantrekking tusschen ons bestond, dan zouden wij niet in staat zijn om samen te blijven; en deze aantrekking die door ons bewustzijn wordt waargenomen, noemen wij liefde. De deugd van gehoorzaamheid bestaat in de overgave van den eigen wil, wat dikwijls noodzakelijk is voor het algemeen welzijn; en zij staat daarom bij militairen zoo hoog aangeschreven, omdatbij hen dikwijls een groot aantal mannen te zamen moet handelen ten dienste der gemeenschap tegen hun persoonlijk belang, zelfs met opoffering van hun leven.
Toen wij ons tot een voller maatschappelijk leven ontwikkelden, ontdekten wij langzaam en zoekend, na vele droevige en kostbare ervaringen, welk soort van mensch de beste maatschappelijke factor was. Het type van een goed lid der hedendaagsche maatschappij is een zich zelf beheerschend, vriendelijk, beschaafd, sterk, verstandig, dapper, hoffelijk, opgeruimd, waar mensch. In de Middeleeuwen zoude sterk, moedig en waar, aan de eischen van dien tijd voldaan hebben. Wij eischen nu voor ons algemeen welzijn een grooter reeks van hoedanigheden, een meer doorwrochte zedelijke organisatie. Dit alles geschiedt op eenvoudige, evolutionaire wijze in het maatschappelijk leven, en moest niet meer verwarring, inspanning en smart veroorzaken dan eenig ander natuurlijk proces.
De zedelijke ontwikkeling der menschheid was echter een zeer verward en ingewikkeld proces. Enkele deugden hebben wij in geregelden vorm ontwikkeld, nauwelijks bemerkende dat het deugden waren, omdat zij zoo gemakkelijk in gebruik kwamen. Nauwkeurigheid en stiptheid zijn deugden die de wilden niet kenden, omdat zij ze voor hunne bezigheden niet noodig hadden. Wij hebben ze ontwikkeld, omdat zij vereischt werden en zoo werden zij door den druk der economische behoeften langzamerhand aangenomen. Gehoorzaamheid, zelfs in haren uitersten vorm van zelfopoffering, werd den soldaat geleerd; toch bestaat er geen hoedanigheid die altruistischer en onnatuurlijker is, of moeilijker valt aan te nemen voor den krachtigen individueelen wil. De gewone, wet-eerbiedigende burger beschouwt zich zelf niet als een held; toch openbaart hij een hooge matevan maatschappelijke deugdzaamheid, dikwijls een groote zelfopoffering.
Maar in andere deugden zijn wij niet zoo geleidelijk vooruitgegaan. In de gewone economische levensverhoudingen en in de geslachtsverhoudingen onderscheiden wij ons door bijzondere en schadelijke hoedanigheden. Wij bezitten nog onuitgeroeide hoedanigheden, welke wij op grond van het maatschappelijk welzijn reeds lang afgelegd moesten hebben en waardoor nu onophoudelijk strijd ontstaat tusschen deze rudimentaire overblijfsels en onzen normalen groei. Dit is het waardoor ons geweten sedert zijn ontwaken onophoudelijk wordt geplaagd en wat wij “den strijd tusschen goed en kwaad” noemen. Wij hebben het rukken van die verschillende neigingen innerlijk gevoeld,—den drang om te doen wat onmiddellijk goed voor ons zelf is, maar wat ons toenemend sociaal gevoel ons als nadeelig voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom slecht is; en den drang om te doen wat onmiddellijk slecht voor ons zelf kon zijn, maar hetzelfde sociale gevoel ons als goed voor de gemeenschap heeft doen kennen en daarom als goed moet worden aangemerkt. Dit voelden wij, en zochten in onzen geest naar een verklaring van ons gedrag, omdat wij wisten dat het vreemd was. Het menschelijk verstand wil een verklaring hebben, indien het er een zoekt. Wij maakten er een.
