Eerste Afdeeling.Over de natuur en het doel van het schrift.1. Hetdenkenis eenewerkingen als zoodanigvoorbijgaande.Gedachtenhouden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,gereproduceerdworden. Ook doorreproductiekomen zij ter kennis van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker bij zich zelven tedenken, haar op zijne wijze tereproduceeren; doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen behoeft te verlaten, heeft eenmiddel, een blijvend iets, noodig, dat hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit op zich zelf bestaand middel,onder den vorm van een brief of boek, vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare teekens bestaat, heet hetschrift.2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen zichtbaar gegeven worden:a) door devoorstellingen, waaruit de gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te beelden;b) door dewoorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens voor te stellen. In het laatste geval heet het middelwoordschriftof eenvoudigschrift.Wanneer in hetwoordschrifteene geheele lettergreep door één teeken voorgesteld wordt, noemt men hetsyllabenschrift; doch wanneer de woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, inletterklanken, opgelost, eniederezoodanige letterklank door een afzonderlijk teeken voorgesteld wordt, dan heeft menletterschrift. De meeste beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch dex, die twee ondeelbare deelen,kens, te gelijk voorstelt, niet meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het een zuiverletterschriftheeft.3. Deeigenlijke woordenzijnklanken, d.i. golvingen der lucht, die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen aandoen; zij zijn dus ookwerkingen, die evenmin als de gedachten duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten worden. Het letterschrift isde aanwijzing, hoe een woordklank door de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.4. Een woord behoeft niet altijduitgesprokente worden: bij het stille denken en het onhoorbare lezensteltmen zich den klank slechtsvoor, gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen is, als alledenken, insgelijks eenevoorbijgaande werking, eene werkingvan den geest, tot welker reproductie het letterschrift evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens wordt insgelijkswoordgenoemd. Een woord komt derhalve onder drie verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dusgesprokene,gedachteengeschrevenewoorden; de beteekenis, die in alle drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit, welke de drie vormen of toestanden totéén zelfde woordmaakt.Degesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan degedachteengeschrevenebloote navolgingen of kopieën zijn.6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te reproduceeren, zal eengeschrevenwoord moeten bestaan in de opgave van al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde, waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten, aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wieleertlezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken: een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu, behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd het verbindende middel is geweest.Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen letterschrift hebben kunnen uitdenken.8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten; nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken, is en blijft dus eene nabootsing.9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze—soms zeer gebrekkig—na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak onderkenbaar zijn.10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken, bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding van de zoogenoemdeplaatselijkeengewestelijke tongvallen,dialecten.11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit, zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze ontstaat er eene zoogenaamde algemeenebeschaafde uitspraak, die het gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende is. En doordien beschaafde lieden,vooral in geschrifte, zich ten behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn, vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect, dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect zich in geschrifte openbaart, noemt men het deschrijf-ofboekentaal.12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.13. Eenezuivere uitspraakis verschillend van eenebeschaafde uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken; dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft eenezuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid en grofheid in hunne spraak eenezuivere, beschaafden omgekeerd eenegebrekkigeuitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene beschaafde uitspraak gerekend worden.14. Ofschoon hetschrift, als de zichtbare voorstelling derspraak, zich naar deze moet richten en van haarafhankelijk is, werkt het desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op despraaken zelfs op de geheeletaal.15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats denschrijverelk woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze, behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens geeft het denlezerdeel voor deel in de vereischte volgorde te zien, en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch geeft, en dus ook duidelijker spreekt.Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de uitspraak te bederven.17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt, geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is, niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken, en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen, gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker waar te nemen en te vergelijken.19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt, moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke taalkennis.20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt, en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren, heetappercipieeren.Apperceptieis derhalve volstrekt noodig tot het verstaan eener gedachte.Appercipieerenis de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het dagelijksch leven nu eensleeren kennen, danonderkennen, danherkennenheet.Daar een woord eenklankis, waaraan eenebeteekenisis verbonden, en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillendspelt, en door eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante beteekenis herinnert.Men denke hier aanlijdenenleiden,nogennoch. De spellinglijdenmetijbrengt min of meer in de gedachten al de verschillende voorstellingen, die aanlijder,lijdzaam,lijdelijkenz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, b.v. wanneer menlijdenmeteispelt en zoodoende aanleiden,leiding,leidsman,leidsterdoet denken.22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft, een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hareSpelling. Ook het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat, waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt deSpellinggenoemd.Door eenewetverstaat men in de wetenschappen niet een bevel, door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen en de natuur van hetschriftin het algemeen en van het eigenaardige der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde soorten noemt men dealgemeene, de laatste debijzonderespelregels.25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam vanalgemeenen spelregel.26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften, die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander, een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als eenbestaandengegeveniets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan, die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij, anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren, maar veeleer verergeren zou.28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien detaal onafgebroken verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk kenbaar worden.29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken, maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken, en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel mogelijk te zuiveren.30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende, een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden, waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde onopgemerktewoorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen, wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden, wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding.33. Het schrift is, alsuitgedachtmiddel, eenkunstproduct, dat aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te worden aan de voorschriften derAesthetica. Die onderwerping blijkt eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van het schoonheidsgevoel.34. Het is de bestemming van het schrift niet, hetschoonheidsgevoelte streelen, het bestaat eenig en alleen voor eenpractisch doel, dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen, die de aesthetica aan het schrift stellen mag.Doelmatigheidis dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds doorondoelmatigheid, ook dooronregelmatigheid,onwaarheidenwanluidendheid. Dooronwaarheidis hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift; ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet vermeden worden.36. De aesthetica eischt derhalve van de spellingdoelmatigheid,regelmatigheid,waarheidenwelluidendheid, dat wil zeggen overeenstemming (harmonie) tusschen demiddelenen hetdoel, tusschen demiddelen onderling, tusschen deafbeeldingen hetafgebeelde, tusschen hetschriften eenewelluidende uitspraak.37. Hetdoelvan het schrift is het veroorzaken eenerreproductie van gedachten, dus het veroorzaken eenerwerking van den geest. De aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen, die dePsychologieaangaande de reproductie der gedachten geeft.38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in den geest opgenomen worden, wanneer deapperceptieder voorstellingen, waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op, de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun doel beantwoorden, debeschaafde uitspraakvertegenwoordigen. Op dit vereischte berust de spelregel, dien men denRegel der beschaafde Uitspraakpleegt te noemen.40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor;d.i.geef door letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld, het naastbijkomende letterteeken.a.De bedoeling der woordenbeschaafdenzuiveris duidelijk.—De beperking van den regel tot het volgen van debeschaafdeuitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal zou begrepen worden.—Van vele woorden bestaat slechts ééne, en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden zij—doorgaans bastaardwoorden—verschillend uitgebracht, dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr.contrefort), bij de schoenmakerskomfoor,komfoordofkomfoort; volgens den regel moet de laatste uitspraak, mv.komfoortendoor de spelling voorgesteld worden.b.Het woordzuivermoet dienen om aan eene uitspraak, die ten gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters verwisselt, weglaat of invoegt, en dusonzuiveris, allen invloed op de spelling te ontzeggen.Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook af te keuren, iets anders danonzuiverspreken. Zoolang in eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer (Orthographie).Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene spellingleer te doen gelden.c.De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten volgt, dat alleen zijbeslist, en dat de andere dialecten slechts in twijfelachtige gevallen eeneraadgevende stemkunnen hebben. Wanneer eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen invloed oefenen.De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig, dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduidworden. Het schrift stelt dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken, veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.a.De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen gevoelen, zijn denen de zachte onder de zoogenaamde verwante medeklinkers, met name deb,d,g,v, enz.b.Denklinkt geheel anders inzoonenmijndan intangendank, of infranje,kransje,hondje.c.Deb,d,g,v, enzworden aan het einde eener lettergreep en in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg alsp,t,ch,fensluiden, devenzmeestal zelfs infensovergaan. Men vergelijkebeenmetschub,krab,hebt,hebzucht;daarmetraad,gidsenblijdschap;gootmetoog,oogtandenzegt;velmetdiev(dief),leevt(leeft) enontvangen;zeelmetleez(lees),vreezt(vreest),raadzaamenontzinken.d.Degwordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord eenenvoorafgaat, b.v. intang, hijzingt.e.Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men vergelijke dewinwijn,flauw,schuwenschuwer; desinsaai,stijfselenraadsel; deminman,kom,hemd, enkomt; de l inland,stoelenmelk; definfraaienstraf; deiininktenkoning.43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist weder te geven, het is ookonnoodigen zou buitendienondoelmatigzijn.Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken isonnoodig, omdat men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij het samenvoegendeuitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het bedoelde woordherkennenkan.44. Uit het gezegde in§ 9blijkta priori, en de ondervinding leerta posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten behoeve van den vreemdeling.45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om verschillende redenenondoelmatigzijn.a.Zij zou voorvelenhet schrijven onmogelijk maken. Immers, indien men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.b.Het zou voorallen, zonder uitzondering, het schrijven en lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten, en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten spreken om zich zelven te beluisteren,ten einde den waren klank te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.c.In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie der woorden kan opleveren.46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die derGelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere regels; daarom schrijft men b.v.koninklijk,afhankelijk,gezocht, vankoning,afhangenenzoeken;grachtvoorgraft, vangraven.47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te dienen. Vooreerst toch doet dedoelmatigheidstrengere eischen dan het slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de keus uit zoogenaamdegelijkluidendeletterteekens moeten bepalen. De Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder zich, die hem verklaren en aanvullen.a.De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die eischen.b.Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk deieny,cenk,cens,xenks; terwijlph,thenqudoor ons gelijkgesteld worden metf,tenkw. Vervolgens zijn eenige oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te weten de zachteeenoen de scherpeeeenoo, en de tweeklankenijenei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde letters bepalen.c.Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamdeverwantemedeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten voorkomen. Dezachte, deb,deng, worden dan verscherpt en naderen zoozeer tot descherpe, tot dep,tench, dat zij in de uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.d.Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van deauit de vergelijking vandàgmetdágen; van dee, uitde,bèdendégen; van dei, uitpìn,títelenzandigenz.e.Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.f.De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien derGelijkvormigheiden dien derAfleiding.48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonenvorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst na eenig weifelen plaats. Met dewoordenis het evenzoo gelegen. Wie het woordconsequentienooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal eenige oogenblikken in twijfel staan, als hijkonzekwencygeschreven vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene spelregel, die derGelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds meer en meer is geëerbiedigd geworden.49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hungeheel, het laatste hunnebestanddeelenbetreft. De regel wordt dan:a.Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.b.Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.a.Overeenkomstig het voorschrift a) spelt mendag, desdags, tendage,dagen;glad,gladde,gladder,gladst;zeg,zegt,gezegd,zeggen; nietdach,des dachs;glat,glatst;zech,zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.b.Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft menvijlselvanvijlen;verleidingvanverleiden;raadzaamvanraad, door aanhechting vanzaam;hoofddeeluithoofdendeel; nietveilsel,verlijden,raatsaam,hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.c.Het voorschrift b) ontraadt te spellenweereldvoorwereld,DuidschvoorDuitsch,diedschvoordiets,begichtvoorbiecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woordenweer(man),diedofduid(volk),giën(zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.d.De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat” is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven:andbachtvoorambachtenambt;heertogvoorhertog;paarlemoedervoorpaarlemoer;gezoekt,gekoopt, voorgezocht,gekochtenz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.e.Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk denRegel der Afleidingnoemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, deafleidingin acht te nemen. De benamingRegel der Gelijkvormigheidverdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het ina) bedoelde omvat, hetwelk door den naamRegel der Afleidingbuitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op deafleidinggegrond is.f.De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters derveranderlijkewoorden tot deverwantemedeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk bovenaenb.50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom detinooit,voort,voorts,want, dechindoch,toch, enz.Dooronverbuigbarewoorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, dievan natureonverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantiefwas(cera) en het adjectiefkwijtb.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.51. Dedoelmatigheidzou nog een anderen regel voorschrijven, wier opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en dien men denRegel der Onderscheidingzou kunnen noemen. Deze zou eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden (homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is b.v. niet mogelijkarm(niet rijk) anders te schrijven danarm(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijnzugt(zware ademhaling) te onderscheiden vanzucht(begeerte), maar hoe danzugtofzucht(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken?Waaren(koopgoederen) en (wij)warenzou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar deaastrijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerstewarenmet ééne, het tweede met tweea’s te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door een anderen regel gevorderd wordt. B.v.delen(planken) endeelen(gedeelten),beren(verscheurende dieren) enbeeren(varkens),sleepen(doen slepen) enslepen(gesleept worden).52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraaken die der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar die letters, opgenoemd in§ 47, voor veler oor en mond volkomen denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, zonder de letters zelve te bepalen.54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, denRegel der Afleidingkan noemen:Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden toestand te eerbiedigen.56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen door de spelling te onderscheiden; men denke aanweken, mv. vanweek, enweeken, ww.; aankolenenkoolen,lijdenenleiden.57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; b.v.kerstmisvoorkersmis,bestjevoorbesje,amechtigvooraamechtig,slaphakkenvoorslabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op dien grond isDinsdag, oudtijdsDisendag(verbasterd uitDiesdag), van den krijgsgodDie, te verkiezen bovenDingsdag, dat ten onrechte aandingofgedingdoet denken.59. De laatst gestelde algemeene regel (die derAfleiding) is natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleidingof oudere vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: te weten denRegel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus moeten luiden:Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men overeenkomstig de analogie;d.i.de woorden wier spelling noch door de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op overeenkomstige wijze gevormd zijn.60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in strijd met een der vorige regels.61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de eene of andere zijde doen overhellen. In§ 14is reeds aangemerkt, dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en gedwongene, dat wil zeggenonwelluidende, uitspraak. Waar de spelling vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit opzicht beterespelling mogelijk is, en—dit moet op den voorgrond blijven—door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien derWelluidendheidzou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van het begrip, dat hier aan het woordwelluidendmoet gehecht worden.62. Het woordwelluidendis hier natuurlijk niet in zijn algemeensten zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men denRegel der Welluidendheidin de volgende bewoordingen vervatten:Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak het best vertegenwoordigt.63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer gehoord worden.Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren:thans,bijkans,Parijsche,Friesche,wijste,frischte,meisje,handjeenz., voorthands,bijkants,Parijssche,Friessche,wijsste,frischste,meisjen,handtjeenz.64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat instraffende beidef’s gehoord worden, omdatstrafende uitspraakstrá-fenvoorstelt; ingeenszinswordt, hoewel niemandgeens-zinsuitspreekt, destoch gehoord, dewijl zij de volgendezverscherpt, zoodat het woord alsgeensinsluidt.65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene ongewone spelling steeds eenonaangenamen indruk maakt, dan blijkt de onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eenerbeperkingvan de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, gelijk reeds in§ 27en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan ook reedsSiegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik”. Die regel, of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.a.Zoo is b.v. de spellingthans(uitte hande), met eeneh, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, enthands, met eeneder in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men inhandeenehen eenedhoort. Dechintusschenis door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eenechuitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijzeDingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die denDinsdagvoor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spellingte samente verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie metsamenkomst,samenzijnenz., waarin deswettig is, als ontstaan zijnde uittz.b.Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en denRegel van het Gebruikgenoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; hetGebruikschrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet worden aanbevolen.Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak drieërlei spelling bestaat:1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak,naarofvolgensde uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde Uitspraak voorgeschreven, b.v. die vanal,as,bal,bastenz., welke woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;2. eene spelling, niet geheelvolgensde uitspraak, niet juist zóó door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar met haarvereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, vanzelve volgt; vergelijk§ 42en het slot van§ 43. Tot deze soort van spelling behooren b.v.abt,werelddeel,staatdame,geenszins; en3. eene spelling, gedeeltelijk volstrektstrijdigenonvereenigbaarmet de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt gewild; b.v.menschen,tusschen,thans,vijftig,zestig.69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar hetschriftde reproductie der woordklankenten doel heeft (zie§ 2en 3), is een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is deNatuurwet der Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.a.Van tallooze woorden, alsaf,bel,doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. vanboekbindersknechten,kuipershandwerk, worden alleen dechen dedniet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ookgentdaaraan zouden beantwoorden.b.De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt indageeneg, en inhoofddeeltweed’s, alleen omdat men indageneeneg, en inhoofdendeelbeide eenedhoort.—De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil tweee’s indeelen(gedeelten), doch ééne indelen(planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eenedail, het anderedil.—De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.—Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijfttusschenmet eenech, enthansmet eeneh, alleen omdat men vroeger diechenhwerkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik (vergel.§ 68, nº, 3).Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak:abdij,ambt,herberg,behendig,overtollig,gekocht,wierook,bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleidingabtij,andbacht,heerberg,behandig,overtallig,gekoopt,wijrook,bruidlooptzou vorderen.Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden opb,p,d,t,genchregelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt is, die der Analogie en der Welluidendheid,vervullen geene onmisbare behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der bewoners getuigen.Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt o.a. de spelling der vele woorden, waarinij’s enei’s, en in opene lettergrepen helderee’s eno’s voorkomen. Dan moet de Regel der Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de laatste rang overblijft.Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze had leeren kennen.
