Vierde Bedrijf.

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)

Eerste Tooneel.Een zaal inPetruccio’slandhuis.Grumiokomt op.Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!(Curtiskomt op.)Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.Curtis.Zoo?Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!Grumio.Stil, aan ’t oor.Curtis.Hier.Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.Curtis.Samen op één paard?Grumio.Wat vertel je?Curtis.Samen op een paard?73Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?Curtis.Ja zeker.Grumio.Roep ze dan hier.Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.Curtis.Nu, wie weet dat niet?Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.(Eenige Bedienden komen op.)Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!Flip.Hoe gaat het, Grumio?Jozef.Kijk eens aan! Grumio!Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!(PetruccioenKatharinakomen op.)Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!(Het eten wordt opgebracht.)Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!(Hij zingt.)„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.(De Bediende laat de kan vallen.)Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158(Hij slaat hem.)Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.(Curtiskomt terug.)Grumio.Waar is hij?Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.(Allen af.)(Petrucciokomt weder op.)Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.(Petruccioaf.)

Een zaal inPetruccio’slandhuis.

Grumiokomt op.

Grumio.Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!

Grumio.

Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo’n kleine pot, die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;—maar ik zal mijzelf warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!

(Curtiskomt op.)

Curtis.Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?

Curtis.

Wie roept daar met zoo’n bevroren stem?

Grumio.Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!

Grumio.

Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!

Curtis.Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?

Curtis.

Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?

Grumio.Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!

Grumio.

Ja, ja, Curtis, ja; en daaromvuur, vuur en gooi er geen water, geen water op!

Curtis.Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22

Curtis.

Is zij wezenlijk zoo’n heetgebakerde feeks, als men vertelt?22

Grumio.Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.

Grumio.

Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, broeder Curtis.

Curtis.Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.

Curtis.

Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.

Grumio.Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.

Grumio.

Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,—en ze is nu ophanden,—gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo lauw bent in je warmen dienst.

Curtis.Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?

Curtis.

Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?

Grumio.De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40

Grumio.

De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna doodgevroren.40

Curtis.Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!

Curtis.

Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met wat nieuws!

Grumio.Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.

Grumio.

Nu, hoor dan: „Er waren zeven kikkertjes”(Hij zingt.)en zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.

Curtis.Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.

Curtis.

Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.

Grumio.Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?

Grumio.

Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in hun bruîgomspakken?

Zijn de kannen kant en de bekers klaar,Niets aangebrand en alles goed gaar,En de vloer wel gezand voor het jonge paar?Is alles in orde?

Zijn de kannen kant en de bekers klaar,

Niets aangebrand en alles goed gaar,

En de vloer wel gezand voor het jonge paar?

Is alles in orde?

Curtis.Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!

Curtis.

Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!

Grumio.Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.

Grumio.

Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn uitgevallen.

Curtis.Zoo?

Curtis.

Zoo?

Grumio.Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.

Grumio.

Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele geschiedenis aan vast.

Curtis.Zoo, laat hooren, beste Grumio!

Curtis.

Zoo, laat hooren, beste Grumio!

Grumio.Stil, aan ’t oor.

Grumio.

Stil, aan ’t oor.

Curtis.Hier.

Curtis.

Hier.

Grumio.Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!

Grumio.

Daar(Hij geeftCurtiseen oorveeg.)!

Curtis.Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.

Curtis.

Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.

Grumio.En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.

Grumio.

En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar ’t was alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed achter mijn meesteres.

Curtis.Samen op één paard?

Curtis.

Samen op één paard?

Grumio.Wat vertel je?

Grumio.

Wat vertel je?

Curtis.Samen op een paard?73

Curtis.

Samen op een paard?73

Grumio.Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.

Grumio.

Vertel jij dan de geschiedenis;—maar, als je me niet in de rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij vloekte; hoe zij smeekte,—zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe ik mijn staartriem verloor;—en nog veel andere gedenkwaardige dingen, die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid tot uw graf wederkeeren.

Curtis.Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.

Curtis.

Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.

Grumio.Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?

Grumio.

Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?—roep toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust hebben. Zijn ze allen klaar?

Curtis.Ja zeker.

Curtis.

Ja zeker.

Grumio.Roep ze dan hier.

Grumio.

Roep ze dan hier.

Curtis.Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.

Curtis.

Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.

Grumio.Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.

Grumio.

Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.

Curtis.Nu, wie weet dat niet?

Curtis.

Nu, wie weet dat niet?

Grumio.Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.

Grumio.

Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor haar een figuur te maken.

Curtis.Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.

Curtis.

Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.

Grumio.Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.

Grumio.

Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en daar ze ’t wel mee doen kan.

(Eenige Bedienden komen op.)

Nathaniel.Welkom thuis, Grumio!

Nathaniel.

Welkom thuis, Grumio!

Flip.Hoe gaat het, Grumio?

Flip.

Hoe gaat het, Grumio?

Jozef.Kijk eens aan! Grumio!

Jozef.

Kijk eens aan! Grumio!

Klaas.Zoo, zoo, onze vriend Grumio!

Klaas.

Zoo, zoo, onze vriend Grumio!

Nathaniel.Hoe staat het ermee, ouwe jongen?

Nathaniel.

Hoe staat het ermee, ouwe jongen?

Grumio.Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117

Grumio.

Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, jij;—en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me ’reis, mooie jongens, is alles klaar, is alles in de puntjes?117

Nathaniel.Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?

Nathaniel.

Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?

Grumio.Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!

Grumio.

Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom op,—Heere beware, stil, daar is hij al!

(PetruccioenKatharinakomen op.)

Petruccio.Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?

Petruccio.

