1Uit hetVerslagder Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in Noord-Nederland.2Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans alseenoworden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, datevroegeraienovroegeraugeweest is; zieBopp,Vergleichende Grammatik.§ 2. Reeds eene vergelijking der letterteekensvoorâi=aaienâu=aaumet die voorê=aienô=auleert dit duidelijk.In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die opεenΩgelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift dooreenovoorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met dee’s eno’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langeni-klank voorstelde, beantwoordt onze langeâindaad,jaar,slaap; en de Friescheieindied,jier,sliep; aan het tweede onzeoeinboek,goed,stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uitiaenua, soms ook uitaienausamengesmolten zijn.Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geenee’s nocho’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dana,ienuvoorkomen; zieU. W. Dieterich,Runen-sprachschatz, blz. X.Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, datUlfiladooraienauonzee- eno-klankenheeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woordenεenοheeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, datGrimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaanaienauals ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is doorF. Dietrichin een afzonderlijk werkje,Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dataienauook nog lang naUlfilaechte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen vanai=εenau=οtoch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth.ate gelijker tijd alsα,εenau,—ialsι,ε,ει,η,υenχ,—ualsου,ο,ωenz. klonk.Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.3In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken opu, alsblauw,eeuw,ruw,nieuw,rouw, enz. Daarbij gaat men geheel regelmatig te werk, en schrijft men dewzoowel in de onverbogene als in de verbogen vormen:blauw—blauweenz., en niet zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:leeuw, lat.leo, is deween overgangsletter en van lateren oorsprong; vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk dejindrajenenz. slechts een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van dewop het einde der lettergrepen, b.v. inuw,ruw,schuw,mouw,rouw, enz., die niet volkomen hetzelfde klinken alsu,nu,kouenzou(verkortingen vankoudeenzoude, waarin dewniet behoort). Het een en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijzebaaienenz. ten opzichte van dewniet van de gewone spelling zijn afgeweken.4Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander dergchleert, dat men de beide letters, degzoowel als dech, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard dergden keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs totchte verscherpen(Tijdspiegelvan Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkelechzal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden alslachenenz., met de enkelechgeschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om degchte behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v.bèdstédēspelt, de driee’s op drie verschillende wijzen uit:è,éenē. Hij zal dus dienovereenkomstigl,à,ch,ē,nzeggen, en zoodoende ook zondergden juisten klank treffen, evengoed als hijd,à,g,dagzegt, en nietd,á,g, hetgeendaagzou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.5Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraakHáárlĕmenArnhĕmin de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde uitspraak wordt zeer zekerHaarlèmenArnhèmgezegd. In den laatsten naam klinkt deèwel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft toch altijd eeneèen daalt niet tot eene geheel toonloozee. Zoo spreekt men ook wel degelijk van denHààrlèmmer Hout, niet van denHààrlë̆mer Hout.6Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aanjuffrouw, in de tweede (§ 110) aanjufvrouw, en nu in de derde keert zij totjuffrouwterug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; in de tweede had ik aan den aandrang vanTe Winkelmoeten toegeven, op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne tegenwoordige mederedacteuren, Dr.Verwijsen Dr.Cosijn, eenstemmig met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der Redactie te herstellen en de spelling metffvoorgoed aan te nemen.M. D. V.7Men noemt detdoorgaans eenetandletter. Wanneer men echter bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel van detongvereischt wordt, dan zal men de benamingtongletterin het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.8Zoo vindt men b.v. »van Gods halven” inMaerlant’sSpieg. Hist.III, 7, 25, 76; »van minen halven” inSerrure’sVad. Mus.I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.9ZieHildebrand,Deutsches Wörterbuch, opKraut, enBeckering VinckersinTaal- en Letterb.III. 125 vlgg.10Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: zie beneden,§ 245.11De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijzelachen,lichaamenz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand wil het regelmatigelachchen,lichchaam, evenmin zij dielagchen, als zij dielachenvoorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid beslissen, omdat andere zwegen.