Eerste Afdeeling.Over de natuur en het doel van het schrift.1. Hetdenkenis eenewerkingen als zoodanigvoorbijgaande.Gedachtenhouden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,gereproduceerdworden. Ook doorreproductiekomen zij ter kennis van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker bij zich zelven tedenken, haar op zijne wijze tereproduceeren; doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen behoeft te verlaten, heeft eenmiddel, een blijvend iets, noodig, dat hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit op zich zelf bestaand middel,onder den vorm van een brief of boek, vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare teekens bestaat, heet hetschrift.2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen zichtbaar gegeven worden:a) door devoorstellingen, waaruit de gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te beelden;b) door dewoorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens voor te stellen. In het laatste geval heet het middelwoordschriftof eenvoudigschrift.Wanneer in hetwoordschrifteene geheele lettergreep door één teeken voorgesteld wordt, noemt men hetsyllabenschrift; doch wanneer de woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, inletterklanken, opgelost, eniederezoodanige letterklank door een afzonderlijk teeken voorgesteld wordt, dan heeft menletterschrift. De meeste beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch dex, die twee ondeelbare deelen,kens, te gelijk voorstelt, niet meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het een zuiverletterschriftheeft.3. Deeigenlijke woordenzijnklanken, d.i. golvingen der lucht, die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen aandoen; zij zijn dus ookwerkingen, die evenmin als de gedachten duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten worden. Het letterschrift isde aanwijzing, hoe een woordklank door de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.4. Een woord behoeft niet altijduitgesprokente worden: bij het stille denken en het onhoorbare lezensteltmen zich den klank slechtsvoor, gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen is, als alledenken, insgelijks eenevoorbijgaande werking, eene werkingvan den geest, tot welker reproductie het letterschrift evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens wordt insgelijkswoordgenoemd. Een woord komt derhalve onder drie verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dusgesprokene,gedachteengeschrevenewoorden; de beteekenis, die in alle drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit, welke de drie vormen of toestanden totéén zelfde woordmaakt.Degesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan degedachteengeschrevenebloote navolgingen of kopieën zijn.6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te reproduceeren, zal eengeschrevenwoord moeten bestaan in de opgave van al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde, waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten, aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wieleertlezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken: een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu, behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd het verbindende middel is geweest.Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen letterschrift hebben kunnen uitdenken.8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten; nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken, is en blijft dus eene nabootsing.9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze—soms zeer gebrekkig—na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak onderkenbaar zijn.10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken, bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding van de zoogenoemdeplaatselijkeengewestelijke tongvallen,dialecten.11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit, zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze ontstaat er eene zoogenaamde algemeenebeschaafde uitspraak, die het gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende is. En doordien beschaafde lieden,vooral in geschrifte, zich ten behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn, vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect, dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect zich in geschrifte openbaart, noemt men het deschrijf-ofboekentaal.12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.13. Eenezuivere uitspraakis verschillend van eenebeschaafde uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken; dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft eenezuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid en grofheid in hunne spraak eenezuivere, beschaafden omgekeerd eenegebrekkigeuitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene beschaafde uitspraak gerekend worden.14. Ofschoon hetschrift, als de zichtbare voorstelling derspraak, zich naar deze moet richten en van haarafhankelijk is, werkt het desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op despraaken zelfs op de geheeletaal.15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats denschrijverelk woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze, behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens geeft het denlezerdeel voor deel in de vereischte volgorde te zien, en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch geeft, en dus ook duidelijker spreekt.Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de uitspraak te bederven.17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt, geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is, niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken, en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen, gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker waar te nemen en te vergelijken.19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt, moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke taalkennis.20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt, en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren, heetappercipieeren.Apperceptieis derhalve volstrekt noodig tot het verstaan eener gedachte.Appercipieerenis de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het dagelijksch leven nu eensleeren kennen, danonderkennen, danherkennenheet.Daar een woord eenklankis, waaraan eenebeteekenisis verbonden, en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillendspelt, en door eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante beteekenis herinnert.Men denke hier aanlijdenenleiden,nogennoch. De spellinglijdenmetijbrengt min of meer in de gedachten al de verschillende voorstellingen, die aanlijder,lijdzaam,lijdelijkenz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, b.v. wanneer menlijdenmeteispelt en zoodoende aanleiden,leiding,leidsman,leidsterdoet denken.22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft, een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hareSpelling. Ook het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat, waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt deSpellinggenoemd.Door eenewetverstaat men in de wetenschappen niet een bevel, door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen en de natuur van hetschriftin het algemeen en van het eigenaardige der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde soorten noemt men dealgemeene, de laatste debijzonderespelregels.25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam vanalgemeenen spelregel.26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften, die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander, een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als eenbestaandengegeveniets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan, die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij, anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren, maar veeleer verergeren zou.28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien detaal onafgebroken verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk kenbaar worden.29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken, maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken, en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel mogelijk te zuiveren.30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende, een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden, waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde onopgemerktewoorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen, wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden, wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding.33. Het schrift is, alsuitgedachtmiddel, eenkunstproduct, dat aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te worden aan de voorschriften derAesthetica. Die onderwerping blijkt eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van het schoonheidsgevoel.34. Het is de bestemming van het schrift niet, hetschoonheidsgevoelte streelen, het bestaat eenig en alleen voor eenpractisch doel, dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen, die de aesthetica aan het schrift stellen mag.Doelmatigheidis dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds doorondoelmatigheid, ook dooronregelmatigheid,onwaarheidenwanluidendheid. Dooronwaarheidis hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift; ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet vermeden worden.36. De aesthetica eischt derhalve van de spellingdoelmatigheid,regelmatigheid,waarheidenwelluidendheid, dat wil zeggen overeenstemming (harmonie) tusschen demiddelenen hetdoel, tusschen demiddelen onderling, tusschen deafbeeldingen hetafgebeelde, tusschen hetschriften eenewelluidende uitspraak.37. Hetdoelvan het schrift is het veroorzaken eenerreproductie van gedachten, dus het veroorzaken eenerwerking van den geest. De aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen, die dePsychologieaangaande de reproductie der gedachten geeft.38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in den geest opgenomen worden, wanneer deapperceptieder voorstellingen, waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op, de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun doel beantwoorden, debeschaafde uitspraakvertegenwoordigen. Op dit vereischte berust de spelregel, dien men denRegel der beschaafde Uitspraakpleegt te noemen.40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor;d.i.geef door letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld, het naastbijkomende letterteeken.a.De bedoeling der woordenbeschaafdenzuiveris duidelijk.—De beperking van den regel tot het volgen van debeschaafdeuitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal zou begrepen worden.—Van vele woorden bestaat slechts ééne, en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden zij—doorgaans bastaardwoorden—verschillend uitgebracht, dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr.contrefort), bij de schoenmakerskomfoor,komfoordofkomfoort; volgens den regel moet de laatste uitspraak, mv.komfoortendoor de spelling voorgesteld worden.b.Het woordzuivermoet dienen om aan eene uitspraak, die ten gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters verwisselt, weglaat of invoegt, en dusonzuiveris, allen invloed op de spelling te ontzeggen.Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook af te keuren, iets anders danonzuiverspreken. Zoolang in eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer (Orthographie).Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene spellingleer te doen gelden.c.De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten volgt, dat alleen zijbeslist, en dat de andere dialecten slechts in twijfelachtige gevallen eeneraadgevende stemkunnen hebben. Wanneer eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen invloed oefenen.De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig, dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduidworden. Het schrift stelt dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken, veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.a.De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen gevoelen, zijn denen de zachte onder de zoogenaamde verwante medeklinkers, met name deb,d,g,v, enz.b.Denklinkt geheel anders inzoonenmijndan intangendank, of infranje,kransje,hondje.c.Deb,d,g,v, enzworden aan het einde eener lettergreep en in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg alsp,t,ch,fensluiden, devenzmeestal zelfs infensovergaan. Men vergelijkebeenmetschub,krab,hebt,hebzucht;daarmetraad,gidsenblijdschap;gootmetoog,oogtandenzegt;velmetdiev(dief),leevt(leeft) enontvangen;zeelmetleez(lees),vreezt(vreest),raadzaamenontzinken.d.Degwordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord eenenvoorafgaat, b.v. intang, hijzingt.e.Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men vergelijke dewinwijn,flauw,schuwenschuwer; desinsaai,stijfselenraadsel; deminman,kom,hemd, enkomt; de l inland,stoelenmelk; definfraaienstraf; deiininktenkoning.43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist weder te geven, het is ookonnoodigen zou buitendienondoelmatigzijn.Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken isonnoodig, omdat men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij het samenvoegendeuitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het bedoelde woordherkennenkan.44. Uit het gezegde in§ 9blijkta priori, en de ondervinding leerta posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten behoeve van den vreemdeling.45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om verschillende redenenondoelmatigzijn.a.Zij zou voorvelenhet schrijven onmogelijk maken. Immers, indien men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.b.Het zou voorallen, zonder uitzondering, het schrijven en lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten, en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten spreken om zich zelven te beluisteren,ten einde den waren klank te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.c.In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie der woorden kan opleveren.46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die derGelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere regels; daarom schrijft men b.v.koninklijk,afhankelijk,gezocht, vankoning,afhangenenzoeken;grachtvoorgraft, vangraven.47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te dienen. Vooreerst toch doet dedoelmatigheidstrengere eischen dan het slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de keus uit zoogenaamdegelijkluidendeletterteekens moeten bepalen. De Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder zich, die hem verklaren en aanvullen.a.De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die eischen.b.Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk deieny,cenk,cens,xenks; terwijlph,thenqudoor ons gelijkgesteld worden metf,tenkw. Vervolgens zijn eenige oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te weten de zachteeenoen de scherpeeeenoo, en de tweeklankenijenei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde letters bepalen.c.Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamdeverwantemedeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten voorkomen. Dezachte, deb,deng, worden dan verscherpt en naderen zoozeer tot descherpe, tot dep,tench, dat zij in de uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.d.Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van deauit de vergelijking vandàgmetdágen; van dee, uitde,bèdendégen; van dei, uitpìn,títelenzandigenz.e.Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.f.De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien derGelijkvormigheiden dien derAfleiding.48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonenvorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst na eenig weifelen plaats. Met dewoordenis het evenzoo gelegen. Wie het woordconsequentienooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal eenige oogenblikken in twijfel staan, als hijkonzekwencygeschreven vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene spelregel, die derGelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds meer en meer is geëerbiedigd geworden.49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hungeheel, het laatste hunnebestanddeelenbetreft. De regel wordt dan:a.Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.b.Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.a.Overeenkomstig het voorschrift a) spelt mendag, desdags, tendage,dagen;glad,gladde,gladder,gladst;zeg,zegt,gezegd,zeggen; nietdach,des dachs;glat,glatst;zech,zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.b.Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft menvijlselvanvijlen;verleidingvanverleiden;raadzaamvanraad, door aanhechting vanzaam;hoofddeeluithoofdendeel; nietveilsel,verlijden,raatsaam,hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.c.Het voorschrift b) ontraadt te spellenweereldvoorwereld,DuidschvoorDuitsch,diedschvoordiets,begichtvoorbiecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woordenweer(man),diedofduid(volk),giën(zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.d.De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat” is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven:andbachtvoorambachtenambt;heertogvoorhertog;paarlemoedervoorpaarlemoer;gezoekt,gekoopt, voorgezocht,gekochtenz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.e.Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk denRegel der Afleidingnoemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, deafleidingin acht te nemen. De benamingRegel der Gelijkvormigheidverdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het ina) bedoelde omvat, hetwelk door den naamRegel der Afleidingbuitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op deafleidinggegrond is.f.De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters derveranderlijkewoorden tot deverwantemedeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk bovenaenb.50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom detinooit,voort,voorts,want, dechindoch,toch, enz.Dooronverbuigbarewoorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, dievan natureonverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantiefwas(cera) en het adjectiefkwijtb.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.51. Dedoelmatigheidzou nog een anderen regel voorschrijven, wier opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en dien men denRegel der Onderscheidingzou kunnen noemen. Deze zou eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden (homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is b.v. niet mogelijkarm(niet rijk) anders te schrijven danarm(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijnzugt(zware ademhaling) te onderscheiden vanzucht(begeerte), maar hoe danzugtofzucht(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken?Waaren(koopgoederen) en (wij)warenzou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar deaastrijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerstewarenmet ééne, het tweede met tweea’s te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door een anderen regel gevorderd wordt. B.v.delen(planken) endeelen(gedeelten),beren(verscheurende dieren) enbeeren(varkens),sleepen(doen slepen) enslepen(gesleept worden).52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraaken die der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar die letters, opgenoemd in§ 47, voor veler oor en mond volkomen denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, zonder de letters zelve te bepalen.54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, denRegel der Afleidingkan noemen:Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden toestand te eerbiedigen.56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen door de spelling te onderscheiden; men denke aanweken, mv. vanweek, enweeken, ww.; aankolenenkoolen,lijdenenleiden.57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; b.v.kerstmisvoorkersmis,bestjevoorbesje,amechtigvooraamechtig,slaphakkenvoorslabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op dien grond isDinsdag, oudtijdsDisendag(verbasterd uitDiesdag), van den krijgsgodDie, te verkiezen bovenDingsdag, dat ten onrechte aandingofgedingdoet denken.59. De laatst gestelde algemeene regel (die derAfleiding) is natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleidingof oudere vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: te weten denRegel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus moeten luiden:Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men overeenkomstig de analogie;d.i.de woorden wier spelling noch door de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op overeenkomstige wijze gevormd zijn.60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in strijd met een der vorige regels.61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de eene of andere zijde doen overhellen. In§ 14is reeds aangemerkt, dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en gedwongene, dat wil zeggenonwelluidende, uitspraak. Waar de spelling vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit opzicht beterespelling mogelijk is, en—dit moet op den voorgrond blijven—door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien derWelluidendheidzou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van het begrip, dat hier aan het woordwelluidendmoet gehecht worden.62. Het woordwelluidendis hier natuurlijk niet in zijn algemeensten zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men denRegel der Welluidendheidin de volgende bewoordingen vervatten:Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak het best vertegenwoordigt.63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer gehoord worden.Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren:thans,bijkans,Parijsche,Friesche,wijste,frischte,meisje,handjeenz., voorthands,bijkants,Parijssche,Friessche,wijsste,frischste,meisjen,handtjeenz.64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat instraffende beidef’s gehoord worden, omdatstrafende uitspraakstrá-fenvoorstelt; ingeenszinswordt, hoewel niemandgeens-zinsuitspreekt, destoch gehoord, dewijl zij de volgendezverscherpt, zoodat het woord alsgeensinsluidt.65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene ongewone spelling steeds eenonaangenamen indruk maakt, dan blijkt de onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eenerbeperkingvan de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, gelijk reeds in§ 27en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan ook reedsSiegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik”. Die regel, of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.a.Zoo is b.v. de spellingthans(uitte hande), met eeneh, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, enthands, met eeneder in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men inhandeenehen eenedhoort. Dechintusschenis door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eenechuitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijzeDingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die denDinsdagvoor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spellingte samente verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie metsamenkomst,samenzijnenz., waarin deswettig is, als ontstaan zijnde uittz.b.Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en denRegel van het Gebruikgenoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; hetGebruikschrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet worden aanbevolen.Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak drieërlei spelling bestaat:1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak,naarofvolgensde uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde Uitspraak voorgeschreven, b.v. die vanal,as,bal,bastenz., welke woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;2. eene spelling, niet geheelvolgensde uitspraak, niet juist zóó door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar met haarvereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, vanzelve volgt; vergelijk§ 42en het slot van§ 43. Tot deze soort van spelling behooren b.v.abt,werelddeel,staatdame,geenszins; en3. eene spelling, gedeeltelijk volstrektstrijdigenonvereenigbaarmet de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt gewild; b.v.menschen,tusschen,thans,vijftig,zestig.69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar hetschriftde reproductie der woordklankenten doel heeft (zie§ 2en 3), is een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is deNatuurwet der Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.a.Van tallooze woorden, alsaf,bel,doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. vanboekbindersknechten,kuipershandwerk, worden alleen dechen dedniet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ookgentdaaraan zouden beantwoorden.b.De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt indageeneg, en inhoofddeeltweed’s, alleen omdat men indageneeneg, en inhoofdendeelbeide eenedhoort.—De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil tweee’s indeelen(gedeelten), doch ééne indelen(planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eenedail, het anderedil.—De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.—Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijfttusschenmet eenech, enthansmet eeneh, alleen omdat men vroeger diechenhwerkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik (vergel.§ 68, nº, 3).Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak:abdij,ambt,herberg,behendig,overtollig,gekocht,wierook,bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleidingabtij,andbacht,heerberg,behandig,overtallig,gekoopt,wijrook,bruidlooptzou vorderen.Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden opb,p,d,t,genchregelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt is, die der Analogie en der Welluidendheid,vervullen geene onmisbare behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der bewoners getuigen.Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt o.a. de spelling der vele woorden, waarinij’s enei’s, en in opene lettergrepen helderee’s eno’s voorkomen. Dan moet de Regel der Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de laatste rang overblijft.Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze had leeren kennen.
