XIV.

[Inhoud]XIV.EEN INDIAANSCHE LIST.Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort.Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken.Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche[134]macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen; welke maand door hen met den spotnaam vanMexicaansche Maanwordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen.Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als ooit.De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen en andereIndios bravoseene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze geduchte geburen te ontslaan.[135]Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste bijzonderheden opgenomen.Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hemdoñaAnita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken.Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder opdoñaAnita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.WaredoñaAnita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur.De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, »en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”[136]De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst uitblaast.”De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder steeds uitgebreider en duidelijker werd.Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan.De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.[137]De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks eenigesecondenduurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende paarden denauwelijksuitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde taak te beginnen.Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild op den rug.Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.”»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen mond.»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond zijn voorbeeld.De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te landen.[138]Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers.De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die erop zatentelkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg.De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen.Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd[139]en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem overkwam.»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?”Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier begeven.”»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor den brand.”»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?”»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij spreekt.”»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, »waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.”»Ooah!kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?”»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.”»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero spottenderwijs.»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal ik hem dooden.”[140]Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus oogenblikkelijk op.»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.»De waarheid.”»Vraag dan.”»Zal mijn broeder antwoorden?”»Ja.”»Goed, waar is de Groote-Bison?”»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richtingder haciendauitstak.»Sedert lang?”»Sedert een uur reeds.”»Om welke reden is hij daar?”»Dat kunt gij licht raden.”»Ja. Zijn zij daar samen?”»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”»Ooah!En wanneer moet hij terugkomen?”»Dat weet ik niet.”»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”»Neen.”»Zou hij alleen terugkomen?”»Dat weet ik niet.”De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist.»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”»Dat heeft hij.”»En welk is dat signaal?”Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het[141]leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem zouden redden.Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend ingewand.»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.»Ja,” antwoordde de Apache.Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen.»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten.Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minsteeven zoogoed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor.Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden.Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.[142]De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman, hij is zoo listig als eenopossum.”»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren niet kan redden.”»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison is.”»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.”»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.»Hoe is ’t?” hervatte deZwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar ginds, op dat vooruitspringend punt?”»Ja, die zie ik.”»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison noemt.”»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal vrij zijn.”»Dank u.”Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen[143]oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde niets; daardoorgerustgesteld, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel tegenopklauterden.»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.

[Inhoud]XIV.EEN INDIAANSCHE LIST.Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort.Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken.Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche[134]macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen; welke maand door hen met den spotnaam vanMexicaansche Maanwordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen.Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als ooit.De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen en andereIndios bravoseene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze geduchte geburen te ontslaan.[135]Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste bijzonderheden opgenomen.Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hemdoñaAnita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken.Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder opdoñaAnita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.WaredoñaAnita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur.De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, »en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”[136]De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst uitblaast.”De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder steeds uitgebreider en duidelijker werd.Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan.De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.[137]De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks eenigesecondenduurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende paarden denauwelijksuitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde taak te beginnen.Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild op den rug.Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.”»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen mond.»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond zijn voorbeeld.De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te landen.[138]Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers.De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die erop zatentelkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg.De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen.Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd[139]en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem overkwam.»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?”Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier begeven.”»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor den brand.”»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?”»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij spreekt.”»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, »waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.”»Ooah!kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?”»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.”»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero spottenderwijs.»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal ik hem dooden.”[140]Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus oogenblikkelijk op.»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.»De waarheid.”»Vraag dan.”»Zal mijn broeder antwoorden?”»Ja.”»Goed, waar is de Groote-Bison?”»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richtingder haciendauitstak.»Sedert lang?”»Sedert een uur reeds.”»Om welke reden is hij daar?”»Dat kunt gij licht raden.”»Ja. Zijn zij daar samen?”»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”»Ooah!En wanneer moet hij terugkomen?”»Dat weet ik niet.”»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”»Neen.”»Zou hij alleen terugkomen?”»Dat weet ik niet.”De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist.»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”»Dat heeft hij.”»En welk is dat signaal?”Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het[141]leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem zouden redden.Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend ingewand.»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.»Ja,” antwoordde de Apache.Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen.»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten.Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minsteeven zoogoed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor.Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden.Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.[142]De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman, hij is zoo listig als eenopossum.”»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren niet kan redden.”»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison is.”»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.”»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.»Hoe is ’t?” hervatte deZwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar ginds, op dat vooruitspringend punt?”»Ja, die zie ik.”»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison noemt.”»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal vrij zijn.”»Dank u.”Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen[143]oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde niets; daardoorgerustgesteld, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel tegenopklauterden.»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.

XIV.EEN INDIAANSCHE LIST.

Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort.Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken.Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche[134]macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen; welke maand door hen met den spotnaam vanMexicaansche Maanwordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen.Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als ooit.De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen en andereIndios bravoseene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze geduchte geburen te ontslaan.[135]Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste bijzonderheden opgenomen.Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hemdoñaAnita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken.Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder opdoñaAnita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.WaredoñaAnita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur.De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, »en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”[136]De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst uitblaast.”De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder steeds uitgebreider en duidelijker werd.Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan.De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.[137]De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks eenigesecondenduurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende paarden denauwelijksuitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde taak te beginnen.Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild op den rug.Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.”»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen mond.»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond zijn voorbeeld.De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te landen.[138]Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers.De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die erop zatentelkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg.De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen.Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd[139]en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem overkwam.»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?”Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier begeven.”»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor den brand.”»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?”»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij spreekt.”»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, »waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.”»Ooah!kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?”»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.”»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero spottenderwijs.»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal ik hem dooden.”[140]Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus oogenblikkelijk op.»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.»De waarheid.”»Vraag dan.”»Zal mijn broeder antwoorden?”»Ja.”»Goed, waar is de Groote-Bison?”»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richtingder haciendauitstak.»Sedert lang?”»Sedert een uur reeds.”»Om welke reden is hij daar?”»Dat kunt gij licht raden.”»Ja. Zijn zij daar samen?”»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”»Ooah!En wanneer moet hij terugkomen?”»Dat weet ik niet.”»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”»Neen.”»Zou hij alleen terugkomen?”»Dat weet ik niet.”De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist.»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”»Dat heeft hij.”»En welk is dat signaal?”Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het[141]leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem zouden redden.Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend ingewand.»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.»Ja,” antwoordde de Apache.Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen.»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten.Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minsteeven zoogoed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor.Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden.Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.[142]De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman, hij is zoo listig als eenopossum.”»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren niet kan redden.”»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison is.”»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.”»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.»Hoe is ’t?” hervatte deZwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar ginds, op dat vooruitspringend punt?”»Ja, die zie ik.”»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison noemt.”»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal vrij zijn.”»Dank u.”Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen[143]oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde niets; daardoorgerustgesteld, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel tegenopklauterden.»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.

Onder de ongetemde natiën die in de onmetelijke wildernissen der delta door de Rio Gila, de Rio del Norte en de Rio Colorado gevormd rondzwerven, zijn er twee die zich de heerschappij boven de overigen willen aanmatigen, deze twee natiën zijn de Apachen en de Comanchen.

Onverzoenlijke vijanden en gedurig in oorlog met elkander, slaan deze natiën vaak de handen ineen en vereenigen zij zich in gemeenschappelijken haat tegen de blanken en tegen al wat tot dit verafschuwde ras behoort.

Als voortreffelijke ruiters, onverschrokken jagers en woeste krijgers zonder genade, zijn de Comanchen en Apachen geduchte vijanden voor de ingezetenen van Nieuw-Mexico. Jaar op jaar in de zelfde maand verlaten deze woeste krijgslieden bij duizenden hunne savanen, doorwaden zij de stroomen, trekken op verschillende punten over de grenzen van Mexico, plunderen en branden alles wat hun voorkomt, voeren vrouwen en kinderen weg in slavernij, en verspreiden schrik en verwoesting tot meer dan tien ja soms twintig mijlen ver over het meer beschaafde grondgebied der blanken.

Tijdens de Spaansche heerschappij was dit anders. De talrijke zendingsposten, versterkte plaatsen (presidio’s) en van afstand tot afstand uitsluitend voor dezen dienst bestemde en langs de geheele grenzen gekantonneerde legerkorpsen weerden de aanvallen der Indianen krachtdadig af, dreven hen naar de wildernis terug en hielden hen binnen de perken van hunne jachtgronden. Sedert het uitroepen der onafhankelijkheid echter hebben de Mexicanen de handen zoo vol met zich onderling te dooden en door omwentelingen zonder doel of redelijkheid het land te verscheuren, dat de troepencordons zijn ingetrokken, de zendingsposten geplunderd, de presidio’s verlaten en de grenzen beschermd geworden, zoo als zij best konden, dat wil zeggen in ’t geheel niet. Natuurlijk zijn de wilde Indianen toen allengs weder genaderd en de rivieren opnieuw overgetrokken, zonder noemenswaardigen weerstand te vinden daar de Mexicaansche regeering onder strenge straffen verbiedt den beschaafden Indiaan vuurwapenen in handen te geven, waarmede zij alleen in staat zouden zijn de woeste indringers met goed gevolg te helpen bestrijden; zoo hebben laatstgenoemden binnen weinige jaren heroverd wat Spanje met zijn gansche[134]macht, gedurende meer dan drie eeuwen nauwelijks in staat was hun te ontweldigen.