De achtergebleven impulsiën van het individueele dier,—goed voor hem, omdat hij ze noodig had, maar slecht voor ons, omdat wij begonnen mensch te worden en andere behoeften kregen,—pakten wij tot één hoop samen, en met onze gemakkelijke, dramatische, personifieerende neiging noemden wij dien “den duivel.” En aangezien deze slechte ingevingen gewoonlijk aandriftenvan physischen aard waren, beschouwden wij onze lichamen, en onzen aard in het algemeen, als deel van het kwade,—“de wereld, het vleesch en de duivel.” Wij voelden evenwel ook in ons een krachtige beroering van nieuwe machten en vreemde neigingen, die onze zelfzucht tot zwijgen brachten en ons voor anderen deden gevoelen; nieuwe liefde, hoop en wenschen, nieuwe verlangens om te geven in plaats van te nemen, te dienen in plaats van te strijden; en met echt maatschappelijk instinkt begrijpende dat deze aandriften ons ten goede zouden leiden, ons tot voordeel zouden strekken, noemden wij ze den wil van God, de stem van God, den weg tot God. De tweespalt tusschen deze slechte impulsiën en neigingen, en onze toenemende macht om zelfbewust en naar willekeur te handelen, veroorzaakte bij onze geestelijke ontwikkeling den strijd tusschen goed en kwaad.
En vaag en onbestemd naar de bronnen van onze smart zoekende, voor zoover wij ze konden nasporen, en even als altijd personen in plaats van toestanden beoordeelend,—zooals een kind de tafel slaat als het zijn hoofdje stoot,—hebben wij, ras na ras, de vrouw als oorzaak van alle ellende beschouwd. Niet dat zij aanvankelijk het kwaad zou hebben uitgedacht,—de vage duivel was de verwijderde oorzaak,—maar de vrouw zou het over ons hebben gebracht. Pandora maakte de onheils-doos niet; maar koppig als zij was opende zij haar, niettegenstaande den wijzen raad van haar man. Eva plantte den appelboom niet; maar zij at van de vruchten en verleidde haar superieuren man. Het lijkt een kinderachtige en domme redeneering, maar er zit toch iets in. Ik bedoel niet de ergerlijke blaam en schande die de mannen, gedurende al deze eeuwen op hunne moeders geworpen hebben,maar de sociologische waarheid die er in schuilt.
Niet de vrouw, maar de toestand der vrouw is altijd de oorzaak van het kwade geweest. De sexueel-economische verhouding heeft haar bij de maatschappelijke werkzaamheden buiten gesloten, waardoor en waardoor ook alleen de maatschappelijke deugden tot ontwikkeling kunnen komen. Zij mocht de hoedanigheden voor onzen ras-vooruitgang noodig niet verwerven; en in haar in ontwikkeling achtergebleven toestand heeft zij de deugden en de ondeugden behouden uit die ontwikkelingsperiode, waarin zij aan banden gelegd werd. In een periode van geïsoleerde economische werkzaamheden,—enkel dierlijk individualisme,—in een periode waarin maatschappelijke banden niet verder reikten dan tusschen bloedverwanten, werd de vrouw van de aanraking met de maatschappij afgesneden en bestemd voor de functioneele werkzaamheden van haar geslacht.
Door haar op dezen primitieven grondslag van het economisch leven te houden, hebben wij de halve menschheid aan het uitgangspunt vastgebonden en de andere helft laten voortrennen. Wij hebben één soort van hoedanigheden in de eene helft van ons ras geoefend en aangekweekt, en een ander soort in de andere helft. En dan verwonderen wij ons over de tegenstrijdigheden in de menschelijke natuur. Bijvoorbeeld, wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten om mannen moedig te maken. Wij deden alles wat wij konden, met medewerking der natuurkrachten, om vrouwen lafhartig te maken. En aangezien ieder menschelijk wezen uit man en vrouw geboren is, is het niet zoo verbazend vreemd dat wij een beetje van gemengden aard zijn.
