De Getemde Feeks.Personen:Een Lord.}In het voorspel.Stoffel Sluw, een ketellapper.Een Waardin, een Page, Tooneelspelers,Jagers en Bedienden van den Lord.Battista, een rijk edelman van Padua.Vincentio, een oud edelman van Pisa.Lucentio, zoon van Vincentio, minnaar van Bianca.Petruccio, een edelman van Verona.Gremio,}van Padua, dingende naar de hand van Bianca.Hortensio,Tranio,}bedienden van Lucentio.Biondello,Grumio,}bedienden van Petruccio.Curtis,Een Pedant.Katharina,}dochters van Battista.Bianca,Een Weduwe.Een Snijder; een Handelaar in dameshoeden; Bedienden van Battista en van Petruccio.Het tooneel is gedeeltelijk te Padua, gedeeltelijk op het landgoed van Petruccio.Voorspel.Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
De Getemde Feeks.Personen:Een Lord.}In het voorspel.Stoffel Sluw, een ketellapper.Een Waardin, een Page, Tooneelspelers,Jagers en Bedienden van den Lord.Battista, een rijk edelman van Padua.Vincentio, een oud edelman van Pisa.Lucentio, zoon van Vincentio, minnaar van Bianca.Petruccio, een edelman van Verona.Gremio,}van Padua, dingende naar de hand van Bianca.Hortensio,Tranio,}bedienden van Lucentio.Biondello,Grumio,}bedienden van Petruccio.Curtis,Een Pedant.Katharina,}dochters van Battista.Bianca,Een Weduwe.Een Snijder; een Handelaar in dameshoeden; Bedienden van Battista en van Petruccio.Het tooneel is gedeeltelijk te Padua, gedeeltelijk op het landgoed van Petruccio.Voorspel.Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
Het tooneel is gedeeltelijk te Padua, gedeeltelijk op het landgoed van Petruccio.
Voorspel.Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
Voorspel.Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Voor een herberg, op een heide.De Waardin enSluwkomen op.Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.(Waardin af.)Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15(Hij gaat liggen en slaapt in.)(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.Eerste Jager.Zeer goed, mylord.Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;(Een Dienaar af.)Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.(De Dienaar komt terug.)Welnu, wie is ’t?Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.Lord.Geleid hen hier.(De Schouwspelers komen.)Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130(De Dienaar af.)Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.(Allen af.)
Voor een herberg, op een heide.
De Waardin enSluwkomen op.
Sluw.Wacht maar, ik kom je op ’t jak.
Sluw.
Wacht maar, ik kom je op ’t jak.
Waardin.Je moest in ’t blok, jij schelm.
Waardin.
Je moest in ’t blok, jij schelm.
Sluw.Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!
Sluw.
Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in de kronieken; we kwamen in ’t land metRichard den Veroveraar. Dus:paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan;sessa!
Waardin.Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?
Waardin.
Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?
Sluw.Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.
Sluw.
Neen, geen penning;ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en ga je warmen.
Waardin.Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.
Waardin.
Ik weet wat me te doen staat;ik ga den schout halen.
(Waardin af.)
Sluw.Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15
Sluw.
Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.15
(Hij gaat liggen en slaapt in.)
(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers en Bedienden.)
Lord.Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,En koppel Nero met den diepen blaffer.Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,Den koud geworden voet goed op, niet waar?Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.
Lord.
Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!
Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,
En koppel Nero met den diepen blaffer.
Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,
Den koud geworden voet goed op, niet waar?
Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.
Eerste Jager.Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.
Eerste Jager.
Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;
Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,
En tweemaal vond hij heden ’t flauwste spoor;
Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.
Lord.Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.Maar voeder en verpleeg hen allen goed;Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.
Lord.
Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,
Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.
Maar voeder en verpleeg hen allen goed;
Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.
Eerste Jager.Zeer goed, mylord.
Eerste Jager.
Zeer goed, mylord.
Lord.Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?
Lord.
Wat is dat?—Dood of dronken? Haalt hij adem?
Eerste Jager.Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want andersWaar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.
Eerste Jager.
Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want anders
Waar’ ’t bed te koud voor zulk een vasten slaap.
Lord.Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?
Lord.
Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.
Foei, Dood! hoe laag en walg’lijk is uw grijns!—
Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.
Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,
In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,
En stond een lekker maal aan ’t bed gereed,
Bedienden hem lakeien bij ’t ontwaken,
Wist dan de beed’laar zelf wel, wie hij was?
Eerste Jager.Mylord, dan was hij zeker in de war.
Eerste Jager.
Mylord, dan was hij zeker in de war.
Tweede Jager.Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.
Tweede Jager.
Hij zou al heel raar opzien bij ’t ontwaken.
Lord.’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,Behangt den wand met wulpsche schilderijen,En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwakenHem met een zoet en hemelsch lied begroet’;En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een anderSta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,Nooit anders was, dan een vermogend lord.Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;Dit wordt een allerkostelijkste grap,Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.
Lord.
’t Zou als een droom of tooverij hem zijn.—44
Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;
Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,
Behangt den wand met wulpsche schilderijen,
En wascht zijn stoppelkop met geur’ge waat’ren;
Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer’;
Houdt ook muziek gereed, die bij ’t ontwaken
Hem met een zoet en hemelsch lied begroet’;
En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,
En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:
„Wat is ’t bevel van uw hoogedelheid?”
En dan hoû de een hem voor—een zilv’ren bekken,
Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;
Een ander draag’ de kan, de derde een handdoek;—
„Behaagt het uw hoogedelheid, de handen
„Wat af te koelen?” zegt ge dan. Een ander
Sta met een keur van fraaie kleed’ren klaar,
En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;
Die spreek’ hem van zijn paarden en zijn honden,
En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;
Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;
En zegt hij: „Wat! ik ben—” zegt, dat hij droomt,
Nooit anders was, dan een vermogend lord.
Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;
Dit wordt een allerkostelijkste grap,
Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.
Eerste Jager.Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rolZoo dat hij naar onze’ ijver denken moetTe zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.
Eerste Jager.
Heer, ’k sta u borg, wij spelen onze rol
Zoo dat hij naar onze’ ijver denken moet
Te zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.
Lord.Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!
Lord.
Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;
En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!
(Eenigen dragenSluwweg.—Een trompet klinkt.)
Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;
Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;
(Een Dienaar af.)
Een edelman misschien, die op zijn reisHier op wil houden, om eens uit te rusten.
Een edelman misschien, die op zijn reis
Hier op wil houden, om eens uit te rusten.
(De Dienaar komt terug.)
Welnu, wie is ’t?
Welnu, wie is ’t?
Dienaar.Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragenAls gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.
Dienaar.