Waar is ’t geboeft? Wat! niemand aan de deur,

Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!

Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?

Allen.Hier, hier, heer! hier, heer!

Allen.

Hier, hier, heer! hier, heer!

Petruccio.Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!

Petruccio.

Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!

Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!

Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?—

Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!

Grumio.Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,

Grumio.

Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,

Petruccio.Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t parkMet dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?

Petruccio.

Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!

Heb ik je niet gezegd, dat jij in ’t park

Met dit geboeft’ mij tegenkomen zoudt?

Grumio.Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;En Gabriels schoenen sloften telkens uit;Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.

Grumio.

Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;

En Gabriels schoenen sloften telkens uit;

Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;

De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;

In ’t beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,

Al de and’ren haav’loos en gescheurd; maar toch,

Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.

Petruccio.Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—

Petruccio.

Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!—

(De Bedienden af.—Petrucciozingt.)

„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!Oef, oef, oef, oef!

„Waar zijn mijn vroeg’re dagen heen?

„Waar zijn”—Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!

Oef, oef, oef, oef!

(Het eten wordt opgebracht.)

Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!

Komaan, wat vlug!—Wees vroolijk, liefste Kaatje!

Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!

(Hij zingt.)

„Een kloosterling in grauwe pij,Die kwam een heilig huis voorbij;”—Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moetGij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?

„Een kloosterling in grauwe pij,

Die kwam een heilig huis voorbij;”—

Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;

Pak aan!(Hij geeft hem een oorveeg.)en trek die and’re beter uit.—

Wees vroolijk, Kaatje;—water hier! en vlug!—

Waar is mijn poedel Hector?—Knaap, ga zeggen,

Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;—(Een Bediende af.)dìen moet

Gij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.

Waar zijn mijn muilen?—Komt het water haast?

(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)

Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.

Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart’lijk welkom.

(De Bediende laat de kan vallen.)

Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158

Infame vlegel! laat je ’t vallen? Hier!158

(Hij slaat hem.)

Katharina.Verschoon het, man; het was bij ongeluk.

Katharina.

Verschoon het, man; het was bij ongeluk.

Petruccio.Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—Wat is dat? Lamsbout?

Petruccio.

Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!

Ga zitten, Kaatje, gij zult hong’rig zijn.

Doet gij ’t gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?—

Wat is dat? Lamsbout?

Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout?Ja.

Eerste Bediende.

Wat is dat? Lamsbout?Ja.

Petruccio.Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?

Petruccio.

Wat is dat? Lamsbout? Ja.Wie bracht dat?

Eerste Bediende.Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.

Eerste Bediende.

Wat is dat? Lamsbout? Ja. Wie bracht dat?Ik.

Petruccio.’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafelZulk goed te brengen, dat oneetbaar is?Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;

Petruccio.

’t Is aangebrand; en zoo is al het eten;

Wat hondevolk!—Waar is die schelmsche kok?

Hoe hebt gij, schurken, ’t hart, op onze tafel

Zulk goed te brengen, dat oneetbaar is?

Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;

(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)

Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!

Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;

Wat! bromt ge? ’k Zal je leeren, hoe het hoort!

Katharina.Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.

Katharina.

Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;

Het eten was heel goed, als gij ’t woudt proeven.

Petruccio.Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,Omdat het gal verwekt en ergernis;Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.Geduld maar, morgen zal het beter zijn,En dezen avond vasten wij eens saam.Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.

Petruccio.

Neen, Kaatje; ’t was verdroogd en aangebrand;

Zulk eten is uitdrukk’lijk mij verboden,

Omdat het gal verwekt en ergernis;

Veel beter is het, dat wij beiden vasten,—

Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,—

Dan dat we ons prikk’len met verbraden vleesch.

Geduld maar, morgen zal het beter zijn,

En dezen avond vasten wij eens saam.

Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.

(Petruccio,KatharinaenCurtisaf.)

Nathaniel.(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?

Nathaniel.

(vooruitkomend.)Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?

Peter.Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.

Peter.

Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.

(Curtiskomt terug.)

Grumio.Waar is hij?

Grumio.

Waar is hij?

Curtis.Waar is hij?In haar kamer,En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme zielNiet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,En zit als een, die uit een droom ontwaakt.Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.

Curtis.

Waar is hij?In haar kamer,

En prijst met een sermoen haar ’t vasten aan;

En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme ziel

Niet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,

En zit als een, die uit een droom ontwaakt.

Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.

(Allen af.)

(Petrucciokomt weder op.)

Petruccio.’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,Want anders komt ze niet op mijn geroep.’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temtEn komen laat op ’t roepen van den baas;Ik houd haar wakker evenals een valk,Die klept en slaat en ongehoorzaam is.Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,En werp het kussen hier, de peluw daar,En hier het dek en ginds de lakens heen;—Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.

Petruccio.

’k Aanvaardde mijn regeering met beleid,191

En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;

Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar ’t oog;

En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,

Want anders komt ze niet op mijn geroep.

’k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temt

En komen laat op ’t roepen van den baas;

Ik houd haar wakker evenals een valk,

Die klept en slaat en ongehoorzaam is.

Zij at van daag geen beet en mag ’t ook niet,

Sliep gist’ren niet en zal ’t van nacht ook niet;

Zooals van ’t eten, zeg ik van het bed,

En zonder grond, dat niets is zooals ’t hoort,

En werp het kussen hier, de peluw daar,

En hier het dek en ginds de lakens heen;—

Ja, en bij al ’t getier, geef ik toch voor,

Dat ik zoo doe uit teed’re zorg voor haar.

Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;

En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,

Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;

Zoo wordt ze klein gemaakt door teed’re zorg,

En buig ik wel haar dollen, kreeg’len kop.

Weet voor een temkuur iemand beet’ren raad,

Hij deele ’t mee, zijn evenmensch ten baat.

(Petruccioaf.)

Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)

Tweede Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.TranioenHortensiokomen op.Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.(Zij gaan ter zijde.)(BiancaenLucentiokomen op.)Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!(Zij gaan voorbij.)Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.(Hortensioaf.)(LucentioenBiancakomen naar voren.)Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?Tranio.Ja, jonkvrouw.49Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.(Biondellokomt haastig aangeloopen.)Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.(LucentioenBiancaaf.)(Een Pedant komt op.)Pedant.Gegroet, heer!Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.Tranio.Vergun, wat landsman, heer?Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.(Allen af.)

Padua.Voor het huis vanBattista.

TranioenHortensiokomen op.

Tranio.Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat BiancaEen ander dan Lucentio bemint?Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.

Tranio.

Vriend Licio, is ’t moog’lijk, dat Bianca

Een ander dan Lucentio bemint?

Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor ’t oog.

Hortensio.Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.

Hortensio.

Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,

Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.

(Zij gaan ter zijde.)

(BiancaenLucentiokomen op.)

Lucentio.Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?

Lucentio.

Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?

Bianca.Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.

Bianca.

Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.

Lucentio.Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.

Lucentio.

Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.

Bianca.O blijk weldra, heer, meester in die kunst!

Bianca.

O blijk weldra, heer, meester in die kunst!

Lucentio.Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!

Lucentio.

Ja, dier’bre meesteresse, door uw gunst!

(Zij gaan voorbij.)

Hortensio.Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorstEen eed doen: uw meest’res Bianca mindeTer wereld niemand dan Lucentio.13

Hortensio.

Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorst

Een eed doen: uw meest’res Bianca minde

Ter wereld niemand dan Lucentio.13

Tranio.O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.

Tranio.

O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!

Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.

Hortensio.Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijnVoor iemand, die een edelman versmaadtEn zulk een schobbejak als God vereert;Mijn ware naam, heer, is Hortensio.

Hortensio.

Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,

Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;

Maar een, wien ’t nu verdriet vermomd te zijn

Voor iemand, die een edelman versmaadt

En zulk een schobbejak als God vereert;

Mijn ware naam, heer, is Hortensio.

Tranio.Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheidGetuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—Voor eeuwig haar en hare min hier af.

Tranio.

Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,

Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;

Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheid

Getuige, en ’k zweer met u,—dunkt dit u goed,—

Voor eeuwig haar en hare min hier af.

Hortensio.Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,Omdat zij nooit de teederheid verdiende,Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.

Hortensio.

Zie eens dat koozen, kussen!—Hier, Lucentio,

Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:—

Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,

Omdat zij nooit de teederheid verdiende,

Waarmede ik dwaas’lijk haar bewierookt heb.

Tranio.En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!

Tranio.

En hier doe ik oprecht denzelfden eed,—

Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze ’t mij;

Foei, zie, hoe schand’lijk zij daar met hem koost!

Hortensio.Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouwEen rijke weeuw, die al den tijd, dat mijDit preutsche meisje boeide, heeft bemind.En nu vaarwel, Signor Lucentio.Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheidVerwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.

Hortensio.

Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!—

Ikzelf,—zoo houd ik wis mijn eed,—ik neem,

Eer ’t jaar drie dagen ouder is, tot vrouw

Een rijke weeuw, die al den tijd, dat mij

Dit preutsche meisje boeide, heeft bemind.

En nu vaarwel, Signor Lucentio.

Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheid

Verwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,

En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.

(Hortensioaf.)

(LucentioenBiancakomen naar voren.)

Tranio.Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,En afgezworen, met Hortensio.

Tranio.

Jonkvrouw Bianca, stroome u ied’re zegen,

Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,

Ja, ja, ’k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,

En afgezworen, met Hortensio.

Bianca.Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?

Bianca.

Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?

Tranio.Ja, jonkvrouw.49

Tranio.

Ja, jonkvrouw.49

Lucentio.Goed; dan zijn wij Licio kwijt.

Lucentio.

Goed; dan zijn wij Licio kwijt.

Tranio.O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.

Tranio.

O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,

Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.

Bianca.Wel moog’ het hem bekomen!

Bianca.

Wel moog’ het hem bekomen!

Tranio.Ja, en hij maakt haar mak.

Tranio.

Ja, en hij maakt haar mak.

Bianca.Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.

Bianca.

Ja, en hij maakt haar mak.Dit zegt hij, Tranio.

Tranio.Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.

Tranio.

Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.

Bianca.De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?

Bianca.

De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?

Tranio.Ja toch; Petruccio geeft er les, en leertEr op zijn elf en dertigst, hoe een manEen booze vrouwetong bezweren kan.

Tranio.

Ja toch; Petruccio geeft er les, en leert

Er op zijn elf en dertigst, hoe een man

Een booze vrouwetong bezweren kan.

(Biondellokomt haastig aangeloopen.)

Biondello.O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ikZoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daaltGinds van den berg een oude hemelzend’ling,Die juist ons past.

Biondello.

O meester, ’k stond zoo lang op wacht, dat ik

Zoo moe ben als een hond; maar eind’lijk daalt

Ginds van den berg een oude hemelzend’ling,

Die juist ons past.

Tranio.Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?

Tranio.

Die juist ons past.Wat man is ’t, Biondello?

Biondello.’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,Naar gang en houding op ende op een vader.

Biondello.