Een gevolg van dit alles is dat de vruchtbaarste en heerlijkste landen van de wereld onbebouwd liggen, dat men in dat ongelukkige gewest geen stap voorwaarts doen kan zonder overal schier rookende puinhoopen te ontmoeten, en de stoutheid der wilde Roodhuiden zoodanig is toegenomen dat zij thans hunne strooptochten en invallen niet eens meer geheim houden, maar ze jaarlijks in dezelfde maand en vaak op denzelfden dag herhalen; welke maand door hen met den spotnaam vanMexicaansche Maanwordt bestempeld, dat wil zeggen de maand gedurende welke zij de Mexicanen plunderen.

Al de hier door ons aangevoerde feiten zouden voor eene kolossale tooneelklucht kunnen doorgaan, zoo zij niet gepaard gingen met de gruwzaamste barbaarschheid en wreedheid.

De Zwarte-Beer had het groote verbond, waarvan wij vroeger gewaagden, alleen gesloten met het doel om zich in de oogen zijner landgenooten te verheffen, daar hij door verscheiden mislukte ondernemingen werkelijk in hunne achting was gedaald. Even als alle voorname Indiaansche opperhoofden, bezielde hem eene ontembare eerzucht; reeds was het hem gelukt eenige zwakkere volksstammen uit te delgen of met zijne natie ineen te smelten, en nu beoogde hij niets minder dan om ook de Comanchen te verplichten zijne opperheerschappij te erkennen; dit was echter eene zeer moeilijke om niet te zeggen onmogelijke onderneming, want de Comanchennatie staat te recht beroemd als de krijgshaftigste en meest geduchte der woestijn; in haren hoogmoed geeft zij zich zelve den titel van Koningin der Prairiën en duldt te nauwernood de tegenwoordigheid der Apachen op het terrein dat zij als de haar erfelijk toekomende jachtgronden beschouwt. De Comanchen hebben op de andere Roodhuiden een groot voordeel, dat hunne eigenlijke sterkte uitmaakt en de basis hunner onafhankelijkheid is, zoodat zij door al hunne vijanden gevreesd worden, namelijk hunne matigheid. Dank zij de loffelijke standvastigheid waarmede zij zich van het gebruik van geestrijke dranken hebben weten te onthouden, zijn zij bewaard voor de algemeene verdierlijking en voor de menigte kwalen die de andere Indianenstammen zoo deerlijk teisteren en blijven zij tot hiertoe nog even krachtig en verstandig als ooit.

De Spotvogel geloofde evenmin als de Zwarte-Beer aan de duurzaamheid van het verbond, dat thans tusschen de beide natiën bezworen was; de haat dien hij de Apachen toedroeg had bij hem te diepe wortels geschoten om dit zelfs ernstig te verlangen; maar de stichting der Fransche kolonie te Guetzalli, waardoor de blanken vasten voet kregen op een terrein dat zij als hun wettig eigendom beschouwden, was voor de Comanchen en andereIndios bravoseene te ernstige bedreiging, dan dat zij niet elk middel zouden hebben te baat genomen om zich van deze geduchte geburen te ontslaan.[135]Zij hadden dus voor het oogenblik hun ouden wrok en bijzondere veeten doen zwijgen voor de eischen van het algemeen belang en zich daarvoor vereenigd, maar ook daarvoor alleen. Ieder behield zich stilzwijgend voor, om zoodra de gehate vreemdelingen verdreven waren, weder naar eigen goedvinden te handelen.

Wij hebben reeds gezien hoe de Spotvogel de vijandelijkheden begonnen was; de Zwarte-Beer had sinds lang een plan gevormd dat hij tot dusver nog niet had kunnen uitvoeren; niet wetende waar hij de noodige inlichting en middelen zou vinden was hij naar Guaymas gegaan, en toen de Tigrero hem voorsloeg om zich als gids in de kolonie in te dringen, had hij ongezocht aanleiding gevonden om zijn lang gewenscht doel te bereiken; ook had hij de weinige uren, door hem in de hacienda doorgebracht, niet ongebruikt gelaten en met de gewone geslepenheid van een Indiaan al de zwakke punten der plaats tot in de kleinste bijzonderheden opgenomen.

Bovendien bestond er nog eene reden die hem aanspoorde zich van de hacienda meester te maken; gelijk alle Roodhuiden, droomde hij van niets liever dan van eene blanke vrouw in zijne hut te hebben; nu had het toeval hemdoñaAnita doen aantreffen en daar door was zijn sedert lang heimelijk gekoesterde wensch op eens verlevendigd, door de veronderstelling, dat hij in haar eindelijk de vrouw gevonden had die zijn droom zou verwezenlijken.