Welnu, wie is ’t?Schouwspelers zijn ’t; zij vragen
Als gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.
Lord.Geleid hen hier.
Lord.
Geleid hen hier.
(De Schouwspelers komen.)
Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.
Geleid hen hier.Zoo, mannen, gij zijt welkom.
Eerste Schouwspeler.Dank voor uw goedheid, edel heer.
Eerste Schouwspeler.
Dank voor uw goedheid, edel heer.
Lord.Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?
Lord.
Wenscht gij deze’ avond op mijn slot te spelen?
Tweede Schouwspeler.Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82
Tweede Schouwspeler.
Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.82
Lord.Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldetDie rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.
Lord.
Recht gaarne.—Dezen vriend hier ken ik nog;
Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;
Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;
Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldet
Die rol zeer goed, natuurlijk, zooals ’t hoort.
Eerste Speler.’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.
Eerste Speler.
’t Was Soto, denk ik, wat UEed’le meent.
Lord.Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—Komaan, gij komt of gij geroepen waart;’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbijUw komst van grooten dienst mij wezen kan.Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,En bij zijn koddig doen,—zijn edelheidZag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—Licht in een bui van lachen uitbarst enHem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.
Lord.
Ja juist, die was ’t;—dat speeldet gij voortreff’lijk.—
Komaan, gij komt of gij geroepen waart;
’k Heb naam’lijk juist een grap bedacht, waarbij
Uw komst van grooten dienst mij wezen kan.
Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;
Maar ’k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,
En bij zijn koddig doen,—zijn edelheid
Zag van zijn leven zoo’n vertooning niet,—
Licht in een bui van lachen uitbarst en
Hem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,
Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.
Eerste Speler.Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.
Eerste Speler.
Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,
Al waar’ hij ook de dolste kwant ter wereld.
Lord(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—
Lord
(tot een der Bedienden).Hier, knaap, geleid hen naar de voorraadkamer;
Heet ieder vriend’lijk welkom, en draag zorg,
Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.—
(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)
(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,En dos geheel als edelvrouw hem uit;En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,Hij zich beleefd gedragen moet, zooalsHij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwenHaar echtgenooten met respect behand’len;Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,Met zacht gefluister en een diepe buiging,En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,Die deze zeven jaar zich altijddoorEen arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloedVan tranen storten, dan moog’ hem een uiVan dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130
(Tot een Bediende.)En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,
En dos geheel als edelvrouw hem uit;
En breng hem, zoo getooid, naar ’s dronkaards kamer,
Noem hem „Madame”, buig recht need’rig voor hem,
En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,
Hij zich beleefd gedragen moet, zooals
Hij wel heeft opgemerkt, dat eed’le vrouwen
Haar echtgenooten met respect behand’len;
Op zulk een wijs treed’ hij den dronkaard nader,
Met zacht gefluister en een diepe buiging,
En zegg’: „Wat wil uw edelheid bevelen,
Opdat uw echtgenoot, getrouw en need’rig,
Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog’?”
Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,
En storte, ’t hoofd verborgen aan zijn borst,
Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,
Dat zij haar eed’len gâ hersteld mag zien,
Die deze zeven jaar zich altijddoor
Een arm, afzichtlijk beed’laar heeft gewaand.
Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,
En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloed
Van tranen storten, dan moog’ hem een ui
Van dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,
Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers’.
Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied’;
Straks deel ik u nog meer bevelen mee.130
(De Dienaar af.)
Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,Stem, gang en houding van een dame treffen;’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,En als mijn volk zich op de lippen bijtBij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k GaEr zelf op toezien; mijn aanwezigheidBetoom’ hun uitgelatenheid, die andersDoor ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.
Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,
Stem, gang en houding van een dame treffen;
’t Zal kost’lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,
En als mijn volk zich op de lippen bijt
Bij ’t need’rig dienen van deez’ kinkel. ’k Ga
Er zelf op toezien; mijn aanwezigheid
Betoom’ hun uitgelatenheid, die anders
Door ’t dolle heen zou gaan en ’t spel bederven.
(Allen af.)
Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
Tweede Tooneel.Een slaapkamer in het huis van den Lord.Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,(Muziek.)Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.
Een slaapkamer in het huis van den Lord.
Men zietSluwin een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.
Sluw.In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!
Sluw.
In ’s Hemels naam,een potteken scharrebier!
Eerste Bediende.Verkiest uw edelheid een roemer wijns?
Eerste Bediende.
Verkiest uw edelheid een roemer wijns?
Tweede Bediende.Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?
Tweede Bediende.
Verkiest uw lordschap van deez’ confituren?
Derde Bediende.Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?
Derde Bediende.
Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?
Sluw.Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.
Sluw.
Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door het bovenleer heen komen kijken.
Lord.God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!O dat een man van rang, van zulk een afkomst,Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!
Lord.
God moge uw lordschap van deez’ waan bevrijden!
O dat een man van rang, van zulk een afkomst,
Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,
Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!
Sluw.Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27
Sluw.
Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de zoon van den ouden Sluw vanBurtonheide, van geboorte marskramer, door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, de dikke bierhuiswaardin vanWincot, of zij me niet kent; als ze niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar ben van de christenheid.—Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb ik—27
(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)
Eerste Bediende.O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!
Eerste Bediende.
O, dit is ’t, waar uw echtgenoot om treurt!
Tweede Bediende.O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!
Tweede Bediende.
O, dit is ’t, wat uw dienaars zoo bedroeft!
Lord.Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,Roep uwen lang verbannen geest terug,En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,
Lord.
Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;
Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.
O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,
Roep uwen lang verbannen geest terug,
En ban deez’ droomen, u onwaard, van hier;
Zie, hoe uw dienaars need’rig om u staan,
Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.
Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,
(Muziek.)
Een nachtegalenkoor is daar en zingt.Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,Eens voor Semiramis met zorg gespreid.Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,Hun tuig met goud en paarlen overdekt;Een valkenjacht? uw edelvalken klimmenVeel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.
Een nachtegalenkoor is daar en zingt.
Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,
Zoo zacht en heerlijk als het weeld’rig bed,
Eens voor Semiramis met zorg gespreid.
Kiest gij een wand’ling? zie, wij strooien bloemen;
Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,
Hun tuig met goud en paarlen overdekt;
Een valkenjacht? uw edelvalken klimmen
Veel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?
Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;
Zij wekken de echo’s uit der aarde schoot.
Eerste Bediende.Verkiest gij lange jacht? uw hazewindenZijn sneller dan het hijgend hert of ree.
Eerste Bediende.
Verkiest gij lange jacht? uw hazewinden
Zijn sneller dan het hijgend hert of ree.
De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!Allen.Amen.Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.(Een Bediende komt op.)Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.Sluw.Wat stof is dat?Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.