Wij hebben in de mannen de groote hoedanigheden aangekweekt die tot nut der maatschappij strekkenen die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden; wij deden dit door te prijzen of te berispen, te beloonen of te straffen, en met de hulp van wet en gewoonte. Door dezelfde middelen hebben wij de vrouwen geoefend in de kleine hoedanigheden van persoonlijk nut, die ook door den druk van hunne economische omstandigheden ontwikkeld werden. Wij hebben daardoor een wezen gevormd, dat niet homogeen is, welks leven gevoed wordt door twee hereditaire stroomen, zoo ongelijk en tegen elkaar indruischend, als men zich maar met mogelijkheid kan voorstellen. Wij hebben een ras van geestelijke hybriden voortgebracht, en de geestelijke eigenschappen der hybriden zijn maar al te goed bekend.
Teruggaande naar dat vroege begin, hebben wij, door de economische omstandigheden van mannen en vrouwen te doen verschillen, hun geestelijke ontwikkeling doen verschillen en de lichaamsgesteldheid van het ras uit de tegenstrijdige elementen van deze uiteenloopende karakters opgebouwd. Het tegenstrijdig gedrag van dit gekruist product is het raadsel van het menschelijk leven. Door dit kunstmatig onderscheid tusschen de beide geslachten te laten voortduren, hebben wij het raadsel, dat wij zoo moeilijk vonden op te lossen, steeds behouden en in onze eigen karakters de verwarring en tegenstrijdigheid bewaard, die ons grootste bezwaar in het leven zijn.
Het grootste en meest radicale gevolg van het herstellen der economische onafhankelijkheid der vrouwen zal zijn, dat ten slotte de menschelijke geest helder wordt en kan harmonieeren. Met een homogene natuur, voortgekomen uit ouders van denzelfden graad van maatschappelijke ontwikkeling, zullen wij enkelvoudig kunnen voelen, helder zien, het eens zijn met ons zelf,de dienaar en de meester van ons eigen leven zijn, in plaats van in zulk een hopelooze verwarring te worstelen met hetgeen wij genoemd hebben “den dualistischen aard van den mensch.” Laat een beschaafd man met een oorspronkelijke wilde paren, dan zal hun kind een tweeslachtigen aard hebben. Laat een Anglo-Sakser met een Afrikaner of Oosterling paren en hun kind zal van tweeslachtigen aard zijn. Laat een of ander man van een hoog ontwikkelde natie, vol van de hoog ontwikkelde werkzaamheden van zijn ras en de daarmede gepaard gaande zedelijke hoedanigheden, huwen met een zorgvuldig dom gehouden, onontwikkeld vrouwelijk wezen, dat liefderijk aan zijn zijde gekoesterd wordt, en men krijgt tot resultaat dat wij allen zoo goed kennen,—de menschelijke geest in zijn bedroevende, goedgemeende pogingen, zijn blinde dwalingen, zijn stuipen van hartstocht, en tusschen al dit wankelen door, zijn schoonen en onophoudelijken drang tot een hooger leven.
Wij zijn met dit resultaat volkomen bekend, maar tot dusver hebben wij de plaats nog niet bepaald waar de oorzaak gezeteld is. Wij hadden een flauw vermoeden dat de vrouw er iets mede te maken had; en men heeft haar, in vele eenvoudige rassen, dienovereenkomstig behandeld, tot haar verder nadeel en tot dat van alle menschen. Wij moeten echter inzien dat niet de vrouwen als een sekse verantwoordelijk zijn voor de slechte moeders in de wereld, maar dat de economische toestand van de vrouwen haar gemaakt heeft tot wat zij zijn. Indien de mannen in die omstandigheden geplaatst waren, zouden wij hetzelfde effect gekregen hebben. Niet de geslachts-verhouding, maar de economische verhouding van de geslachten heeft den draad van het menschelijk leven zoo verward.