Men moet zich daarom niet verbeelden dat de Zwarte-Beer zoo bijzonder opdoñaAnita verliefd was; hij verlangde alleen eene blanke vrouw te bezitten, dit was alles; hij voelde zich gekrenkt dat de andere hoofden zijns volks, slavinnen van die kleur hadden, en hij er nog geene bezat.

WaredoñaAnita leelijk geweest, dan zou hij toch beproefd hebben haar meester te worden, maar nu zij schoon was, zooveel te beter; en wij moeten hier ten slotte nog doen opmerken dat het Apachenhoofd haar eigenlijk niet zoo bijzonder mooi vond; volgens den maatstaf van zijn Indiaansch schoonheidsgevoel was de jonge vrouw hoogstens maar een dagelijksch gezicht; het eenige wat hij in haar op prijs stelde was hare kleur.

De Zwarte-Beer had zijne voornaamste krijgers op de uiterste punt van het eiland bijeengeroepen en stond in hun midden, met de armen op de borst gekruist, zwijgend en met de oogen naar de vlakte gericht, tot op het oogenblik toen het eerste bloedige rood van den brand door den Spotvogel ontstoken, zich aan den horizont begon te vertoonen.

»Mijn broeder de Spotvogel is een welervaren opperhoofd,” zeide hij, »en een trouw bondgenoot; hij heeft de zending die ik hem opdroeg naar behooren volbracht; hij is reeds bezig met de bleekmuilen te berooken; wat de Comanchen begonnen zullen de Apachen voleinden.”

»De Zwarte-Beer is de eerste krijgsman van zijn stam,” antwoordde de Kleine-Panter; »wie zou hem durven bestrijden?”[136]

De sachem glimlachte bij deze vleierij en sprak:

»Zijn de Comanchen antilopen, de Apachen zijn otters; zij weten, wanneer het noodig is, te zwemmen in het water zoo wel als te loopen op de aarde en te vliegen door de lucht; de bleekgezichten hebben geleefd; de Groote Geest is in mij, hij blaast mij de woorden in die mijne borst uitblaast.”

De krijgslieden bogen eerbiedig, en een oogenblik later vervolgde hij:

»Wat geven de Apachen om de vlammende donderpijpen der bleekgezichten! Hebben zij geen gekartelde pijlen en onverschrokken harten? Mijne zonen zullen mij volgen, wij zullen die bleeke honden hunne haarschedels aftrekken, om ze aan den hals onzer paarden te hechten, en hunne vrouwen zullen onze slavinnen zijn.”

De krijgslieden beantwoordden deze grootspraak met uitbundig gejuich.

»Op den stroom drijft een tal van boomen,” vervolgde hij; »mijne zonen zijn geene vrouwen die rasch moede worden, zij zullen zich op die doode boomen zetten en er de rivier mede afdrijven, tot aan de hut der bleekgezichten. Dat mijne zonen zich gereed maken; de Zwarte-Beer vertrekt tegen zestien ure, zoodra de blauwe uil tweemaal gezongen en de walkon tweemaal gefloten heeft. Twee honderd krijgslieden zullen den Zwarte-Beer volgen. Ik heb gezegd.”

De opperhoofden bogen eerbiedig voor den sachem en lieten hem alleen.

Hij wikkelde zich in zijn bisonsvellen mantel, hurkte neder bij een vuurpot met glimmende kolen die voor hem stond, stak zijn calumet aan met behulp van een toovertangetje, dat aardig met kleine chelletjes en bonte veeren versierd was, en bleef toen stil zitten rooken met de oogen onafgewend op den rooden gloed gericht, die aan den gezichteinder steeds uitgebreider en duidelijker werd.

Het eiland waar het opperhoofd zijn kamp had opgeslagen lag slechts op korten afstand van de Fransche kolonie; het plan om zich met den stroom te laten afdrijven had dus niets gevaarlijks voor menschen die, aan alle lichaamsoefeningen gewoon, zwommen als visschen; hij had daarbij het groote voordeel om de naderende krijgslieden in het water en tusschen de takken verborgen te houden, die dan op een bepaald oogenblik als een troep uitgehongerde gieren plotseling op de kolonie zouden losgaan.

