Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.Van een geheel anderen aard is de vraag, of menfeertig,fijftig,sestigenseventigmoet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eenefenslaat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bijseventigop een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanweziget(tzeventig), die intachtig(eigenlijkt-acht-tig) gebleven is, en intnegentigsoms nog wordtgehoord. Dochfeertig,fijftigensestigzijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooittfeertigentfijftiguitgesproken of geschreven, en het verouderdetsestighad detten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijkdertien,veertienenz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:een,twee...tien,elf,twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe.Zestigbehoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die detniet aannam; detvantsestigwas derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken:dix,vingt,trente,quarante,cinquante,soixante,—soixante-dix,quatre-vingts,quatre-vingt-dix,six-vingts(120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch:tyn(10),twentig(20),thritig(30),feowertig(40),fiftig(50),sixtig(60),—hund-seofontig(70),hund-eahtatig(80),hund-nigontig(90),hund-teontig(100),hund-endlufontig(110),hund-twelftig(120). Hoogerop verandert de uitdrukking:hund and thritig(130). Onzetvantseventig,tachtigentnegentigis derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dathundof van een dergelijk afgevallen woord.De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak vanveertig,vijftigenzestigis binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bijzeventigte moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallentniet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen danfeertigenfijftigmetfzou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar metv:een en veertig,twee en veertig,drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstigden Regel der Gelijkvormigheid,veertig,vijftig,zestig,zeventigmet de zachtevenzte schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden metvier,vijf,zesenzevenook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk§ 67.109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met§ 49als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft menstaatdame,zitdag,potdeksel,oogtand,vroegpreek,topzeil,praatvaar,raadzaal,raadzaam,hoofddeel,misstap, ofschoon de uitspraak veeleerstaaddame,ziddag,poddeksel,oochtand,vroechpreek,topseil,praatfaar,raatsaal,raatsaam,hoofdeel,mistapzou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg.§ 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijkBilderdijkdeed, in de twee woordenontvangenenontvonkeneene inbreuk op dezen regel te maken. De spellingontfangenenontfonkenstelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie vanontvallen,ontveinzen,ontvlammen,ontvlieden,ontvluchten,ontvoeren,ontvouwen,ontvreemden,ontzakken,ontzeggen,ontzinkenenz., waarin niemand de vervanging dervenzdoorfensverlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden dev, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden enontvangen,ontvonkente schrijven.110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft menambachtvoorandbacht;kerspelvoorkerkspel;leidselvoorleidzeel;lichaamvoorlijkhaam;misschienvoormag schiên;momboorvoormondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding,jufvrouwspellen, of wel, naar de uitspraak,juffrouw, gelijkBilderdijkschreef en thans nog velen schrijven? Omtrentjuffer,mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oudevere,ver(voorvrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar injuffrouw,mejuffrouw, herkent men nog het subst.vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin devte behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner alsBilderdijkhet eerste deel volstrekt niet verstond enjuffrouwals eene verbastering vanhofvrouwbeschouwde (Taal- en Dichtk. Versch.D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oudejoncvrouwe,joncvrouw, alsjoncfrouwuitgesproken,verliep allengs totjonfrouw,joffrouw,juffrouw. Defontstond derhalve uit devdoor den verscherpenden invloed der keellettercofk, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel decofkals denwegvielen, waardoor nu defverdubbeld moest worden. Zal men nu de tweedefweder terugbrengen tot de oudev, doorjufvrouwte schrijven? Maar dan hangt die eerstefgeheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Diefis de verdubbeling der oorspronkelijkev, nadat zij totfverscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had devalle reden van bestaan verloren.Jufvrouwzou aan eene samenstelling uitjufenvrouwdoen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfsBilderdijkdaardoor misleid werd. Maar schrijft menjuffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbelefstelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijkeven der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in§ 97aannochtansbovennogtansde voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstellingnog danin het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo isjuffrouw, in analogie metjuffer, bovenjufvrouwte verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van eenmeisjein tegenstelling van eenevrouwgebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip vanvrouw, in het tweede dat vanjong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheidhebben opgelost, die juist door de spellingjuffrouwook voor het oog wordt voorgesteld6.111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eenevbegonnen, deze letter totfverscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. infladderennaastvledderenenvlederen, waarvanvledermuis; infleemennaastvleien;fluksvanvlugs;fraaivan fr.vrai;frischnevensversch;fijt, voorheenvijt.Ook bij devvanvonkheeft die verscherping plaats gehad in het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijkefonkelenmet den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt vanvonkelenin de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.112. De toonloozee, die in de meeste woorden op-ling,-lijken-loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als invreemdeling,bloedeloosenz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Dieeis veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. ineindlijk,eindloos, vaneinde,zeedlijkvanzede, enz. Daar dieeonder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens§ 43in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewusteestellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordtgeschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten dereachter de zachte verwante medeklinkersb,denghunne verscherping totp,tenchof totk(inng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten derein prozastijl te ontraden bij woorden alshebbelijkheid,onhebbelijk,dadelijk,deugdelijk,goddelijk,lijdelijk,maagdelijk,verstandelijk,schadeloos,zendeling,dagelijks,degelijk,mogelijk,belangeloosenz., die, zonderegeschreven, tot de uitspraakonheplijk,daatlijk,moochlijkenz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten dereachter stammen, eindigende op eeneg, die door den invloed der volgendelverscherpt is en alschwordt uitgesproken, b.v.genoeglijk,gezeglijk,heuglijk,ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spellinggenoegelijk,heugelijk,ontzaggelijken de uitspraakgenoechelijkofgenoechlijk,heuchlijk,ontzaglijk.Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:De achtervoegsels-lijken-loos, en het achtervoegsel-ing, wanneer dit van de euphonischelwordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonloozeevóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:1)Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten-lijk,-loosen-lingzich onmiddellijk aan:kwalijk,oolijk,vroolijk,schadeloos,tweeling,drieling,zaailing,vrijling,kruiling.Bij analogie volgt hieruit, datmoeilijkenverfoeilijkte verkiezen zijn bovenmoeielijkenverfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zondere worden uitgesproken.Vrijelijkechter, waarin deealtijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.2)Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als indoelloos,balling,begeerlijk,bekoorlijk,waarloos,huurling,gemeenlijk,aanzienlijk,gewoonlijk,aandoenlijk,fatsoenlijk,pijnlijk,toonloos,groenling.Willeloosmaakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vormwille, die ook nog inwillekeurenwillekeurigvoorkomt.Waar denvoorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zòndereevenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide:manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk,zinlijkenzinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v.zinloos(zonder zin) enzinneloos(krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.3)De toonloozeewordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als:adellijk,middellijk,eigenlijk,openlijk,eeniglijk,geduriglijk,koninklijk,teugelloos,ouderloos,regeeringloosheidenz.4)Wanneer het grondwoord op eenegeindigt, die alschwordt uitgesproken, stelt deeeene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping dergten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie:behaaglijk,bijvoeglijk,genoeglijk,gevoeglijk,heuglijk,klaaglijk,ontzaglijkenz.; daarentegendagelijks,degelijk,mogelijkenz., in welke woorden deghare zachte uitspraak behoudt.Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijzeòrdenlijkofòrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen menordene,orden(van lat.ordo,ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereenordezondernuitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalveordelijk, evenalseindelijk,zedelijkenredelijk, welk laatste oorspronkelijk ookredenlijkwerd geschreven, als vanredene,redenafgeleid.Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraakordenheeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft alszindelijknevenszinnelijkofzinlijk.113. Daar het gewaande achtervoegsel-ling(zie de verhandeling over-ingin Dr.De Jager’sArchief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix-ing, voorafgegaan door eene euphonischel, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds opleindigt, schrijven wijhemelingenz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond inBilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spellingheuvellingontsnapte (III, blz. 10).Adellijk,middellijkenonmiddellijkmoeten de dubbelelhebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel-lijkvanadelenmiddel. De spellingadel-ijksteunde op de verkeerde meening, dat-lijkuitl-igzou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijzeadeligmet eenegwordt door ohd.adallîh, mhd.adellich, weersproken, waarom ookGrimmmet anderenadelichmetchspelde, en de meer gebruikelijke metgvoor »falsch” verklaarde. De spellingmidde-lijkis gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoordmidofmiddenzou wezen. Het tegendeel blijktovertuigend uit de spreekwijzezonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thansonmiddellijkbezigen (zieJanssenenVan Dale,Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).114. De woordenmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstand,middelweg, metmiddelsamengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overigemiddente schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op-elte laten eindigen, waaraan wijringelduif,schorteldoek,vastelavonde.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ookmiddeleeuwen,Middelnederlandsch,middelpunt,middelrifenz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk denuitgesproken: men zegt namelijkmiddenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie delaan te nemen.115.Siegenbeekschreef, op voorgang vanHuydecoper, in 1804 de spellingeigenlijk,openlijkenz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijzeeigentlijk,opentlijk, met eene ingelaschtetlieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voorteigenlijk,wezenlijkenz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat dietniet tot hetwezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eenebinhembdof eenepin hijkompt, en met dedin de minder edele woordenvilder,boender,diender(nevens het edelerdienaar). Wanneer zij dietaannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.Om dezelfde redenen verwerpt zij ook detingantsch, gelijkBilderdijkschreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels.Gantschzondertis zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.116.Iemanden zijne ontkenningniemand, mnl.iemaneniemen, bestaat uitie enmanin de thans verouderde beteekenis vanmenschin het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitenden, waartoe de taal zoowel dedals detbezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers inmijnenthalve,ordentelijk,erkentelijk,bekenteniskomt eene ingelaschtetvoor; docharend, oudt.aren;boender,diender, vanboenenendienen;hoendersvanhoen;zindelijkuitzinlijk;Hendrik, hd.Heinrich, hebben ter steuning derneened. De regel der onverbuigbare woorden, die eenetzou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; wantiemandenniemandbehooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2denaamvalleniemandsenniemandsook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,die in de verbogene gehoord wordt. BlijkensPlantijn,Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels,De Deckeren anderen, luidden de 3deen 4denaamv. vroegeriemanden,niemanden, met eened. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeeniemantenniemantschrijven, evenals menwant,leeft,legt,leent,hoortmettspelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eenedzouden moeten hebben.De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijftiemand,niemandmet eened, welke evenzeer gewettigd is als die vanarend, mv.arenden.Ten mijnent,zijnent,harent,onzent,uwent,hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik mettgeschreven.117. Volgens de afleiding zouootmoed, ohd.ôthmuothi,oodmuati, ags.eádhmôd, ouds.ôdhmuodi, bijKiliaannogoodmoed, eenedmoeten hebben, als bestaande uitood, goth.auths, ohd.ôdi,aothi, ags.eádh, ouds.ôdh,ôdhi(ledig, licht, gemakkelijk), datnoodeheeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt inoolijk, bijKil.oodelick,oyelick,oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uitoolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eened, uitthofdhontstaan. Intusschen zou het herstellen derdvolstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap metnoodeenoolijkblijken, die kennis zou voor het publiekde beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Diedzou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling metoodinkleinood, datschatbeteekent, en het eerste lid van ooievaar, bijKil.odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth.aud, ohd.aot,ôt, ags.eád, ouds.ôd, geheel anders dan het vorigeoodluidde.Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spellingootmoedmet eenetde voorkeur.118.Omtrent, dat oorspronkelijkrondom, vervolgensin den omtrek,in de nabijheidbeteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenalsomstreeks, eigenlijkin de omstreek, behoorde volgens de afleiding opduit te gaan. Het bestaat uit het voorzetselom, dat doortrendnader bepaald wordt, gelijkbijdoornainbijna, omzetting vanna bij.Trent,trendis een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekentrond, blijkens ofri., deensch en zweedschtrind, rond. In het Deensch dienttrind, gelijkroundin het Engelsch, zoowel alleenstaande als dooromgevolgd (trind,trind om), als voorzetsel met den zin vanrondom. Ook in het Oudfriesch stondomnog achteraan:trind umbe,trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eenedwas, blijkt uit ags.trendel, kring, cirkel; uit eng.to trundle, draaien, entrendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergetend, die als sluitletter tottverscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering temaken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voortomtrentmet de door het Gebruik gewettigdette schrijven, evenalswant, dat anders, blijkens onl.wanda, insgelijks zijnedzou moeten terugnemen.119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zondernop het einde. Het weglaten dernwas in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden.Bilderdijkmeende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Dienachter-jeis in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van eenmeisjenofhuisjen, nog minder vanmeisjensofhuisjenshoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. Deevan het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia open, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt denalleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-nachter de toonloozeemaar flauw late hooren, zouden de enkelvoudenhuisjen,kopjen,schoteltjenenz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou dendaarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervoudenhuisjens,kopjens,schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie vankuikens,leugens,molens, het duidelijk uitspreken dernzouden eischen. Dezeletter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel.§ 61en 62.Ten opzichte van de woorden op-kenis de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden denachterkindeken,jongsken,dochterkenenz. behouden, te meer daarzachtkensenallengskenshaar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin-kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,jongskeenz.De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel-jeeenetmoet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden opdenm.Bilderdijken vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eenetin, en schrijven: »handtjen,kladtjen,bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aanhandje,kladje,bloempje,boompjeenz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel-jeis, niet-tje; gelijk blijkt uitliefje,kluifje,boogje,leugje,vischje,muschje,doekje,beekje,popje,reepje,lesje,kusjeenz.Bilderdijk’sspellinghandtjenrustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat dedaan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat menhandaltijd met een scheva [eene toonloozee] moet doen hooren, immers uitspreken.”Spraakl., blz. 213.Handwas derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde alshande, enhandtjendus alshandetjen. Spreekt men zóó uit, dan is deteven onmisbaar als inkommetje,mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thanshandtjen,hondtjen,draadtjenenz. geschreven ziet, die leest, alsof erhantjen,hontjen,draatjenenz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie inmoordjaar,landjonkerdedzachter uitbrengt dan detinstraatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschenpondjeenpontje,wandjeenwantjeenz., en zal dus ook de spellinghandtjenenz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.Wie daarentegen inmoordjaar,landjonkerdedeven scherp uitbrengt als detinstraatjongen, die neemt aan, dat ded, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eenebofd, vanzelve intovergaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve det-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteekenteven overtollig, als het zijn zou inkanttje,tenttje,punttje. Wie inhandtje,kindtjedetnoodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spellinghandt,kindtenz., die dan evenzeer noodzakelijk is.In de gewone uitspraak is in de letterverbindingdtdedstom, en klinkthij wordt,bidt,antwoordtenz., alshij wort,bit,antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken vangch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe menhandtje,hondtjeenz. ook neemt en uitspreekt, detachter dedis òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.De woorden opm, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eenepaan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop demenpworden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wieboompjezegt, drukt ze bij demop elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om depte verkrijgen. Spreekt menboomtjeuit, dan moet men voor demde lippen sluiten, voor detze weder openen en de tong te werk stellen. Depontstaat dus inbloempjeals vanzelve, ten minste gemakkelijker dan detinbloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt.Bloempjeis uit dien hoofde natuurlijker danbloemtje, en depdaarom te verkiezen boven det, tenzij men achter demeene toonloozeelate hooren enbloemetjeofblommetjeuitspreke, in welk geval det, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.Depklinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan det, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwantem. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, dieBilderdijkdaarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroegerbloemptje,boomptjeenz. geschreven had, dat depeene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding dermentontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping dertwilde behouden”; hij steldebloempjegelijk met het plattekomptenneempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spellingboomptje,bloemptjeaan te wijzen, enBilderdijk’sbeweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid dertin het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt-jeof-jen, niet-tjeof-tjen. Detenpworden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakkej, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuiskhad kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaamFroukje, hetzelfde woord alsVrouwtje, en uit de werkwoordenboerkje, het boerenbedrijf uitoefenen;briefkje, brieven schrijven, enz. Detheeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als depachter demen dekin de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk deninhoning,diens,wiensenz. De lipletterpstaat derhalve inbloempjeniet ten koste van det, maar is, gelijk ook juistkompt,neempten dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletterm, evenals de tonglettert7van de tonglettersl,nenrinstoeltje,zoontje,deurtje, en als de keelletterkvan de keelletterg, die in de verbindingngnog flauw met den klank der Fransche en Friescheggehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt menkoninkje,woninkje,rottinkjeenz., terwijl wel nooit iemandkoninktjezal uitgesproken of geschreven hebben. Depis achter demevenmin overtollig als detachter een klinker of vloeiende letter, omdat dejdan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen omraamje,boomjeenz. te zeggen, evenmin alszeeje,koeje,stoelje,maanje,deurje.Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching dertin verkleinwoorden, gevormd van woorden, die opdeindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat dietin allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat depde eigenaardige versterkingsletter dermis, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijvendraadje,handjeenz. zondert, enraampje,boompjeenz. met eenep, doch natuurlijkbloemetjeenblommetjemet eenetachter de toonloozee. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v.,bloemtjete schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woordenbehalve,derhalve,weshalve,allenthalve,mijnenthalve,zijnenthalveenz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantiefhalf,halvemet een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook vanhalvegescheiden had kunnen blijven.Halvebeteekentzijde,kant, gelijk blijkt uit het 34stevers van den 67stender Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles teôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeliad orientem(ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan onshalve, als onder dien, welke aan onshalfbeantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eenenkan hebben en dat een genitief en datief singul.:dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.Behalvebestaat uit het genoemde substantief en de praepositiebij, mnl.bi, hier ten gevolge der samenkoppeling totbeverzwakt.Behalveis dus eigenlijkbij halve, en beteekent zooveel alsbij zijde,ter zijde gezet,aan een kant gesteld, d.i.niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv.pi halpo(in parte, in secreto), en in het meerv.pi halpon(in partibus). In het Oudnederl. luidde het woordbehalvoenbehalvon(Ps. LV, 10, en verg, deGloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix-en, veelmin, gelijkBilderdijkwilde, aan een participium van een werkw.behalvenofbehaldente denken is. Het voorzetselbi,bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodathalvehier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men metBilderdijken anderenbehalvenmet eenen, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak,behalvete schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud vanhalvete doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoudbehalvenvolstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijzebehalvezondern, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dathalveabsoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingenmijnentwege,onzentwegeenz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen alsmijnenthalve,onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld metwege, datief vanweg. Daar nuhalveinderhalveenweshalveblijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde isder, evenals indermate,derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw.die, congrueerende methalve:dierhalve(van die zijde bezien). Inweshalvedaarentegen treft men het relativumwataan, in den genitiefwes, die doorhalvegeregeerd wordt.Weshalveis dus zooveel als:beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud vanhalvete denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden enderhalve,weshalvete blijven schrijven.De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, datallenthalveuit hoofde zijner beteekenis (van alle kantenofvan alle zijden) het meerv. vanhalveonderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw.mijnen,zijnen,onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om inallenthalve,mijnenthalveenz. aanhalveden meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reedshalvenmethalveverwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dathalve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is metmijnenthalvenenzijnenthalven, noch metharenthalvenenuwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowelallenthalve,mijnenthalve,hunnenthalveenz., alsbehalve,derhalveenweshalve, zondern. Vergelijk hier de laatste zinsnede van§ 67.121. Hetgeen bijbehalvegezegd is, doet denken aanbezijden. Dit woord komt zeker in zooverre metbehalveovereen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel-en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden:be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spellingbezijdezondernte vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.besideswaarschijnlijk aan het meerv. vanzijdemoet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zijbezijdenschrijven. Zie ook hier§ 67aan het slot.122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij dedinthansenalthans, en evenzoo in de participiale vormendoorgaans,nopens,volgens,wetens,willensenz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewonebijkansvoor den oorspronkelijken vormbijkantszou wenschen te verruilen. De spellingthands,doorgaandsenz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten derdheeft trachten te vermijden.Dat in de woordenthansenalthansdehwordt behouden,ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat dehin deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier§ 66,a.123. Van hetzelfde gevoelen als in§ 122zijn wij ten aanzien van de stommechachter des. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, alsharnas(ch),moss(ch)el, het bijw.ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eenechvoegde, wanneer die nooit metschworden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener blootes, en dus niet altijd met-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden alsbitsvanbijten,spitsvanspit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eenechte geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijvenbits,dwars,spits,warsenz.Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eenechis ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalvetorsen, oud-franschtorser, nevenstros,trossen, fr.trousse,trousser. Alleen inheeschengansch, waarin dechtegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd,vermits de enkelesin de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eenenwordt voorafgegaan, in de verbuiging inzverandert, hetgeen niet geschiedt bijheeschengansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden:heesche,gansche. Daarentegendwaas,dwaze;boos,booze;vies,vieze;vuns,vunze;lens,lenze.Dechheeft inlosch(lynx) en het doorBilderdijkaangenomenwasch(cera) evenmin reden van bestaan, als achterzes,os,vos,was(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór desplaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd.luchs,wachs,sechs,ochs,fuchs,wuchs. Wij schrijven derhalvelosenwas.124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklankensenscheindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak:wijste,frischte; anderen, op grond der Grammatica:wijsste,frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammaticawijsste,frischsteeischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twees’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twees’s willen brengen:het wijsst,het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze,in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. Desin het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkelesevenzeer toereikend inFriescheals inFriesch, van het znw.Fries, en zoo ook inParijsche,Boloneesche,Chineesche,Japaneesche,Siameescheenz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen introtsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw.trots. De spellingwijst—wijste,boos—booste,loos—loosteenz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijlfrischte,malschteenz., waarin deschtoch ook slechts alssklinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijzebooste,looste,wijste,frischte,malschteenz. de voorkeur.125. De schrijfwijzeallezins,anderzins,eenigzinsenveelzinsbeantwoordt niet aan de uitspraak, die de spellingallesins,andersins,eenigsinsenveelsinszou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uitalles,anders,eenigs,veels, de sterke genitieven vanal,ander,eenig,veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis vankant,richting,opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen metalles jaars, dat o.a. bijHooftvoorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingeneensdeels,mijns inziens,goedsmoeds,blootshoofdsenz. Dezheeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan des, die men weglaat op voorgang vanSiegenbeek, welke haar evenwel ingeenszinswilde behouden hebben. De afleidingen de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste dezvanzininste veranderen:allesins,eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming metgeenszins, ookalleszinsenz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van desenzmaakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt:alles-zins,eenigs-zins. Niemand toch zegtgeens-zins, evenmin alsdans-zaal,kruis-straf,mis-stapenz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, alsgeensins,dansaal,kruistraf,mistapenz. luiden. De spellingallesins,andersins,eenigsins,geensinsenveelsinszou, in strijd met§ 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welkezineene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Franschesensinen tout sens,de tous les sens. Derhalvealleszins,anderszins,eenigszins,veelszins, evenalsgeenszins.126. De spellingverw,verwen,verwpot,verwwinkelenz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormenvaruwenvaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals ingerfkamer(van het verouderdegaerwen), dewdoor dev(f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleenverf,verfkwast,verfwinkelenz., maar ookverven,verver,ververijenz.Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, dewvanmurwinv(f) te veranderen. De uitspraakmurfis verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken metvermurwen, hetwelk door niemand alsvermurvenwordt uitgesproken.127. Het tweede lid der samenstellingenbuskruidenrattenkruid(gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden vankruid(herba). Het doet ons veeleer denken aanstof,poeder, dan aan een product van hetkruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan eenkruidofgewasdenken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis dette moeten bezigen, en schrijven duskruit(pulvis pyrius),buskruitenrattenkruit, ter onderscheiding vankruid(herba),onkruid,nieskruid,wormkruidenz. Evenzoo schrijft men algemeenschroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks dedzou vereischen; wantschroot(bijKiliaanschroodeenschroye) is eene afleiding van het oude werkwoordschroden(snijden), en beteekent eigenlijksnijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woordenschroodbeitelenschroodijzer, waarin de beteekenis vanschrodennog gevoeld wordt, is dedbehouden gebleven; maarschroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed detaangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ookkruitvankruidgescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraakDingsdagis stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, datDiinsdach, ookDisendachenDinxendachschreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaalDingsdagbegon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde denDingsdagals dendag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spellingDingsdagmeer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgodMars; de Nederlandsche benaming iseene vertaling van het lat.dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen,DiuofDiohebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naamDieluiden. Derhalve wareDiesdagde regelmatige vertaling vandies Martis; doch het gebruik heeft hier eeneningeschoven, evenals in de genitieven vandieenwie, welke thansdiensenwiens, maar oudtijds ookdiesenwiesluidden. Die inschuiving dernhad hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest(hd.keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de godDiemet zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd.DinstagenDiestag, bij onsDinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader danDingsdagbij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijdDinsdaggezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewoneDijnsdagnog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nogDizendag.Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vormDingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling alsDingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is alsWoengsdag,gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.129. Het woordschepter, lat.sceptrum, fr.sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak dech. Het moge waar zijn, zooalsBilderdijkenWiseliusverzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeensepter, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spellingschepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen dechdoet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenalsschrijn(werker) van lat.scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin deschaan lat.scbeantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, alsschabel(lat.scabellum) enschorpioen(lat.scorpio) enz. dechtoekent.Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijzesepterbehouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaarschepteraan. In allen gevalle is de derde vorm,scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.130. Bij de keus tusschenamt,ambt, enampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan.Amtvoldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding vanambacht, goth.andbahti, eene labiale mutaflauw gehoord wordt.Ampt, waarvoor de scherpe sluitlettertpleit, zou bij analogie ook de spellingaptvoorabtvorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel vanabdijenabdisscheiden zou. Debinambtdaarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling vanlikteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. Dektoch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl.liictekin, mnl.lijcteken,lijcteeken, is aan de volgendetgelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reedsTen Katehet woord ten onrechte vanlijk(vleesch) afleidde, en alsteeken in het vleeschverklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, datlikhier de stam is van het mnl. werkwoordliken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden,lijkteekenzou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaanlijkteekente schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstiglitteekenmettt, op gelijke wijze alsballingvoorbanling, enspalling, jong varken, voorspaanling, vanspanen(spenen), met tweel’s worden geschreven.132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden innog(etiam, adhuc) evenzeer als innoch(nec) eenechzouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet,nog(adhuc) met eenegals eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.Van een geheel anderen aard is de vraag, of menfeertig,fijftig,sestigenseventigmoet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eenefenslaat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bijseventigop een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanweziget(tzeventig), die intachtig(eigenlijkt-acht-tig) gebleven is, en intnegentigsoms nog wordtgehoord. Dochfeertig,fijftigensestigzijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooittfeertigentfijftiguitgesproken of geschreven, en het verouderdetsestighad detten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijkdertien,veertienenz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:een,twee...tien,elf,twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe.Zestigbehoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die detniet aannam; detvantsestigwas derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken:dix,vingt,trente,quarante,cinquante,soixante,—soixante-dix,quatre-vingts,quatre-vingt-dix,six-vingts(120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch:tyn(10),twentig(20),thritig(30),feowertig(40),fiftig(50),sixtig(60),—hund-seofontig(70),hund-eahtatig(80),hund-nigontig(90),hund-teontig(100),hund-endlufontig(110),hund-twelftig(120). Hoogerop verandert de uitdrukking:hund and thritig(130). Onzetvantseventig,tachtigentnegentigis derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dathundof van een dergelijk afgevallen woord.De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak vanveertig,vijftigenzestigis binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bijzeventigte moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallentniet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen danfeertigenfijftigmetfzou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar metv:een en veertig,twee en veertig,drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstigden Regel der Gelijkvormigheid,veertig,vijftig,zestig,zeventigmet de zachtevenzte schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden metvier,vijf,zesenzevenook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk§ 67.109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met§ 49als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft menstaatdame,zitdag,potdeksel,oogtand,vroegpreek,topzeil,praatvaar,raadzaal,raadzaam,hoofddeel,misstap, ofschoon de uitspraak veeleerstaaddame,ziddag,poddeksel,oochtand,vroechpreek,topseil,praatfaar,raatsaal,raatsaam,hoofdeel,mistapzou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg.§ 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijkBilderdijkdeed, in de twee woordenontvangenenontvonkeneene inbreuk op dezen regel te maken. De spellingontfangenenontfonkenstelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie vanontvallen,ontveinzen,ontvlammen,ontvlieden,ontvluchten,ontvoeren,ontvouwen,ontvreemden,ontzakken,ontzeggen,ontzinkenenz., waarin niemand de vervanging dervenzdoorfensverlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden dev, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden enontvangen,ontvonkente schrijven.110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft menambachtvoorandbacht;kerspelvoorkerkspel;leidselvoorleidzeel;lichaamvoorlijkhaam;misschienvoormag schiên;momboorvoormondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding,jufvrouwspellen, of wel, naar de uitspraak,juffrouw, gelijkBilderdijkschreef en thans nog velen schrijven? Omtrentjuffer,mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oudevere,ver(voorvrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar injuffrouw,mejuffrouw, herkent men nog het subst.vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin devte behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner alsBilderdijkhet eerste deel volstrekt niet verstond enjuffrouwals eene verbastering vanhofvrouwbeschouwde (Taal- en Dichtk. Versch.D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oudejoncvrouwe,joncvrouw, alsjoncfrouwuitgesproken,verliep allengs totjonfrouw,joffrouw,juffrouw. Defontstond derhalve uit devdoor den verscherpenden invloed der keellettercofk, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel decofkals denwegvielen, waardoor nu defverdubbeld moest worden. Zal men nu de tweedefweder terugbrengen tot de oudev, doorjufvrouwte schrijven? Maar dan hangt die eerstefgeheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Diefis de verdubbeling der oorspronkelijkev, nadat zij totfverscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had devalle reden van bestaan verloren.Jufvrouwzou aan eene samenstelling uitjufenvrouwdoen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfsBilderdijkdaardoor misleid werd. Maar schrijft menjuffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbelefstelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijkeven der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in§ 97aannochtansbovennogtansde voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstellingnog danin het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo isjuffrouw, in analogie metjuffer, bovenjufvrouwte verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van eenmeisjein tegenstelling van eenevrouwgebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip vanvrouw, in het tweede dat vanjong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheidhebben opgelost, die juist door de spellingjuffrouwook voor het oog wordt voorgesteld6.111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eenevbegonnen, deze letter totfverscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. infladderennaastvledderenenvlederen, waarvanvledermuis; infleemennaastvleien;fluksvanvlugs;fraaivan fr.vrai;frischnevensversch;fijt, voorheenvijt.Ook bij devvanvonkheeft die verscherping plaats gehad in het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijkefonkelenmet den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt vanvonkelenin de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.112. De toonloozee, die in de meeste woorden op-ling,-lijken-loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als invreemdeling,bloedeloosenz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Dieeis veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. ineindlijk,eindloos, vaneinde,zeedlijkvanzede, enz. Daar dieeonder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens§ 43in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewusteestellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordtgeschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten dereachter de zachte verwante medeklinkersb,denghunne verscherping totp,tenchof totk(inng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten derein prozastijl te ontraden bij woorden alshebbelijkheid,onhebbelijk,dadelijk,deugdelijk,goddelijk,lijdelijk,maagdelijk,verstandelijk,schadeloos,zendeling,dagelijks,degelijk,mogelijk,belangeloosenz., die, zonderegeschreven, tot de uitspraakonheplijk,daatlijk,moochlijkenz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten dereachter stammen, eindigende op eeneg, die door den invloed der volgendelverscherpt is en alschwordt uitgesproken, b.v.genoeglijk,gezeglijk,heuglijk,ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spellinggenoegelijk,heugelijk,ontzaggelijken de uitspraakgenoechelijkofgenoechlijk,heuchlijk,ontzaglijk.Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:De achtervoegsels-lijken-loos, en het achtervoegsel-ing, wanneer dit van de euphonischelwordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonloozeevóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:1)Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten-lijk,-loosen-lingzich onmiddellijk aan:kwalijk,oolijk,vroolijk,schadeloos,tweeling,drieling,zaailing,vrijling,kruiling.Bij analogie volgt hieruit, datmoeilijkenverfoeilijkte verkiezen zijn bovenmoeielijkenverfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zondere worden uitgesproken.Vrijelijkechter, waarin deealtijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.2)Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als indoelloos,balling,begeerlijk,bekoorlijk,waarloos,huurling,gemeenlijk,aanzienlijk,gewoonlijk,aandoenlijk,fatsoenlijk,pijnlijk,toonloos,groenling.Willeloosmaakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vormwille, die ook nog inwillekeurenwillekeurigvoorkomt.Waar denvoorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zòndereevenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide:manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk,zinlijkenzinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v.zinloos(zonder zin) enzinneloos(krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.3)De toonloozeewordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als:adellijk,middellijk,eigenlijk,openlijk,eeniglijk,geduriglijk,koninklijk,teugelloos,ouderloos,regeeringloosheidenz.4)Wanneer het grondwoord op eenegeindigt, die alschwordt uitgesproken, stelt deeeene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping dergten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie:behaaglijk,bijvoeglijk,genoeglijk,gevoeglijk,heuglijk,klaaglijk,ontzaglijkenz.; daarentegendagelijks,degelijk,mogelijkenz., in welke woorden deghare zachte uitspraak behoudt.Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijzeòrdenlijkofòrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen menordene,orden(van lat.ordo,ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereenordezondernuitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalveordelijk, evenalseindelijk,zedelijkenredelijk, welk laatste oorspronkelijk ookredenlijkwerd geschreven, als vanredene,redenafgeleid.Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraakordenheeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft alszindelijknevenszinnelijkofzinlijk.113. Daar het gewaande achtervoegsel-ling(zie de verhandeling over-ingin Dr.De Jager’sArchief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix-ing, voorafgegaan door eene euphonischel, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds opleindigt, schrijven wijhemelingenz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond inBilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spellingheuvellingontsnapte (III, blz. 10).Adellijk,middellijkenonmiddellijkmoeten de dubbelelhebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel-lijkvanadelenmiddel. De spellingadel-ijksteunde op de verkeerde meening, dat-lijkuitl-igzou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijzeadeligmet eenegwordt door ohd.adallîh, mhd.adellich, weersproken, waarom ookGrimmmet anderenadelichmetchspelde, en de meer gebruikelijke metgvoor »falsch” verklaarde. De spellingmidde-lijkis gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoordmidofmiddenzou wezen. Het tegendeel blijktovertuigend uit de spreekwijzezonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thansonmiddellijkbezigen (zieJanssenenVan Dale,Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).114. De woordenmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstand,middelweg, metmiddelsamengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overigemiddente schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op-elte laten eindigen, waaraan wijringelduif,schorteldoek,vastelavonde.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ookmiddeleeuwen,Middelnederlandsch,middelpunt,middelrifenz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk denuitgesproken: men zegt namelijkmiddenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie delaan te nemen.115.Siegenbeekschreef, op voorgang vanHuydecoper, in 1804 de spellingeigenlijk,openlijkenz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijzeeigentlijk,opentlijk, met eene ingelaschtetlieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voorteigenlijk,wezenlijkenz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat dietniet tot hetwezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eenebinhembdof eenepin hijkompt, en met dedin de minder edele woordenvilder,boender,diender(nevens het edelerdienaar). Wanneer zij dietaannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.Om dezelfde redenen verwerpt zij ook detingantsch, gelijkBilderdijkschreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels.Gantschzondertis zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.116.Iemanden zijne ontkenningniemand, mnl.iemaneniemen, bestaat uitie enmanin de thans verouderde beteekenis vanmenschin het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitenden, waartoe de taal zoowel dedals detbezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers inmijnenthalve,ordentelijk,erkentelijk,bekenteniskomt eene ingelaschtetvoor; docharend, oudt.aren;boender,diender, vanboenenendienen;hoendersvanhoen;zindelijkuitzinlijk;Hendrik, hd.Heinrich, hebben ter steuning derneened. De regel der onverbuigbare woorden, die eenetzou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; wantiemandenniemandbehooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2denaamvalleniemandsenniemandsook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,die in de verbogene gehoord wordt. BlijkensPlantijn,Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels,De Deckeren anderen, luidden de 3deen 4denaamv. vroegeriemanden,niemanden, met eened. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeeniemantenniemantschrijven, evenals menwant,leeft,legt,leent,hoortmettspelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eenedzouden moeten hebben.De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijftiemand,niemandmet eened, welke evenzeer gewettigd is als die vanarend, mv.arenden.Ten mijnent,zijnent,harent,onzent,uwent,hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik mettgeschreven.117. Volgens de afleiding zouootmoed, ohd.ôthmuothi,oodmuati, ags.eádhmôd, ouds.ôdhmuodi, bijKiliaannogoodmoed, eenedmoeten hebben, als bestaande uitood, goth.auths, ohd.ôdi,aothi, ags.eádh, ouds.ôdh,ôdhi(ledig, licht, gemakkelijk), datnoodeheeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt inoolijk, bijKil.oodelick,oyelick,oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uitoolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eened, uitthofdhontstaan. Intusschen zou het herstellen derdvolstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap metnoodeenoolijkblijken, die kennis zou voor het publiekde beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Diedzou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling metoodinkleinood, datschatbeteekent, en het eerste lid van ooievaar, bijKil.odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth.aud, ohd.aot,ôt, ags.eád, ouds.ôd, geheel anders dan het vorigeoodluidde.Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spellingootmoedmet eenetde voorkeur.118.Omtrent, dat oorspronkelijkrondom, vervolgensin den omtrek,in de nabijheidbeteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenalsomstreeks, eigenlijkin de omstreek, behoorde volgens de afleiding opduit te gaan. Het bestaat uit het voorzetselom, dat doortrendnader bepaald wordt, gelijkbijdoornainbijna, omzetting vanna bij.Trent,trendis een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekentrond, blijkens ofri., deensch en zweedschtrind, rond. In het Deensch dienttrind, gelijkroundin het Engelsch, zoowel alleenstaande als dooromgevolgd (trind,trind om), als voorzetsel met den zin vanrondom. Ook in het Oudfriesch stondomnog achteraan:trind umbe,trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eenedwas, blijkt uit ags.trendel, kring, cirkel; uit eng.to trundle, draaien, entrendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergetend, die als sluitletter tottverscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering temaken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voortomtrentmet de door het Gebruik gewettigdette schrijven, evenalswant, dat anders, blijkens onl.wanda, insgelijks zijnedzou moeten terugnemen.119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zondernop het einde. Het weglaten dernwas in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden.Bilderdijkmeende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Dienachter-jeis in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van eenmeisjenofhuisjen, nog minder vanmeisjensofhuisjenshoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. Deevan het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia open, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt denalleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-nachter de toonloozeemaar flauw late hooren, zouden de enkelvoudenhuisjen,kopjen,schoteltjenenz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou dendaarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervoudenhuisjens,kopjens,schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie vankuikens,leugens,molens, het duidelijk uitspreken dernzouden eischen. Dezeletter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel.§ 61en 62.Ten opzichte van de woorden op-kenis de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden denachterkindeken,jongsken,dochterkenenz. behouden, te meer daarzachtkensenallengskenshaar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin-kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,jongskeenz.De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel-jeeenetmoet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden opdenm.Bilderdijken vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eenetin, en schrijven: »handtjen,kladtjen,bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aanhandje,kladje,bloempje,boompjeenz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel-jeis, niet-tje; gelijk blijkt uitliefje,kluifje,boogje,leugje,vischje,muschje,doekje,beekje,popje,reepje,lesje,kusjeenz.Bilderdijk’sspellinghandtjenrustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat dedaan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat menhandaltijd met een scheva [eene toonloozee] moet doen hooren, immers uitspreken.”Spraakl., blz. 213.Handwas derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde alshande, enhandtjendus alshandetjen. Spreekt men zóó uit, dan is deteven onmisbaar als inkommetje,mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thanshandtjen,hondtjen,draadtjenenz. geschreven ziet, die leest, alsof erhantjen,hontjen,draatjenenz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie inmoordjaar,landjonkerdedzachter uitbrengt dan detinstraatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschenpondjeenpontje,wandjeenwantjeenz., en zal dus ook de spellinghandtjenenz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.Wie daarentegen inmoordjaar,landjonkerdedeven scherp uitbrengt als detinstraatjongen, die neemt aan, dat ded, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eenebofd, vanzelve intovergaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve det-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteekenteven overtollig, als het zijn zou inkanttje,tenttje,punttje. Wie inhandtje,kindtjedetnoodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spellinghandt,kindtenz., die dan evenzeer noodzakelijk is.In de gewone uitspraak is in de letterverbindingdtdedstom, en klinkthij wordt,bidt,antwoordtenz., alshij wort,bit,antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken vangch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe menhandtje,hondtjeenz. ook neemt en uitspreekt, detachter dedis òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.De woorden opm, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eenepaan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop demenpworden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wieboompjezegt, drukt ze bij demop elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om depte verkrijgen. Spreekt menboomtjeuit, dan moet men voor demde lippen sluiten, voor detze weder openen en de tong te werk stellen. Depontstaat dus inbloempjeals vanzelve, ten minste gemakkelijker dan detinbloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt.Bloempjeis uit dien hoofde natuurlijker danbloemtje, en depdaarom te verkiezen boven det, tenzij men achter demeene toonloozeelate hooren enbloemetjeofblommetjeuitspreke, in welk geval det, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.Depklinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan det, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwantem. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, dieBilderdijkdaarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroegerbloemptje,boomptjeenz. geschreven had, dat depeene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding dermentontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping dertwilde behouden”; hij steldebloempjegelijk met het plattekomptenneempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spellingboomptje,bloemptjeaan te wijzen, enBilderdijk’sbeweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid dertin het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt-jeof-jen, niet-tjeof-tjen. Detenpworden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakkej, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuiskhad kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaamFroukje, hetzelfde woord alsVrouwtje, en uit de werkwoordenboerkje, het boerenbedrijf uitoefenen;briefkje, brieven schrijven, enz. Detheeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als depachter demen dekin de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk deninhoning,diens,wiensenz. De lipletterpstaat derhalve inbloempjeniet ten koste van det, maar is, gelijk ook juistkompt,neempten dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletterm, evenals de tonglettert7van de tonglettersl,nenrinstoeltje,zoontje,deurtje, en als de keelletterkvan de keelletterg, die in de verbindingngnog flauw met den klank der Fransche en Friescheggehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt menkoninkje,woninkje,rottinkjeenz., terwijl wel nooit iemandkoninktjezal uitgesproken of geschreven hebben. Depis achter demevenmin overtollig als detachter een klinker of vloeiende letter, omdat dejdan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen omraamje,boomjeenz. te zeggen, evenmin alszeeje,koeje,stoelje,maanje,deurje.Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching dertin verkleinwoorden, gevormd van woorden, die opdeindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat dietin allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat depde eigenaardige versterkingsletter dermis, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijvendraadje,handjeenz. zondert, enraampje,boompjeenz. met eenep, doch natuurlijkbloemetjeenblommetjemet eenetachter de toonloozee. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v.,bloemtjete schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woordenbehalve,derhalve,weshalve,allenthalve,mijnenthalve,zijnenthalveenz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantiefhalf,halvemet een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook vanhalvegescheiden had kunnen blijven.Halvebeteekentzijde,kant, gelijk blijkt uit het 34stevers van den 67stender Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles teôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeliad orientem(ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan onshalve, als onder dien, welke aan onshalfbeantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eenenkan hebben en dat een genitief en datief singul.:dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.Behalvebestaat uit het genoemde substantief en de praepositiebij, mnl.bi, hier ten gevolge der samenkoppeling totbeverzwakt.Behalveis dus eigenlijkbij halve, en beteekent zooveel alsbij zijde,ter zijde gezet,aan een kant gesteld, d.i.niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv.pi halpo(in parte, in secreto), en in het meerv.pi halpon(in partibus). In het Oudnederl. luidde het woordbehalvoenbehalvon(Ps. LV, 10, en verg, deGloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix-en, veelmin, gelijkBilderdijkwilde, aan een participium van een werkw.behalvenofbehaldente denken is. Het voorzetselbi,bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodathalvehier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men metBilderdijken anderenbehalvenmet eenen, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak,behalvete schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud vanhalvete doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoudbehalvenvolstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijzebehalvezondern, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dathalveabsoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingenmijnentwege,onzentwegeenz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen alsmijnenthalve,onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld metwege, datief vanweg. Daar nuhalveinderhalveenweshalveblijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde isder, evenals indermate,derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw.die, congrueerende methalve:dierhalve(van die zijde bezien). Inweshalvedaarentegen treft men het relativumwataan, in den genitiefwes, die doorhalvegeregeerd wordt.Weshalveis dus zooveel als:beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud vanhalvete denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden enderhalve,weshalvete blijven schrijven.De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, datallenthalveuit hoofde zijner beteekenis (van alle kantenofvan alle zijden) het meerv. vanhalveonderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw.mijnen,zijnen,onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om inallenthalve,mijnenthalveenz. aanhalveden meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reedshalvenmethalveverwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dathalve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is metmijnenthalvenenzijnenthalven, noch metharenthalvenenuwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowelallenthalve,mijnenthalve,hunnenthalveenz., alsbehalve,derhalveenweshalve, zondern. Vergelijk hier de laatste zinsnede van§ 67.121. Hetgeen bijbehalvegezegd is, doet denken aanbezijden. Dit woord komt zeker in zooverre metbehalveovereen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel-en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden:be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spellingbezijdezondernte vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.besideswaarschijnlijk aan het meerv. vanzijdemoet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zijbezijdenschrijven. Zie ook hier§ 67aan het slot.122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij dedinthansenalthans, en evenzoo in de participiale vormendoorgaans,nopens,volgens,wetens,willensenz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewonebijkansvoor den oorspronkelijken vormbijkantszou wenschen te verruilen. De spellingthands,doorgaandsenz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten derdheeft trachten te vermijden.Dat in de woordenthansenalthansdehwordt behouden,ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat dehin deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier§ 66,a.123. Van hetzelfde gevoelen als in§ 122zijn wij ten aanzien van de stommechachter des. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, alsharnas(ch),moss(ch)el, het bijw.ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eenechvoegde, wanneer die nooit metschworden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener blootes, en dus niet altijd met-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden alsbitsvanbijten,spitsvanspit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eenechte geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijvenbits,dwars,spits,warsenz.Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eenechis ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalvetorsen, oud-franschtorser, nevenstros,trossen, fr.trousse,trousser. Alleen inheeschengansch, waarin dechtegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd,vermits de enkelesin de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eenenwordt voorafgegaan, in de verbuiging inzverandert, hetgeen niet geschiedt bijheeschengansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden:heesche,gansche. Daarentegendwaas,dwaze;boos,booze;vies,vieze;vuns,vunze;lens,lenze.Dechheeft inlosch(lynx) en het doorBilderdijkaangenomenwasch(cera) evenmin reden van bestaan, als achterzes,os,vos,was(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór desplaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd.luchs,wachs,sechs,ochs,fuchs,wuchs. Wij schrijven derhalvelosenwas.124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklankensenscheindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak:wijste,frischte; anderen, op grond der Grammatica:wijsste,frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammaticawijsste,frischsteeischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twees’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twees’s willen brengen:het wijsst,het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze,in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. Desin het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkelesevenzeer toereikend inFriescheals inFriesch, van het znw.Fries, en zoo ook inParijsche,Boloneesche,Chineesche,Japaneesche,Siameescheenz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen introtsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw.trots. De spellingwijst—wijste,boos—booste,loos—loosteenz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijlfrischte,malschteenz., waarin deschtoch ook slechts alssklinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijzebooste,looste,wijste,frischte,malschteenz. de voorkeur.125. De schrijfwijzeallezins,anderzins,eenigzinsenveelzinsbeantwoordt niet aan de uitspraak, die de spellingallesins,andersins,eenigsinsenveelsinszou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uitalles,anders,eenigs,veels, de sterke genitieven vanal,ander,eenig,veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis vankant,richting,opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen metalles jaars, dat o.a. bijHooftvoorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingeneensdeels,mijns inziens,goedsmoeds,blootshoofdsenz. Dezheeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan des, die men weglaat op voorgang vanSiegenbeek, welke haar evenwel ingeenszinswilde behouden hebben. De afleidingen de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste dezvanzininste veranderen:allesins,eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming metgeenszins, ookalleszinsenz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van desenzmaakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt:alles-zins,eenigs-zins. Niemand toch zegtgeens-zins, evenmin alsdans-zaal,kruis-straf,mis-stapenz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, alsgeensins,dansaal,kruistraf,mistapenz. luiden. De spellingallesins,andersins,eenigsins,geensinsenveelsinszou, in strijd met§ 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welkezineene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Franschesensinen tout sens,de tous les sens. Derhalvealleszins,anderszins,eenigszins,veelszins, evenalsgeenszins.126. De spellingverw,verwen,verwpot,verwwinkelenz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormenvaruwenvaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals ingerfkamer(van het verouderdegaerwen), dewdoor dev(f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleenverf,verfkwast,verfwinkelenz., maar ookverven,verver,ververijenz.Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, dewvanmurwinv(f) te veranderen. De uitspraakmurfis verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken metvermurwen, hetwelk door niemand alsvermurvenwordt uitgesproken.127. Het tweede lid der samenstellingenbuskruidenrattenkruid(gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden vankruid(herba). Het doet ons veeleer denken aanstof,poeder, dan aan een product van hetkruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan eenkruidofgewasdenken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis dette moeten bezigen, en schrijven duskruit(pulvis pyrius),buskruitenrattenkruit, ter onderscheiding vankruid(herba),onkruid,nieskruid,wormkruidenz. Evenzoo schrijft men algemeenschroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks dedzou vereischen; wantschroot(bijKiliaanschroodeenschroye) is eene afleiding van het oude werkwoordschroden(snijden), en beteekent eigenlijksnijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woordenschroodbeitelenschroodijzer, waarin de beteekenis vanschrodennog gevoeld wordt, is dedbehouden gebleven; maarschroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed detaangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ookkruitvankruidgescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraakDingsdagis stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, datDiinsdach, ookDisendachenDinxendachschreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaalDingsdagbegon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde denDingsdagals dendag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spellingDingsdagmeer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgodMars; de Nederlandsche benaming iseene vertaling van het lat.dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen,DiuofDiohebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naamDieluiden. Derhalve wareDiesdagde regelmatige vertaling vandies Martis; doch het gebruik heeft hier eeneningeschoven, evenals in de genitieven vandieenwie, welke thansdiensenwiens, maar oudtijds ookdiesenwiesluidden. Die inschuiving dernhad hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest(hd.keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de godDiemet zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd.DinstagenDiestag, bij onsDinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader danDingsdagbij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijdDinsdaggezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewoneDijnsdagnog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nogDizendag.Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vormDingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling alsDingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is alsWoengsdag,gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.129. Het woordschepter, lat.sceptrum, fr.sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak dech. Het moge waar zijn, zooalsBilderdijkenWiseliusverzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeensepter, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spellingschepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen dechdoet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenalsschrijn(werker) van lat.scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin deschaan lat.scbeantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, alsschabel(lat.scabellum) enschorpioen(lat.scorpio) enz. dechtoekent.Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijzesepterbehouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaarschepteraan. In allen gevalle is de derde vorm,scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.130. Bij de keus tusschenamt,ambt, enampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan.Amtvoldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding vanambacht, goth.andbahti, eene labiale mutaflauw gehoord wordt.Ampt, waarvoor de scherpe sluitlettertpleit, zou bij analogie ook de spellingaptvoorabtvorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel vanabdijenabdisscheiden zou. Debinambtdaarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling vanlikteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. Dektoch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl.liictekin, mnl.lijcteken,lijcteeken, is aan de volgendetgelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reedsTen Katehet woord ten onrechte vanlijk(vleesch) afleidde, en alsteeken in het vleeschverklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, datlikhier de stam is van het mnl. werkwoordliken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden,lijkteekenzou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaanlijkteekente schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstiglitteekenmettt, op gelijke wijze alsballingvoorbanling, enspalling, jong varken, voorspaanling, vanspanen(spenen), met tweel’s worden geschreven.132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden innog(etiam, adhuc) evenzeer als innoch(nec) eenechzouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet,nog(adhuc) met eenegals eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.Van een geheel anderen aard is de vraag, of menfeertig,fijftig,sestigenseventigmoet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eenefenslaat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bijseventigop een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanweziget(tzeventig), die intachtig(eigenlijkt-acht-tig) gebleven is, en intnegentigsoms nog wordtgehoord. Dochfeertig,fijftigensestigzijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooittfeertigentfijftiguitgesproken of geschreven, en het verouderdetsestighad detten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijkdertien,veertienenz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:een,twee...tien,elf,twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe.Zestigbehoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die detniet aannam; detvantsestigwas derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken:dix,vingt,trente,quarante,cinquante,soixante,—soixante-dix,quatre-vingts,quatre-vingt-dix,six-vingts(120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch:tyn(10),twentig(20),thritig(30),feowertig(40),fiftig(50),sixtig(60),—hund-seofontig(70),hund-eahtatig(80),hund-nigontig(90),hund-teontig(100),hund-endlufontig(110),hund-twelftig(120). Hoogerop verandert de uitdrukking:hund and thritig(130). Onzetvantseventig,tachtigentnegentigis derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dathundof van een dergelijk afgevallen woord.De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak vanveertig,vijftigenzestigis binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bijzeventigte moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallentniet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen danfeertigenfijftigmetfzou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar metv:een en veertig,twee en veertig,drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstigden Regel der Gelijkvormigheid,veertig,vijftig,zestig,zeventigmet de zachtevenzte schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden metvier,vijf,zesenzevenook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk§ 67.109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met§ 49als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft menstaatdame,zitdag,potdeksel,oogtand,vroegpreek,topzeil,praatvaar,raadzaal,raadzaam,hoofddeel,misstap, ofschoon de uitspraak veeleerstaaddame,ziddag,poddeksel,oochtand,vroechpreek,topseil,praatfaar,raatsaal,raatsaam,hoofdeel,mistapzou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg.§ 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijkBilderdijkdeed, in de twee woordenontvangenenontvonkeneene inbreuk op dezen regel te maken. De spellingontfangenenontfonkenstelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie vanontvallen,ontveinzen,ontvlammen,ontvlieden,ontvluchten,ontvoeren,ontvouwen,ontvreemden,ontzakken,ontzeggen,ontzinkenenz., waarin niemand de vervanging dervenzdoorfensverlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden dev, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden enontvangen,ontvonkente schrijven.110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft menambachtvoorandbacht;kerspelvoorkerkspel;leidselvoorleidzeel;lichaamvoorlijkhaam;misschienvoormag schiên;momboorvoormondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding,jufvrouwspellen, of wel, naar de uitspraak,juffrouw, gelijkBilderdijkschreef en thans nog velen schrijven? Omtrentjuffer,mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oudevere,ver(voorvrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar injuffrouw,mejuffrouw, herkent men nog het subst.vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin devte behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner alsBilderdijkhet eerste deel volstrekt niet verstond enjuffrouwals eene verbastering vanhofvrouwbeschouwde (Taal- en Dichtk. Versch.D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oudejoncvrouwe,joncvrouw, alsjoncfrouwuitgesproken,verliep allengs totjonfrouw,joffrouw,juffrouw. Defontstond derhalve uit devdoor den verscherpenden invloed der keellettercofk, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel decofkals denwegvielen, waardoor nu defverdubbeld moest worden. Zal men nu de tweedefweder terugbrengen tot de oudev, doorjufvrouwte schrijven? Maar dan hangt die eerstefgeheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Diefis de verdubbeling der oorspronkelijkev, nadat zij totfverscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had devalle reden van bestaan verloren.Jufvrouwzou aan eene samenstelling uitjufenvrouwdoen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfsBilderdijkdaardoor misleid werd. Maar schrijft menjuffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbelefstelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijkeven der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in§ 97aannochtansbovennogtansde voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstellingnog danin het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo isjuffrouw, in analogie metjuffer, bovenjufvrouwte verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van eenmeisjein tegenstelling van eenevrouwgebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip vanvrouw, in het tweede dat vanjong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheidhebben opgelost, die juist door de spellingjuffrouwook voor het oog wordt voorgesteld6.111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eenevbegonnen, deze letter totfverscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. infladderennaastvledderenenvlederen, waarvanvledermuis; infleemennaastvleien;fluksvanvlugs;fraaivan fr.vrai;frischnevensversch;fijt, voorheenvijt.Ook bij devvanvonkheeft die verscherping plaats gehad in het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijkefonkelenmet den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt vanvonkelenin de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.112. De toonloozee, die in de meeste woorden op-ling,-lijken-loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als invreemdeling,bloedeloosenz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Dieeis veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. ineindlijk,eindloos, vaneinde,zeedlijkvanzede, enz. Daar dieeonder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens§ 43in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewusteestellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordtgeschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten dereachter de zachte verwante medeklinkersb,denghunne verscherping totp,tenchof totk(inng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten derein prozastijl te ontraden bij woorden alshebbelijkheid,onhebbelijk,dadelijk,deugdelijk,goddelijk,lijdelijk,maagdelijk,verstandelijk,schadeloos,zendeling,dagelijks,degelijk,mogelijk,belangeloosenz., die, zonderegeschreven, tot de uitspraakonheplijk,daatlijk,moochlijkenz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten dereachter stammen, eindigende op eeneg, die door den invloed der volgendelverscherpt is en alschwordt uitgesproken, b.v.genoeglijk,gezeglijk,heuglijk,ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spellinggenoegelijk,heugelijk,ontzaggelijken de uitspraakgenoechelijkofgenoechlijk,heuchlijk,ontzaglijk.Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:De achtervoegsels-lijken-loos, en het achtervoegsel-ing, wanneer dit van de euphonischelwordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonloozeevóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:1)Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten-lijk,-loosen-lingzich onmiddellijk aan:kwalijk,oolijk,vroolijk,schadeloos,tweeling,drieling,zaailing,vrijling,kruiling.Bij analogie volgt hieruit, datmoeilijkenverfoeilijkte verkiezen zijn bovenmoeielijkenverfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zondere worden uitgesproken.Vrijelijkechter, waarin deealtijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.2)Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als indoelloos,balling,begeerlijk,bekoorlijk,waarloos,huurling,gemeenlijk,aanzienlijk,gewoonlijk,aandoenlijk,fatsoenlijk,pijnlijk,toonloos,groenling.Willeloosmaakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vormwille, die ook nog inwillekeurenwillekeurigvoorkomt.Waar denvoorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zòndereevenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide:manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk,zinlijkenzinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v.zinloos(zonder zin) enzinneloos(krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.3)De toonloozeewordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als:adellijk,middellijk,eigenlijk,openlijk,eeniglijk,geduriglijk,koninklijk,teugelloos,ouderloos,regeeringloosheidenz.4)Wanneer het grondwoord op eenegeindigt, die alschwordt uitgesproken, stelt deeeene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping dergten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie:behaaglijk,bijvoeglijk,genoeglijk,gevoeglijk,heuglijk,klaaglijk,ontzaglijkenz.; daarentegendagelijks,degelijk,mogelijkenz., in welke woorden deghare zachte uitspraak behoudt.Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijzeòrdenlijkofòrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen menordene,orden(van lat.ordo,ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereenordezondernuitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalveordelijk, evenalseindelijk,zedelijkenredelijk, welk laatste oorspronkelijk ookredenlijkwerd geschreven, als vanredene,redenafgeleid.Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraakordenheeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft alszindelijknevenszinnelijkofzinlijk.113. Daar het gewaande achtervoegsel-ling(zie de verhandeling over-ingin Dr.De Jager’sArchief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix-ing, voorafgegaan door eene euphonischel, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds opleindigt, schrijven wijhemelingenz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond inBilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spellingheuvellingontsnapte (III, blz. 10).Adellijk,middellijkenonmiddellijkmoeten de dubbelelhebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel-lijkvanadelenmiddel. De spellingadel-ijksteunde op de verkeerde meening, dat-lijkuitl-igzou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijzeadeligmet eenegwordt door ohd.adallîh, mhd.adellich, weersproken, waarom ookGrimmmet anderenadelichmetchspelde, en de meer gebruikelijke metgvoor »falsch” verklaarde. De spellingmidde-lijkis gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoordmidofmiddenzou wezen. Het tegendeel blijktovertuigend uit de spreekwijzezonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thansonmiddellijkbezigen (zieJanssenenVan Dale,Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).114. De woordenmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstand,middelweg, metmiddelsamengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overigemiddente schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op-elte laten eindigen, waaraan wijringelduif,schorteldoek,vastelavonde.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ookmiddeleeuwen,Middelnederlandsch,middelpunt,middelrifenz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk denuitgesproken: men zegt namelijkmiddenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie delaan te nemen.115.Siegenbeekschreef, op voorgang vanHuydecoper, in 1804 de spellingeigenlijk,openlijkenz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijzeeigentlijk,opentlijk, met eene ingelaschtetlieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voorteigenlijk,wezenlijkenz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat dietniet tot hetwezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eenebinhembdof eenepin hijkompt, en met dedin de minder edele woordenvilder,boender,diender(nevens het edelerdienaar). Wanneer zij dietaannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.Om dezelfde redenen verwerpt zij ook detingantsch, gelijkBilderdijkschreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels.Gantschzondertis zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.116.Iemanden zijne ontkenningniemand, mnl.iemaneniemen, bestaat uitie enmanin de thans verouderde beteekenis vanmenschin het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitenden, waartoe de taal zoowel dedals detbezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers inmijnenthalve,ordentelijk,erkentelijk,bekenteniskomt eene ingelaschtetvoor; docharend, oudt.aren;boender,diender, vanboenenendienen;hoendersvanhoen;zindelijkuitzinlijk;Hendrik, hd.Heinrich, hebben ter steuning derneened. De regel der onverbuigbare woorden, die eenetzou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; wantiemandenniemandbehooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2denaamvalleniemandsenniemandsook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,die in de verbogene gehoord wordt. BlijkensPlantijn,Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels,De Deckeren anderen, luidden de 3deen 4denaamv. vroegeriemanden,niemanden, met eened. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeeniemantenniemantschrijven, evenals menwant,leeft,legt,leent,hoortmettspelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eenedzouden moeten hebben.De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijftiemand,niemandmet eened, welke evenzeer gewettigd is als die vanarend, mv.arenden.Ten mijnent,zijnent,harent,onzent,uwent,hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik mettgeschreven.117. Volgens de afleiding zouootmoed, ohd.ôthmuothi,oodmuati, ags.eádhmôd, ouds.ôdhmuodi, bijKiliaannogoodmoed, eenedmoeten hebben, als bestaande uitood, goth.auths, ohd.ôdi,aothi, ags.eádh, ouds.ôdh,ôdhi(ledig, licht, gemakkelijk), datnoodeheeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt inoolijk, bijKil.oodelick,oyelick,oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uitoolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eened, uitthofdhontstaan. Intusschen zou het herstellen derdvolstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap metnoodeenoolijkblijken, die kennis zou voor het publiekde beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Diedzou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling metoodinkleinood, datschatbeteekent, en het eerste lid van ooievaar, bijKil.odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth.aud, ohd.aot,ôt, ags.eád, ouds.ôd, geheel anders dan het vorigeoodluidde.Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spellingootmoedmet eenetde voorkeur.118.Omtrent, dat oorspronkelijkrondom, vervolgensin den omtrek,in de nabijheidbeteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenalsomstreeks, eigenlijkin de omstreek, behoorde volgens de afleiding opduit te gaan. Het bestaat uit het voorzetselom, dat doortrendnader bepaald wordt, gelijkbijdoornainbijna, omzetting vanna bij.Trent,trendis een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekentrond, blijkens ofri., deensch en zweedschtrind, rond. In het Deensch dienttrind, gelijkroundin het Engelsch, zoowel alleenstaande als dooromgevolgd (trind,trind om), als voorzetsel met den zin vanrondom. Ook in het Oudfriesch stondomnog achteraan:trind umbe,trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eenedwas, blijkt uit ags.trendel, kring, cirkel; uit eng.to trundle, draaien, entrendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergetend, die als sluitletter tottverscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering temaken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voortomtrentmet de door het Gebruik gewettigdette schrijven, evenalswant, dat anders, blijkens onl.wanda, insgelijks zijnedzou moeten terugnemen.119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zondernop het einde. Het weglaten dernwas in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden.Bilderdijkmeende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Dienachter-jeis in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van eenmeisjenofhuisjen, nog minder vanmeisjensofhuisjenshoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. Deevan het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia open, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt denalleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-nachter de toonloozeemaar flauw late hooren, zouden de enkelvoudenhuisjen,kopjen,schoteltjenenz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou dendaarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervoudenhuisjens,kopjens,schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie vankuikens,leugens,molens, het duidelijk uitspreken dernzouden eischen. Dezeletter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel.§ 61en 62.Ten opzichte van de woorden op-kenis de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden denachterkindeken,jongsken,dochterkenenz. behouden, te meer daarzachtkensenallengskenshaar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin-kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,jongskeenz.De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel-jeeenetmoet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden opdenm.Bilderdijken vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eenetin, en schrijven: »handtjen,kladtjen,bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aanhandje,kladje,bloempje,boompjeenz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel-jeis, niet-tje; gelijk blijkt uitliefje,kluifje,boogje,leugje,vischje,muschje,doekje,beekje,popje,reepje,lesje,kusjeenz.Bilderdijk’sspellinghandtjenrustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat dedaan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat menhandaltijd met een scheva [eene toonloozee] moet doen hooren, immers uitspreken.”Spraakl., blz. 213.Handwas derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde alshande, enhandtjendus alshandetjen. Spreekt men zóó uit, dan is deteven onmisbaar als inkommetje,mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thanshandtjen,hondtjen,draadtjenenz. geschreven ziet, die leest, alsof erhantjen,hontjen,draatjenenz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie inmoordjaar,landjonkerdedzachter uitbrengt dan detinstraatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschenpondjeenpontje,wandjeenwantjeenz., en zal dus ook de spellinghandtjenenz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.Wie daarentegen inmoordjaar,landjonkerdedeven scherp uitbrengt als detinstraatjongen, die neemt aan, dat ded, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eenebofd, vanzelve intovergaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve det-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteekenteven overtollig, als het zijn zou inkanttje,tenttje,punttje. Wie inhandtje,kindtjedetnoodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spellinghandt,kindtenz., die dan evenzeer noodzakelijk is.In de gewone uitspraak is in de letterverbindingdtdedstom, en klinkthij wordt,bidt,antwoordtenz., alshij wort,bit,antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken vangch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe menhandtje,hondtjeenz. ook neemt en uitspreekt, detachter dedis òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.De woorden opm, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eenepaan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop demenpworden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wieboompjezegt, drukt ze bij demop elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om depte verkrijgen. Spreekt menboomtjeuit, dan moet men voor demde lippen sluiten, voor detze weder openen en de tong te werk stellen. Depontstaat dus inbloempjeals vanzelve, ten minste gemakkelijker dan detinbloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt.Bloempjeis uit dien hoofde natuurlijker danbloemtje, en depdaarom te verkiezen boven det, tenzij men achter demeene toonloozeelate hooren enbloemetjeofblommetjeuitspreke, in welk geval det, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.Depklinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan det, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwantem. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, dieBilderdijkdaarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroegerbloemptje,boomptjeenz. geschreven had, dat depeene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding dermentontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping dertwilde behouden”; hij steldebloempjegelijk met het plattekomptenneempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spellingboomptje,bloemptjeaan te wijzen, enBilderdijk’sbeweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid dertin het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt-jeof-jen, niet-tjeof-tjen. Detenpworden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakkej, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuiskhad kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaamFroukje, hetzelfde woord alsVrouwtje, en uit de werkwoordenboerkje, het boerenbedrijf uitoefenen;briefkje, brieven schrijven, enz. Detheeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als depachter demen dekin de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk deninhoning,diens,wiensenz. De lipletterpstaat derhalve inbloempjeniet ten koste van det, maar is, gelijk ook juistkompt,neempten dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletterm, evenals de tonglettert7van de tonglettersl,nenrinstoeltje,zoontje,deurtje, en als de keelletterkvan de keelletterg, die in de verbindingngnog flauw met den klank der Fransche en Friescheggehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt menkoninkje,woninkje,rottinkjeenz., terwijl wel nooit iemandkoninktjezal uitgesproken of geschreven hebben. Depis achter demevenmin overtollig als detachter een klinker of vloeiende letter, omdat dejdan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen omraamje,boomjeenz. te zeggen, evenmin alszeeje,koeje,stoelje,maanje,deurje.Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching dertin verkleinwoorden, gevormd van woorden, die opdeindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat dietin allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat depde eigenaardige versterkingsletter dermis, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijvendraadje,handjeenz. zondert, enraampje,boompjeenz. met eenep, doch natuurlijkbloemetjeenblommetjemet eenetachter de toonloozee. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v.,bloemtjete schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woordenbehalve,derhalve,weshalve,allenthalve,mijnenthalve,zijnenthalveenz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantiefhalf,halvemet een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook vanhalvegescheiden had kunnen blijven.Halvebeteekentzijde,kant, gelijk blijkt uit het 34stevers van den 67stender Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles teôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeliad orientem(ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan onshalve, als onder dien, welke aan onshalfbeantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eenenkan hebben en dat een genitief en datief singul.:dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.Behalvebestaat uit het genoemde substantief en de praepositiebij, mnl.bi, hier ten gevolge der samenkoppeling totbeverzwakt.Behalveis dus eigenlijkbij halve, en beteekent zooveel alsbij zijde,ter zijde gezet,aan een kant gesteld, d.i.niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv.pi halpo(in parte, in secreto), en in het meerv.pi halpon(in partibus). In het Oudnederl. luidde het woordbehalvoenbehalvon(Ps. LV, 10, en verg, deGloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix-en, veelmin, gelijkBilderdijkwilde, aan een participium van een werkw.behalvenofbehaldente denken is. Het voorzetselbi,bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodathalvehier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men metBilderdijken anderenbehalvenmet eenen, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak,behalvete schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud vanhalvete doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoudbehalvenvolstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijzebehalvezondern, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dathalveabsoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingenmijnentwege,onzentwegeenz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen alsmijnenthalve,onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld metwege, datief vanweg. Daar nuhalveinderhalveenweshalveblijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde isder, evenals indermate,derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw.die, congrueerende methalve:dierhalve(van die zijde bezien). Inweshalvedaarentegen treft men het relativumwataan, in den genitiefwes, die doorhalvegeregeerd wordt.Weshalveis dus zooveel als:beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud vanhalvete denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden enderhalve,weshalvete blijven schrijven.De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, datallenthalveuit hoofde zijner beteekenis (van alle kantenofvan alle zijden) het meerv. vanhalveonderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw.mijnen,zijnen,onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om inallenthalve,mijnenthalveenz. aanhalveden meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reedshalvenmethalveverwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dathalve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is metmijnenthalvenenzijnenthalven, noch metharenthalvenenuwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowelallenthalve,mijnenthalve,hunnenthalveenz., alsbehalve,derhalveenweshalve, zondern. Vergelijk hier de laatste zinsnede van§ 67.121. Hetgeen bijbehalvegezegd is, doet denken aanbezijden. Dit woord komt zeker in zooverre metbehalveovereen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel-en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden:be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spellingbezijdezondernte vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.besideswaarschijnlijk aan het meerv. vanzijdemoet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zijbezijdenschrijven. Zie ook hier§ 67aan het slot.122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij dedinthansenalthans, en evenzoo in de participiale vormendoorgaans,nopens,volgens,wetens,willensenz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewonebijkansvoor den oorspronkelijken vormbijkantszou wenschen te verruilen. De spellingthands,doorgaandsenz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten derdheeft trachten te vermijden.Dat in de woordenthansenalthansdehwordt behouden,ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat dehin deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier§ 66,a.123. Van hetzelfde gevoelen als in§ 122zijn wij ten aanzien van de stommechachter des. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, alsharnas(ch),moss(ch)el, het bijw.ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eenechvoegde, wanneer die nooit metschworden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener blootes, en dus niet altijd met-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden alsbitsvanbijten,spitsvanspit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eenechte geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijvenbits,dwars,spits,warsenz.Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eenechis ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalvetorsen, oud-franschtorser, nevenstros,trossen, fr.trousse,trousser. Alleen inheeschengansch, waarin dechtegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd,vermits de enkelesin de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eenenwordt voorafgegaan, in de verbuiging inzverandert, hetgeen niet geschiedt bijheeschengansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden:heesche,gansche. Daarentegendwaas,dwaze;boos,booze;vies,vieze;vuns,vunze;lens,lenze.Dechheeft inlosch(lynx) en het doorBilderdijkaangenomenwasch(cera) evenmin reden van bestaan, als achterzes,os,vos,was(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór desplaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd.luchs,wachs,sechs,ochs,fuchs,wuchs. Wij schrijven derhalvelosenwas.124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklankensenscheindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak:wijste,frischte; anderen, op grond der Grammatica:wijsste,frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammaticawijsste,frischsteeischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twees’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twees’s willen brengen:het wijsst,het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze,in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. Desin het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkelesevenzeer toereikend inFriescheals inFriesch, van het znw.Fries, en zoo ook inParijsche,Boloneesche,Chineesche,Japaneesche,Siameescheenz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen introtsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw.trots. De spellingwijst—wijste,boos—booste,loos—loosteenz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijlfrischte,malschteenz., waarin deschtoch ook slechts alssklinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijzebooste,looste,wijste,frischte,malschteenz. de voorkeur.125. De schrijfwijzeallezins,anderzins,eenigzinsenveelzinsbeantwoordt niet aan de uitspraak, die de spellingallesins,andersins,eenigsinsenveelsinszou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uitalles,anders,eenigs,veels, de sterke genitieven vanal,ander,eenig,veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis vankant,richting,opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen metalles jaars, dat o.a. bijHooftvoorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingeneensdeels,mijns inziens,goedsmoeds,blootshoofdsenz. Dezheeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan des, die men weglaat op voorgang vanSiegenbeek, welke haar evenwel ingeenszinswilde behouden hebben. De afleidingen de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste dezvanzininste veranderen:allesins,eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming metgeenszins, ookalleszinsenz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van desenzmaakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt:alles-zins,eenigs-zins. Niemand toch zegtgeens-zins, evenmin alsdans-zaal,kruis-straf,mis-stapenz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, alsgeensins,dansaal,kruistraf,mistapenz. luiden. De spellingallesins,andersins,eenigsins,geensinsenveelsinszou, in strijd met§ 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welkezineene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Franschesensinen tout sens,de tous les sens. Derhalvealleszins,anderszins,eenigszins,veelszins, evenalsgeenszins.126. De spellingverw,verwen,verwpot,verwwinkelenz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormenvaruwenvaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals ingerfkamer(van het verouderdegaerwen), dewdoor dev(f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleenverf,verfkwast,verfwinkelenz., maar ookverven,verver,ververijenz.Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, dewvanmurwinv(f) te veranderen. De uitspraakmurfis verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken metvermurwen, hetwelk door niemand alsvermurvenwordt uitgesproken.127. Het tweede lid der samenstellingenbuskruidenrattenkruid(gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden vankruid(herba). Het doet ons veeleer denken aanstof,poeder, dan aan een product van hetkruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan eenkruidofgewasdenken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis dette moeten bezigen, en schrijven duskruit(pulvis pyrius),buskruitenrattenkruit, ter onderscheiding vankruid(herba),onkruid,nieskruid,wormkruidenz. Evenzoo schrijft men algemeenschroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks dedzou vereischen; wantschroot(bijKiliaanschroodeenschroye) is eene afleiding van het oude werkwoordschroden(snijden), en beteekent eigenlijksnijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woordenschroodbeitelenschroodijzer, waarin de beteekenis vanschrodennog gevoeld wordt, is dedbehouden gebleven; maarschroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed detaangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ookkruitvankruidgescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraakDingsdagis stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, datDiinsdach, ookDisendachenDinxendachschreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaalDingsdagbegon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde denDingsdagals dendag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spellingDingsdagmeer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgodMars; de Nederlandsche benaming iseene vertaling van het lat.dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen,DiuofDiohebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naamDieluiden. Derhalve wareDiesdagde regelmatige vertaling vandies Martis; doch het gebruik heeft hier eeneningeschoven, evenals in de genitieven vandieenwie, welke thansdiensenwiens, maar oudtijds ookdiesenwiesluidden. Die inschuiving dernhad hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest(hd.keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de godDiemet zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd.DinstagenDiestag, bij onsDinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader danDingsdagbij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijdDinsdaggezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewoneDijnsdagnog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nogDizendag.Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vormDingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling alsDingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is alsWoengsdag,gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.129. Het woordschepter, lat.sceptrum, fr.sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak dech. Het moge waar zijn, zooalsBilderdijkenWiseliusverzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeensepter, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spellingschepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen dechdoet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenalsschrijn(werker) van lat.scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin deschaan lat.scbeantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, alsschabel(lat.scabellum) enschorpioen(lat.scorpio) enz. dechtoekent.Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijzesepterbehouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaarschepteraan. In allen gevalle is de derde vorm,scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.130. Bij de keus tusschenamt,ambt, enampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan.Amtvoldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding vanambacht, goth.andbahti, eene labiale mutaflauw gehoord wordt.Ampt, waarvoor de scherpe sluitlettertpleit, zou bij analogie ook de spellingaptvoorabtvorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel vanabdijenabdisscheiden zou. Debinambtdaarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling vanlikteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. Dektoch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl.liictekin, mnl.lijcteken,lijcteeken, is aan de volgendetgelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reedsTen Katehet woord ten onrechte vanlijk(vleesch) afleidde, en alsteeken in het vleeschverklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, datlikhier de stam is van het mnl. werkwoordliken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden,lijkteekenzou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaanlijkteekente schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstiglitteekenmettt, op gelijke wijze alsballingvoorbanling, enspalling, jong varken, voorspaanling, vanspanen(spenen), met tweel’s worden geschreven.132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden innog(etiam, adhuc) evenzeer als innoch(nec) eenechzouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet,nog(adhuc) met eenegals eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.Van een geheel anderen aard is de vraag, of menfeertig,fijftig,sestigenseventigmoet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eenefenslaat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bijseventigop een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanweziget(tzeventig), die intachtig(eigenlijkt-acht-tig) gebleven is, en intnegentigsoms nog wordtgehoord. Dochfeertig,fijftigensestigzijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooittfeertigentfijftiguitgesproken of geschreven, en het verouderdetsestighad detten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijkdertien,veertienenz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:een,twee...tien,elf,twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe.Zestigbehoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die detniet aannam; detvantsestigwas derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken:dix,vingt,trente,quarante,cinquante,soixante,—soixante-dix,quatre-vingts,quatre-vingt-dix,six-vingts(120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch:tyn(10),twentig(20),thritig(30),feowertig(40),fiftig(50),sixtig(60),—hund-seofontig(70),hund-eahtatig(80),hund-nigontig(90),hund-teontig(100),hund-endlufontig(110),hund-twelftig(120). Hoogerop verandert de uitdrukking:hund and thritig(130). Onzetvantseventig,tachtigentnegentigis derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dathundof van een dergelijk afgevallen woord.De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak vanveertig,vijftigenzestigis binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bijzeventigte moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallentniet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen danfeertigenfijftigmetfzou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar metv:een en veertig,twee en veertig,drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstigden Regel der Gelijkvormigheid,veertig,vijftig,zestig,zeventigmet de zachtevenzte schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden metvier,vijf,zesenzevenook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk§ 67.109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met§ 49als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft menstaatdame,zitdag,potdeksel,oogtand,vroegpreek,topzeil,praatvaar,raadzaal,raadzaam,hoofddeel,misstap, ofschoon de uitspraak veeleerstaaddame,ziddag,poddeksel,oochtand,vroechpreek,topseil,praatfaar,raatsaal,raatsaam,hoofdeel,mistapzou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg.§ 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijkBilderdijkdeed, in de twee woordenontvangenenontvonkeneene inbreuk op dezen regel te maken. De spellingontfangenenontfonkenstelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie vanontvallen,ontveinzen,ontvlammen,ontvlieden,ontvluchten,ontvoeren,ontvouwen,ontvreemden,ontzakken,ontzeggen,ontzinkenenz., waarin niemand de vervanging dervenzdoorfensverlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden dev, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden enontvangen,ontvonkente schrijven.110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft menambachtvoorandbacht;kerspelvoorkerkspel;leidselvoorleidzeel;lichaamvoorlijkhaam;misschienvoormag schiên;momboorvoormondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding,jufvrouwspellen, of wel, naar de uitspraak,juffrouw, gelijkBilderdijkschreef en thans nog velen schrijven? Omtrentjuffer,mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oudevere,ver(voorvrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar injuffrouw,mejuffrouw, herkent men nog het subst.vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin devte behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner alsBilderdijkhet eerste deel volstrekt niet verstond enjuffrouwals eene verbastering vanhofvrouwbeschouwde (Taal- en Dichtk. Versch.D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oudejoncvrouwe,joncvrouw, alsjoncfrouwuitgesproken,verliep allengs totjonfrouw,joffrouw,juffrouw. Defontstond derhalve uit devdoor den verscherpenden invloed der keellettercofk, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel decofkals denwegvielen, waardoor nu defverdubbeld moest worden. Zal men nu de tweedefweder terugbrengen tot de oudev, doorjufvrouwte schrijven? Maar dan hangt die eerstefgeheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Diefis de verdubbeling der oorspronkelijkev, nadat zij totfverscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had devalle reden van bestaan verloren.Jufvrouwzou aan eene samenstelling uitjufenvrouwdoen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfsBilderdijkdaardoor misleid werd. Maar schrijft menjuffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbelefstelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijkeven der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in§ 97aannochtansbovennogtansde voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstellingnog danin het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo isjuffrouw, in analogie metjuffer, bovenjufvrouwte verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van eenmeisjein tegenstelling van eenevrouwgebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip vanvrouw, in het tweede dat vanjong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheidhebben opgelost, die juist door de spellingjuffrouwook voor het oog wordt voorgesteld6.111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eenevbegonnen, deze letter totfverscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. infladderennaastvledderenenvlederen, waarvanvledermuis; infleemennaastvleien;fluksvanvlugs;fraaivan fr.vrai;frischnevensversch;fijt, voorheenvijt.Ook bij devvanvonkheeft die verscherping plaats gehad in het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijkefonkelenmet den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt vanvonkelenin de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.112. De toonloozee, die in de meeste woorden op-ling,-lijken-loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als invreemdeling,bloedeloosenz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Dieeis veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. ineindlijk,eindloos, vaneinde,zeedlijkvanzede, enz. Daar dieeonder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens§ 43in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewusteestellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordtgeschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten dereachter de zachte verwante medeklinkersb,denghunne verscherping totp,tenchof totk(inng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten derein prozastijl te ontraden bij woorden alshebbelijkheid,onhebbelijk,dadelijk,deugdelijk,goddelijk,lijdelijk,maagdelijk,verstandelijk,schadeloos,zendeling,dagelijks,degelijk,mogelijk,belangeloosenz., die, zonderegeschreven, tot de uitspraakonheplijk,daatlijk,moochlijkenz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten dereachter stammen, eindigende op eeneg, die door den invloed der volgendelverscherpt is en alschwordt uitgesproken, b.v.genoeglijk,gezeglijk,heuglijk,ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spellinggenoegelijk,heugelijk,ontzaggelijken de uitspraakgenoechelijkofgenoechlijk,heuchlijk,ontzaglijk.Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:De achtervoegsels-lijken-loos, en het achtervoegsel-ing, wanneer dit van de euphonischelwordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonloozeevóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:1)Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten-lijk,-loosen-lingzich onmiddellijk aan:kwalijk,oolijk,vroolijk,schadeloos,tweeling,drieling,zaailing,vrijling,kruiling.Bij analogie volgt hieruit, datmoeilijkenverfoeilijkte verkiezen zijn bovenmoeielijkenverfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zondere worden uitgesproken.Vrijelijkechter, waarin deealtijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.2)Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als indoelloos,balling,begeerlijk,bekoorlijk,waarloos,huurling,gemeenlijk,aanzienlijk,gewoonlijk,aandoenlijk,fatsoenlijk,pijnlijk,toonloos,groenling.Willeloosmaakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vormwille, die ook nog inwillekeurenwillekeurigvoorkomt.Waar denvoorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zòndereevenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide:manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk,zinlijkenzinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v.zinloos(zonder zin) enzinneloos(krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.3)De toonloozeewordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als:adellijk,middellijk,eigenlijk,openlijk,eeniglijk,geduriglijk,koninklijk,teugelloos,ouderloos,regeeringloosheidenz.4)Wanneer het grondwoord op eenegeindigt, die alschwordt uitgesproken, stelt deeeene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping dergten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie:behaaglijk,bijvoeglijk,genoeglijk,gevoeglijk,heuglijk,klaaglijk,ontzaglijkenz.; daarentegendagelijks,degelijk,mogelijkenz., in welke woorden deghare zachte uitspraak behoudt.Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijzeòrdenlijkofòrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen menordene,orden(van lat.ordo,ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereenordezondernuitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalveordelijk, evenalseindelijk,zedelijkenredelijk, welk laatste oorspronkelijk ookredenlijkwerd geschreven, als vanredene,redenafgeleid.Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraakordenheeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft alszindelijknevenszinnelijkofzinlijk.113. Daar het gewaande achtervoegsel-ling(zie de verhandeling over-ingin Dr.De Jager’sArchief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix-ing, voorafgegaan door eene euphonischel, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds opleindigt, schrijven wijhemelingenz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond inBilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spellingheuvellingontsnapte (III, blz. 10).Adellijk,middellijkenonmiddellijkmoeten de dubbelelhebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel-lijkvanadelenmiddel. De spellingadel-ijksteunde op de verkeerde meening, dat-lijkuitl-igzou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijzeadeligmet eenegwordt door ohd.adallîh, mhd.adellich, weersproken, waarom ookGrimmmet anderenadelichmetchspelde, en de meer gebruikelijke metgvoor »falsch” verklaarde. De spellingmidde-lijkis gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoordmidofmiddenzou wezen. Het tegendeel blijktovertuigend uit de spreekwijzezonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thansonmiddellijkbezigen (zieJanssenenVan Dale,Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).114. De woordenmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstand,middelweg, metmiddelsamengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overigemiddente schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op-elte laten eindigen, waaraan wijringelduif,schorteldoek,vastelavonde.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ookmiddeleeuwen,Middelnederlandsch,middelpunt,middelrifenz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk denuitgesproken: men zegt namelijkmiddenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie delaan te nemen.115.Siegenbeekschreef, op voorgang vanHuydecoper, in 1804 de spellingeigenlijk,openlijkenz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijzeeigentlijk,opentlijk, met eene ingelaschtetlieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voorteigenlijk,wezenlijkenz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat dietniet tot hetwezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eenebinhembdof eenepin hijkompt, en met dedin de minder edele woordenvilder,boender,diender(nevens het edelerdienaar). Wanneer zij dietaannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.Om dezelfde redenen verwerpt zij ook detingantsch, gelijkBilderdijkschreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels.Gantschzondertis zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.116.Iemanden zijne ontkenningniemand, mnl.iemaneniemen, bestaat uitie enmanin de thans verouderde beteekenis vanmenschin het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitenden, waartoe de taal zoowel dedals detbezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers inmijnenthalve,ordentelijk,erkentelijk,bekenteniskomt eene ingelaschtetvoor; docharend, oudt.aren;boender,diender, vanboenenendienen;hoendersvanhoen;zindelijkuitzinlijk;Hendrik, hd.Heinrich, hebben ter steuning derneened. De regel der onverbuigbare woorden, die eenetzou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; wantiemandenniemandbehooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2denaamvalleniemandsenniemandsook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,die in de verbogene gehoord wordt. BlijkensPlantijn,Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels,De Deckeren anderen, luidden de 3deen 4denaamv. vroegeriemanden,niemanden, met eened. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeeniemantenniemantschrijven, evenals menwant,leeft,legt,leent,hoortmettspelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eenedzouden moeten hebben.De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijftiemand,niemandmet eened, welke evenzeer gewettigd is als die vanarend, mv.arenden.Ten mijnent,zijnent,harent,onzent,uwent,hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik mettgeschreven.117. Volgens de afleiding zouootmoed, ohd.ôthmuothi,oodmuati, ags.eádhmôd, ouds.ôdhmuodi, bijKiliaannogoodmoed, eenedmoeten hebben, als bestaande uitood, goth.auths, ohd.ôdi,aothi, ags.eádh, ouds.ôdh,ôdhi(ledig, licht, gemakkelijk), datnoodeheeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt inoolijk, bijKil.oodelick,oyelick,oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uitoolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eened, uitthofdhontstaan. Intusschen zou het herstellen derdvolstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap metnoodeenoolijkblijken, die kennis zou voor het publiekde beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Diedzou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling metoodinkleinood, datschatbeteekent, en het eerste lid van ooievaar, bijKil.odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth.aud, ohd.aot,ôt, ags.eád, ouds.ôd, geheel anders dan het vorigeoodluidde.Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spellingootmoedmet eenetde voorkeur.118.Omtrent, dat oorspronkelijkrondom, vervolgensin den omtrek,in de nabijheidbeteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenalsomstreeks, eigenlijkin de omstreek, behoorde volgens de afleiding opduit te gaan. Het bestaat uit het voorzetselom, dat doortrendnader bepaald wordt, gelijkbijdoornainbijna, omzetting vanna bij.Trent,trendis een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekentrond, blijkens ofri., deensch en zweedschtrind, rond. In het Deensch dienttrind, gelijkroundin het Engelsch, zoowel alleenstaande als dooromgevolgd (trind,trind om), als voorzetsel met den zin vanrondom. Ook in het Oudfriesch stondomnog achteraan:trind umbe,trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eenedwas, blijkt uit ags.trendel, kring, cirkel; uit eng.to trundle, draaien, entrendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergetend, die als sluitletter tottverscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering temaken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voortomtrentmet de door het Gebruik gewettigdette schrijven, evenalswant, dat anders, blijkens onl.wanda, insgelijks zijnedzou moeten terugnemen.119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zondernop het einde. Het weglaten dernwas in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden.Bilderdijkmeende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Dienachter-jeis in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van eenmeisjenofhuisjen, nog minder vanmeisjensofhuisjenshoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. Deevan het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia open, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt denalleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-nachter de toonloozeemaar flauw late hooren, zouden de enkelvoudenhuisjen,kopjen,schoteltjenenz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou dendaarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervoudenhuisjens,kopjens,schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie vankuikens,leugens,molens, het duidelijk uitspreken dernzouden eischen. Dezeletter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel.§ 61en 62.Ten opzichte van de woorden op-kenis de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden denachterkindeken,jongsken,dochterkenenz. behouden, te meer daarzachtkensenallengskenshaar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin-kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,jongskeenz.De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel-jeeenetmoet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden opdenm.Bilderdijken vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eenetin, en schrijven: »handtjen,kladtjen,bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aanhandje,kladje,bloempje,boompjeenz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel-jeis, niet-tje; gelijk blijkt uitliefje,kluifje,boogje,leugje,vischje,muschje,doekje,beekje,popje,reepje,lesje,kusjeenz.Bilderdijk’sspellinghandtjenrustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat dedaan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat menhandaltijd met een scheva [eene toonloozee] moet doen hooren, immers uitspreken.”Spraakl., blz. 213.Handwas derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde alshande, enhandtjendus alshandetjen. Spreekt men zóó uit, dan is deteven onmisbaar als inkommetje,mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thanshandtjen,hondtjen,draadtjenenz. geschreven ziet, die leest, alsof erhantjen,hontjen,draatjenenz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie inmoordjaar,landjonkerdedzachter uitbrengt dan detinstraatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschenpondjeenpontje,wandjeenwantjeenz., en zal dus ook de spellinghandtjenenz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.Wie daarentegen inmoordjaar,landjonkerdedeven scherp uitbrengt als detinstraatjongen, die neemt aan, dat ded, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eenebofd, vanzelve intovergaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve det-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteekenteven overtollig, als het zijn zou inkanttje,tenttje,punttje. Wie inhandtje,kindtjedetnoodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spellinghandt,kindtenz., die dan evenzeer noodzakelijk is.In de gewone uitspraak is in de letterverbindingdtdedstom, en klinkthij wordt,bidt,antwoordtenz., alshij wort,bit,antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken vangch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe menhandtje,hondtjeenz. ook neemt en uitspreekt, detachter dedis òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.De woorden opm, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eenepaan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop demenpworden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wieboompjezegt, drukt ze bij demop elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om depte verkrijgen. Spreekt menboomtjeuit, dan moet men voor demde lippen sluiten, voor detze weder openen en de tong te werk stellen. Depontstaat dus inbloempjeals vanzelve, ten minste gemakkelijker dan detinbloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt.Bloempjeis uit dien hoofde natuurlijker danbloemtje, en depdaarom te verkiezen boven det, tenzij men achter demeene toonloozeelate hooren enbloemetjeofblommetjeuitspreke, in welk geval det, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.Depklinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan det, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwantem. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, dieBilderdijkdaarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroegerbloemptje,boomptjeenz. geschreven had, dat depeene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding dermentontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping dertwilde behouden”; hij steldebloempjegelijk met het plattekomptenneempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spellingboomptje,bloemptjeaan te wijzen, enBilderdijk’sbeweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid dertin het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt-jeof-jen, niet-tjeof-tjen. Detenpworden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakkej, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuiskhad kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaamFroukje, hetzelfde woord alsVrouwtje, en uit de werkwoordenboerkje, het boerenbedrijf uitoefenen;briefkje, brieven schrijven, enz. Detheeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als depachter demen dekin de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk deninhoning,diens,wiensenz. De lipletterpstaat derhalve inbloempjeniet ten koste van det, maar is, gelijk ook juistkompt,neempten dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletterm, evenals de tonglettert7van de tonglettersl,nenrinstoeltje,zoontje,deurtje, en als de keelletterkvan de keelletterg, die in de verbindingngnog flauw met den klank der Fransche en Friescheggehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt menkoninkje,woninkje,rottinkjeenz., terwijl wel nooit iemandkoninktjezal uitgesproken of geschreven hebben. Depis achter demevenmin overtollig als detachter een klinker of vloeiende letter, omdat dejdan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen omraamje,boomjeenz. te zeggen, evenmin alszeeje,koeje,stoelje,maanje,deurje.Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching dertin verkleinwoorden, gevormd van woorden, die opdeindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat dietin allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat depde eigenaardige versterkingsletter dermis, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijvendraadje,handjeenz. zondert, enraampje,boompjeenz. met eenep, doch natuurlijkbloemetjeenblommetjemet eenetachter de toonloozee. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v.,bloemtjete schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woordenbehalve,derhalve,weshalve,allenthalve,mijnenthalve,zijnenthalveenz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantiefhalf,halvemet een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook vanhalvegescheiden had kunnen blijven.Halvebeteekentzijde,kant, gelijk blijkt uit het 34stevers van den 67stender Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles teôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeliad orientem(ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan onshalve, als onder dien, welke aan onshalfbeantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eenenkan hebben en dat een genitief en datief singul.:dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.Behalvebestaat uit het genoemde substantief en de praepositiebij, mnl.bi, hier ten gevolge der samenkoppeling totbeverzwakt.Behalveis dus eigenlijkbij halve, en beteekent zooveel alsbij zijde,ter zijde gezet,aan een kant gesteld, d.i.niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv.pi halpo(in parte, in secreto), en in het meerv.pi halpon(in partibus). In het Oudnederl. luidde het woordbehalvoenbehalvon(Ps. LV, 10, en verg, deGloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix-en, veelmin, gelijkBilderdijkwilde, aan een participium van een werkw.behalvenofbehaldente denken is. Het voorzetselbi,bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodathalvehier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men metBilderdijken anderenbehalvenmet eenen, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak,behalvete schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud vanhalvete doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoudbehalvenvolstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijzebehalvezondern, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dathalveabsoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingenmijnentwege,onzentwegeenz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen alsmijnenthalve,onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld metwege, datief vanweg. Daar nuhalveinderhalveenweshalveblijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde isder, evenals indermate,derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw.die, congrueerende methalve:dierhalve(van die zijde bezien). Inweshalvedaarentegen treft men het relativumwataan, in den genitiefwes, die doorhalvegeregeerd wordt.Weshalveis dus zooveel als:beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud vanhalvete denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden enderhalve,weshalvete blijven schrijven.De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, datallenthalveuit hoofde zijner beteekenis (van alle kantenofvan alle zijden) het meerv. vanhalveonderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw.mijnen,zijnen,onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om inallenthalve,mijnenthalveenz. aanhalveden meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reedshalvenmethalveverwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dathalve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is metmijnenthalvenenzijnenthalven, noch metharenthalvenenuwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowelallenthalve,mijnenthalve,hunnenthalveenz., alsbehalve,derhalveenweshalve, zondern. Vergelijk hier de laatste zinsnede van§ 67.121. Hetgeen bijbehalvegezegd is, doet denken aanbezijden. Dit woord komt zeker in zooverre metbehalveovereen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel-en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden:be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spellingbezijdezondernte vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.besideswaarschijnlijk aan het meerv. vanzijdemoet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zijbezijdenschrijven. Zie ook hier§ 67aan het slot.122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij dedinthansenalthans, en evenzoo in de participiale vormendoorgaans,nopens,volgens,wetens,willensenz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewonebijkansvoor den oorspronkelijken vormbijkantszou wenschen te verruilen. De spellingthands,doorgaandsenz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten derdheeft trachten te vermijden.Dat in de woordenthansenalthansdehwordt behouden,ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat dehin deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier§ 66,a.123. Van hetzelfde gevoelen als in§ 122zijn wij ten aanzien van de stommechachter des. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, alsharnas(ch),moss(ch)el, het bijw.ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eenechvoegde, wanneer die nooit metschworden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener blootes, en dus niet altijd met-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden alsbitsvanbijten,spitsvanspit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eenechte geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijvenbits,dwars,spits,warsenz.Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eenechis ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalvetorsen, oud-franschtorser, nevenstros,trossen, fr.trousse,trousser. Alleen inheeschengansch, waarin dechtegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd,vermits de enkelesin de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eenenwordt voorafgegaan, in de verbuiging inzverandert, hetgeen niet geschiedt bijheeschengansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden:heesche,gansche. Daarentegendwaas,dwaze;boos,booze;vies,vieze;vuns,vunze;lens,lenze.Dechheeft inlosch(lynx) en het doorBilderdijkaangenomenwasch(cera) evenmin reden van bestaan, als achterzes,os,vos,was(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór desplaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd.luchs,wachs,sechs,ochs,fuchs,wuchs. Wij schrijven derhalvelosenwas.124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklankensenscheindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak:wijste,frischte; anderen, op grond der Grammatica:wijsste,frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammaticawijsste,frischsteeischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twees’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twees’s willen brengen:het wijsst,het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze,in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. Desin het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkelesevenzeer toereikend inFriescheals inFriesch, van het znw.Fries, en zoo ook inParijsche,Boloneesche,Chineesche,Japaneesche,Siameescheenz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen introtsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw.trots. De spellingwijst—wijste,boos—booste,loos—loosteenz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijlfrischte,malschteenz., waarin deschtoch ook slechts alssklinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijzebooste,looste,wijste,frischte,malschteenz. de voorkeur.125. De schrijfwijzeallezins,anderzins,eenigzinsenveelzinsbeantwoordt niet aan de uitspraak, die de spellingallesins,andersins,eenigsinsenveelsinszou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uitalles,anders,eenigs,veels, de sterke genitieven vanal,ander,eenig,veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis vankant,richting,opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen metalles jaars, dat o.a. bijHooftvoorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingeneensdeels,mijns inziens,goedsmoeds,blootshoofdsenz. Dezheeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan des, die men weglaat op voorgang vanSiegenbeek, welke haar evenwel ingeenszinswilde behouden hebben. De afleidingen de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste dezvanzininste veranderen:allesins,eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming metgeenszins, ookalleszinsenz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van desenzmaakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt:alles-zins,eenigs-zins. Niemand toch zegtgeens-zins, evenmin alsdans-zaal,kruis-straf,mis-stapenz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, alsgeensins,dansaal,kruistraf,mistapenz. luiden. De spellingallesins,andersins,eenigsins,geensinsenveelsinszou, in strijd met§ 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welkezineene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Franschesensinen tout sens,de tous les sens. Derhalvealleszins,anderszins,eenigszins,veelszins, evenalsgeenszins.126. De spellingverw,verwen,verwpot,verwwinkelenz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormenvaruwenvaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals ingerfkamer(van het verouderdegaerwen), dewdoor dev(f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleenverf,verfkwast,verfwinkelenz., maar ookverven,verver,ververijenz.Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, dewvanmurwinv(f) te veranderen. De uitspraakmurfis verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken metvermurwen, hetwelk door niemand alsvermurvenwordt uitgesproken.127. Het tweede lid der samenstellingenbuskruidenrattenkruid(gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden vankruid(herba). Het doet ons veeleer denken aanstof,poeder, dan aan een product van hetkruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan eenkruidofgewasdenken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis dette moeten bezigen, en schrijven duskruit(pulvis pyrius),buskruitenrattenkruit, ter onderscheiding vankruid(herba),onkruid,nieskruid,wormkruidenz. Evenzoo schrijft men algemeenschroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks dedzou vereischen; wantschroot(bijKiliaanschroodeenschroye) is eene afleiding van het oude werkwoordschroden(snijden), en beteekent eigenlijksnijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woordenschroodbeitelenschroodijzer, waarin de beteekenis vanschrodennog gevoeld wordt, is dedbehouden gebleven; maarschroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed detaangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ookkruitvankruidgescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraakDingsdagis stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, datDiinsdach, ookDisendachenDinxendachschreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaalDingsdagbegon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde denDingsdagals dendag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spellingDingsdagmeer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgodMars; de Nederlandsche benaming iseene vertaling van het lat.dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen,DiuofDiohebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naamDieluiden. Derhalve wareDiesdagde regelmatige vertaling vandies Martis; doch het gebruik heeft hier eeneningeschoven, evenals in de genitieven vandieenwie, welke thansdiensenwiens, maar oudtijds ookdiesenwiesluidden. Die inschuiving dernhad hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest(hd.keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de godDiemet zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd.DinstagenDiestag, bij onsDinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader danDingsdagbij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijdDinsdaggezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewoneDijnsdagnog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nogDizendag.Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vormDingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling alsDingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is alsWoengsdag,gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.129. Het woordschepter, lat.sceptrum, fr.sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak dech. Het moge waar zijn, zooalsBilderdijkenWiseliusverzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeensepter, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spellingschepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen dechdoet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenalsschrijn(werker) van lat.scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin deschaan lat.scbeantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, alsschabel(lat.scabellum) enschorpioen(lat.scorpio) enz. dechtoekent.Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijzesepterbehouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaarschepteraan. In allen gevalle is de derde vorm,scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.130. Bij de keus tusschenamt,ambt, enampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan.Amtvoldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding vanambacht, goth.andbahti, eene labiale mutaflauw gehoord wordt.Ampt, waarvoor de scherpe sluitlettertpleit, zou bij analogie ook de spellingaptvoorabtvorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel vanabdijenabdisscheiden zou. Debinambtdaarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling vanlikteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. Dektoch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl.liictekin, mnl.lijcteken,lijcteeken, is aan de volgendetgelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reedsTen Katehet woord ten onrechte vanlijk(vleesch) afleidde, en alsteeken in het vleeschverklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, datlikhier de stam is van het mnl. werkwoordliken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden,lijkteekenzou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaanlijkteekente schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstiglitteekenmettt, op gelijke wijze alsballingvoorbanling, enspalling, jong varken, voorspaanling, vanspanen(spenen), met tweel’s worden geschreven.132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden innog(etiam, adhuc) evenzeer als innoch(nec) eenechzouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet,nog(adhuc) met eenegals eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aantzamen,te zamen, wordt metsgeschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve inte zamen.