Behalve de essentieele gebreken van een natuur die niet in evenwicht is, werden door deze omstandigheden nog andere schadelijke hoedanigheden in de menschelijke karakters ontwikkeld. Gedurende ontelbare eeuwen hebben wij getracht, door teeltkeus en opvoeding, een angstige onderwerping in vrouwen te ontwikkelen. Wanneer er een “bij-de-handje” verscheen, dan bleef zij ongetrouwd, en dan verdween haar aard met haar, of zij werd door den een of ander Petruchio “getemd.” In haar afhankelijkheid van de persoonlijke gunst der mannen, hebben de vrouwen zich met buitengewone bekwaamheid aan haar bron van bestaan aangepast. Door de noodzakelijkheid van te moeten behagen, of zij het wenscht of niet, te moeten pleiten voor vergiffenis van haar kind, of te smeeken om genoegens voor zich zelf, heeft men “de gebreken van den slaaf” in deze dienstbode der wereld steeds behouden.
Een andere strijd door den toestand van dienstbaarheid ontstaan, is die tusschen willen en doen. Een dienstbare stelt zijn tijd en kracht ter beschikking van den wil van een ander. Hij moet steeds gereed zijn te doen wat hem wordt bevolen, en de natuurwet van krachtsbesparing, om niet te spreken van zijn eigen bewust oordeel, verbiedt hem zenuwkracht te verspillen met plannen te beramen en te ondernemen, die hij waarschijnlijk toch niet mag uitvoeren. Hierdoor ontstaat een toestand van luiheid, tenzij er gedwongen gewerkt wordt, maar tevens een onhandelbare, grillige onbuigzaamheid in kleine zaken,—als reactie van een gedwongen onderwerping.
Een gevaarlijker kracht, die meer de evolutie van het menschelijk karakter tegenhoudt, dan deze bestendige oefening van de gewoonten der dienstbaarheid in de helft der menschheid,—en de moeder van allen,—is nauwelijks denkbaar. De gevolgen werden natuurlijk gewijzigd, door dat de mannen anders dan de vrouwen werden opgevoed en een andere omgeving hadden, waardoor in hen tegenovergestelde hoedanigheden tot ontwikkeling kwamen en deze vermengd op de kinderen werden overgebracht.
Erfelijkheid kent geen Salische wet. De jongen erft van zijn moeder evengoed als van zijn vader; het meisje van haar vader, evengoed als van haar moeder. Dit heeft de slechte resultaten, die ontstaan konden, ten deele tegengehouden, maar het heeft onze persoonlijke bezwaren vermeerderd en den algemeenen vooruitgang van het ras vertraagd.
Doch erger dan de gevolgen waren van de belemmering van den lichamelijken arbeid der vrouwen, was het gevolg van de beperking van haar macht om voor zich zelf te mogen denken en te handelen. Het uitgebreide gebruik van den menschelijken wil verkrijgt men alleen door vrij en willekeurig handelen. De vrouw werd in nog onontwikkelden toestand lichamelijke vrijheid, de grondslag van alle kennis, onthouden; haar werd geestelijke vrijheid, de weg tot verdere wijsheid, niet verleend; haar werd zedelijke vrijheid, om meesteres over haar eigen daden te zijn en door de genadige wet van consequentie te leeren wat goed en wat slecht was, geweigerd; en dientengevolge bleef zij ten achter in de hoogere opvatting der zeden.