De Zwarte-Beer hield zich van het welslagen dezer buitensporige krijgslist, die alleen in het brein van een Indiaan kon opkomen, zoo sterk overtuigd, dat hij niet meer dan twee honderd man van zijn volk wilde medenemen, het overbodig oordeelende om grooter macht aan te voeren tegen vijanden, die men onvoorziens dacht te overrompelen en die reeds verplicht om zich tegen den Spotvogel te verweren, door hem zelven in den rug aangetast en verpletterd moesten worden, eer zij den noodigen tijd hadden gehad om tot bezinning te komen.[137]

De nacht valt snel in en bijna plotseling in deze streken, waar de schemering nauwelijks eenigesecondenduurt; weldra was het volkomen duister geworden; alleen in de verte teekende een breede koperroode streep den voortgang van den brand, achter welken over den nog gloeienden grond de Comanchen volgden als een troep akelige wolven, terwijl hunne galoppeerende paarden denauwelijksuitgedoofde en bekoelde asch en houtskolen met de hoeven vertrapten of voortschopten.

Toen de Zwarte-Beer oordeelde dat het beslissende oogenblik gekomen was, doofde hij zijn calumet uit, schudde bedaard de asch op het vuur van den haard en wenkte den Kleine-Panter, die reeds op den sprong stond om de bevelen van het opperhoofd dadelijk uit te voeren.

Bijna onmiddellijk kwamen de twee honderd krijgslieden te voorschijn om de hun opgelegde taak te beginnen.

Het waren allen uitgelezen mannen; met knodsen en pieken gewapend, en met het oorlogsschild op den rug.

Na een oogenblik stilte, dat de sachem besteedde om over hen eene soort van inspectie te houden, zeide hij met eene diepe stem:

»Wij gaan vertrekken, mijne kinderen; de bleekgezichten die wij te bestrijden hebben zijn geene Yoris; men zegt dat zij zeer dapper zijn; maar de Apachen zijn de dapperste krijgslieden der wereld; niemand kan het tegen hen volhouden. Mijne zonen zullen zich laten dooden, maar zij zullen overwinnaars zijn.”

»De krijgslieden zullen zich laten dooden,” antwoordden allen uit éénen mond.

»Ooah!” hervatte de Zwarte-Beer, »mijne zonen hebben goed gesproken, de Zwarte-Beer stelt in hen zijn volle vertrouwen. De Wacondah—de Groote Geest—zal hen niet verlaten; hij bemint de roode menschen. Gaat nu, mijne zonen, en verzamelt de doode boomstammen die drijven op de rivier en begeeft u met dezelve op den stroom. Het gekrijsch van den condor zal het signaal zijn om op de bleekgezichten in te stormen.”

De Indianen gingen dadelijk aan ’t werk om de bevelen van het opperhoofd uit te voeren; zij wedijverden onderling om de boomstammen bij elkander te brengen en eenige minuten later hadden zij er reeds een aantal aan de punt van het eiland vereenigd. De Zwarte-Beer wierp een laatsten blik om zich heen, gaf een wenk om te vertrekken, en was zelf de eerste die te water ging om zich op een boom te plaatsen; al de anderen volgden terstond zijn voorbeeld.

De Apachen hadden bij het verzamelen der boomstammen aan den rand van het eiland hunne stelling zoo wel gekozen, dat, toen zij er plaats op namen, en ze van wal stieten, de stammen oogenblikkelijk weder op gang kwamen en den gewonen loop volgende als van zelf en ongemerkt den stroom afdreven, juist in de richting der kolonie waar zij dachten te landen.[138]

Intusschen had deze zonderlinge scheepvaart haar eigenaardige moeielijkheden en was zij niet zonder ernstige gevaren voor de ondernemers.

De Indianen die los op de boomen zaten en geen pagaaien hadden om hen te besturen, moesten zich klakkeloos door den stroom laten medevoeren en slaagden niet zonder geweldige inspanning om in eene behoorlijke positie te blijven: gelijk alle vlottend hout dat op de genade der grilzieke baren dobbert behielden de stammen steeds hun eigen manier van beweging en kantelden van tijd tot tijd om, zoodat degenen die erop zatentelkens gedwongen werden van plaats te veranderen om in balans te blijven en niet met iedere omwenteling in het water te vallen;voorts waren zij toch menigmaal verplicht zich te water te begeven, wanneer de stammen eene verkeerde richting dreigden te nemen en in plaats van naar de kolonie naar het midden der rivier wilden afdrijven. Een derde bezwaar, nog het lastigste van allen, was dat de boomen onder het afzakken soms tegen elkander stieten en met hunne takken of wortels zoo vast in elkander verward raakten, dat het bepaald onmogelijk was ze weder los te krijgen, zoo dat men hen goedschiks kwaadschiks moest laten begaan en men ze na verloop van een half uur gezamenlijk op stroom zag drijven als een enkel groot vlot, dat bijna de gansche breedte besloeg.