1Uit hetVerslagder Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in Noord-Nederland.2Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans alseenoworden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, datevroegeraienovroegeraugeweest is; zieBopp,Vergleichende Grammatik.§ 2. Reeds eene vergelijking der letterteekensvoorâi=aaienâu=aaumet die voorê=aienô=auleert dit duidelijk.In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die opεenΩgelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift dooreenovoorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met dee’s eno’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langeni-klank voorstelde, beantwoordt onze langeâindaad,jaar,slaap; en de Friescheieindied,jier,sliep; aan het tweede onzeoeinboek,goed,stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uitiaenua, soms ook uitaienausamengesmolten zijn.Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geenee’s nocho’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dana,ienuvoorkomen; zieU. W. Dieterich,Runen-sprachschatz, blz. X.Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, datUlfiladooraienauonzee- eno-klankenheeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woordenεenοheeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, datGrimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaanaienauals ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is doorF. Dietrichin een afzonderlijk werkje,Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dataienauook nog lang naUlfilaechte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen vanai=εenau=οtoch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth.ate gelijker tijd alsα,εenau,—ialsι,ε,ει,η,υenχ,—ualsου,ο,ωenz. klonk.Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.3In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken opu, alsblauw,eeuw,ruw,nieuw,rouw, enz. Daarbij gaat men geheel regelmatig te werk, en schrijft men dewzoowel in de onverbogene als in de verbogen vormen:blauw—blauweenz., en niet zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:leeuw, lat.leo, is deween overgangsletter en van lateren oorsprong; vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk dejindrajenenz. slechts een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van dewop het einde der lettergrepen, b.v. inuw,ruw,schuw,mouw,rouw, enz., die niet volkomen hetzelfde klinken alsu,nu,kouenzou(verkortingen vankoudeenzoude, waarin dewniet behoort). Het een en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijzebaaienenz. ten opzichte van dewniet van de gewone spelling zijn afgeweken.4Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander dergchleert, dat men de beide letters, degzoowel als dech, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard dergden keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs totchte verscherpen(Tijdspiegelvan Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkelechzal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden alslachenenz., met de enkelechgeschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om degchte behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v.bèdstédēspelt, de driee’s op drie verschillende wijzen uit:è,éenē. Hij zal dus dienovereenkomstigl,à,ch,ē,nzeggen, en zoodoende ook zondergden juisten klank treffen, evengoed als hijd,à,g,dagzegt, en nietd,á,g, hetgeendaagzou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.5Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraakHáárlĕmenArnhĕmin de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde uitspraak wordt zeer zekerHaarlèmenArnhèmgezegd. In den laatsten naam klinkt deèwel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft toch altijd eeneèen daalt niet tot eene geheel toonloozee. Zoo spreekt men ook wel degelijk van denHààrlèmmer Hout, niet van denHààrlë̆mer Hout.6Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aanjuffrouw, in de tweede (§ 110) aanjufvrouw, en nu in de derde keert zij totjuffrouwterug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; in de tweede had ik aan den aandrang vanTe Winkelmoeten toegeven, op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne tegenwoordige mederedacteuren, Dr.Verwijsen Dr.Cosijn, eenstemmig met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der Redactie te herstellen en de spelling metffvoorgoed aan te nemen.M. D. V.7Men noemt detdoorgaans eenetandletter. Wanneer men echter bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel van detongvereischt wordt, dan zal men de benamingtongletterin het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.8Zoo vindt men b.v. »van Gods halven” inMaerlant’sSpieg. Hist.III, 7, 25, 76; »van minen halven” inSerrure’sVad. Mus.I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.9ZieHildebrand,Deutsches Wörterbuch, opKraut, enBeckering VinckersinTaal- en Letterb.III. 125 vlgg.10Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: zie beneden,§ 245.11De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijzelachen,lichaamenz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand wil het regelmatigelachchen,lichchaam, evenmin zij dielagchen, als zij dielachenvoorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid beslissen, omdat andere zwegen.