Haar zedelijk gevoel is groot genoeg, ziekelijk groot zelfs, omdat zij in dit opzicht voor haar gedrag steeds gelaakt of geprezen werd. Haar fijngevoeligheid voor zedelijke handelingen werd zelfs in een broeikas gekweekt, maar het breede oordeel, waardoor alleen deze fijngevoeligheid bestuurd kan worden, bezit zij niet. Haar medewerking tot zedelijken vooruitgang heeft de wereldslechts het wreede besef van zonde en schande gegeven; de wanhopige wensch om goed te doen en de vrees om kwaad te doen, doch niet de hulp van een praktisch verstand en een geregelden wil. De vrouwen zijn, door met elke generatie de opgehoopte krachten van onzen socialen aard te erven, en door in elke generatie ten gevolge van haar bekrompen leven weder achteruit te gaan, krachtige, zelfbewuste middelpunten van zedelijke impulsie geworden, doch tegelijkertijd slechte gidsen voor het gedrag, en deze kunnen toch alleen die impulsie van nut zijn en het karakter van het ras verbeteren.
Men heeft in latere jaren aangenomen dat de vrouw zedelijk hooger staat dan de man, omdat men in haar sterk het gevoel van kuischheid, de deugden van trouw, onderwerping en zelfopoffering,—eigenschappen die in de middeleeuwen tot de eerste deugden gerekend werden,—bewaard vond. Maar de onophoudelijke groei van het menschelijk leven, het sociale leven, heeft in den man nieuwe deugden ontwikkeld, die hooger en noodzakelijker waren; terwijl de zedelijke aard der vrouw, in het oorspronkelijk stadium van economische afhankelijkheid, een aanhoudende rem voor den vooruitgang van den menschelijken geest is. De voornaamste trek van haar leven,—beperking van haar plichten tot de liefde en hulp van haar naaste bloedverwanten—werkt op ons voortdurend als een rem, doordat zij den geest belet zich tot de sociale liefde en sociale diensten uit te breiden, waarvan ons bestaan afhankelijk is. Hierdoor worden wij op de zedelijke hoogte van het patriarchale tijdperk gehouden en worden onze oogen gesloten voor den vollen menschenplicht.
Een sterk zelfbewustzijn, gevolg van den voortdurendenomgang met hetzelfde groepje menschen; een overdreven eigenbelang, gekweekt door aanhoudend aandacht te schenken en diensten te bewijzen aan die menschen; een koortsige, martelende, moreele fijngevoeligheid, zonder den breeden en helderen blik van een goed ontwikkeld zedelijkheidsbegrip; een gedwarsboomde wil, die dan eens dienst doet om zich gedwee over te geven, dan weder om listig iets te ontduiken of zich nutteloos te verzetten; een kinderlijk, weifelend, onbeteekenend oordeel, verkleind nog door aandoening; een veel te groote toewijding aan eigen bloedverwanten en een overdreven moederlijke hartstocht; zulke geestelijke hoedanigheden zijn de onvermijdelijke gevolgen van onze sexueel-economische verhouding.
Wij kunnen de slechte gevolgen hiervan niet alleen bij de vrouw en door haar bij het ras bespeuren. Ook de man, als heer en meester, heeft er in zijn positie onder geleden. De begeerte om macht uit te oefenen en te heerschen, aan de mannelijke leden van elke diersoort eigen, werd door deze goedkoope en gemakkelijke heerschappij veel te sterk gevoed. De heerschappij van den man is geen gevolg van zijn geschiktheid daarvoor, of omdat hij in eerlijken strijd “zijn waardigen tegenstander” met gunstigen uitslag verslagen heeft, maar zij berust alleen op het toeval der geboorte, en hij heerscht over zulke hulpelooze en inferieure onderdanen, die niet in opstand komen of er zich tegen verzetten. De gemakkelijke heerschappij, die geen inspanning vereischt om haar te handhaven; de verzoeking om tot wreedheid te vervallen, als gevolg van macht zonder verantwoordelijkheid; trots en eigenzinnigheid welke er steeds mede gepaard gaan,—deze hoedanigheden zijn door de sexueel-economische verhouding bij de mannen aangekweekt.Toen de man zijn plaats moest handhaven door ruwe kracht, maakte dit hem ruwer: toen hij zijn plaats moest handhaven door koop, door de macht der economische behoeften, toen wendde hij deze macht zoo meedoogenloos aan, dat hij nog heden ten dage de kenmerken er van draagt.