De Indianen zijn volhardend in hun doen; als zij iets ondernemen geven zij hun plan niet op voor dat het volstrekt onmogelijk wordt er mede voort te gaan; is dat niet het geval, dan houden zij tot het uiterste vol. Dat gebeurde ook thans; sommige Indianen verdronken, andere werden zoo ernstig gekwetst, dat zij genoodzaakt waren om met levensgevaar aan land te zwemmen. Evenwel, verre de meesten hielden zich goed en onder aanvoering van hun opperhoofd, die hen gedurig met voorbeeld en stem aanmoedigde, zakten zij ordelijk stroomafwaarts.

Reeds sedert lang was het eiland, vanwaar zij vertrokken waren, ver achter hen in de kronkelingen van de rivier verdwenen en kregen zij het punt waar de gebouwen der kolonie zich verhieven voor zich uit in ’t gezicht. Reeds teekende zich op een pijlschot afstand van de plaats waar zij zich bevonden, de donkere gestalte der hacienda zwart en somber tegen het nachtelijke blauw des hemels, toen de Zwarte-Beer, die zich aan het hoofd der vloot gereed hield en wiens scherpziende blik gedurig in ’t rond spiedde om den stand der zaken op te nemen, op eens eenige vadems lengte van zich af eene kleine prauw aan een boom vastgemaakt op den stroom zag schommelen.

Deze prauw was terstond een verdacht voorwerp voor den argwanenden Roodhuid, het scheen hem niet natuurlijk op zulk een laat uur in den nacht een vaartuig van welken aard ook op deze wijs vastgelegd en aan den stroom overgelaten te vinden; maar de Zwarte-Beer was een man van kloeke besluiten die niet licht verlegen werd[139]en in alle voorkomende zaken wijselijk partij koos. Na de raadselachtige altoos stil voor hem liggende prauw met aandacht te hebben bespied, bukte hij naar den Kleine-Panter, die naast hem op denzelfden boom zat om zijne gereede orders uit te voeren, en het mes tusschen de tanden nemende verliet het opperhoofd zijn steunpunt en dompelde hij onder water.

Dicht bij de prauw kwam hij weder boven, greep haar met forsche hand aan boord, zoodat zij overhelde, en sprong er in eens in, vlak op de borst van Cuchares, dien hij terstond bij den strot vatte.

Deze manoeuvre was zoo gezwind uitgevoerd, dat de lepero geen gebruik kon maken van zijne wapenen en geheel in de macht van zijn vijand was, eer hij nog wist wat hem overkwam.

»Ooah!” riep de Indiaan toen hij hem met verrassing herkende. »Wat maakt mijn broeder daar?”

Van zijnen kant had ook de lepero den sachem herkend, en zonder recht te weten waarom, gaf hem dit weder een weinig moed.

»Dat ziet gij wel,” was zijn antwoord, »ik slaap.”

»Ooah! mijn broeder is bang voor den brand en daarom heeft hij zich zeker op de rivier begeven.”

»Juist!” zei Cuchares, »dat hebt gij eens knap geraden, hoofdman, ik ben bang voor den brand.”

»Goed,” hervatte de Apache met een boertenden glimlach, die hem anders niet eigen was, »mijn broeder is zeker niet alleen, waar is de Groote-Bison?”

»Wat! de Groote-Bison, dien ken ik niet, hoofdman, ik weet zelfs niet van wien gij spreekt.”

»Alle bleekhuiden hebben eene leugenachtige tong,” riep de sachem, »waarom zegt mijn broeder de waarheid niet?”

»Dat zou ik gaarne doen, als ik u maar begreep.”

»De Zwarte-Beer is een groot krijgsman der Apachen; hij spreekt de taal van zijn eigen volk, maar verstaat slecht die der Yoris.”

»Dat is niet wat ik meen te zeggen, gij hebt zeer goed in ’t Spaansch gesproken, ik bedoel alleen dat gij van een persoon spreekt dien ik niet ken.”

»Ooah!kan dat mogelijk zijn?” antwoordde de Indiaan met geveinsde verwondering, »zou mijn broeder den krijgsman niet kennen die twee dagen geleden bij hem was?”

»Ah ja! nu begrijp ik u, gij spreekt van don Martial; ja zeker, dien ken ik wel.”

»Goed,” hernam het opperhoofd, »ik wist wel dat ik mij niet vergiste, waarom is mijn broeder op dit oogenblik niet bij hem?”

»Dat zal waarschijnlijk zijn omdat ik hier alleen ben,” riep de lepero spottenderwijs.