’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,

Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,

Naar gang en houding op ende op een vader.

Lucentio.Wat wilt ge, Tranio?

Lucentio.

Wat wilt ge, Tranio?

Tranio.Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,En borg is bij Battista Minola,Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.

Tranio.

Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,

Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,

En borg is bij Battista Minola,

Als waar’ hij onvervalscht Vincentio.

Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.

(LucentioenBiancaaf.)

(Een Pedant komt op.)

Pedant.Gegroet, heer!

Pedant.

Gegroet, heer!

Tranio.Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?

Tranio.

Gegroet, heer!Insgelijks; wees welkom, heer!

Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan ’t doel?

Pedant.Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,En dan, als God wil, heel naar Tripoli.

Pedant.

Ik ben aan ’t doel, heer, voor een week of twee;

Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,

En dan, als God wil, heel naar Tripoli.

Tranio.Vergun, wat landsman, heer?

Tranio.

Vergun, wat landsman, heer?

Pedant.Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.

Pedant.

Vergun, wat landsman, heer?Van Mantua.

Tranio.Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gijUw leven moe, dat gij naar Padua komt?

Tranio.

Van Mantua?—Verhoede ’t God! En zijt gij

Uw leven moe, dat gij naar Padua komt?

Pedant.Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80

Pedant.

Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!80

Tranio.Elk, die uit Mantua in Padua komt,Die is des doods. En weet gij niet waarom?Venetië legt beslag op uwe schepen;De doge ligt in twist met uwen hertog,En heeft het openlijk bekendgemaakt.’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,De lezing ware u anders niet ontgaan.

Tranio.

Elk, die uit Mantua in Padua komt,

Die is des doods. En weet gij niet waarom?

Venetië legt beslag op uwe schepen;

De doge ligt in twist met uwen hertog,

En heeft het openlijk bekendgemaakt.

’t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,

De lezing ware u anders niet ontgaan.

Pedant.Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,Want ik heb wisselbrieven uit Florence,Die ik alhier te gelde maken moet.

Pedant.

Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,

Want ik heb wisselbrieven uit Florence,

Die ik alhier te gelde maken moet.

Tranio.Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ikDit doen, en dezen raad u geven:—maarZeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?

Tranio.

Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ik

Dit doen, en dezen raad u geven:—maar

Zeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?

Pedant.Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.

Pedant.

Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,

Pisa, beroemd door tal van wakk’re burgers.

Tranio.Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?

Tranio.

Kent gij daaronder zeek’ren heer Vincentio?

Pedant.Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;Een koopman van onmetelijk fortuin.

Pedant.

Niet van persoon, doch ’k heb van hem gehoord;

Een koopman van onmetelijk fortuin.

Tranio.Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woordHij heeft in zijn gelaat wel wat van u.

Tranio.

Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woord

Hij heeft in zijn gelaat wel wat van u.

Biondello(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.

Biondello

(ter zijde).Zooals een appel van een oester, ja precies.

Tranio.Om ’t leven u te redden in deez’ nood,Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gijUw zaken in de stad hebt afgedaan;Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.

Tranio.

Om ’t leven u te redden in deez’ nood,

Wil ik om zijnentwil deez’ dienst u doen;

Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,

Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.

Gij borgt van hem den naam nu en ’t krediet,

En neemt,—dit spreekt,—uw intrek in mijn huis;—

Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;

Begrepen, heer?—en blijf gerust, tot gij

Uw zaken in de stad hebt afgedaan;

Acht gij dit aanbod goed, heer, neem ’t dan aan.

Pedant.O gaarne, heer, en immer roem ik uAls redder van mijn leven en mijn vrijheid.

Pedant.

O gaarne, heer, en immer roem ik u

Als redder van mijn leven en mijn vrijheid.

Tranio.Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!Voorloopig echter deel ik dit u mee:Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,De dochter van een zeek’ren heer Battista.Dit alles moet ge omstandig weten, heer;Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.

Tranio.

Kom mee dan, en terstond aan ’t werk getogen!

Voorloopig echter deel ik dit u mee:

Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,

Om ’t weduwgoed te reeg’len voor mijn bruid,

De dochter van een zeek’ren heer Battista.

Dit alles moet ge omstandig weten, heer;

Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.

(Allen af.)

Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)

Derde Tooneel.Een kamer inPetruccio’shuis.KatharinaenGrumiokomen op.Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,(Zij slaat hem.)Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,(Hij zet den schotel neer.)En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.Katharina.Ik dank u zeer.Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.(Een Snijder komt op.)Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—(Een Hoedenmaker komt op.)’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.(De Hoedenmaker vertrekt.)Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?Snijder.Nog al.Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.Petruccio.Lees op.Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.Petruccio.Ga voort.Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.Snijder.„Met een pofmouw,”—Grumio.Ik erken: twee mouwen.Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.(Hij werpt het op den grond.)Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.(Snijder af.)Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.(Allen af.)

Een kamer inPetruccio’shuis.

KatharinaenGrumiokomen op.

Grumio.Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.

Grumio.

Neen, neen, voorwaar, ik durf niet ’t gold mijn leven.

Katharina.Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,Of anders vindt hij elders wel erbarming;Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—Ik sterf van honger, suizebol van slaap;Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—Ik bid u, breng mij iets om te eten! brengWat het ook zij, als het maar eetbaar is.

Katharina.

Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!

Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong’ren?

