Chapter 9

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

Over de verbindings-s.207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.De verbindings-sals teeken van het meervoud.209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.De verbindings-sals teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.De verbindings-sals euphonische letter achter stammen van werkwoorden.212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.

207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-saanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eenes, of met eenez, die scherp (alss) wordt uitgesproken; b.v. indorpsschout,varkensziekte,baatzucht. Wanneer dezzacht klinkt, gelijk inhondeziekte,geelzucht,waterzucht, zal niemand het aanzijn eeners(hondesziekte,waterszucht) vermoeden.

In nog een geval bestaat er geen grond om eeneste onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. instuifzand,drijfzand, waarin dezdoor den invloed der voorgaandefverscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eenesinlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.

Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, datssenszop zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eeners, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat desalleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.

208. De verbindings-streedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke enonzijdige substantieven, als intimmermansgereedschap,bakkersoven,levensbericht,kindskind, maar ook achter vrouwelijke, alszusterskind,dochtersman,stadspoort,vrijheidsboom,zielsverdrietenz.; vergelijk§ 185.

Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.

Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met desspaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief desverlangt. Zoo leeren b.v. de woordenbakkersnering,bakkersoven,bakkerswinkel,dorpsbestuur,dorpsherberg,dorpsleeraar,krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,sergeantsrang,sergeantsuniform,sergeantsvrouw,stadsmuur,stadspoort,stadswal,vollersambacht,vollerskuip,varkensoog,varkensvleesch,varkensribbetje,veiligheidskaart,vrijheidsliefde,zuinigheidsmaatregel,landschapshuis,landschapsvergadering,burgerschapsrechten,vriendschapsbandenz., dat de woordenbakker,dorp,krijgsman,officier,sergeant,stadenz., en die op-heiden-schapin de betrekking van den genitief desvorderen, en dat men derhalve ookbakkersschotel(houten werktuig),dorpsschool,krijgsmansstand,sergeantsstrepen,stadsschout,varkensstal,varkensziekte,waarheidszucht,landschapsschrijverte spellen heeft.

Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uitlandschapschilder, waarlandschapeen meervoudlandschappenvertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen omlandschapsschilderte schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou metlandschapsschrijver.

209. Moet men spaarzaam zijn met desvan den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbeles, en evenzoosz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida,l,m,nofr, voorafgegaan door eene toonloozee; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans metsvormen. De woorden op-el,-em,-enen-erbehouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189,aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft:appelmand,sleutelbos,bezembinder,leugenbeest,wagenmaker,letterkast,letterzetter(nietappelsmandenz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v.burgerrecht,burgerwapening,dragonderregiment,ridderorde,rooverbende,ruiterbende,ruiterzalfenz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eenesin te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalveankersmid,burgerstand,burgersociëteit,cijferschrift,dragonderstal,kachelsmid,letterspecie,leugenstoffeerder,priesterschaar,priesterschap,ridderstand,ruiterstal,vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.

Anders is het gelegen met het achtervoegsel-ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert desvan het meervoud, gelijk blijkt uit:officierstafel,officiersvereeniging,kanonnierskazerne,pontonnierscompagnieenz.; daarom zal men ookkurassiersstal,officierssociëteitenz. schrijven.

210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan desalleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. inblootshoofds.

Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid metsofzbegint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spellinggoedschiksengoedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende metblootshoofds,goedsmoeds,gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, alsveeltijds,droogvoets, deskennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eenes, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.

211. Anders is het gelegen met woorden, waarinzinhet tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, alsalleszins,eenigszinsenz., waarvan reeds boven gehandeld is. Dezheeft daarin hare verscherping te danken aan desvan het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt menalle-zins,geen-zinsenz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. Desis derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven,§ 125.

212. De verbindings-shad in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis.Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. inleidsvrouw,scheidsman,raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede metsofzbegint, b.v. inhebzucht, eeneste schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalveleidstèr(leidstar), evengoed als het afgeleideleidstĕr, zonders, niettegenstaandeleidsmanenleidsvrouweeneshebben.


Back to IndexNext