Een ander reusachtig kwaad, door deze verhouding veroorzaakt, is de zelfzucht. Het maatschappelijk leven tracht dit gevoel, dat niets anders is dan een verachterd individualisme, te overwinnen, maar door de sexueel-economische verhouding wordt het gevoed. Een wezen te hebben dat zich geheel wijdt aan zijn directen persoonlijken dienst, en hem op alle mogelijke wijzen zoekt te behagen en te voldoen, dat heeft den man, meer dan voor ons stadium van maatschappelijke ontwikkeling past, zelfzuchtig gemaakt. Zelfs in onze gekunstelde voorname kringen zijn de mannen verdraagzamer en beleefder en vriendelijker buitenshuis dan tehuis. Trots, wreedheid en zelfzucht zijn de fouten van den meester; en deze fouten worden in den boezem van het gezin versterkt door de valsche positie der vrouw. En elke menschelijke ziel, in de jeugd licht voor indrukken vatbaar, leeft in nauwe aanraking met deze toestanden. Onze kinderen moesten door de zeden van een beschaafde, vrije, ijverige, democratische eeuw omringd zijn; maar zij worden geboren en opgevoed in de zedelijke atmospheer van het patriarchale tijdperk. Geen wonder dat het dan wat lang duurt eer wij in staat zijn van de groote gaven en voorrechten der democratie te kunnen genieten, de volle maatschappelijke waardigheid en maatschappelijken plicht te voelen, nu ieder onzer wordt groot gebracht in de vesting van oude en verouderde aandoeningen,—in het economisch verwante gezin.
Zoo kunnen wij, als gevolg van de sexueel-economische verhouding der menschen, niet alleen bepaalde gebreken in hun geestelijke ontwikkeling opsporen, op verschillende wijze in mannen en vrouwen ontstaan doch gelijkelijk op de kinderen overgebracht, maar ook de aangeboren karaktervorming deugt niet, wegens de samenvoeging van twee zoo verschillend geestelijk gevormde menschen;—het menschelijk karakter is daardoor dikwijls van den aanvang af duister en verwrongen. Wij worden naar lichaam en geest benadeeld door te ongelijke trekken van de te zeer uiteenloopende karakters der ouders over te erven, maar het nadeel komt hier duidelijker aan het licht dan bij den zedelijken aard van het ras.
Toch kunnen wij ook hier, evenals met de andere slechte gevolgen wan de sexueel-economische verhouding, het bijkomende goede zien dat dezen toestand in zijn tijd noodzakelijk maakte, en wij kunnen met gemakkelijke zekerheid de schoone resultaten van onze tegenwoordige verandering volgen. Een gezond, normaal zedelijk gewoel, bevrijd van zijn overdrijvingen en tegenstrijdigheden, zal ons deel worden; en met een helder besef zullen wij ons de ethische processen niet langer voorstellen als iets dat boven- en tegennatuurlijk is, maar als de natuurlijkste zaak der wereld.
Terwijl wij ons nu inspannen en kwellen om onmogelijke deugden te erlangen, zullen wij dan gemakkelijk en als van zelf deze eigenschappen verwerven, zonder er zelfs over te denken dat dit iets bijzonder prijzenswaardigs is. Terwijl onze vooruitgang tot nu toe zoo belemmerd werd door den invloed van rudimentaire krachten uit vroegere levensperioden, zal hij dan effen en snel voorwaarts schrijden, zoodramannen en vrouwen in economische verhouding gelijk staan. Zoodra de moeder van het ras vrij zal zijn, zullen wij in een beter wereld leven, door het ongedwongen recht van geboorte en door de geleidelijke, langzame, vreedzame krachten der maatschappelijke evolutie.