De getemde feeks, Voorspel, Tweede Tooneel.
Tweede Bediende.Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halenWij u Adonis, rustend aan een beek,En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,Dat lichtbewogen met haar adem speelt,Zooals wij riet zien dart’len met den wind.
Tweede Bediende.
Houdt gij van schilderijen? daad’lijk halen
Wij u Adonis, rustend aan een beek,
En Cytherea, diep in ’t riet verborgen,
Dat lichtbewogen met haar adem speelt,
Zooals wij riet zien dart’len met den wind.
Lord.Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.
Lord.
Dan toonen wij u Io, de eed’le maagd;
En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;
Zoo levendig gemaald, alsof gij ’t zaagt.
Derde Bediende.Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.
Derde Bediende.
Of Daphne, die, bij ’t zwerven in het bosch,
De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,
Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;
Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.
Lord.Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;Uw gade is schooner dan de schoonste, dieDeze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.
Lord.
Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;
Uw gade is schooner dan de schoonste, die
Deze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.
Eerste Bediende.En eer de tranenvloed, om u geplengd,Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.
Eerste Bediende.
En eer de tranenvloed, om u geplengd,
Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,
Was zij het heerlijkst wezen van deze aard’,
En thans nog wijkt zij voor geen enk’le vrouw.
Sluw.Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;En geef mij toch een pintje scharrebier.
Sluw.
Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?70
Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?
Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,
Ruik lekk’re geuren; wat ik voel, is zacht;—
Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;
Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.
Kom, laat mij nu mijn eed’le vrouw eens zien;
En geef mij toch een pintje scharrebier.
Tweede Bediende.Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?
Tweede Bediende.
Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?
(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)
O, wat genot u weer hersteld te zien!O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.
O, wat genot u weer hersteld te zien!
O, dat gij eind’lijk inziet, wie ge zijt!
Deez’ vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,
Of, waart ge wakker, ’t was, alsof gij sliept.
Sluw.Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?
Sluw.
Deez’ vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!
En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?
Eerste Bediende.O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,En scholdt ge op een waardin en zeidet, datGij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkensDiksteenen kannen, geen geijkte pintjes;En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.
Eerste Bediende.
O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;—
Want schoon gij in deez’ fraaie kamer laagt.
Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,
En scholdt ge op een waardin en zeidet, dat
Gij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkens
Diksteenen kannen, geen geijkte pintjes;
En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.
Sluw.Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.
Sluw.
Ja, ja, de dochter van de vrouw van ’t bierhuis.
Derde Bediende.Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—Als Steven Sluw, en de’ ouden SlokmaardoorEn Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,En twintig and’re namen en personen,Die nooit bestonden en die niemand kent.
Derde Bediende.
Wel heer, gij kent zoo’n meisje niet;
Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,—
Als Steven Sluw, en de’ ouden Slokmaardoor
En Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,
En twintig and’re namen en personen,
Die nooit bestonden en die niemand kent.
Sluw.Nu, Gode dank voor mijne beterschap!
Sluw.
Nu, Gode dank voor mijne beterschap!
Allen.Amen.
Allen.
Amen.
Sluw.Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.
Sluw.
Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.
(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)
Page.Hoe vaart mijn eed’le heer?
Page.
Hoe vaart mijn eed’le heer?
Sluw.Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.Waar is mijn vrouw?
Sluw.
Waarachtig goed, ’t is hier wel uit te houden.
Waar is mijn vrouw?
Page.Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?
Page.
Hier, eed’le heer, wat is van uw verlangen?
Sluw.Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.
Sluw.
Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?
Mijn volk, dat noemt mijheer, gijmanofoudje.
Page.Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109
Page.
Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,
Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.109
Sluw(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?
Sluw
(tot den Lord.)Ik weet het;—maar hoe noem ik haar?
Lord.—maar hoe noem ik haar?Madame.
Lord.
—maar hoe noem ik haar?Madame.
Sluw.Hoe? Els Madame of Hans Madame?
Sluw.
Hoe? Els Madame of Hans Madame?
Lord.Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.
Lord.
Madam’, niets meer; zoo noemen lords hun ladies.
Sluw.Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.
Sluw.
Madame vrouw, ’k heb vijftien jaar en meer,
Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.
Page.O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,Gescheiden, ja, van tafel en van bed.
Page.
O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,
Gescheiden, ja, van tafel en van bed.
Sluw.’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.
Sluw.
’t Is lang.—Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.—
Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.
Page.Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.
Page.
Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;
Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,
Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;
Uw artsen gaven mij uitdrukk’lijk last,—
Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,—
Dat ik nog een’gen tijd uw bed zou mijden;
Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.
Sluw.Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.
Sluw.
Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook mogen spreken.
(Een Bediende komt op.)
Bediende.Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschapSchouwspelers daar met een comediestuk;En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft enZwaarmoedigheid des waanzins voedster is;Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,De kwalen weert en ’t leven u verlengt.
Bediende.
Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschap
Schouwspelers daar met een comediestuk;
En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,
Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft en
Zwaarmoedigheid des waanzins voedster is;
Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,
Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,
De kwalen weert en ’t leven u verlengt.
Sluw.Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?
Sluw.
Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?
Page.Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.
Page.
Neen, heer; ’t is mooier, beter lachensstof.
Sluw.Wat stof is dat?
Sluw.
Wat stof is dat?
Page.Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.
Page.
Wat stof is dat?’t Is zoo’n historietje.
Sluw.Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.
Sluw.
Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.
(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.
Eerste Tooneel.Padua.Een plein.LucentioenTraniokomen op.Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!Gremio.En mij ook, Heere God!Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!(Biancaaf.)Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.(Battistaaf.)Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!(Katharinaaf.)Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121Gremio.En wat dan, bid ik u?Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.Gremio.Een man? een duivel!Hortensio.Ik zeg, een man.Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!(Beiden af.)(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.Lucentio.Zeg me eerst het uwe.Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.(Zij verwisselen van kleeding.)Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.(Biondellokomt op.)Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.(Allen af.)Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?Page.Mylord, ’t is een begin pas.Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.
Padua.Een plein.
LucentioenTraniokomen op.
Lucentio.Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wenschOm ’t schoone Padua, der kunsten wieg,Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,Dien lusthof van het groot Italië, dreef;En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoeZijn zegen gaf en u tot metgezel,U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,De wereld door als hand’laar wel bekend,Vincentio, van den stam der Bentivogli.’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in FlorenceWerd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijdAan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,Dat leert, hoe ons het waar geluk alleenDoor deugdbetrachting kan ten deele vallen.Onthoud uw raad mij niet; want nu ik PisaVoor Padua verliet, is ’t mij als een,Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stortEn gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24
Lucentio.