Geen beed’laar smeekt er aan mijns vaders deur,

Of oogenblikk’lijk krijgt hij ook een aalmoes,

Of anders vindt hij elders wel erbarming;

Doch ik,—die nimmer wist wat smeeken is,

En die de nood tot smeeken nimmer dwong,—

Ik sterf van honger, suizebol van slaap;

Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;

En,—wat mij dieper krenkt dan al deez’ nood,—

Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,

Als zei hij: „Slaap toch niet”, en „Eet toch niet;

„’t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk.”—

Ik bid u, breng mij iets om te eten! breng

Wat het ook zij, als het maar eetbaar is.

Grumio.Wat dunkt u van een kalfspoot?

Grumio.

Wat dunkt u van een kalfspoot?

Katharina.O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.

Katharina.

O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.

Grumio.Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?

Grumio.

Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.—

Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?

Katharina.O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.

Katharina.

O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.

Grumio.Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?

Grumio.

Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.

Wat dunkt u,—een stuk ossevleesch met mosterd?

Katharina.’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.

Katharina.

’t Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.

Grumio.Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.

Grumio.

Ja, maar die mosterd is wat al te prikk’lend.

Katharina.Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.

Katharina.

Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.

Grumio.Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.

Grumio.

Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,

Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.

Katharina.Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.

Katharina.

Nu, ’t een of ’t ander, beide, of wat gij wilt.

Grumio.Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.

Grumio.

Nu, dan den mosterd zonder ’t ossevleesch.

Katharina.Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,

Katharina.

Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,

(Zij slaat hem.)

Die mij met etensnamenspijzen wilt;Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!Weg, zeg ik, scheer u weg!

Die mij met etensnamenspijzen wilt;

Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,

Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!

Weg, zeg ik, scheer u weg!

(Petrucciokomt op, met een schotel, vergezeld vanHortensio.)

Petruccio.Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?

Petruccio.

Hoe is ’t, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?

Hortensio.Hoe is ’t, mevrouw?37

Hortensio.

Hoe is ’t, mevrouw?37

Katharina.Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.

Katharina.

Hoe is ’t, mevrouw?Nu, waarlijk slecht genoeg.

Petruccio.Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,

Petruccio.

Kom, opgewekt! en zie mij vriend’lijk aan.

Zie, liefste, zie, hoe ’k alles voor u doe;

Ik richt het maal zelf aan en breng ’t u hier,

(Hij zet den schotel neer.)

En reken, lieve Kaatje, op uw dank.Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—Hier, neem den schotel weg.

En reken, lieve Kaatje, op uw dank.

Wat, zelfs geen woord? Dan is ’t niet naar uw smaak,

En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;—

Hier, neem den schotel weg.

Katharina.Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.

Katharina.

Hier, neem den schotel weg.Ach, laat hem staan.

Petruccio.De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.

Petruccio.

De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,

En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.

Katharina.Ik dank u zeer.

Katharina.

Ik dank u zeer.

Hortensio.Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.

Hortensio.

Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;—

Kom, eet, mevrouw; ’k zal u gezelschap houden.

Petruccio(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,Wij gaan nu naar uws vaders huis en komenEr op het feest eens prachtig voor den dag,Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.Hebt gij gedaan? De snijder staat gereedEn hult u in een ruischend zijden kleed.

Petruccio

(ter zijde).Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.—

’t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,

Eet spoedig af;—want hoor, mijn zoetelief,

Wij gaan nu naar uws vaders huis en komen

Er op het feest eens prachtig voor den dag,

Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,

Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,

Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,

Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.

Hebt gij gedaan? De snijder staat gereed

En hult u in een ruischend zijden kleed.

(Een Snijder komt op.)

Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei’t Gewaad nu uit.—

Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei

’t Gewaad nu uit.—

(Een Hoedenmaker komt op.)

’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?

’t Gewaad nu uit.—En gij, wat nieuws brengt gij?

Hoedenmaker.Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.

Hoedenmaker.

Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.

Petruccio.Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!O foei, een oester of een notedop,Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.

Petruccio.

Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!

Een schotel van fluweel! Foei, miss’lijk, aak’lig!

O foei, een oester of een notedop,

Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!

Kom, weg er mee, en laat me een groot’ren zien.

Katharina.Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;Zoo dragen het de dames van het hof.

Katharina.

Ik wil geen groot’ren; dit is juist de smaak;

Zoo dragen het de dames van het hof.

Petruccio.Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,Doch eerder niet.72

Petruccio.

Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,

Doch eerder niet.72

Hortensio(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.

Hortensio

(ter zijde).Dat loopt nog wel wat aan.

Katharina.Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;En eerder geef ik, wat ik denk en wil,Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.

Katharina.

Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,

En ’k wil het zeggen; ’k ben geen kind, geen zuig’ling;

Ik heb, wat mij op ’t hart lag, steeds gezegd,

Aan beet’ren zelfs dan gij; verdraagt gij ’t niet,

Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;

Mijn hart bezweek van ergernis, zoo ’k zweeg;

En eerder geef ik, wat ik denk en wil,

Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.

Petruccio.Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,Een taartendeksel, een pastei van taf;’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.

Petruccio.

Gij hebt gelijk, afschuw’lijk is de hoed,

Een taartendeksel, een pastei van taf;

’t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.

Katharina.Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.

Katharina.

Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:

Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.

(De Hoedenmaker vertrekt.)

Petruccio.Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—Gerechte hemel! goed voor vastelavond!Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,Gekorven op en neer, als appeltaart;’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?

Petruccio.

Ah ja, uw kleed!—Kom, snijder, laat eens zien.—

Gerechte hemel! goed voor vastelavond!

Wat ’s dit?—een mouw? ’t lijkt wel een klein kanon,

Gekorven op en neer, als appeltaart;

’t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;

’t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;—

Hoe noemt ge, snijder, dit, in ’s duivels naam?