Over de natuur en het doel van het schrift.1. Hetdenkenis eenewerkingen als zoodanigvoorbijgaande.Gedachtenhouden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,gereproduceerdworden. Ook doorreproductiekomen zij ter kennis van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker bij zich zelven tedenken, haar op zijne wijze tereproduceeren; doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen behoeft te verlaten, heeft eenmiddel, een blijvend iets, noodig, dat hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit op zich zelf bestaand middel,onder den vorm van een brief of boek, vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare teekens bestaat, heet hetschrift.2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen zichtbaar gegeven worden:a) door devoorstellingen, waaruit de gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te beelden;b) door dewoorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens voor te stellen. In het laatste geval heet het middelwoordschriftof eenvoudigschrift.Wanneer in hetwoordschrifteene geheele lettergreep door één teeken voorgesteld wordt, noemt men hetsyllabenschrift; doch wanneer de woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, inletterklanken, opgelost, eniederezoodanige letterklank door een afzonderlijk teeken voorgesteld wordt, dan heeft menletterschrift. De meeste beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch dex, die twee ondeelbare deelen,kens, te gelijk voorstelt, niet meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het een zuiverletterschriftheeft.3. Deeigenlijke woordenzijnklanken, d.i. golvingen der lucht, die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen aandoen; zij zijn dus ookwerkingen, die evenmin als de gedachten duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten worden. Het letterschrift isde aanwijzing, hoe een woordklank door de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.4. Een woord behoeft niet altijduitgesprokente worden: bij het stille denken en het onhoorbare lezensteltmen zich den klank slechtsvoor, gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen is, als alledenken, insgelijks eenevoorbijgaande werking, eene werkingvan den geest, tot welker reproductie het letterschrift evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens wordt insgelijkswoordgenoemd. Een woord komt derhalve onder drie verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dusgesprokene,gedachteengeschrevenewoorden; de beteekenis, die in alle drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit, welke de drie vormen of toestanden totéén zelfde woordmaakt.Degesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan degedachteengeschrevenebloote navolgingen of kopieën zijn.6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te reproduceeren, zal eengeschrevenwoord moeten bestaan in de opgave van al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde, waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten, aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wieleertlezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken: een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu, behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd het verbindende middel is geweest.Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen letterschrift hebben kunnen uitdenken.8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten; nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken, is en blijft dus eene nabootsing.9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze—soms zeer gebrekkig—na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak onderkenbaar zijn.10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken, bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding van de zoogenoemdeplaatselijkeengewestelijke tongvallen,dialecten.11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit, zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze ontstaat er eene zoogenaamde algemeenebeschaafde uitspraak, die het gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende is. En doordien beschaafde lieden,vooral in geschrifte, zich ten behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn, vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect, dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect zich in geschrifte openbaart, noemt men het deschrijf-ofboekentaal.12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.13. Eenezuivere uitspraakis verschillend van eenebeschaafde uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken; dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft eenezuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid en grofheid in hunne spraak eenezuivere, beschaafden omgekeerd eenegebrekkigeuitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene beschaafde uitspraak gerekend worden.14. Ofschoon hetschrift, als de zichtbare voorstelling derspraak, zich naar deze moet richten en van haarafhankelijk is, werkt het desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op despraaken zelfs op de geheeletaal.15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats denschrijverelk woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze, behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens geeft het denlezerdeel voor deel in de vereischte volgorde te zien, en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch geeft, en dus ook duidelijker spreekt.Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de uitspraak te bederven.17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt, geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is, niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken, en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen, gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker waar te nemen en te vergelijken.19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt, moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke taalkennis.20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt, en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren, heetappercipieeren.Apperceptieis derhalve volstrekt noodig tot het verstaan eener gedachte.Appercipieerenis de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het dagelijksch leven nu eensleeren kennen, danonderkennen, danherkennenheet.Daar een woord eenklankis, waaraan eenebeteekenisis verbonden, en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillendspelt, en door eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante beteekenis herinnert.Men denke hier aanlijdenenleiden,nogennoch. De spellinglijdenmetijbrengt min of meer in de gedachten al de verschillende voorstellingen, die aanlijder,lijdzaam,lijdelijkenz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, b.v. wanneer menlijdenmeteispelt en zoodoende aanleiden,leiding,leidsman,leidsterdoet denken.22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft, een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hareSpelling. Ook het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat, waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt deSpellinggenoemd.Door eenewetverstaat men in de wetenschappen niet een bevel, door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen en de natuur van hetschriftin het algemeen en van het eigenaardige der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde soorten noemt men dealgemeene, de laatste debijzonderespelregels.25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam vanalgemeenen spelregel.26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften, die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander, een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als eenbestaandengegeveniets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan, die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij, anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren, maar veeleer verergeren zou.28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien detaal onafgebroken verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk kenbaar worden.29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken, maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken, en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel mogelijk te zuiveren.30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende, een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden, waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde onopgemerktewoorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen, wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden, wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.
1. Hetdenkenis eenewerkingen als zoodanigvoorbijgaande.Gedachtenhouden op te bestaan, zoodra zij gedacht zijn; men kan haar geene duurzaamheid geven: ze kunnen alleen opnieuw gedacht, herhaald,gereproduceerdworden. Ook doorreproductiekomen zij ter kennis van anderen. Een hoorder is verplicht de gedachte van den spreker bij zich zelven tedenken, haar op zijne wijze tereproduceeren; doet hij zulks niet, is hij afgetrokken, vormt hij bij zich zelven andere gedachten, dan komen die van den spreker niet tot zijne kennis. Het geheugen stelt ons dikwijls in staat eene gedachte van vroeger te hernieuwen, maar ook even dikwijls schiet het daarin te kort. Derhalve, wie later met volkomen zekerheid weten wil, wat hij eenmaal heeft gedacht, zonder dat hij zich op het feilbaar geheugen behoeft te verlaten, heeft eenmiddel, een blijvend iets, noodig, dat hem in staat stelt zijne vroegere gedachte opnieuw te denken. Is dit op zich zelf bestaand middel,onder den vorm van een brief of boek, vervoerbaar, dan kan het tevens voor afwezigen dienen als aanleiding om zich dezelfde gedachten te vormen. Wanneer het middel in zichtbare teekens bestaat, heet hetschrift.
2. De aanleiding tot reproductie van gedachten kan op twee wijzen zichtbaar gegeven worden:a) door devoorstellingen, waaruit de gedachten bestaan, deels naar de natuur deels symbolisch, af te beelden;b) door dewoorden, waarmede zij gedacht zijn, door teekens voor te stellen. In het laatste geval heet het middelwoordschriftof eenvoudigschrift.
Wanneer in hetwoordschrifteene geheele lettergreep door één teeken voorgesteld wordt, noemt men hetsyllabenschrift; doch wanneer de woordklanken in hunne ondeelbare bestanddeelen, inletterklanken, opgelost, eniederezoodanige letterklank door een afzonderlijk teeken voorgesteld wordt, dan heeft menletterschrift. De meeste beschaafde talen hebben letterschrift aangenomen, maar niet alle hebben het beginsel consequent volgehouden. Daar het Nederlandsch dex, die twee ondeelbare deelen,kens, te gelijk voorstelt, niet meer in echt Nederlandsche woorden bezigt, kan men zeggen, dat het een zuiverletterschriftheeft.
3. Deeigenlijke woordenzijnklanken, d.i. golvingen der lucht, die het trommelvlies doen trillen en zoodoende de gehoorzenuwen aandoen; zij zijn dus ookwerkingen, die evenmin als de gedachten duurzaamheid hebben, maar telkens opnieuw geproduceerd moeten worden. Het letterschrift isde aanwijzing, hoe een woordklank door de spanning en beweging der spraakwerktuigen moet worden voortgebracht.
4. Een woord behoeft niet altijduitgesprokente worden: bij het stille denken en het onhoorbare lezensteltmen zich den klank slechtsvoor, gelijk men zich een geheel muziekstuk voorstellen kan. Dit voorstellen is, als alledenken, insgelijks eenevoorbijgaande werking, eene werkingvan den geest, tot welker reproductie het letterschrift evenzeer als tot het luide uitspreken aanleiding geeft.
5. De zichtbare voorstelling van een woord door letterteekens wordt insgelijkswoordgenoemd. Een woord komt derhalve onder drie verschillende vormen voor: als werkelijke klank, als voorgestelde of gedachte klank, en als afgebeelde of afgeteekende klank. Men heeft dusgesprokene,gedachteengeschrevenewoorden; de beteekenis, die in alle drie de gevallen dezelfde is, maakt den gemeenschappelijken band uit, welke de drie vormen of toestanden totéén zelfde woordmaakt.
Degesprokene woorden, de hoorbare klanken, zijn en blijven de oorspronkelijke, eigenlijke woorden, waarvan degedachteengeschrevenebloote navolgingen of kopieën zijn.
6. Daar het schrift de aanleiding moet zijn om de woordklanken te reproduceeren, zal eengeschrevenwoord moeten bestaan in de opgave van al de bestanddeelen van den woordklank, gerangschikt in de volgorde, waarin zij onder het uitspreken vereenigd worden.
7. De natuur van het letterschrift brengt derhalve mede, dat het doel van het schrijven, namelijk de reproductie van gedachten, aanvankelijk althans, slechts langs eenen omweg bereikt wordt. Wieleertlezen, moet het geschreven woord luide uitspreken, en eerst de door hem uitgesproken en tevens door hem gehoorde klank verwekt bij hem de daaraan verbonden voorstelling. Dezelfde noodzakelijkheid om hardop te lezen blijft bestaan bij alle lieden, die slechts zelden lezen. Een geoefend lezer echter behoeft dien omweg niet meer te maken: een geschreven woord verwekt bij hem onmiddellijk de voorstelling van den woordklank en tevens die van het bedoelde voorwerp, de bedoelde hoedanigheid, werking of betrekking. De onmiddellijke verbinding van het schrift met zijne beteekenis ontstaat nochtans bij ieder individu, behalve bij doofstommen, eerst nadat de woordklank een geruimen tijd het verbindende middel is geweest.
Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen letterschrift hebben kunnen uitdenken.
Doofstommen komen tot de verbinding van een geschreven woord met zijne beteekenis alleen door het kunstmatig onderwijs van personen, bij wie die verbinding langs den beschreven weg is tot stand gebracht. Eene maatschappij van louter doofstommen zou geen letterschrift hebben kunnen uitdenken.