Gij weet het, Tranio, hoe de vuur’ge wensch
Om ’t schoone Padua, der kunsten wieg,
Te zien, mij naar het vruchtb’re Lombardije,
Dien lusthof van het groot Italië, dreef;
En hoe mij ’s vaders wensch en wil daartoe
Zijn zegen gaf en u tot metgezel,
U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;
Hier zijn we aan ’t doel en willen ’t pad der kennis,
Der eed’le studiën inslaan, ons tot heil.
Pisa, beroemd door tal van eed’le burgers,
Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,
De wereld door als hand’laar wel bekend,
Vincentio, van den stam der Bentivogli.
’t Betaamt Vincentio’s zoon, die in Florence
Werd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,
Door edel doen zijn rijkdom glans verleen’;
En daarom, Tranio, wil ’k mijn studietijd
Aan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,
Dat leert, hoe ons het waar geluk alleen
Door deugdbetrachting kan ten deele vallen.
Onthoud uw raad mij niet; want nu ik Pisa
Voor Padua verliet, is ’t mij als een,
Die uit een waadb’ren plas in ’t meer zich stort
En gretig zijnen dorst te lesschen tracht.24
Tranio.Mi perdonate, beste jonge meester,Ik denk hierin volkomen als gijzelf,En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,Zoo vroom verdiept in Aristoteles,Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;Verfrisch u met muziek en poëzie;Dat Wiskunst u en MetaphysicaSlechts laven, als de trek u hong’rig maakt;Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.
Tranio.
Mi perdonate, beste jonge meester,
Ik denk hierin volkomen als gijzelf,
En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,
Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.
Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,
Terwijl wij deugd en zedeleer bewond’ren,
Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,
Zoo vroom verdiept in Aristoteles,
Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek’nen.
Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,
Welsprekendheid in ’t dagelijksch gesprek;
Verfrisch u met muziek en poëzie;
Dat Wiskunst u en Metaphysica
Slechts laven, als de trek u hong’rig maakt;
Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;—
In ’t kort, studeer wat u het meest behaagt.
Lucentio.Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.Was Biondello nu maar aangeland,Dan brachten we onze zaken fluks op stel,En huurden we ons een woning, ter ontvangstDer vrienden, die ons Padua schenken zal.Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!
Lucentio.
Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.
Was Biondello nu maar aangeland,
Dan brachten we onze zaken fluks op stel,
En huurden we ons een woning, ter ontvangst
Der vrienden, die ons Padua schenken zal.
Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!
Tranio.Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47
Tranio.
Een optocht wis, die ons hier welkom heet.47
(Battista,Katharina,Bianca,GremioenHortensiokomen op.LucentioenTraniozijn ter zijde gegaan.)
Battista.Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;Want wat ik vast besloot is u bekend:Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;Heeft een van u nu zin in Katharina,—Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.
Battista.
Neen, eed’le heeren, dringt niet verder aan;
Want wat ik vast besloot is u bekend:
Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,
Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;
Heeft een van u nu zin in Katharina,—
Daar ik u beiden ken, u beiden mag,—
Die maak’ haar vrij het hof; mij is het wel.
Gremio.Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?
Gremio.
Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;—
Hoe is ’t, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?
Katharina(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mijTe koop te veilen aan dit edel paar?
Katharina
(totBattista).Mijn vader, zeg, is ’t uw bedoeling, mij
Te koop te veilen aan dit edel paar?
Hortensio.Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,Voordat ge toont een liever zachter aard.
Hortensio.
Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,
Voordat ge toont een liever zachter aard.
Katharina.Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal opEn kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,En verfde uw facie als van een hansworst.
Katharina.
Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,—
’k Verzeker u,—niet halfweg tot haar hart;
En dacht ge ’t soms, zij nam een driestal op
En kamde er ’t hoofd u mee, zooals men dorscht,
En verfde uw facie als van een hansworst.
Hortensio.O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!
Hortensio.
O Heere God, bewaar ons voor zoo’n duivel!
Gremio.En mij ook, Heere God!
Gremio.
En mij ook, Heere God!
Tranio.’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;De deerne is stapelgek of wonderdwars.
Tranio.
’t Is kost’lijk, heer! die voert wat in haar mars;
De deerne is stapelgek of wonderdwars.
Lucentio.Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.Stil, Tranio!
Lucentio.
Terwijl van de and’re ’t zwijgen mij behaagt;
Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.
Stil, Tranio!
Tranio.Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.
Tranio.
Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.
Battista.Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77
Battista.
Mijn heeren, om u ook ’t bewijs te geven,
Dat ik het meen;—Bianca, ga naar binnen;
En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,
Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.77
Katharina.Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.
Katharina.
Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?
Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.
Bianca.Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.
Bianca.
Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.—
Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;
’k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;
Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.
Lucentio.Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.
Lucentio.
Hoor, Tranio; ’t is, alsof Minerva spreekt.
Hortensio.Signor Battista, wees toch niet zoo streng;Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefdeBianca leed brengt.
Hortensio.
Signor Battista, wees toch niet zoo streng;
Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefde
Bianca leed brengt.
Gremio.Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,Signor Battista, om deez’ duivelin,En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?
Gremio.
Bianca leed brengt.Wat! ge sluit haar op,
Signor Battista, om deez’ duivelin,
En straft haar voor de scherpe tong van de and’re?
Battista.Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—Bianca, ga naar binnen!
Battista.
Berust er in, mijn’ heeren, dit staat vast;—
Bianca, ga naar binnen!
(Biancaaf.)
Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindtIn zang en snarenspel en poëzie,Verlang ik onderwijzers in mijn huis,Bekwame lieden. Weet soms een van u,Hortensio of signore Gremio, er zoo,Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,Dan zal ik ruim betalen; ik spaar nietsOm mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;Want ik heb met Bianca nog te spreken.
Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindt
In zang en snarenspel en poëzie,
Verlang ik onderwijzers in mijn huis,
Bekwame lieden. Weet soms een van u,
Hortensio of signore Gremio, er zoo,
Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,
Dan zal ik ruim betalen; ik spaar niets
Om mijne kind’ren deugd’lijk op te voeden;
En nu vaartwel!—Gij, Katharina, blijf;
Want ik heb met Bianca nog te spreken.
(Battistaaf.)
Katharina.Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelfNiet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!
Katharina.
Nu, ’k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?
Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelf
Niet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!
(Katharinaaf.)
Gremio.Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.
Gremio.
Loop naar des duivels grootmoeder!—Uwe gaven zijn zoo goed, dat niemand van u gediend is.—Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van beide zijden nog gaar. Vaarwel!—maar toch, als ik ten pleiziere van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem aan haar vader zenden.
Hortensio.Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121
Hortensio.
Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor ons beiden van belang wezen,—om weer toegang te verkrijgen bij onze schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te zijn in Bianca’s min,—toch één ding vooral te bewerken en het tot stand te brengen.121
Gremio.En wat dan, bid ik u?
Gremio.
En wat dan, bid ik u?
Hortensio.Wel aan haar zuster een man te bezorgen.
Hortensio.
Wel aan haar zuster een man te bezorgen.
Gremio.Een man? een duivel!
Gremio.
Een man? een duivel!
Hortensio.Ik zeg, een man.
Hortensio.
Ik zeg, een man.
Gremio.Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.
Gremio.
Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel te trouwen.
Hortensio.Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.
Hortensio.
Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,—er zijn nog wel goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.
Gremio.Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.
Gremio.
Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift met het beding, dat ikelken morgen op de markt zou gegeeseld worden.
Hortensio.Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?
Hortensio.
Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista’s oudste dochter een man bezorgd hebben,en daardoor de jongste voor een man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op los!—Lieve Bianca!—Wie ’t gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie ’t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, signore Gremio?
Gremio.Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!
Gremio.
Ik ben ’t ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!
(Beiden af.)
(TranioenLucentiokomen weder naar voren.)
Tranio.Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?
Tranio.
Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is ’t moog’lijk,
Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?
Lucentio.O Tranio, eer ikzelf het ondervond,Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,Daar nam de min met ziel en al mij in;En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,Als Anna met haar zuster Dido was,—Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,Als ik die jonge zachte maagd niet win;O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.
Lucentio.
O Tranio, eer ikzelf het ondervond,
Hield ik het noch voor moog’lijk noch geloof’lijk;
De ziel zoo onder de’ arm stond ik te kijken,
Daar nam de min met ziel en al mij in;
En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,—
Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,
Als Anna met haar zuster Dido was,—
Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,
Als ik die jonge zachte maagd niet win;
O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,
O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.
Tranio.Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:Redime te captum, quam queas minimo.
Tranio.
Heer, ’t is de tijd nu niet om u te gispen,164
En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;
Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:
Redime te captum, quam queas minimo.
Lucentio.Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,De rest zal troosten, want uw raad is goed.
Lucentio.
Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,
De rest zal troosten, want uw raad is goed.
Tranio.O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.
Tranio.
O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,
Wellicht ontging u ’t fijne van de zaak.
Lucentio.Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,Zooals Agenors dochter eens bezat,Die Jupiter deed buigen voor haar hand,Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.
Lucentio.
Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,
Zooals Agenors dochter eens bezat,
Die Jupiter deed buigen voor haar hand,
Zijn knie tot kussen dwong van Creta’s strand.
Tranio.Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luidHaar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?
Tranio.
Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luid
Haar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,
Dat nauw één sterflijk oor ’t rumoer verdroeg?
Lucentio.Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.
Lucentio.
Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop’nen,
De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,
En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.
Tranio.Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spitsVoor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnigDat, tot van haar de vader af is, heer,Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;En daarom heeft hij thans haar opgekooid,Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.
Tranio.
Nu, dan is ’t tijd hem uit zijn roes te wekken.—
Word wakker, heer! bemint gij ’t meisje, spits
Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe ’t staat:
Haar oud’re zuster is zoo boos en vinnig
Dat, tot van haar de vader af is, heer,
Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;
En daarom heeft hij thans haar opgekooid,
Opdat zij niet van vrijers word’ geplaagd.
Lucentio.O Tranio, welk een wreedheid van den vader!Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haarGeschikte leeraars zoekt om les te geven?
Lucentio.
O Tranio, welk een wreedheid van den vader!
Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar
Geschikte leeraars zoekt om les te geven?
Tranio.Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.
Tranio.
Ja, zeker hoorde ik ’t; en mijn plan is rijp.
Lucentio.Tranio, ik heb mijn plan.
Lucentio.
Tranio, ik heb mijn plan.
Tranio.Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.
Tranio.
Tranio, ik heb mijn plan.Nu, ’k wed, zoo waar,
Uw plan en ’t mijn gaan zeker hand aan hand.
Lucentio.Zeg me eerst het uwe.
Lucentio.
Zeg me eerst het uwe.
Tranio.Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,En neemt het onderwijs der schoone op u;Dit is uw plan.198
Tranio.
Zeg me eerst het uwe.Gij wilt leeraar zijn,
En neemt het onderwijs der schoone op u;
Dit is uw plan.198
Lucentio.Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?
Lucentio.
Dit is uw plan.Zoo is ’t; maar zou het gaan?
Tranio.Onmoog’lijk; wie vervult in PaduaDe rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdtUw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?
Tranio.
Onmoog’lijk; wie vervult in Padua
De rol dan van Vincentio’s zoon? Wie houdt
Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,
Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?
Lucentio.Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;En niemand leest het af op ons gezicht,Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;En ik ben iemand anders uit Florence,Uit Napels, of een minder man uit Pisa.Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;Komt Biondello, dan bedient hij u,Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.
Lucentio.
Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.
Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;
En niemand leest het af op ons gezicht,
Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:
Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,
Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;
En ik ben iemand anders uit Florence,
Uit Napels, of een minder man uit Pisa.
Klaar zijn we; en zoo gebeure ’t. Tranio, vlug;
Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;
Komt Biondello, dan bedient hij u,
Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.
(Zij verwisselen van kleeding.)
Tranio.Dit zal hoog noodig zijn.—In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daarIk tot gehoorzaamheid gebonden ben,—Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maarIk twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—Zoo wil ik spelen voor Lucentio,Omdat ik hart heb voor Lucentio.
Tranio.
Dit zal hoog noodig zijn.—
In ’t kort, heer, wijl gij ’t zoo beveelt, en daar
Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,—
Want zoo beval uw vader mij bij ’t afscheid:
„Wees steeds mijn zoon ten dienst,” zoo sprak hij; maar
Ik twijfel, of hij ’t nu juist zoo bedoelde,—
Zoo wil ik spelen voor Lucentio,
Omdat ik hart heb voor Lucentio.
Lucentio.Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;Knecht wil ik zijn om haar te winnen, dieZoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.
Lucentio.
Neen, Tranio, doe het om Lucentio’s hart;
Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die
Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.
(Biondellokomt op.)
Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?
Daar komt de guit.—Knaap, waar hebt gij gezeten?
Biondello.Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.
Biondello.
Waar ik gezeten heb?—Maar heer, waar zitgij zelfin?
Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn’,
Of staalt gij beide’? Ik bid u, leg ’t mij uit.
Lucentio.Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,En schik dus uw manieren naar den tijd.Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,Mijn houding aangenomen en gewaad,En ik, om mij te bergen, die van hem;Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,En ik red nu mijn leven door de vlucht.Verstaan?