Hortensio(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.

Hortensio

(ter zijde.)Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.

Snijder.De last was, om het net en, zooals ’t hoort,Te maken naar den laatsten smaak en snit,

Snijder.

De last was, om het net en, zooals ’t hoort,

Te maken naar den laatsten smaak en snit,

Petruccio.Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.

Petruccio.

Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,

Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.

Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,

Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;

Ik dank je; zie maar, dat je ’t elders slijt.

Katharina.Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.

Katharina.

Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,

Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;

Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.

Petruccio.Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.

Petruccio.

Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.

Snijder.Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.

Snijder.

Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.

Petruccio.Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,Jij vingerhoed!106Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,Of ik neem met jouw el je zóó de maat,Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.

Petruccio.

Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,

Jij vingerhoed!106

Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!

Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,

Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!

Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,

Of ik neem met jouw el je zóó de maat,

Dat heel je leven je deez’ praatjes rouwen!

Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.

Snijder.Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.

Snijder.

Uw edelheid vergist zich; ’t is gemaakt,

Precies zooals ’t mijn meester werd besteld,

Hier, Grumio, gaf hem op, hoe ’t wezen moest.

Grumio.Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.

Grumio.

Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.

Snijder.En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?

Snijder.

En wat hebt gij van ’t maken dan gezegd?

Grumio.Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.

Grumio.

Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.

Snijder.En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?

Snijder.

En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?

Grumio.Je hebt zeker al heel wat geboord?

Grumio.

Je hebt zeker al heel wat geboord?

Snijder.Nog al.

Snijder.

Nog al.

Grumio.Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.

Grumio.

Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, het heelemaal stuk te snijden;ergo, je liegt.

Snijder.Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.

Snijder.

Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.

Petruccio.Lees op.

Petruccio.

Lees op.

Grumio.Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.

Grumio.

Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het zoo besteld heb.

Snijder.„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”

Snijder.

„Imprimis, een kleed met een ruim lijf.”

Grumio.Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.

Grumio.

Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.

Petruccio.Ga voort.

Petruccio.

Ga voort.

Snijder.„Met een smallen, ronden kraag;”—

Snijder.

„Met een smallen, ronden kraag;”—

Grumio.Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.

Grumio.

Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.

Snijder.„Met een pofmouw,”—

Snijder.

„Met een pofmouw,”—

Grumio.Ik erken: twee mouwen.

Grumio.

Ik erken: twee mouwen.

Snijder.„De mouwen naar de mode uitgesneden.”

Snijder.

„De mouwen naar de mode uitgesneden.”

Petruccio.Ja, daar zit ’em de schelmerij.

Petruccio.

Ja, daar zit ’em de schelmerij.

Grumio.Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149

Grumio.

Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed gewapend.149

Snijder.Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.

Snijder.

Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan zou ik ’t je wel leeren.

Grumio.Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.

Grumio.

Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst en geef mij je meetstok; en spaar me niet.

Hortensio.Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.

Hortensio.

Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.

Petruccio.Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.

Petruccio.

Nu, kort en goed, man; ’t kleed is niet voor mij.

(Hij werpt het op den grond.)

Grumio.Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.

Grumio.

Gij hebt gelijk, ’t is voor mijn meest’res.

Petruccio(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.

Petruccio

(tot den Snijder).Neem ’t op, man, ’t is ten dienste van uw meester.

Grumio.Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!

Grumio.

Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres opnemen ten dienste van je meester!

Petruccio.Wel, man, wat zoek je daarachter?

Petruccio.

Wel, man, wat zoek je daarachter?

Grumio.O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;Het kleed opnemen van mijn meesteres.Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!

Grumio.

O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;

Het kleed opnemen van mijn meesteres.

Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!

Petruccio(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.

Petruccio

(ter zijde).Hortensio, zeg, dat gij ’t betalen zult.

(Luid.)Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.

Hortensio(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;En wees maar niet verstoord om zijne drift.Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.

Hortensio

(tot den Snijder).Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt gij ’t geld;

En wees maar niet verstoord om zijne drift.

Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.

(Snijder af.)

Petruccio.Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;De geest alleen geeft aan het lijf waardij;Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?Wie acht een adder beter dan den aal,Omdat haar bonte huid het oog bekoort?Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er nietTe minder om, al is ’t gewaad wat min.Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naarUws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;Men breng’ de paarden aan het eind der laan;Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190

Petruccio.

Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,

In dit armoedig, doch welvoeg’lijk kleed;

Met trotsche beurs, schoon need’rig van gewaad;

De geest alleen geeft aan het lijf waardij;

Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,

Zoo schittert de eer zelfs in het need’rigst kleed.

Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,

Omdat zijn veed’ren fraaier zijn van kleur?

Wie acht een adder beter dan den aal,

Omdat haar bonte huid het oog bekoort?

Neen, Kaatjelief, gij zijt in ’t minst er niet

Te minder om, al is ’t gewaad wat min.

Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;

Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad’lijk naar

Uws vaders huis om vroolijk feest te vieren.—

Ga, roep mijn volk; wij reizen daad’lijk af;

Men breng’ de paarden aan het eind der laan;

Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.—

Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,

Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.190

Katharina.Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.

Katharina.

Geloof me, waarlijk, ’t is niet ver van twee;

’t Is tijd voor ’t avondmaal, eer gij er zijt.

Petruccio.’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.

Petruccio.

’t Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;

Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,

Nooit is het goed.—Gij knapen, gaat maar heen;

Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik ’t doe,

Zal het zoo laat zijn, als ik ’t hebben wil.

Hortensio.Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.

Hortensio.

Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.

(Allen af.)

Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)

Vierde Tooneel.Padua.Voor het huis vanBattista.Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.(Biondellokomt op.)Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.Biondello.O, wees gerust.Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.(BattistaenLucentiokomen op.)Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.Battista.Ik volg u.72(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)Biondello.Ik volg u.Cambio!Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?Lucentio.Wat zou dat, Biondello?Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.Lucentio.En wat verder met hem?Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.Lucentio.En verder?Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.Lucentio.En wat moet dit alles?Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.(Hij wil heengaan.)Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.(Biondelloaf.)Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.(Allen af.)

Padua.Voor het huis vanBattista.

Tranioen de Pedant, de laatste alsVincentiogekleed, komen op.

Tranio.Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?

Tranio.

Heer, dit is ’t huis; verlangt gij, dat ik klop?

Pedant.Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in GenuaOnze’ intrek hadden in den Pegasus.

Pedant.

Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,

Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;

’t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in Genua

Onze’ intrek hadden in den Pegasus.

Tranio.Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.

Tranio.

Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur’,

Uw deftigheid, zooals ’t een vader past.

(Biondellokomt op.)

Pedant.Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.

Pedant.

Ik sta u borg;—maar, heer, daar komt uw dienaar;

Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.

Tranio.O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.

Tranio.

O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!

Pas nu goed op, en weet,—vergis u niet,—

Deez’ heer is thans Vincentio in persoon.

Biondello.O, wees gerust.

Biondello.

O, wees gerust.

Tranio.En bracht ge uw boodschap over aan Battista?

Tranio.

En bracht ge uw boodschap over aan Battista?

Biondello.Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,En wordt vandaag in Padua verwacht.

Biondello.

Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,

En wordt vandaag in Padua verwacht.

Tranio.Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.

Tranio.

Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.—

Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.

(BattistaenLucentiokomen op.)

Signor Battista, dat is wel getroffen.—Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.

Signor Battista, dat is wel getroffen.—

Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.

Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;

Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.

Pedant.Al zacht, mijn zoon!—23Vergun mij, heer: ik kwam naar PaduaOm schulden te innen, en daar meldt mijn zoonLucentio mij een zeer gewichtig nieuws,Van liefde tusschen hem en uwe dochter;En daar ik zooveel goeds van u vernam,En merk, dat hij uw dochter teer bemintEn zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.

Pedant.

Al zacht, mijn zoon!—23

Vergun mij, heer: ik kwam naar Padua

Om schulden te innen, en daar meldt mijn zoon

Lucentio mij een zeer gewichtig nieuws,

Van liefde tusschen hem en uwe dochter;

En daar ik zooveel goeds van u vernam,

En merk, dat hij uw dochter teer bemint

En zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,

En keur, zooals een zorg’lijk vader doet,

Goed, dat hij trouwt; en,—denkt gij zooals ik,—

Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,

En stemmen wij te zaam in ’t huw’lijk toe;

’k Wil geen bedenktijd nemen nu ’t u geldt,

Signor Battista; ’k hoor veel goeds van u.

Battista.Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hierMijn dochter mint en zij hem weer bemint,Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,Dat gij als vader met hem hand’len zult,En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaarEn geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.

Battista.

Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;—

Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;

Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hier

Mijn dochter mint en zij hem weer bemint,

Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;

En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,

Dat gij als vader met hem hand’len zult,

En haar een passend weduwgoed verzeek’ren,

Dan zijn wij ’t eens en is het huwlijk klaar

En geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.

Tranio.Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?

Tranio.

Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,

Dat de verloving plaats grijp’ en ’t contract,

Dat wederzijds voldoet, geteekend word’?

Battista.Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;En de oude Gremio ligt er niet voor nietsSteeds op de loer; licht werden wij gestoord.

Battista.

Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,

Zooals ge weet, en ’k heb vrij wat bedienden;

En de oude Gremio ligt er niet voor niets

Steeds op de loer; licht werden wij gestoord.

Tranio.Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daarVan avond stil de zaak in orde brengen;Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoekVindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.

Tranio.

Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.

Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daar

Van avond stil de zaak in orde brengen;

Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;

Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.

Het ergst is,—bij ’t onvoorbereid bezoek

Vindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.

Battista.Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,En zeg Bianca met u mee te gaan,En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—Dat hier de vader van Lucentio is,En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.

Battista.

Mij is het goed;—ga, Cambio, huiswaarts nu,

En zeg Bianca met u mee te gaan,

En, wilt ge, deel haar mede, hoe ’t hier staat;—

Dat hier de vader van Lucentio is,

En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.

Lucentio.De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!

Lucentio.

De goden geven ’t! ’t is mijn hartewensch!

Tranio.Haal er de goden maar niet bij; doch ga!Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.

Tranio.

Haal er de goden maar niet bij; doch ga!

Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?

Welkom! maar ’k vrees, het maal telt één gerecht;

Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.

Battista.Ik volg u.72

Battista.

Ik volg u.72

(Tranio,de Pedant enBattistaaf.)

Biondello.Ik volg u.Cambio!

Biondello.

Ik volg u.Cambio!

Lucentio.Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?

Lucentio.

Ik volg u. Cambio!Wat wilt ge, Biondello?

Biondello.Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?

Biondello.

Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en u toelachte?

Lucentio.Wat zou dat, Biondello?

Lucentio.

Wat zou dat, Biondello?

Biondello.Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.

Biondello.

Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.

Lucentio.Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!

Lucentio.

Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!

Biondello.Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.

Biondello.

Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.

Lucentio.En wat verder met hem?

Lucentio.

En wat verder met hem?

Biondello.En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.