»Dat is waar, maar daar ik haast heb en mijn broeder mij niet antwoorden wil, zal ik hem dooden.”[140]

Dit zeggende op een toon die voor geen dubbelzinnige uitlegging vatbaar was, hief de Zwarte-Beer zijn ponjaard reeds op om er gevolg aan te geven. De lepero begreep, dat als hij den Indiaan zijn zin niet gaf, hij onvermijdelijk verloren zou zijn, zijne aarzeling hield dus oogenblikkelijk op.

»Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

»De waarheid.”

»Vraag dan.”

»Zal mijn broeder antwoorden?”

»Ja.”

»Goed, waar is de Groote-Bison?”

»Daar,” riep de lepero terwijl hij den arm in de richtingder haciendauitstak.

»Sedert lang?”

»Sedert een uur reeds.”

»Om welke reden is hij daar?”

»Dat kunt gij licht raden.”

»Ja. Zijn zij daar samen?”

»Zij moeten er wel zijn, daar zij hem geroepen heeft.”

»Ooah!En wanneer moet hij terugkomen?”

»Dat weet ik niet.”

»Heeft hij niets aan mijn broeder gezegd?”

»Neen.”

»Zou hij alleen terugkomen?”

»Dat weet ik niet.”

De Indiaan schoot hem een blik toe als of hij tot op den bodem van zijn hart had willen zien; de lepero bleef kalm als het graf, hij had eerlijk gezegd alles wat hij wist.

»Goed,” hervatte de Indiaan een oogenblik daarna, »maar heeft de Groote-Bison met mijn broeder geen signaal afgesproken, zoodat hij bij hem kan komen wanneer hij dit verkiest?”

»Dat heeft hij.”

»En welk is dat signaal?”

Bij deze vraag kwam Cuchares een zonderling idee te binnen. De leperos zijn een wonderlijk slag van menschen, die in de wereld huns gelijken niet hebben, dan met de bekende Lazzaroni te Napels.

Even spilziek als gierig, hebzuchtig als belangloos en vermetel als lafhartig, zijn deze menschen het vreemdsoortigst en monsterachtigst samenstel van al wat men zich goed en kwaad verbeelden kan; bij hen gaat alles zoo als men zegt met horten en stooten, gebrekkig en gezwind, zij doen niets dan op den sprong en op den indruk van het oogenblik, evenzeer zonder hartstocht als nadenken; eeuwige spotters en grondelooze loshoofden gelooven zij aan niets en aan alles; in een woord hun leven is een gedurige tegenspraak, en voor een guitenstreek die hun eigen leven zou kunnen kosten, offeren zij het[141]leven of de belangen op van hun besten vriend, even gereed en vroolijk als zij hem zouden redden.

Cuchares was de volmaakte type van dit buitensporig misgewas der Mexicaansche maatschappij. Ofschoon de dolk van den Apache geen twee duim boven zijn hart glinsterde en hij stellig wist, dat zijn woeste vijand hem geen genade zou bewijzen, besloot hij toch om hem een trek te spelen en hem het kostte wat het kostte een staaltje te geven van zijne behendigheid. Wij voegen er hier op eigen gezag bij, dat misschien zijne vriendschap voor don Martial ofschoon onbewust min of meer in ’t spel kwam, want wij herhalen de lepero heeft geen vriendschap voor iemand ter wereld, zelfs niet voor zijn trouwsten beschermer, zijn hart is inderdaad niets meer dan een onmisbaar, koudbloedig en lillend ingewand.

»Verlangt de hoofdman dat signaal te kennen?” vroeg hij.

»Ja,” antwoordde de Apache.

Cuchares bootste thans met de grootste bedaardheid het geschreeuw na van een waterhoen.

»Houd u stil,” bromde de Zwarte-Beer, »dat is het niet.”

»Neem mij niet kwalijk,” hernam de lepero, »dan heb ik het misschien niet goed gedaan,” en hij herhaalde nog eens denzelfden schreeuw.

De Indiaan, ontzet door de verregaande onbeschaamdheid van zijn vijand, wierp zich op hem om hem met een enkelen stoot af te maken.

Maar door woede verblind had hij zijn stoot slecht berekend, en deelde hij aan de prauw zulk eene felle beweging mede, dat het lichte schuitje zijn evenwicht verloor en omkantelde, zoodat de vijanden beiden in het water geraakten.

Eenmaal in het water zijnde verzuimde de lepero, die zwemmen kon als een otter, zijne kans niet; hij dook onder en zwom blindelings in de richting der hacienda, zoo snel als zijne krachten gedoogden.

Maar zwom de lepero goed, de Zwarte-Beer zwom ten minsteeven zoogoed als hij, en nadat de eerste strubbeling over was had de Indiaan spoedig gezien waar hij heen moest en volgde hij zijn vijand onmiddellijk op het spoor.