Lucentio.
Knaap, hoor eens hier, ’t is nu geen tijd tot schertsen,
En schik dus uw manieren naar den tijd.
Hier Tranio heeft, om ’t leven mij te redden,
Mijn houding aangenomen en gewaad,
En ik, om mij te bergen, die van hem;
Ik kreeg, hier nauw’lijks aangeland, een twist,
Versloeg mijn man, en vrees, men is me op ’t spoor.
Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals ’t hoort,
En ik red nu mijn leven door de vlucht.
Verstaan?
Biondello.Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.
Biondello.
Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.
Lucentio.En rep voortaan geen zier van Tranio!Want Tranio is Lucentio geworden.
Lucentio.
En rep voortaan geen zier van Tranio!
Want Tranio is Lucentio geworden.
Biondello.Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243
Biondello.
Daar boft hij mee; ik wilde ’t ook wel zijn.243
Tranio.En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.
Tranio.
En wist ik, kerel, dat het vragen ’t krijgen bracht teweeg,
Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista’s tweede dochter kreeg;
Maar hoor—en, vriend, niet ik, uw meester is ’t die ’t vraagt,
Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,
Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,
Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.
Lucentio.Kom, Tranio, laat ons gaan.—Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.
Lucentio.
Kom, Tranio, laat ons gaan.—
Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:
Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;—
Genoeg, ik heb mijn reed’nen en die zijn van gewicht.
(Allen af.)
Eerste Bediende.Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?
Eerste Bediende.
Mylord, gij knikkebolt, verveelt u ’t stuk?
Sluw.Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?
Sluw.
Neen, bij Sint Anna; neen, ’t is mooi. Een goed stuk werk, waarachtig. Komt er nog meer van?
Page.Mylord, ’t is een begin pas.
Page.
Mylord, ’t is een begin pas.
Sluw.’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.
Sluw.
’t Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het gedaan was.
Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
Tweede Tooneel.Padua.VoorHortensio’shuis.PetruccioenGrumiokomen op.Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.(Hij trektGrumiobij ’t oor.)Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!(Hortensiokomt op.)Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144(Zij gaan ter zijde.)Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!Petruccio.Stil, vrindje!Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?Tranio.Denzelfden.—Biondello!Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.(Allen af.)
Padua.VoorHortensio’shuis.
PetruccioenGrumiokomen op.
Petruccio.Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,En zoek in Padua mijn vrienden op;Vooral mijn waarden, welbeproefden vriendHortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!
Petruccio.
Verona, ’k heb u voor een wijl verlaten,
En zoek in Padua mijn vrienden op;
Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend
Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;—
Kom, klop eens, Grumio!—kloppen, zeg ik!
Grumio.Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?
Grumio.
Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw edelheid vereffonteerd heeft?
Petruccio.Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!
Petruccio.
Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!
Grumio.U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?
Grumio.
U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?
Petruccio.Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.
Petruccio.
Schelm, klop me eens aan deez’ deur, en dat het klinkt,
Of ik klop u, dat morgen ’t oor nog zingt.
Grumio.Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.
Grumio.
Mijn meester zoekt ruzie;—en als ik u klop,
Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.
Petruccio.Kom, doet ge ’t of niet?15Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.
Petruccio.
Kom, doet ge ’t of niet?15
Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez’ schel hier;
Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze ’t wel hier.
(Hij trektGrumiobij ’t oor.)
Grumio.Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!
Grumio.
Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!
Petruccio.Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!
Petruccio.
Wel klop, als ik ’t beveel, gij lompe vlegel!
(Hortensiokomt op.)
Hortensio.Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?
Hortensio.
Wat is hier aan de hand?—Wel zoo, mijn oude kennis Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!—Hoe maakt gij allen het te Verona?
Petruccio.Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.
Petruccio.
Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?
Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.
Hortensio.Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.
Hortensio.
Alla nostra casa ben venuto; molt’ onorato Signor mio Petruccio.
Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.
Grumio.Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?
Grumio.
Ach, heer,dat doet er niets toe, wat hij daar in ’t Latijn vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo zou behandelen, die al wel,—zoo veel ik weet—twee-en-dertig heeft,en niet meer meespeelt?
Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.
Maar had ik ’t gedaan, toen hij zeide: „Klop, klop!”
Dan had hìj het, en erger brak ’t mij toch niet op.
Petruccio.Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.
Petruccio.
Aartsdomme schelm!—Verbeeld u, vriend Hortensio,
Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;
En wat ik zeide of niet, hij woû ’t niet doen.
Grumio.O hemel! kloppen aan de deur!Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”
Grumio.
O hemel! kloppen aan de deur!
Wat! hebt gij niet gezegd: „Knaap, klop mij hier!
Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!”
En komt ge nu met „kloppen aan de deur?”
Petruccio.Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.
Petruccio.
Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.
Hortensio.Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;Wat dolle ruzie tusschen u en hem,Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—Zeg liever, beste vriend, wat goede windVan ’t oud Verona u naar Padua blies.
Hortensio.
Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;
Wat dolle ruzie tusschen u en hem,
Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!—
Zeg liever, beste vriend, wat goede wind
Van ’t oud Verona u naar Padua blies.
Petruccio.De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.Antonio, mijn vader, overleed,En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoekEr mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,En trek de wereld rond; ik wil die zien.58
Petruccio.
De wind, die ’t jonge volk alom verspreidt,
En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.
Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in ’t kort,
Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.
Antonio, mijn vader, overleed,
En ik dwaal nu deez’ doolhof in en zoek
Er mijn fortuin,—God weet, misschien een vrouw;
’k Heb in mijn buidel goud, veel goed’ren thuis,
En trek de wereld rond; ik wil die zien.58
Hortensio.Petruccio, mag ik zonder omhaal uEens werven voor een fel en leelijk wijf?Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.
Hortensio.
Petruccio, mag ik zonder omhaal u
Eens werven voor een fel en leelijk wijf?
Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;
En toch, ’k beloof u, dat zij rijk zou zijn,
Echt rijk;—maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,
Zoo’n koopje mag ik u niet leev’ren.
Petruccio.Hortensio, tusschen vrienden zooals wijZijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,Oud als Sibylle, en even fel en vinnigAls Socrates’ Xanthippe, erger nog,’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mijDen lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wildAls de opgezweepte zee van Adria,—Ik zoek een rijken trouw in Padua:Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.
Petruccio.
Hortensio, tusschen vrienden zooals wij
Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,
Die rijk genoeg is voor Petruccio’s vrouw,—
Rijk is ’t refrein voor mijnen huwlijksdans,—
Waar ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid,
Oud als Sibylle, en even fel en vinnig
Als Socrates’ Xanthippe, erger nog,
’t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij
Den lust niet weg tot de’ echt; waar’ ze ook zoo wild
Als de opgezweepte zee van Adria,—
Ik zoek een rijken trouw in Padua:
Trouw ’k rijk, dan trouw ik goed in Padua.