8. De periode der woordschepping is reeds voor eeuwen gesloten; nieuwe woorden worden alleen uit reeds bestaande stof gevormd. Het leeren spreken van het kind bestaat dus in het leeren nabootsen van de woordklanken, die het ouderen hoort uitbrengen, en het spreken van ouderen is niets anders dan eene reproductie van dezelfde klanken, is en blijft dus eene nabootsing.
9. Daar nu de gehoor- en spraakorganen bij geene twee individuën volkomen gelijk zijn, hoort ieder op zijne eigene wijze anderen de woorden uitbrengen, en spreekt hij ze op zijne eigene wijze—soms zeer gebrekkig—na. Vandaar dat de individuën aan hunne spraak onderkenbaar zijn.
10. Doch niettegenstaande dit persoonlijke onderscheid in het spreken, bestaat er ten gevolge der nabootsing eene groote overeenstemming in de uitspraak der inboorlingen van hetzelfde dorp, dezelfde stad, hetzelfde gewest. Deze overeenkomst onderling en het verschil met de uitspraak van verder afgelegen plaatsen en streken veroorzaken de onderscheiding van de zoogenoemdeplaatselijkeengewestelijke tongvallen,dialecten.
11. Beschaafde lieden, die eene meer zorgvuldige opvoeding hebben genoten, wier gehoor meer verfijnd, wier spraakorganen meer geoefend zijn, spreken doorgaans zachter en lieflijker dan de minder bevoorrechte standen. Daardoor komt bij hen het eigenaardige, dat den tongval van de plaats hunner inwoning kenmerkt, minder scherp uit, zoodat het verschil der dialecten grootendeels wegvalt. Op die wijze ontstaat er eene zoogenaamde algemeenebeschaafde uitspraak, die het gansche land door, naast de gewestelijke, min of meer heerschende is. En doordien beschaafde lieden,vooral in geschrifte, zich ten behoeve der duidelijkheid doorgaans onthouden van woorden, die uitsluitend in hunne woonplaats in gebruik en elders onbekend zijn, vormt zich nevens de taal des volks een nieuwe taalvorm, waarin de beschaafde uitspraak heerscht, en die als een afzonderlijk dialect, dat der beschaafde standen, te beschouwen is. Voor zooverre dit dialect zich in geschrifte openbaart, noemt men het deschrijf-ofboekentaal.
12. Wanneer zich in eene taal eenmaal zulk eene beschaafde uitspraak heeft gevestigd, maakt het eigenaardige van een dialect, als het wat sterk uitkomt, meestal een min of meer onaangenamen indruk op den beschaafden hoorder; vooral wanneer in de plaats zijner geboorte of langdurige inwoning een andere tongval heerscht. Deze omstandigheid heeft bij alle beschaafde volken aan de beschaafde uitspraak eene hooge waarde gegeven en de dialecten in dezelfde mate in achting doen dalen. Uit zijnen aard staat het algemeene hooger dan het bijzondere en moet het bijzondere voor het algemeene wijken, in de taal en de taalkunde zoowel als in de maatschappij en de staathuishoudkunde.
13. Eenezuivere uitspraakis verschillend van eenebeschaafde uitspraak. Sommige lieden kunnen uit hoofde van organische gebreken of uit gemis aan oefening enkele bestanddeelen van woorden niet duidelijk onderscheiden, en meestal ten gevolge daarvan, niet goed uitspreken; dezen hebben dan eene gebrekkige uitspraak. Wie iederen letterklank zoo uitbrengt, als door het meerendeel der natie geschiedt, heeft eenezuivere uitspraak. Onbeschaafden kunnen in weerwil van ruwheid en grofheid in hunne spraak eenezuivere, beschaafden omgekeerd eenegebrekkigeuitspraak hebben. Eene uitspraak kan, in zooverre zij gebrekkig is, natuurlijk niet als een bestanddeel der algemeene beschaafde uitspraak gerekend worden.
14. Ofschoon hetschrift, als de zichtbare voorstelling derspraak, zich naar deze moet richten en van haarafhankelijk is, werkt het desniettemin op haar terug en heeft het omgekeerd invloed op despraaken zelfs op de geheeletaal.
15. Immers, daar het schrift de woorden in hunne bestanddeelen ontleed moet voorstellen, noodzaakt het in de eerste plaats denschrijverelk woord, dat hij schrijven wil, in zijne deelen op te lossen en deze, behoorlijk achter elkander gerangschikt, voor te stellen. Vervolgens geeft het denlezerdeel voor deel in de vereischte volgorde te zien, en noodzaakt het hem die deelen zelf samen te voegen. Zoodoende brengt het schrift de bestanddeelen en den vorm der woorden tot het bewustzijn der lezers en schrijvers. Die bewuste kennis der deelen maakt, dat men ze bepaalder articuleert, aan ieder beter zijn eisch geeft, en dus ook duidelijker spreekt.
Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.
Het ontleden der woorden en het weder samenvoegen hunner bestanddeelen geschiedt bij geoefende schrijvers en lezers met groote snelheid en onbewust. Die vaardigheid ontstaat echter alleen door langdurige bewuste oefening en wordt slechts gevonden bij hen, die de woorden nauwkeurig kennen, d.i. bij dezulken, op wie het schrijven en lezen de hier bedoelde uitwerking reeds gehad heeft.
16. Daar men onder het lezen altijd min of meer overeenkomstig het geschrevene uitspreekt, bevordert eene eenparige spelling, die met de beschaafde uitspraak in overeenstemming is, noodwendig de eenheid in het spreken en de uitbreiding der beschaafde uitspraak onder de mindere standen. Omgekeerd kan het schrift ook strekken om de uitspraak te bederven.
17. Doordien het schrift iets voortdurends is, waarnaar men zich in het lezen en daardoor ook in het spreken min of meer regelt, geeft het meer bestendigheid aan de taal; het kan wel is waar de langzame verandering, waaraan iedere levende taal onderworpen is, niet verhinderen, maar het behoedt haar voor een al te snel verloop.
18. Het schrift, een blijvend iets, geeft de woorden in verschillende vormen, betrekkingen en opeenvolgingen te zien. Zoodoende stelt het den belangstellende in staat die onderscheidene vormen, betrekkingen en opeenvolgingen op zijn gemak te beschouwen en te vergelijken, en de wetten op te merken, volgens welke de woorden veranderen, gebruikt en gerangschikt worden. Blootelijk gedachte of gesproken woorden kunnen niet worden vastgehouden en zijn daardoor moeilijker waar te nemen en te vergelijken.
19. Daar alle kennis van iets alleen kan worden verkregen door dat iets met andere dingen te vergelijken, en alleen het schrift tot eene behoorlijke vergelijking der woorden onderling in staat stelt, moet het beschouwd worden als de aanleidende oorzaak tot het nadenken over de taal en als de onmisbare voorwaarde van alle wetenschappelijke taalkennis.
20. De geest kan alleen gedachten die hij begrijpt in zich opnemen en bewaren. Tot het rechte verstand eener gedachte is noodig, dat de geest iedere voorstelling, die er in voorkomt, van alle andere onderscheidt, en haar plaatst bij andere voorstellingen, die van denzelfden aard zijn, haar kunnen ophelderen en duidelijk maken. Dit onderscheiden der voorstellingen en haar opnemen in de klasse, waartoe zij behooren, heetappercipieeren.Apperceptieis derhalve volstrekt noodig tot het verstaan eener gedachte.
Appercipieerenis de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het dagelijksch leven nu eensleeren kennen, danonderkennen, danherkennenheet.Daar een woord eenklankis, waaraan eenebeteekenisis verbonden, en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.
Appercipieerenis de algemeene uitdrukking voor hetgeen in het dagelijksch leven nu eensleeren kennen, danonderkennen, danherkennenheet.
Daar een woord eenklankis, waaraan eenebeteekenisis verbonden, en dus als het ware uit twee deelen bestaat, vereischt het eene dubbele apperceptie; eerst moet men den klank herkennen, en vervolgens zijne beteekenis weten te recht te brengen.
21. Het schrift, als iets zichtbaars, is aan de apperceptie der woorden bevorderlijk, wanneer het hetzelfde woord steeds op dezelfde wijze voorstelt, de gelijkluidende woorden verschillendspelt, en door eene verstandige keus van letters aan andere woorden van verwante beteekenis herinnert.
Men denke hier aanlijdenenleiden,nogennoch. De spellinglijdenmetijbrengt min of meer in de gedachten al de verschillende voorstellingen, die aanlijder,lijdzaam,lijdelijkenz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, b.v. wanneer menlijdenmeteispelt en zoodoende aanleiden,leiding,leidsman,leidsterdoet denken.
Men denke hier aanlijdenenleiden,nogennoch. De spellinglijdenmetijbrengt min of meer in de gedachten al de verschillende voorstellingen, die aanlijder,lijdzaam,lijdelijkenz. verbonden zijn, en stelt den lezer daardoor in staat het woord zóó op te vatten als op het oogenblik vereischt wordt.