1Uit hetVerslagder Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in Noord-Nederland.2Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans alseenoworden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, datevroegeraienovroegeraugeweest is; zieBopp,Vergleichende Grammatik.§ 2. Reeds eene vergelijking der letterteekensvoorâi=aaienâu=aaumet die voorê=aienô=auleert dit duidelijk.In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die opεenΩgelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift dooreenovoorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met dee’s eno’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langeni-klank voorstelde, beantwoordt onze langeâindaad,jaar,slaap; en de Friescheieindied,jier,sliep; aan het tweede onzeoeinboek,goed,stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uitiaenua, soms ook uitaienausamengesmolten zijn.Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geenee’s nocho’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dana,ienuvoorkomen; zieU. W. Dieterich,Runen-sprachschatz, blz. X.Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, datUlfiladooraienauonzee- eno-klankenheeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woordenεenοheeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, datGrimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaanaienauals ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is doorF. Dietrichin een afzonderlijk werkje,Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dataienauook nog lang naUlfilaechte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen vanai=εenau=οtoch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth.ate gelijker tijd alsα,εenau,—ialsι,ε,ει,η,υenχ,—ualsου,ο,ωenz. klonk.Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.3In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken opu, alsblauw,eeuw,ruw,nieuw,rouw, enz. Daarbij gaat men geheel regelmatig te werk, en schrijft men dewzoowel in de onverbogene als in de verbogen vormen:blauw—blauweenz., en niet zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:leeuw, lat.leo, is deween overgangsletter en van lateren oorsprong; vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk dejindrajenenz. slechts een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van dewop het einde der lettergrepen, b.v. inuw,ruw,schuw,mouw,rouw, enz., die niet volkomen hetzelfde klinken alsu,nu,kouenzou(verkortingen vankoudeenzoude, waarin dewniet behoort). Het een en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijzebaaienenz. ten opzichte van dewniet van de gewone spelling zijn afgeweken.4Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander dergchleert, dat men de beide letters, degzoowel als dech, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard dergden keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs totchte verscherpen(Tijdspiegelvan Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkelechzal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden alslachenenz., met de enkelechgeschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om degchte behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v.bèdstédēspelt, de driee’s op drie verschillende wijzen uit:è,éenē. Hij zal dus dienovereenkomstigl,à,ch,ē,nzeggen, en zoodoende ook zondergden juisten klank treffen, evengoed als hijd,à,g,dagzegt, en nietd,á,g, hetgeendaagzou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.5Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraakHáárlĕmenArnhĕmin de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde uitspraak wordt zeer zekerHaarlèmenArnhèmgezegd. In den laatsten naam klinkt deèwel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft toch altijd eeneèen daalt niet tot eene geheel toonloozee. Zoo spreekt men ook wel degelijk van denHààrlèmmer Hout, niet van denHààrlë̆mer Hout.6Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aanjuffrouw, in de tweede (§ 110) aanjufvrouw, en nu in de derde keert zij totjuffrouwterug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; in de tweede had ik aan den aandrang vanTe Winkelmoeten toegeven, op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne tegenwoordige mederedacteuren, Dr.Verwijsen Dr.Cosijn, eenstemmig met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der Redactie te herstellen en de spelling metffvoorgoed aan te nemen.M. D. V.7Men noemt detdoorgaans eenetandletter. Wanneer men echter bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel van detongvereischt wordt, dan zal men de benamingtongletterin het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.8Zoo vindt men b.v. »van Gods halven” inMaerlant’sSpieg. Hist.III, 7, 25, 76; »van minen halven” inSerrure’sVad. Mus.I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.9ZieHildebrand,Deutsches Wörterbuch, opKraut, enBeckering VinckersinTaal- en Letterb.III. 125 vlgg.10Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: zie beneden,§ 245.11De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijzelachen,lichaamenz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand wil het regelmatigelachchen,lichchaam, evenmin zij dielagchen, als zij dielachenvoorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid beslissen, omdat andere zwegen.
1Uit hetVerslagder Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in Noord-Nederland.
2Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans alseenoworden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, datevroegeraienovroegeraugeweest is; zieBopp,Vergleichende Grammatik.§ 2. Reeds eene vergelijking der letterteekensvoorâi=aaienâu=aaumet die voorê=aienô=auleert dit duidelijk.
In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die opεenΩgelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift dooreenovoorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met dee’s eno’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langeni-klank voorstelde, beantwoordt onze langeâindaad,jaar,slaap; en de Friescheieindied,jier,sliep; aan het tweede onzeoeinboek,goed,stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uitiaenua, soms ook uitaienausamengesmolten zijn.
Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geenee’s nocho’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dana,ienuvoorkomen; zieU. W. Dieterich,Runen-sprachschatz, blz. X.
Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, datUlfiladooraienauonzee- eno-klankenheeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woordenεenοheeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, datGrimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaanaienauals ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is doorF. Dietrichin een afzonderlijk werkje,Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dataienauook nog lang naUlfilaechte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen vanai=εenau=οtoch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.
Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth.ate gelijker tijd alsα,εenau,—ialsι,ε,ει,η,υenχ,—ualsου,ο,ωenz. klonk.
Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.
3In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken opu, alsblauw,eeuw,ruw,nieuw,rouw, enz. Daarbij gaat men geheel regelmatig te werk, en schrijft men dewzoowel in de onverbogene als in de verbogen vormen:blauw—blauweenz., en niet zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:leeuw, lat.leo, is deween overgangsletter en van lateren oorsprong; vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk dejindrajenenz. slechts een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van dewop het einde der lettergrepen, b.v. inuw,ruw,schuw,mouw,rouw, enz., die niet volkomen hetzelfde klinken alsu,nu,kouenzou(verkortingen vankoudeenzoude, waarin dewniet behoort). Het een en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijzebaaienenz. ten opzichte van dewniet van de gewone spelling zijn afgeweken.
4Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander dergchleert, dat men de beide letters, degzoowel als dech, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard dergden keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs totchte verscherpen(Tijdspiegelvan Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkelechzal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden alslachenenz., met de enkelechgeschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om degchte behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v.bèdstédēspelt, de driee’s op drie verschillende wijzen uit:è,éenē. Hij zal dus dienovereenkomstigl,à,ch,ē,nzeggen, en zoodoende ook zondergden juisten klank treffen, evengoed als hijd,à,g,dagzegt, en nietd,á,g, hetgeendaagzou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.
5Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraakHáárlĕmenArnhĕmin de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde uitspraak wordt zeer zekerHaarlèmenArnhèmgezegd. In den laatsten naam klinkt deèwel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft toch altijd eeneèen daalt niet tot eene geheel toonloozee. Zoo spreekt men ook wel degelijk van denHààrlèmmer Hout, niet van denHààrlë̆mer Hout.
6Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aanjuffrouw, in de tweede (§ 110) aanjufvrouw, en nu in de derde keert zij totjuffrouwterug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; in de tweede had ik aan den aandrang vanTe Winkelmoeten toegeven, op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne tegenwoordige mederedacteuren, Dr.Verwijsen Dr.Cosijn, eenstemmig met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der Redactie te herstellen en de spelling metffvoorgoed aan te nemen.
M. D. V.
7Men noemt detdoorgaans eenetandletter. Wanneer men echter bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel van detongvereischt wordt, dan zal men de benamingtongletterin het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.
8Zoo vindt men b.v. »van Gods halven” inMaerlant’sSpieg. Hist.III, 7, 25, 76; »van minen halven” inSerrure’sVad. Mus.I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.
9ZieHildebrand,Deutsches Wörterbuch, opKraut, enBeckering VinckersinTaal- en Letterb.III. 125 vlgg.
10Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: zie beneden,§ 245.
11De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijzelachen,lichaamenz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand wil het regelmatigelachchen,lichchaam, evenmin zij dielagchen, als zij dielachenvoorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid beslissen, omdat andere zwegen.