Grumio.Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.
Grumio.
Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, die geen enk’len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, als er maar geld bij is.
Hortensio.Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouwU helpen, rijk genoeg en jong en schoon,Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—Is, dat zij onverdraag’lijk korzel isEn bits, onhandelbaar, in zulk een mate,Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.
Hortensio.
Petruccio, ’t ging al verder dan ik dacht;
Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.
Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw
U helpen, rijk genoeg en jong en schoon,
Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.
Haar een’ge feil,—en dit is feils genoeg,—
Is, dat zij onverdraag’lijk korzel is
En bits, onhandelbaar, in zulk een mate,
Dat ik, al ware ik ook in bitt’ren nood,
Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.
Petruccio.O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;Ik enter haar, al keef ze ook even luidAls in den herfst de zwartste donderwolk.
Petruccio.
O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;—
Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;
Ik enter haar, al keef ze ook even luid
Als in den herfst de zwartste donderwolk.
Hortensio.Haar vader heet Battista Minola,Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;Hààr naam is Katharina Minola,Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.
Hortensio.
Haar vader heet Battista Minola,
Een hoff’lijk en recht vriend’lijk edelman;
Hààr naam is Katharina Minola,
Befaamd in Padua door haar schamp’re tong.
Petruccio.Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,En met mijn vader was hij ook bevriend.Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groetU daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mijVerzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106
Petruccio.
Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,
En met mijn vader was hij ook bevriend.
Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;
Vergeef mij dus, dat ik na de’ eersten groet
U daad’lijk weer verlaat, tenzij ge mij
Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.106
Grumio.Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.
Grumio.
Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik zal u eens wat zeggen; heer,—als zij hem durft staan, al is het ook nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.
Hortensio.Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;Mijn schat is bij Battista in bewaring,Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,Daar hij zich wel niet anders denken kan,Om al het moois, dat ik u heb verteld,Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hijAan niemand zijn Bianca gunt, als nietDe helleveeg Katrijn eerst aan den man is.
Hortensio.
Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;
Mijn schat is bij Battista in bewaring,
Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,
Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;
Hij sluit van haar mij af en and’ren meer,
Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,
Daar hij zich wel niet anders denken kan,
Om al het moois, dat ik u heb verteld,
Dan dat hij met Kath’rina zitten blijft;
Zoo nam Battista dan ’t besluit, dat hij
Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet
De helleveeg Katrijn eerst aan den man is.
Grumio.„De helleveeg Katrijn!”Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.
Grumio.
„De helleveeg Katrijn!”
Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.
Hortensio.Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ oudenBattista voor als deeg’lijk onderwijzer,Om in muziek Bianca les te geven;Door die vermomming krijg ik op zijn minstGelegenheid om met haar saam te zijnEn onverdacht mijn liefde te verklaren.
Hortensio.
Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,
En stell’ mij, stemmigjes gekleed, aan de’ ouden
Battista voor als deeg’lijk onderwijzer,
Om in muziek Bianca les te geven;
Door die vermomming krijg ik op zijn minst
Gelegenheid om met haar saam te zijn
En onverdacht mijn liefde te verklaren.
Grumio.Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!
Grumio.
Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!
(Gremiokomt op metLucentio,die verkleed is en boeken onder den arm draagt.)
Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!
Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!
Hortensio.Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;Petruccio, kom nu hier, op zij!
Hortensio.
Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;
Petruccio, kom nu hier, op zij!
Grumio.Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144
Grumio.
Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!144
(Zij gaan ter zijde.)
Gremio.In orde; ik heb de lijst goed nagezien;Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijnEn louter liefdeboeken, dit vooral;En zorg, dat gij niets anders met haar leest.Verstaan?—Hoor nog: wat u signor BattistaIn mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk isZij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?
Gremio.
In orde; ik heb de lijst goed nagezien;
Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn
En louter liefdeboeken, dit vooral;
En zorg, dat gij niets anders met haar leest.
Verstaan?—Hoor nog: wat u signor Battista
In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,
U nog vermeerd’ren.—Maar al wat gij schrijft,
Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,
Want lief’lijker dan ’t geurigst reukwerk is
Zij, die ’t ontvangt.—Wat leest gij ’t eerst met haar?
Lucentio.Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.
Lucentio.
Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,
Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,
Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;
Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,
Dan ’t uwe, of gij moest een geleerde zijn.
Gremio.O die geleerdheid, welk een schoone zaak!
Gremio.
O die geleerdheid, welk een schoone zaak!
Grumio.O die onnooz’le, welk een rare snaak!
Grumio.
O die onnooz’le, welk een rare snaak!
Petruccio.Stil, vrindje!
Petruccio.
Stil, vrindje!
Hortensio.Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!
Hortensio.
Stil, Grumio!(Hij treedt voor den dag.)Wees gegroet, signore Gremio!
Gremio.Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naarEen onderwijzer voor de schoone Bianca;En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen manTe ontmoeten, die door kennis en manierenJuist voor haar past, in poëzie belezenEn and’re boeken,—goede boeken, ja.
Gremio.
Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,
Waar ik naar toe ga?—Naar Battista Minola.
’k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar
Een onderwijzer voor de schoone Bianca;
En ’k heb ’t geluk gehad, deez’ jongen man
Te ontmoeten, die door kennis en manieren
Juist voor haar past, in poëzie belezen
En and’re boeken,—goede boeken, ja.
Hortensio.Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,Die heeft beloofd, me een fijnen musicusTe zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;Zoo blijf ik dus niets achter in den dienstDer schoone Bianca, die ik zoo bemin.
Hortensio.
Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,
Die heeft beloofd, me een fijnen musicus
Te zullen zenden voor onze uitverkoor’ne;
Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst
Der schoone Bianca, die ik zoo bemin.
Gremio.Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.
Gremio.
Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.
Grumio.Zijn geldzak zal ’t bewijzen.
Grumio.
Zijn geldzak zal ’t bewijzen.
Hortensio.’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meldIk u iets nieuws, ons beiden even welkom.Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.
Hortensio.
’t Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.
Maar luister: wilt gij vriend’lijk zijn, dan meld
Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom.
Deez’ heer, dien ik toevallig heb ontmoet,
Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,
Gaan vrijen naar de kreeg’le Katharina,
Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.
Gremio.Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?
Gremio.
Gezegd, gedaan, is mooi.—Hortensio, spreek,
Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?
Petruccio.Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.
Petruccio.
Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;
Is ’t anders niet, mijn heeren, dat ’s geen kwaad.