Eene verkeerde spelling kan omgekeerd de apperceptie belemmeren, b.v. wanneer menlijdenmeteispelt en zoodoende aanleiden,leiding,leidsman,leidsterdoet denken.
22. Indien aan het schrift een zoo groote invloed op de taal moet toegeschreven worden, indien het ook het opnemen der gedachten kan bevorderen of vertragen, dan verdient de wijze, hoe men schrijft, een voorwerp van ernstige overweging uit te maken.
23. De wijze waarop eene taal geschreven wordt, heet hareSpelling. Ook het hoofddeel harer grammatica, dat de wetten en voorschriften bevat, waaraan men bij het schrijven gehoorzaamt, wordt deSpellinggenoemd.
Door eenewetverstaat men in de wetenschappen niet een bevel, door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.
Door eenewetverstaat men in de wetenschappen niet een bevel, door eenige autoriteit uitgevaardigd, maar een volzin of formule, die de wijze uitdrukt, waarop eene werking volgens haren aard geschiedt. Spellingwetten zijn derhalve zulke formules, waarin de wijze van spelling wordt opgegeven, voor zooverre die uit het wezen en het doel van het schrijven voortvloeit.
24. De spellingwetten zijn deels noodwendige uitvloeisels van het wezen en de natuur van hetschriftin het algemeen en van het eigenaardige der bijzondere taal; deels bestaan zij in min of meer willekeurige voorschriften, die door eene langdurige gewoonte (usus) kracht van wet hebben gekregen en niet meer te veranderen zijn. De eerstgenoemde soorten noemt men dealgemeene, de laatste debijzonderespelregels.
25. Wanneer een aantal bijzondere regels onder éénen algemeeneren of hoogeren regel kunnen gebracht worden, die kan worden beschouwd als een aangenomen grondbeginsel waaruit de bijzondere regels zijn afgeleid, dan verdient dat hoogere grondbeginsel insgelijks den naam vanalgemeenen spelregel.
26. Daar de spelling aanvankelijk voor een groot gedeelte van het goeddunken der eerste schrijvers afhing, schijnen de bijzondere spelregels naar willekeur veranderd en een spellingstelsel tot een hoogen trap van volmaaktheid gebracht te kunnen worden. Dat veranderen is echter inderdaad slechts mogelijk bij voorschriften, die maar eenige weinige woorden betreffen, wier toepassing derhalve hoogst zelden gevorderd wordt, en welke dientengevolge niet eens helder in het bewustzijn van het volk liggen. Maar heeft een regel een uitgebreid gebied, betreft hij een groot aantal woorden, is dus zijne toepassing door gewoonte eene tweede natuur geworden, dan geeft eene wijziging van dien regel aan het geheele schrift een ander, een vreemd voorkomen, dat het oog kwetst, zoolang het er niet aan gewend is; daarom zijn velen niet te bewegen om die verandering toe te passen, dewijl dit gelijk zou staan met het afleggen eener oude gewoonte. Veelomvattende hervormingen vinden nimmer ingang bij een geheel volk, maar verdeelen de schrijvenden in partijen, en verbreken of verhinderen de wenschelijke eenparigheid van spelling.
27. De grammaticus heeft derhalve de spelling te beschouwen als eenbestaandengegeveniets, waaraan hij niets wezenlijks vermag te veranderen. Wil hij verstandig zijn, dan neemt hij de spelling aan, die algemeen of door de groote meerderheid gevolgd wordt; omdat hij, anders handelende, zijn doel toch missen en de zaak niet verbeteren, maar veeleer verergeren zou.
28. Een volkomen rationeel en consequent spellingstelsel is een ideaal, hetwelk, verwezenlijkt, toch slechts zeer korten tijd zijne hooge voortreffelijkheid zou behouden, doordien detaal onafgebroken verandert, en de spelling die langzame veranderingen niet op den voet volgen kan, vermits deze eerst na eenig tijdsverloop duidelijk kenbaar worden.
29. Doch het volgen van de bestaande spelling brengt niet noodwendig mede, dat de grammaticus juist alle gebreken en onregelmatigheden mede moet overnemen. Wanneer hij willekeurige uitzonderingen op geldige regels opmerkt, onregelmatigheden in het schrijven van enkele woorden, waarvoor geene reden, hoe ook genaamd, is te ontdekken, maar die kennelijk aan onkunde of aan eene verkeerde toepassing van verstandige en erkende regels zijn toe te schrijven, dan kan niemand hem euvel duiden, dat hij zijn beter inzicht volgt. Dan is het veeleer zijn plicht anderen op die weinige gebreken opmerkzaam te maken, en door zijn voorbeeld mede te werken om het spellingstelsel zooveel mogelijk te zuiveren.
30. De meeste der hier bedoelde alleenstaande gebreken worden aangetroffen in onopgemerkte, bijna vergeten woorden, die in de algemeene schrijf- en boekentaal zelden worden gebruikt en daardoor aan de aandacht der taalkundigen ontsnapt zijn. Die onregelmatigheden zijn ontstaan òf doordien men den regel voorbijzag, waaronder het woord behoort; òf doordien men, den aard van het woord miskennende, een verkeerden regel volgde; òf doordien men den regel zelven verkeerd opvatte en toepaste. De verbetering der spelling van zoodanige woorden, waarbij òf geene òf eene verkeerde toepassing van regels plaats had, kan aan geen bezwaar onderhevig zijn noch grooten tegenstand vinden, omdat zij betrekkelijk weinig in getal zijn en, op weinige uitzonderingen na, zelden gebruikt worden.
31. Grootere moeilijkheden baren die woorden, die volstrekt niet onopgemerkt zijn gebleven, maar wier schrijfwijze tot de betwiste punten behoort. Hier moet de grammaticus eene keus doen; en wat zal hem bij zijne keus besturen? Wanneer eene der beide verschillende schrijfwijzen in eene der categorieën van de boven bedoelde onopgemerktewoorden valt, wanneer òf het woord òf de regel verkeerd is opgevat, dan behoeft hij niet te weifelen; maar hoe te handelen, wanneer voor beide spellingen geldige redenen zijn aan te voeren? In dit geval blijft er natuurlijk niets anders over, dan de tegenstrijdige regels aan de algemeene spellingwetten te toetsen en die spelling aan te nemen, welke blijkt door eene hoogere wet te worden voorgeschreven.
32. Uit het gezegde volgt, dat het vóór alles noodzakelijk is de algemeene spellingwetten of spelregels in oogenschouw te nemen en hunne onderlinge verhouding op te maken en te bepalen. Dit kan geschieden, wanneer men die wetten uit het wezen en de natuur der spelling afleidt.