Biondello.

En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.

Lucentio.En verder?

Lucentio.

En verder?

Biondello.De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.

Biondello.

De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren van den dag tot uw beschikking.

Lucentio.En wat moet dit alles?

Lucentio.

En wat moet dit alles?

Biondello.Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.

Biondello.

Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar,cum privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:

Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.

Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;

Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.

(Hij wil heengaan.)

Lucentio.Hoor nog eens, Biondello!

Lucentio.

Hoor nog eens, Biondello!

Biondello.Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.

Biondello.

Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen dat gij er komt met uw appendix.

(Biondelloaf.)

Lucentio.Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.

Lucentio.

Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;

Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz’ling meer!

Het loop’ hoe ’t loop’, ik ga ’t haar ronduit voorslaan;

En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.

(Allen af.)

Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Vijfde Tooneel.Een openbare weg.Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.Petruccio.Ik zeg, het is de maan.Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.Petruccio.Hoe heet hij, heer?Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.(Hortensioaf.)

Een openbare weg.

Petruccio,KatharinaenHortensiokomen op.

Petruccio.Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!

Petruccio.

Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!

Heer God, hoe hel, hoe vriend’lijk schijnt de maan!

Katharina.De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.

Katharina.

De maan! de zon, ’t is nu geen maneschijn.

Petruccio.Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.

Petruccio.

Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.

Katharina.Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.

Katharina.

Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.

Petruccio.Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!

Petruccio.

Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,

Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,

Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;—

Hei daar! geleidt de paarden maar terug;—

Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!

Hortensio.Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.

Hortensio.

Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.

Katharina.O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;En zij het maan of zon of wat gij wilt;Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.

Katharina.

O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;

En zij het maan of zon of wat gij wilt;

Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,

Ik zweer, voortaan zal ’t ook voor mij zoo zijn.

Petruccio.Ik zeg, het is de maan.

Petruccio.

Ik zeg, het is de maan.

Katharina.Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.

Katharina.

Ik zeg, het is de maan.Ja, ’k weet, zoo is ’t.

Petruccio.Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.

Petruccio.

Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.

Katharina.Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.

Katharina.

Ja, dan is ’t, lieve God, de lieve zon;—

Maar ’t is de zon niet meer, zegt gij van neen;

Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.

Zooals gij ’t noemen wilt, zoo is het ook;

En zoo zal ’t ook voor Katharina zijn.

Hortensio.Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.

Hortensio.

Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.

Petruccio.Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goedEn poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?

Petruccio.

Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goed

En poedelt niet meer zijwaarts aan ’t beschot.—

Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?

(Vincentio,in reisgewaad, komt op.)

(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangenHet wit en rood zoo om den voorrang streden?En welke sterren sieren zoo den hemel,Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.

(TotVincentio.)Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?—27

Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,

Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangen

Het wit en rood zoo om den voorrang streden?

En welke sterren sieren zoo den hemel,

Als die twee oogen ’t hemelsche gelaat?—

Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!—

Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.

Hortensio.Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.

Hortensio.

Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.

Katharina.Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lotU als beminn’lijk echtgenoot beschikt!

Katharina.

Jong, maagd’lijk knopje, schoon en frisch en zoet;

Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?

Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;

Driewerf gelukkig hij, wien ’t gunstig lot

U als beminn’lijk echtgenoot beschikt!

Petruccio.Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.

Petruccio.

Hoe heb ik ’t, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?

Dit is een man, oud, rimp’lig, bleek, verweerd;

En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.

Katharina.Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;Zij waren door de felle zon verblind;En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.

Katharina.

Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;

Zij waren door de felle zon verblind;

En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.

Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;

Vergeef mij, bid ik u, deez’ dolle dwaling.

Petruccio.Ja, doe dat, waardig vader, en deel ookOns meê, waarheen gij reist; gaan we éénen wegDan zal ons uw gezelschap welkom zijn.

Petruccio.

Ja, doe dat, waardig vader, en deel ook

Ons meê, waarheen gij reist; gaan we éénen weg

Dan zal ons uw gezelschap welkom zijn.

Vincentio.Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoonBezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.

Vincentio.

Mijn waarde heer,—en gij mijn vroolijk vrouwtje,

Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,—

Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,

En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoon

Bezoeken, dien ’k in lang niet heb gezien.

Petruccio.Hoe heet hij, heer?

Petruccio.

Hoe heet hij, heer?

Vincentio.Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.

Vincentio.

Hoe heet hij, heer?Lucentio, waarde heer.

Petruccio.Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,Maar uit verwantschap, vader noemen; wantDe zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juistMet uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voorDe gade van een edelman kan wenschen.Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.

Petruccio.

Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.59

Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,

Maar uit verwantschap, vader noemen; want

De zuster van mijn vrouw, deez’ dame, is juist

Met uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;

’t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,

Brengt heel wat mee, en is van eed’len stam;

En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voor

De gade van een edelman kan wenschen.

Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;

En gaan wij samen naar uw wakk’ren zoon,

Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.

Vincentio.Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?

Vincentio.

Maar is dit waar, of is ’t uw lust, uit scherts,

Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd’ling,

Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?

Hortensio.Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.

Hortensio.

Neen, ’t is zoo, vader, ik verzeker ’t u.

Petruccio.Ga mede en overtuig uzelf er van;Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.

Petruccio.

Ga mede en overtuig uzelf er van;

Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.

(Petruccio,KatharinaenVincentioaf.)

Hortensio.Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.

Hortensio.

Petruccio, zie, dit steekt me een hart in ’t lijf.

Naar ’t weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,

Niet vrucht’loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.

(Hortensioaf.)


Back to IndexNext