Gremio.Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190
Gremio.
Geen kwaad, mijn vriend? Nu!—Waar zijt gij vandaan?190
Petruccio.’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.
Petruccio.
’k Ben van Verona, en Antonio’s zoon;
Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,
En ’k hoop, dat die mij goede dagen geev’.
Gremio.Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;Ik zal in alles u behulpzaam zijn.Maar wilt gij zulk een boschkat?
Gremio.
Heer, goede dagen en zoo’n wijf, zijn twee;
Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;
Ik zal in alles u behulpzaam zijn.
Maar wilt gij zulk een boschkat?
Petruccio.Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?
Petruccio.
Maar wilt gij zulk een boschkat?Wil ik leven?
Grumio.Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!
Grumio.
Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!
Petruccio.Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?En reutelt gij me van een vrouwetong,Die half zoo luid niet klapt als een kastanjeIn ’t haardvuur van een pachter? Maak een kindMet bietebauwen bang!
Petruccio.
Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?
Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?
Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?
Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,
Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?
Hoorde ik kanongebulder niet, in ’t veld,
Noch ’s hemels zwaar geschut daar in de lucht?
Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,
Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?
En reutelt gij me van een vrouwetong,
Die half zoo luid niet klapt als een kastanje
In ’t haardvuur van een pachter? Maak een kind
Met bietebauwen bang!
Grumio.Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.
Grumio.
Met bietebauwen bang!Neen, hij ducht niets.
Gremio.Hortensio, hoor.Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik hebEen voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.
Gremio.
Hortensio, hoor.
Deez’ heer komt wel ter rechter tijd; ik heb
Een voorgevoel, ’t is ons geluk en ’t zijne.
Hortensio.’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,En houden bij dit vrijen graag hem vrij.
Hortensio.
’k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,
En houden bij dit vrijen graag hem vrij.
Gremio.Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.
Gremio.
Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.
Grumio.O, bood men even wis me een goed onthaal aan.
Grumio.
O, bood men even wis me een goed onthaal aan.
(Traniokomt op, deftig uitgedost, metBiondello.)
Tranio.God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrijTe vragen, wat de naaste weg wel isNaar ’t huis van heer Battista Minola.
Tranio.
God zegen’ u, mijn heeren! ’k Ben zoo vrij
Te vragen, wat de naaste weg wel is
Naar ’t huis van heer Battista Minola.
Gremio.Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?
Gremio.
Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?
Tranio.Denzelfden.—Biondello!
Tranio.
Denzelfden.—Biondello!
Gremio.’t Is u toch om de dochter niet te doen?
Gremio.
’t Is u toch om de dochter niet te doen?
Tranio.Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226
Tranio.
Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.226
Petruccio.In geen geval om haar, die kijft, niet waar?
Petruccio.
In geen geval om haar, die kijft, niet waar?
Tranio.Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!
Tranio.
Een kijfster? dank u, heer!—Kom, Biondello!
Lucentio(ter zijde).Goed, Tranio, goed!
Lucentio
(ter zijde).Goed, Tranio, goed!
Hortensio.Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?
Hortensio.
Goed, Tranio, goed!Heer, eer gij gaat, een woord!
Zeg ja of neen; heeft de and’re u soms bekoord?
Tranio.Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?
Tranio.
Waar’ ’t zoo, beleedigde ik dan u daarmede?
Gremio.Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.
Gremio.
Neen, heer, maar ik verbied u elke verd’re schrede.
Tranio.De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrijVoor mij en u.
Tranio.
De straat, heer, is, zoo ’k denk, wel even vrij
Voor mij en u.
Gremio.Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.
Gremio.
Voor mij en u.De straat, heer, wel, niet zij.
Tranio.Waarom dan, mag ik vragen?
Tranio.
Waarom dan, mag ik vragen?
Gremio.Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.
Gremio.
Waarom dan, mag ik vragen?Vraagt ge zoo?
Welnu, ze is de uitverkoor’ne van signore Gremio.
Hortensio.Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.
Hortensio.
Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.
Tranio.Al zacht, mijn heeren; gunt als edelliedenOok mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.Battista is een waardig edelman,En met mijn vader is hij goed bekend;En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;Lucentio zij die een, is mijn besluit,Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.
Tranio.
Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden
Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.
Battista is een waardig edelman,
En met mijn vader is hij goed bekend;
En waar’ zijn dochter schooner nog dan ze is,
Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.
Een duizendtal had Leda’s schoone dochter,
De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;
Lucentio zij die een, is mijn besluit,
Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.
Gremio.Let op, deze een praat allen van de baan.
Gremio.
Let op, deze een praat allen van de baan.
Lucentio.Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.
Lucentio.
Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.
Petruccio.Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?
Petruccio.
Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?
Hortensio.Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gijDe dochters van Battista ooit gezien?
Hortensio.
Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij
De dochters van Battista ooit gezien?
Tranio.Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.
Tranio.
Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;
De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,
Dan de and’re door haar zedigheid en schoon.
Petruccio.Laat af van de eerste, heer, die is van mij.
Petruccio.
Laat af van de eerste, heer, die is van mij.
Gremio.Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258
Gremio.
Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;
Het twaalftal van Alcides tell’ niet meer.258
Petruccio.Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:De jongste dochter, zij, die gij verlangt,Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;Aan niemand wil haar vader haar verloven,Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.
Petruccio.
Verneem van mij nu, heer, hoe ’t voor u staat:
De jongste dochter, zij, die gij verlangt,
Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;
Aan niemand wil haar vader haar verloven,
Aleer haar oud’re zuster is getrouwd,
Dan wordt de jong’re vrij, maar eerder niet.
Tranio.Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrijVoor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.
Tranio.
Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,
Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,
Breekt gij het ijs, volbrengt gij ’t heldenstuk,
Neemt gij die oudste, en wordt de jong’re vrij
Voor onzen wedstrijd,—zeker, die haar krijgt,
Wie ’t zij, zal, zooals ’t past, zich dankbaar toonen.
Hortensio.Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;En daar gij medevrijer u verklaart,Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.
Hortensio.
Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;
En daar gij medevrijer u verklaart,
Zult gij, als wij, dien heer erkent’lijk zijn;
Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.
Tranio.Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijsVraag ik: brengt den namiddag met mij door,En drinken we op het welzijn onzer liefsten,En doen we als advocaten, die, hoe felZe elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.
Tranio.
Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs
Vraag ik: brengt den namiddag met mij door,
En drinken we op het welzijn onzer liefsten,
En doen we als advocaten, die, hoe fel
Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.
GrumioenBiondello.Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!
GrumioenBiondello.
Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!
Hortensio.Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.
Hortensio.
Dat voorstel is aanneemlijk, ja, ’t is goed;
U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.
(Allen af.)