Van een geheel anderen aard is de vraag, of menfeertig,fijftig,sestigenseventigmoet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eenefenslaat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bijseventigop een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanweziget(tzeventig), die intachtig(eigenlijkt-acht-tig) gebleven is, en intnegentigsoms nog wordtgehoord. Dochfeertig,fijftigensestigzijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooittfeertigentfijftiguitgesproken of geschreven, en het verouderdetsestighad detten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijkdertien,veertienenz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande:een,twee...tien,elf,twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe.Zestigbehoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die detniet aannam; detvantsestigwas derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken:dix,vingt,trente,quarante,cinquante,soixante,—soixante-dix,quatre-vingts,quatre-vingt-dix,six-vingts(120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch:tyn(10),twentig(20),thritig(30),feowertig(40),fiftig(50),sixtig(60),—hund-seofontig(70),hund-eahtatig(80),hund-nigontig(90),hund-teontig(100),hund-endlufontig(110),hund-twelftig(120). Hoogerop verandert de uitdrukking:hund and thritig(130). Onzetvantseventig,tachtigentnegentigis derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dathundof van een dergelijk afgevallen woord.
De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak vanveertig,vijftigenzestigis binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bijzeventigte moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallentniet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen danfeertigenfijftigmetfzou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar metv:een en veertig,twee en veertig,drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstigden Regel der Gelijkvormigheid,veertig,vijftig,zestig,zeventigmet de zachtevenzte schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden metvier,vijf,zesenzevenook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk§ 67.
109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met§ 49als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft menstaatdame,zitdag,potdeksel,oogtand,vroegpreek,topzeil,praatvaar,raadzaal,raadzaam,hoofddeel,misstap, ofschoon de uitspraak veeleerstaaddame,ziddag,poddeksel,oochtand,vroechpreek,topseil,praatfaar,raatsaal,raatsaam,hoofdeel,mistapzou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg.§ 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijkBilderdijkdeed, in de twee woordenontvangenenontvonkeneene inbreuk op dezen regel te maken. De spellingontfangenenontfonkenstelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie vanontvallen,ontveinzen,ontvlammen,ontvlieden,ontvluchten,ontvoeren,ontvouwen,ontvreemden,ontzakken,ontzeggen,ontzinkenenz., waarin niemand de vervanging dervenzdoorfensverlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden dev, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden enontvangen,ontvonkente schrijven.
110. De regel, in den aanvang der vorige § genoemd, is natuurlijk alleen van toepassing op die afleidingen en samenstellingen, die nog als zoodanig begrepen worden. Het onveranderd behouden van den eigenlijken vorm der woorden strekt juist ten bewijze, dat men de woorden in hunnen oorsprong en hunne vorming doorziet. Maar wanneer men òf de samenstellende deelen, òf althans één van beide, niet meer verstaat, wanneer derhalve de vorming van het woord niet meer leeft in het bewustzijn der natie, dan hebben de samentreffende letters vrij spel, zij wijzigen elkander naar de behoeften der uitspraak, en de spelling kan zich aan die wijzigingen niet langer onttrekken om den echten vorm des woords voor het oog te herstellen, omdat die echte vorm toch niet meer begrepen, en het woord niet meer als afleiding of samenstelling, maar als ondeelbare eenheid opgevat wordt. Zoo schrijft menambachtvoorandbacht;kerspelvoorkerkspel;leidselvoorleidzeel;lichaamvoorlijkhaam;misschienvoormag schiên;momboorvoormondboor, enz., omdat in al die woorden het ware begrip voor het taalgevoel verduisterd is. Deze opmerking leidt tot de beantwoording der vraag: Moet men, naar de afleiding,jufvrouwspellen, of wel, naar de uitspraak,juffrouw, gelijkBilderdijkschreef en thans nog velen schrijven? Omtrentjuffer,mejuffer, kan geen twijfel bestaan: het oudevere,ver(voorvrouw), is zoo geheel verouderd, dat hier aan geen herstel der oorspronkelijke spelling te denken valt Maar injuffrouw,mejuffrouw, herkent men nog het subst.vrouw. Is het dus niet raadzaam, daarin devte behouden? Wij aarzelen niet, die vraag ontkennend te beantwoorden. Dat de wezenlijke vorming des woords in het bewustzijn der natie niet meer leeft, blijkt overtuigend hieruit, dat zelfs een taalkenner alsBilderdijkhet eerste deel volstrekt niet verstond enjuffrouwals eene verbastering vanhofvrouwbeschouwde (Taal- en Dichtk. Versch.D. II, bl. 146). Doch de ware geschiedenis des woords was deze. Het oudejoncvrouwe,joncvrouw, alsjoncfrouwuitgesproken,verliep allengs totjonfrouw,joffrouw,juffrouw. Defontstond derhalve uit devdoor den verscherpenden invloed der keellettercofk, en vervolgens werd het woord zoodanig ingekort, dat zoowel decofkals denwegvielen, waardoor nu defverdubbeld moest worden. Zal men nu de tweedefweder terugbrengen tot de oudev, doorjufvrouwte schrijven? Maar dan hangt die eerstefgeheel in de lucht en wordt door niets gerechtvaardigd. Diefis de verdubbeling der oorspronkelijkev, nadat zij totfverscherpt was; van het oogenblik af, dat zij in de eerste lettergreep gehoord werd, moest ook de aanvangletter der tweede scherp blijven en had devalle reden van bestaan verloren.Jufvrouwzou aan eene samenstelling uitjufenvrouwdoen denken, geheel in strijd met de waarheid: wij zagen reeds, hoe zelfsBilderdijkdaardoor misleid werd. Maar schrijft menjuffrouw, dan is de vorm van het woord etymologisch gerechtvaardigd: de dubbelefstelt de samentrekking voor, die door de onderlinge werking der oorspronkelijkeven der beide weggevallene medeklinkers ontstond. En men blijft dan tevens getrouw aan den bovengenoemden regel: in samengestelde woorden, voor zooverre zij nog helder begrepen worden, zich naar de afleiding te richten; doch wanneer zij niet meer in hunne vorming verstaan worden de uitspraak te volgen. Om dezelfde reden hebben wij in§ 97aannochtansbovennogtansde voorkeur gegeven, omdat ook in dit woord de samenstellingnog danin het volksbewustzijn niet meer gevoeld wordt. Evenzoo isjuffrouw, in analogie metjuffer, bovenjufvrouwte verkiezen, en te meer omdat het woord veelal òf van een ongehuwd persoon in tegenstelling van eene gehuwde, van eenmeisjein tegenstelling van eenevrouwgebezigd wordt, òf van eene gehuwde en zelfs bejaarde vrouw van minderen stand, zoodat in het eerste geval het begrip vanvrouw, in het tweede dat vanjong, in de samenstelling nagenoeg is uitgesleten, om gezamenlijk plaats te maken voor eene nieuwe voorstelling, waarin de beide samenstellende deelen zich in eene eenheidhebben opgelost, die juist door de spellingjuffrouwook voor het oog wordt voorgesteld6.
111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eenevbegonnen, deze letter totfverscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. infladderennaastvledderenenvlederen, waarvanvledermuis; infleemennaastvleien;fluksvanvlugs;fraaivan fr.vrai;frischnevensversch;fijt, voorheenvijt.
Ook bij devvanvonkheeft die verscherping plaats gehad in het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijkefonkelenmet den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt vanvonkelenin de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.
112. De toonloozee, die in de meeste woorden op-ling,-lijken-loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als invreemdeling,bloedeloosenz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Dieeis veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. ineindlijk,eindloos, vaneinde,zeedlijkvanzede, enz. Daar dieeonder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens§ 43in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewusteestellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordtgeschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.
De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten dereachter de zachte verwante medeklinkersb,denghunne verscherping totp,tenchof totk(inng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten derein prozastijl te ontraden bij woorden alshebbelijkheid,onhebbelijk,dadelijk,deugdelijk,goddelijk,lijdelijk,maagdelijk,verstandelijk,schadeloos,zendeling,dagelijks,degelijk,mogelijk,belangeloosenz., die, zonderegeschreven, tot de uitspraakonheplijk,daatlijk,moochlijkenz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten dereachter stammen, eindigende op eeneg, die door den invloed der volgendelverscherpt is en alschwordt uitgesproken, b.v.genoeglijk,gezeglijk,heuglijk,ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spellinggenoegelijk,heugelijk,ontzaggelijken de uitspraakgenoechelijkofgenoechlijk,heuchlijk,ontzaglijk.
Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:
De achtervoegsels-lijken-loos, en het achtervoegsel-ing, wanneer dit van de euphonischelwordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonloozeevóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:
1)Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten-lijk,-loosen-lingzich onmiddellijk aan:kwalijk,oolijk,vroolijk,schadeloos,tweeling,drieling,zaailing,vrijling,kruiling.
Bij analogie volgt hieruit, datmoeilijkenverfoeilijkte verkiezen zijn bovenmoeielijkenverfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zondere worden uitgesproken.Vrijelijkechter, waarin deealtijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.
2)Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als indoelloos,balling,begeerlijk,bekoorlijk,waarloos,huurling,gemeenlijk,aanzienlijk,gewoonlijk,aandoenlijk,fatsoenlijk,pijnlijk,toonloos,groenling.Willeloosmaakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vormwille, die ook nog inwillekeurenwillekeurigvoorkomt.
Waar denvoorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zòndereevenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide:manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk,zinlijkenzinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v.zinloos(zonder zin) enzinneloos(krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.
3)De toonloozeewordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als:adellijk,middellijk,eigenlijk,openlijk,eeniglijk,geduriglijk,koninklijk,teugelloos,ouderloos,regeeringloosheidenz.
4)Wanneer het grondwoord op eenegeindigt, die alschwordt uitgesproken, stelt deeeene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping dergten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie:behaaglijk,bijvoeglijk,genoeglijk,gevoeglijk,heuglijk,klaaglijk,ontzaglijkenz.; daarentegendagelijks,degelijk,mogelijkenz., in welke woorden deghare zachte uitspraak behoudt.
Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijzeòrdenlijkofòrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen menordene,orden(van lat.ordo,ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereenordezondernuitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalveordelijk, evenalseindelijk,zedelijkenredelijk, welk laatste oorspronkelijk ookredenlijkwerd geschreven, als vanredene,redenafgeleid.Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraakordenheeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft alszindelijknevenszinnelijkofzinlijk.
113. Daar het gewaande achtervoegsel-ling(zie de verhandeling over-ingin Dr.De Jager’sArchief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix-ing, voorafgegaan door eene euphonischel, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds opleindigt, schrijven wijhemelingenz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond inBilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spellingheuvellingontsnapte (III, blz. 10).
Adellijk,middellijkenonmiddellijkmoeten de dubbelelhebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel-lijkvanadelenmiddel. De spellingadel-ijksteunde op de verkeerde meening, dat-lijkuitl-igzou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijzeadeligmet eenegwordt door ohd.adallîh, mhd.adellich, weersproken, waarom ookGrimmmet anderenadelichmetchspelde, en de meer gebruikelijke metgvoor »falsch” verklaarde. De spellingmidde-lijkis gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoordmidofmiddenzou wezen. Het tegendeel blijktovertuigend uit de spreekwijzezonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thansonmiddellijkbezigen (zieJanssenenVan Dale,Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).
114. De woordenmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstand,middelweg, metmiddelsamengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overigemiddente schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op-elte laten eindigen, waaraan wijringelduif,schorteldoek,vastelavonde.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ookmiddeleeuwen,Middelnederlandsch,middelpunt,middelrifenz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk denuitgesproken: men zegt namelijkmiddenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie delaan te nemen.
115.Siegenbeekschreef, op voorgang vanHuydecoper, in 1804 de spellingeigenlijk,openlijkenz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijzeeigentlijk,opentlijk, met eene ingelaschtetlieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voorteigenlijk,wezenlijkenz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat dietniet tot hetwezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eenebinhembdof eenepin hijkompt, en met dedin de minder edele woordenvilder,boender,diender(nevens het edelerdienaar). Wanneer zij dietaannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.
Om dezelfde redenen verwerpt zij ook detingantsch, gelijkBilderdijkschreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels.Gantschzondertis zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.
116.Iemanden zijne ontkenningniemand, mnl.iemaneniemen, bestaat uitie enmanin de thans verouderde beteekenis vanmenschin het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitenden, waartoe de taal zoowel dedals detbezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers inmijnenthalve,ordentelijk,erkentelijk,bekenteniskomt eene ingelaschtetvoor; docharend, oudt.aren;boender,diender, vanboenenendienen;hoendersvanhoen;zindelijkuitzinlijk;Hendrik, hd.Heinrich, hebben ter steuning derneened. De regel der onverbuigbare woorden, die eenetzou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; wantiemandenniemandbehooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2denaamvalleniemandsenniemandsook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker,die in de verbogene gehoord wordt. BlijkensPlantijn,Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels,De Deckeren anderen, luidden de 3deen 4denaamv. vroegeriemanden,niemanden, met eened. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeeniemantenniemantschrijven, evenals menwant,leeft,legt,leent,hoortmettspelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eenedzouden moeten hebben.
De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijftiemand,niemandmet eened, welke evenzeer gewettigd is als die vanarend, mv.arenden.
Ten mijnent,zijnent,harent,onzent,uwent,hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik mettgeschreven.
117. Volgens de afleiding zouootmoed, ohd.ôthmuothi,oodmuati, ags.eádhmôd, ouds.ôdhmuodi, bijKiliaannogoodmoed, eenedmoeten hebben, als bestaande uitood, goth.auths, ohd.ôdi,aothi, ags.eádh, ouds.ôdh,ôdhi(ledig, licht, gemakkelijk), datnoodeheeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt inoolijk, bijKil.oodelick,oyelick,oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uitoolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eened, uitthofdhontstaan. Intusschen zou het herstellen derdvolstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap metnoodeenoolijkblijken, die kennis zou voor het publiekde beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Diedzou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling metoodinkleinood, datschatbeteekent, en het eerste lid van ooievaar, bijKil.odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth.aud, ohd.aot,ôt, ags.eád, ouds.ôd, geheel anders dan het vorigeoodluidde.
Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spellingootmoedmet eenetde voorkeur.