Nu begon er tusschen deze twee een wedstrijd van kracht en behendigheid, en misschien zou het voordeel zich aan de zijde van den blanke verklaard hebben, die op zijn tegenstander reeds een goed eind gewonnen had, zoo niet verscheidene Apachen, getuigen van het gebeurde, zich in de rivier hadden geworpen om den vluchteling den pas af te snijden.

Cuchares zag weldra dat vluchten onmogelijk was, zonder dus een strijd langer voort te zetten dien hij begreep dat doelloos was geworden, zette hij koers naar een boomstam, daar hij zich aan vast klemde en wachtte toen bedaard af wat er verder gebeuren zou.[142]

De Zwarte-Beer had hem spoedig ingehaald. De Indiaan toonde zich volstrekt niet gebelgd over den trek dien de lepero hem gespeeld had.

»Ooah!” zeide hij almede een tak van den boom grijpende, »mijn broeder is een krijgsman, hij is zoo listig als eenopossum.”

»Wat zal het mij baten?” antwoordde Cuchares onverschillig, »daar ik toch mijne haren niet kan redden.”

»Wie weet?” hernam de Indiaan; »als mijn broeder mij maar zegt waar de Groote-Bison is.”

»Dat heb ik al gezegd, hoofdman.”

»Ja: mijn broeder heeft mij wel gezegd dat zijn vriend in de groote hut der bleekmuilen is, maar niet in welk gedeelte.”

»Hm! en als ik u die plaats aanwijs, zal ik dan vrij zijn?”

»Ja, als mijn broeder geen dubbele tong heeft en mij de waarheid zegt, zal hij zoodra wij aan land komen vrij zijn om te gaan waar hij goedvindt.”

»Dat is ook een gunst!” mompelde de lepero hoofdschuddend.

»Hoe is ’t?” hervatte deZwarte-Beer, »wat doet mijn broeder?”

»Wat duivel!” antwoordde Cuchares op eens tot een besluit komende, »ik heb voor don Martial alles gedaan wat menschelijkerwijs mogelijk was; nu hij gewaarschuwd is mag hij zelf zien hoe hij te recht komt; ieder voor zich, ik moet mijne huid redden. Geef acht, hoofdman, ik zal het u met de hand aanwijzen waar hij is: ziet gij die wortelboomen, daar ginds, op dat vooruitspringend punt?”

»Ja, die zie ik.”

»Welnu, achter die wortelboomen zult gij den man vinden, dien gij den Groote-Bison noemt.”

»Goed, de Zwarte-Beer is een sachem, hij heeft maar één woord, het bleekgezicht zal vrij zijn.”

»Dank u.”

Hier werd hun gesprek, dat voortaan noodeloos was geworden, plotseling afgebroken; te meer daar de Apachen snel den oever naderden. Zij hadden de meeste boomen daar zij op verdeeld waren laten drijven en zaten thans bij ploegen van tien of twaalf op een gering aantal der dikste stammen vereenigd.

Op de hacienda was alles doodstil, er brandde zelfs geen licht, men zou gezegd hebben dat het huis geheel verlaten was.

Deze diepe stilte kwam den Zwarte-Beer zeer verdacht voor; hij meende er de voorbode van een aanstaanden storm in te zien. Alvorens zich nu aan eene ontscheping te wagen, wilde hij zich met eigen oog van den stand der zaken gaan verzekeren. Hij bootste dus het geschreeuw van den hagedis na, sprong in de rivier en zwom naar de kolonie.

De Apachen begrepen terstond wat hun opperhoofd bedoelde en hielden zich stil.

Na verloop van een paar minuten zagen zij hem tegen den zandigen[143]oever opkruipen; hij deed eenige stappen het land in en bleef staan. Hij zag of hoorde niets; daardoorgerustgesteld, keerde hij naar den oever terug en gaf het sein voor de landing.

De Apachen verlieten de boomen en zwommen naar wal. Cuchares maakte zich deze gelegenheid ten nutte om weg te komen, dat hij gemakkelijk doen kon, daar op dat oogenblik van verwarring niemand aan hem dacht.

Intusschen hadden de Apachen een rechte lijn geformeerd en zwommen zij met kracht voort. Binnen weinige minuten bereikten zij den oever en stapten aan land. Onmiddellijk liepen zij naar den wal daar zij snel tegenopklauterden.

»Vuur!” klonk op eens eene stentorstem.

Er volgde eene vreeselijke losbranding, bijna met de tromp op de borst.

De Apachen beantwoordden haar met een gehuil van woede en verrast door degenen die zij meenden te verrassen, stormden zij er op in met blank geweer.


Back to IndexNext