118.Omtrent, dat oorspronkelijkrondom, vervolgensin den omtrek,in de nabijheidbeteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenalsomstreeks, eigenlijkin de omstreek, behoorde volgens de afleiding opduit te gaan. Het bestaat uit het voorzetselom, dat doortrendnader bepaald wordt, gelijkbijdoornainbijna, omzetting vanna bij.Trent,trendis een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekentrond, blijkens ofri., deensch en zweedschtrind, rond. In het Deensch dienttrind, gelijkroundin het Engelsch, zoowel alleenstaande als dooromgevolgd (trind,trind om), als voorzetsel met den zin vanrondom. Ook in het Oudfriesch stondomnog achteraan:trind umbe,trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eenedwas, blijkt uit ags.trendel, kring, cirkel; uit eng.to trundle, draaien, entrendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergetend, die als sluitletter tottverscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering temaken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voortomtrentmet de door het Gebruik gewettigdette schrijven, evenalswant, dat anders, blijkens onl.wanda, insgelijks zijnedzou moeten terugnemen.
119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zondernop het einde. Het weglaten dernwas in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden.Bilderdijkmeende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Dienachter-jeis in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van eenmeisjenofhuisjen, nog minder vanmeisjensofhuisjenshoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.
Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. Deevan het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia open, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt denalleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-nachter de toonloozeemaar flauw late hooren, zouden de enkelvoudenhuisjen,kopjen,schoteltjenenz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou dendaarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervoudenhuisjens,kopjens,schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie vankuikens,leugens,molens, het duidelijk uitspreken dernzouden eischen. Dezeletter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel.§ 61en 62.
Ten opzichte van de woorden op-kenis de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden denachterkindeken,jongsken,dochterkenenz. behouden, te meer daarzachtkensenallengskenshaar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin-kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,jongskeenz.
De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel-jeeenetmoet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden opdenm.Bilderdijken vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eenetin, en schrijven: »handtjen,kladtjen,bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aanhandje,kladje,bloempje,boompjeenz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel-jeis, niet-tje; gelijk blijkt uitliefje,kluifje,boogje,leugje,vischje,muschje,doekje,beekje,popje,reepje,lesje,kusjeenz.
Bilderdijk’sspellinghandtjenrustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat dedaan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat menhandaltijd met een scheva [eene toonloozee] moet doen hooren, immers uitspreken.”Spraakl., blz. 213.Handwas derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde alshande, enhandtjendus alshandetjen. Spreekt men zóó uit, dan is deteven onmisbaar als inkommetje,mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thanshandtjen,hondtjen,draadtjenenz. geschreven ziet, die leest, alsof erhantjen,hontjen,draatjenenz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie inmoordjaar,landjonkerdedzachter uitbrengt dan detinstraatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschenpondjeenpontje,wandjeenwantjeenz., en zal dus ook de spellinghandtjenenz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.
Wie daarentegen inmoordjaar,landjonkerdedeven scherp uitbrengt als detinstraatjongen, die neemt aan, dat ded, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eenebofd, vanzelve intovergaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve det-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteekenteven overtollig, als het zijn zou inkanttje,tenttje,punttje. Wie inhandtje,kindtjedetnoodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spellinghandt,kindtenz., die dan evenzeer noodzakelijk is.
In de gewone uitspraak is in de letterverbindingdtdedstom, en klinkthij wordt,bidt,antwoordtenz., alshij wort,bit,antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken vangch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe menhandtje,hondtjeenz. ook neemt en uitspreekt, detachter dedis òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.
De woorden opm, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eenepaan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop demenpworden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wieboompjezegt, drukt ze bij demop elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om depte verkrijgen. Spreekt menboomtjeuit, dan moet men voor demde lippen sluiten, voor detze weder openen en de tong te werk stellen. Depontstaat dus inbloempjeals vanzelve, ten minste gemakkelijker dan detinbloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt.Bloempjeis uit dien hoofde natuurlijker danbloemtje, en depdaarom te verkiezen boven det, tenzij men achter demeene toonloozeelate hooren enbloemetjeofblommetjeuitspreke, in welk geval det, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.
Depklinkt op zich zelve wel niet leelijker, platter of plomper dan det, en stellig niet in het gezelschap van de aanverwantem. Er is dan ook geene enkele grondige reden te bedenken, waarom zij geweerd zou moeten worden. De reden, dieBilderdijkdaarvoor aanvoerde, was uit de lucht gegrepen. Hij meende, dat men vroegerbloemptje,boomptjeenz. geschreven had, dat depeene tusschenletter was, »alleen uit de verbinding dermentontstaan”, en die men »nu dwaaslijk met wegwerping dertwilde behouden”; hij steldebloempjegelijk met het plattekomptenneempt. Intusschen zijn er geene voorbeelden van de spellingboomptje,bloemptjeaan te wijzen, enBilderdijk’sbeweren onderstelt ten onrechte de onmisbaarheid dertin het verkleinende achtervoegsel. Doch dit luidt-jeof-jen, niet-tjeof-tjen. Detenpworden slechts ingelascht ter versterking van de zoo zachte en zwakkej, waartoe, indien de taal zulks gewild had, ook de derde tenuiskhad kunnen dienen, gelijk blijkt uit den Frieschen eigennaamFroukje, hetzelfde woord alsVrouwtje, en uit de werkwoordenboerkje, het boerenbedrijf uitoefenen;briefkje, brieven schrijven, enz. Detheeft in de algemeen Nederlandsche deminutieven evenmin eene beteekenis als depachter demen dekin de genoemde Friesche woorden; zij heeft louter euphonische waarde, gelijk deninhoning,diens,wiensenz. De lipletterpstaat derhalve inbloempjeniet ten koste van det, maar is, gelijk ook juistkompt,neempten dergelijke woorden leeren, de natuurlijke en eigenaardige versterking der lipletterm, evenals de tonglettert7van de tonglettersl,nenrinstoeltje,zoontje,deurtje, en als de keelletterkvan de keelletterg, die in de verbindingngnog flauw met den klank der Fransche en Friescheggehoord wordt. Ten gevolge daarvan zegt menkoninkje,woninkje,rottinkjeenz., terwijl wel nooit iemandkoninktjezal uitgesproken of geschreven hebben. Depis achter demevenmin overtollig als detachter een klinker of vloeiende letter, omdat dejdan te zwak wordt geoordeeld; men zal er toch wel nimmer toe komen omraamje,boomjeenz. te zeggen, evenmin alszeeje,koeje,stoelje,maanje,deurje.
Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching dertin verkleinwoorden, gevormd van woorden, die opdeindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat dietin allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat depde eigenaardige versterkingsletter dermis, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijvendraadje,handjeenz. zondert, enraampje,boompjeenz. met eenep, doch natuurlijkbloemetjeenblommetjemet eenetachter de toonloozee. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v.,bloemtjete schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.
120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woordenbehalve,derhalve,weshalve,allenthalve,mijnenthalve,zijnenthalveenz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantiefhalf,halvemet een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook vanhalvegescheiden had kunnen blijven.Halvebeteekentzijde,kant, gelijk blijkt uit het 34stevers van den 67stender Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles teôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeliad orientem(ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan onshalve, als onder dien, welke aan onshalfbeantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eenenkan hebben en dat een genitief en datief singul.:dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.
Behalvebestaat uit het genoemde substantief en de praepositiebij, mnl.bi, hier ten gevolge der samenkoppeling totbeverzwakt.Behalveis dus eigenlijkbij halve, en beteekent zooveel alsbij zijde,ter zijde gezet,aan een kant gesteld, d.i.niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv.pi halpo(in parte, in secreto), en in het meerv.pi halpon(in partibus). In het Oudnederl. luidde het woordbehalvoenbehalvon(Ps. LV, 10, en verg, deGloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix-en, veelmin, gelijkBilderdijkwilde, aan een participium van een werkw.behalvenofbehaldente denken is. Het voorzetselbi,bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodathalvehier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men metBilderdijken anderenbehalvenmet eenen, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak,behalvete schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud vanhalvete doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoudbehalvenvolstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijzebehalvezondern, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.
De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dathalveabsoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingenmijnentwege,onzentwegeenz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen alsmijnenthalve,onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld metwege, datief vanweg. Daar nuhalveinderhalveenweshalveblijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde isder, evenals indermate,derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw.die, congrueerende methalve:dierhalve(van die zijde bezien). Inweshalvedaarentegen treft men het relativumwataan, in den genitiefwes, die doorhalvegeregeerd wordt.Weshalveis dus zooveel als:beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud vanhalvete denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden enderhalve,weshalvete blijven schrijven.
De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, datallenthalveuit hoofde zijner beteekenis (van alle kantenofvan alle zijden) het meerv. vanhalveonderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw.mijnen,zijnen,onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om inallenthalve,mijnenthalveenz. aanhalveden meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reedshalvenmethalveverwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dathalve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is metmijnenthalvenenzijnenthalven, noch metharenthalvenenuwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowelallenthalve,mijnenthalve,hunnenthalveenz., alsbehalve,derhalveenweshalve, zondern. Vergelijk hier de laatste zinsnede van§ 67.
121. Hetgeen bijbehalvegezegd is, doet denken aanbezijden. Dit woord komt zeker in zooverre metbehalveovereen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel-en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden:be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spellingbezijdezondernte vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng.besideswaarschijnlijk aan het meerv. vanzijdemoet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zijbezijdenschrijven. Zie ook hier§ 67aan het slot.
122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij dedinthansenalthans, en evenzoo in de participiale vormendoorgaans,nopens,volgens,wetens,willensenz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewonebijkansvoor den oorspronkelijken vormbijkantszou wenschen te verruilen. De spellingthands,doorgaandsenz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten derdheeft trachten te vermijden.
Dat in de woordenthansenalthansdehwordt behouden,ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat dehin deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier§ 66,a.
123. Van hetzelfde gevoelen als in§ 122zijn wij ten aanzien van de stommechachter des. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, alsharnas(ch),moss(ch)el, het bijw.ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.
Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eenechvoegde, wanneer die nooit metschworden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener blootes, en dus niet altijd met-sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden alsbitsvanbijten,spitsvanspit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eenechte geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijvenbits,dwars,spits,warsenz.
Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eenechis ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalvetorsen, oud-franschtorser, nevenstros,trossen, fr.trousse,trousser. Alleen inheeschengansch, waarin dechtegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd,vermits de enkelesin de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eenenwordt voorafgegaan, in de verbuiging inzverandert, hetgeen niet geschiedt bijheeschengansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden:heesche,gansche. Daarentegendwaas,dwaze;boos,booze;vies,vieze;vuns,vunze;lens,lenze.
Dechheeft inlosch(lynx) en het doorBilderdijkaangenomenwasch(cera) evenmin reden van bestaan, als achterzes,os,vos,was(toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór desplaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd.luchs,wachs,sechs,ochs,fuchs,wuchs. Wij schrijven derhalvelosenwas.
124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklankensenscheindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak:wijste,frischte; anderen, op grond der Grammatica:wijsste,frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammaticawijsste,frischsteeischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twees’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twees’s willen brengen:het wijsst,het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze,in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. Desin het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkelesevenzeer toereikend inFriescheals inFriesch, van het znw.Fries, en zoo ook inParijsche,Boloneesche,Chineesche,Japaneesche,Siameescheenz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen introtsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw.trots. De spellingwijst—wijste,boos—booste,loos—loosteenz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijlfrischte,malschteenz., waarin deschtoch ook slechts alssklinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijzebooste,looste,wijste,frischte,malschteenz. de voorkeur.
125. De schrijfwijzeallezins,anderzins,eenigzinsenveelzinsbeantwoordt niet aan de uitspraak, die de spellingallesins,andersins,eenigsinsenveelsinszou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uitalles,anders,eenigs,veels, de sterke genitieven vanal,ander,eenig,veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis vankant,richting,opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen metalles jaars, dat o.a. bijHooftvoorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingeneensdeels,mijns inziens,goedsmoeds,blootshoofdsenz. Dezheeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan des, die men weglaat op voorgang vanSiegenbeek, welke haar evenwel ingeenszinswilde behouden hebben. De afleidingen de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste dezvanzininste veranderen:allesins,eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming metgeenszins, ookalleszinsenz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van desenzmaakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt:alles-zins,eenigs-zins. Niemand toch zegtgeens-zins, evenmin alsdans-zaal,kruis-straf,mis-stapenz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, alsgeensins,dansaal,kruistraf,mistapenz. luiden. De spellingallesins,andersins,eenigsins,geensinsenveelsinszou, in strijd met§ 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welkezineene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Franschesensinen tout sens,de tous les sens. Derhalvealleszins,anderszins,eenigszins,veelszins, evenalsgeenszins.
126. De spellingverw,verwen,verwpot,verwwinkelenz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormenvaruwenvaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals ingerfkamer(van het verouderdegaerwen), dewdoor dev(f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleenverf,verfkwast,verfwinkelenz., maar ookverven,verver,ververijenz.
Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, dewvanmurwinv(f) te veranderen. De uitspraakmurfis verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken metvermurwen, hetwelk door niemand alsvermurvenwordt uitgesproken.
127. Het tweede lid der samenstellingenbuskruidenrattenkruid(gelijk men gewoon is te schrijven) is thans door zijne beteekenis gescheiden vankruid(herba). Het doet ons veeleer denken aanstof,poeder, dan aan een product van hetkruiden- of plantenrijk. Wel is waar hebben de jongste onderzoekingen geleerd, dat wij hier niet (gelijk de Redactie vroeger vermoedde) met twee verschillende woorden te doen hebben, maar met een zelfde woord in twee uiteenloopende opvattingen9. Doch al is ook het eene, wat den oorsprong betreft, met het andere identisch, door de afwijkende beteekenis zijn zij voor ons gevoel nu eenmaal verschillend geworden. Wij kunnen bij den naam van het salpeterpoeder, waarmede wij ons schietgeweer laden, of bij dien van het metaalpoeder, dat wij gebruiken om ratten te dooden, niet meer aan eenkruidofgewasdenken. Reeds daarom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Wij meenen daarom in deze beteekenis dette moeten bezigen, en schrijven duskruit(pulvis pyrius),buskruitenrattenkruit, ter onderscheiding vankruid(herba),onkruid,nieskruid,wormkruidenz. Evenzoo schrijft men algemeenschroot, omdat ook dit woord nu niet meer verbogen wordt, ofschoon het, naar zijn oorsprong beschouwd, insgelijks dedzou vereischen; wantschroot(bijKiliaanschroodeenschroye) is eene afleiding van het oude werkwoordschroden(snijden), en beteekent eigenlijksnijdsel, t.w. de afgesneden of afgehakte stukken ijzerwerk, waarmede men het geschut in plaats van met kogels laadt. In de beide woordenschroodbeitelenschroodijzer, waarin de beteekenis vanschrodennog gevoeld wordt, is dedbehouden gebleven; maarschroot, door veranderde opvatting geheel van zijnen oorsprong vervreemd en daarenboven niet meer verbogen, heeft voorgoed detaangenomen. Op dezelfde wijze behoort dan ookkruitvankruidgescheiden te worden, nu het eenmaal door veranderde beteekenis een ander woord is geworden.
128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraakDingsdagis stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, datDiinsdach, ookDisendachenDinxendachschreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaalDingsdagbegon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde denDingsdagals dendag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spellingDingsdagmeer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgodMars; de Nederlandsche benaming iseene vertaling van het lat.dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen,DiuofDiohebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naamDieluiden. Derhalve wareDiesdagde regelmatige vertaling vandies Martis; doch het gebruik heeft hier eeneningeschoven, evenals in de genitieven vandieenwie, welke thansdiensenwiens, maar oudtijds ookdiesenwiesluidden. Die inschuiving dernhad hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest(hd.keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de godDiemet zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd.DinstagenDiestag, bij onsDinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader danDingsdagbij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijdDinsdaggezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewoneDijnsdagnog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nogDizendag.
Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vormDingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling alsDingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is alsWoengsdag,gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.
129. Het woordschepter, lat.sceptrum, fr.sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak dech. Het moge waar zijn, zooalsBilderdijkenWiseliusverzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeensepter, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spellingschepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen dechdoet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenalsschrijn(werker) van lat.scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin deschaan lat.scbeantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, alsschabel(lat.scabellum) enschorpioen(lat.scorpio) enz. dechtoekent.
Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijzesepterbehouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaarschepteraan. In allen gevalle is de derde vorm,scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.
130. Bij de keus tusschenamt,ambt, enampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan.Amtvoldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding vanambacht, goth.andbahti, eene labiale mutaflauw gehoord wordt.Ampt, waarvoor de scherpe sluitlettertpleit, zou bij analogie ook de spellingaptvoorabtvorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel vanabdijenabdisscheiden zou. Debinambtdaarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.
131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling vanlikteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. Dektoch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl.liictekin, mnl.lijcteken,lijcteeken, is aan de volgendetgelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reedsTen Katehet woord ten onrechte vanlijk(vleesch) afleidde, en alsteeken in het vleeschverklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, datlikhier de stam is van het mnl. werkwoordliken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden,lijkteekenzou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaanlijkteekente schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstiglitteekenmettt, op gelijke wijze alsballingvoorbanling, enspalling, jong varken, voorspaanling, vanspanen(spenen), met tweel’s worden geschreven.
132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden innog(etiam, adhuc) evenzeer als innoch(nec) eenechzouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet,nog(adhuc) met eenegals eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.