De algemeene spelregels en hunne onderlinge verhouding.33. Het schrift is, alsuitgedachtmiddel, eenkunstproduct, dat aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te worden aan de voorschriften derAesthetica. Die onderwerping blijkt eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van het schoonheidsgevoel.34. Het is de bestemming van het schrift niet, hetschoonheidsgevoelte streelen, het bestaat eenig en alleen voor eenpractisch doel, dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen, die de aesthetica aan het schrift stellen mag.Doelmatigheidis dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds doorondoelmatigheid, ook dooronregelmatigheid,onwaarheidenwanluidendheid. Dooronwaarheidis hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift; ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet vermeden worden.36. De aesthetica eischt derhalve van de spellingdoelmatigheid,regelmatigheid,waarheidenwelluidendheid, dat wil zeggen overeenstemming (harmonie) tusschen demiddelenen hetdoel, tusschen demiddelen onderling, tusschen deafbeeldingen hetafgebeelde, tusschen hetschriften eenewelluidende uitspraak.37. Hetdoelvan het schrift is het veroorzaken eenerreproductie van gedachten, dus het veroorzaken eenerwerking van den geest. De aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen, die dePsychologieaangaande de reproductie der gedachten geeft.38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in den geest opgenomen worden, wanneer deapperceptieder voorstellingen, waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op, de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun doel beantwoorden, debeschaafde uitspraakvertegenwoordigen. Op dit vereischte berust de spelregel, dien men denRegel der beschaafde Uitspraakpleegt te noemen.40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor;d.i.geef door letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld, het naastbijkomende letterteeken.a.De bedoeling der woordenbeschaafdenzuiveris duidelijk.—De beperking van den regel tot het volgen van debeschaafdeuitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal zou begrepen worden.—Van vele woorden bestaat slechts ééne, en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden zij—doorgaans bastaardwoorden—verschillend uitgebracht, dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr.contrefort), bij de schoenmakerskomfoor,komfoordofkomfoort; volgens den regel moet de laatste uitspraak, mv.komfoortendoor de spelling voorgesteld worden.b.Het woordzuivermoet dienen om aan eene uitspraak, die ten gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters verwisselt, weglaat of invoegt, en dusonzuiveris, allen invloed op de spelling te ontzeggen.Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook af te keuren, iets anders danonzuiverspreken. Zoolang in eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer (Orthographie).Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene spellingleer te doen gelden.c.De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten volgt, dat alleen zijbeslist, en dat de andere dialecten slechts in twijfelachtige gevallen eeneraadgevende stemkunnen hebben. Wanneer eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen invloed oefenen.De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig, dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduidworden. Het schrift stelt dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken, veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.a.De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen gevoelen, zijn denen de zachte onder de zoogenaamde verwante medeklinkers, met name deb,d,g,v, enz.b.Denklinkt geheel anders inzoonenmijndan intangendank, of infranje,kransje,hondje.c.Deb,d,g,v, enzworden aan het einde eener lettergreep en in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg alsp,t,ch,fensluiden, devenzmeestal zelfs infensovergaan. Men vergelijkebeenmetschub,krab,hebt,hebzucht;daarmetraad,gidsenblijdschap;gootmetoog,oogtandenzegt;velmetdiev(dief),leevt(leeft) enontvangen;zeelmetleez(lees),vreezt(vreest),raadzaamenontzinken.d.Degwordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord eenenvoorafgaat, b.v. intang, hijzingt.e.Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men vergelijke dewinwijn,flauw,schuwenschuwer; desinsaai,stijfselenraadsel; deminman,kom,hemd, enkomt; de l inland,stoelenmelk; definfraaienstraf; deiininktenkoning.43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist weder te geven, het is ookonnoodigen zou buitendienondoelmatigzijn.Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken isonnoodig, omdat men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij het samenvoegendeuitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het bedoelde woordherkennenkan.44. Uit het gezegde in§ 9blijkta priori, en de ondervinding leerta posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten behoeve van den vreemdeling.45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om verschillende redenenondoelmatigzijn.a.Zij zou voorvelenhet schrijven onmogelijk maken. Immers, indien men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.b.Het zou voorallen, zonder uitzondering, het schrijven en lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten, en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten spreken om zich zelven te beluisteren,ten einde den waren klank te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.c.In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie der woorden kan opleveren.46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die derGelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere regels; daarom schrijft men b.v.koninklijk,afhankelijk,gezocht, vankoning,afhangenenzoeken;grachtvoorgraft, vangraven.47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te dienen. Vooreerst toch doet dedoelmatigheidstrengere eischen dan het slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de keus uit zoogenaamdegelijkluidendeletterteekens moeten bepalen. De Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder zich, die hem verklaren en aanvullen.a.De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die eischen.b.Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk deieny,cenk,cens,xenks; terwijlph,thenqudoor ons gelijkgesteld worden metf,tenkw. Vervolgens zijn eenige oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te weten de zachteeenoen de scherpeeeenoo, en de tweeklankenijenei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde letters bepalen.c.Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamdeverwantemedeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten voorkomen. Dezachte, deb,deng, worden dan verscherpt en naderen zoozeer tot descherpe, tot dep,tench, dat zij in de uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.d.Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van deauit de vergelijking vandàgmetdágen; van dee, uitde,bèdendégen; van dei, uitpìn,títelenzandigenz.e.Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.f.De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien derGelijkvormigheiden dien derAfleiding.48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonenvorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst na eenig weifelen plaats. Met dewoordenis het evenzoo gelegen. Wie het woordconsequentienooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal eenige oogenblikken in twijfel staan, als hijkonzekwencygeschreven vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene spelregel, die derGelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds meer en meer is geëerbiedigd geworden.49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hungeheel, het laatste hunnebestanddeelenbetreft. De regel wordt dan:a.Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.b.Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.a.Overeenkomstig het voorschrift a) spelt mendag, desdags, tendage,dagen;glad,gladde,gladder,gladst;zeg,zegt,gezegd,zeggen; nietdach,des dachs;glat,glatst;zech,zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.b.Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft menvijlselvanvijlen;verleidingvanverleiden;raadzaamvanraad, door aanhechting vanzaam;hoofddeeluithoofdendeel; nietveilsel,verlijden,raatsaam,hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.c.Het voorschrift b) ontraadt te spellenweereldvoorwereld,DuidschvoorDuitsch,diedschvoordiets,begichtvoorbiecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woordenweer(man),diedofduid(volk),giën(zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.d.De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat” is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven:andbachtvoorambachtenambt;heertogvoorhertog;paarlemoedervoorpaarlemoer;gezoekt,gekoopt, voorgezocht,gekochtenz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.e.Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk denRegel der Afleidingnoemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, deafleidingin acht te nemen. De benamingRegel der Gelijkvormigheidverdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het ina) bedoelde omvat, hetwelk door den naamRegel der Afleidingbuitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op deafleidinggegrond is.f.De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters derveranderlijkewoorden tot deverwantemedeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk bovenaenb.50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom detinooit,voort,voorts,want, dechindoch,toch, enz.Dooronverbuigbarewoorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, dievan natureonverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantiefwas(cera) en het adjectiefkwijtb.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.51. Dedoelmatigheidzou nog een anderen regel voorschrijven, wier opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en dien men denRegel der Onderscheidingzou kunnen noemen. Deze zou eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden (homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is b.v. niet mogelijkarm(niet rijk) anders te schrijven danarm(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijnzugt(zware ademhaling) te onderscheiden vanzucht(begeerte), maar hoe danzugtofzucht(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken?Waaren(koopgoederen) en (wij)warenzou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar deaastrijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerstewarenmet ééne, het tweede met tweea’s te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door een anderen regel gevorderd wordt. B.v.delen(planken) endeelen(gedeelten),beren(verscheurende dieren) enbeeren(varkens),sleepen(doen slepen) enslepen(gesleept worden).52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraaken die der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar die letters, opgenoemd in§ 47, voor veler oor en mond volkomen denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, zonder de letters zelve te bepalen.54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, denRegel der Afleidingkan noemen:Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden toestand te eerbiedigen.56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen door de spelling te onderscheiden; men denke aanweken, mv. vanweek, enweeken, ww.; aankolenenkoolen,lijdenenleiden.57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; b.v.kerstmisvoorkersmis,bestjevoorbesje,amechtigvooraamechtig,slaphakkenvoorslabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op dien grond isDinsdag, oudtijdsDisendag(verbasterd uitDiesdag), van den krijgsgodDie, te verkiezen bovenDingsdag, dat ten onrechte aandingofgedingdoet denken.59. De laatst gestelde algemeene regel (die derAfleiding) is natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleidingof oudere vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: te weten denRegel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus moeten luiden:Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men overeenkomstig de analogie;d.i.de woorden wier spelling noch door de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op overeenkomstige wijze gevormd zijn.60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in strijd met een der vorige regels.61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de eene of andere zijde doen overhellen. In§ 14is reeds aangemerkt, dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en gedwongene, dat wil zeggenonwelluidende, uitspraak. Waar de spelling vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit opzicht beterespelling mogelijk is, en—dit moet op den voorgrond blijven—door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien derWelluidendheidzou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van het begrip, dat hier aan het woordwelluidendmoet gehecht worden.62. Het woordwelluidendis hier natuurlijk niet in zijn algemeensten zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men denRegel der Welluidendheidin de volgende bewoordingen vervatten:Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak het best vertegenwoordigt.63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer gehoord worden.Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren:thans,bijkans,Parijsche,Friesche,wijste,frischte,meisje,handjeenz., voorthands,bijkants,Parijssche,Friessche,wijsste,frischste,meisjen,handtjeenz.64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat instraffende beidef’s gehoord worden, omdatstrafende uitspraakstrá-fenvoorstelt; ingeenszinswordt, hoewel niemandgeens-zinsuitspreekt, destoch gehoord, dewijl zij de volgendezverscherpt, zoodat het woord alsgeensinsluidt.65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene ongewone spelling steeds eenonaangenamen indruk maakt, dan blijkt de onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eenerbeperkingvan de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, gelijk reeds in§ 27en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan ook reedsSiegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik”. Die regel, of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.a.Zoo is b.v. de spellingthans(uitte hande), met eeneh, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, enthands, met eeneder in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men inhandeenehen eenedhoort. Dechintusschenis door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eenechuitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijzeDingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die denDinsdagvoor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spellingte samente verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie metsamenkomst,samenzijnenz., waarin deswettig is, als ontstaan zijnde uittz.b.Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en denRegel van het Gebruikgenoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; hetGebruikschrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet worden aanbevolen.Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak drieërlei spelling bestaat:1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak,naarofvolgensde uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde Uitspraak voorgeschreven, b.v. die vanal,as,bal,bastenz., welke woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;2. eene spelling, niet geheelvolgensde uitspraak, niet juist zóó door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar met haarvereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, vanzelve volgt; vergelijk§ 42en het slot van§ 43. Tot deze soort van spelling behooren b.v.abt,werelddeel,staatdame,geenszins; en3. eene spelling, gedeeltelijk volstrektstrijdigenonvereenigbaarmet de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt gewild; b.v.menschen,tusschen,thans,vijftig,zestig.69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar hetschriftde reproductie der woordklankenten doel heeft (zie§ 2en 3), is een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is deNatuurwet der Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.a.Van tallooze woorden, alsaf,bel,doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. vanboekbindersknechten,kuipershandwerk, worden alleen dechen dedniet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ookgentdaaraan zouden beantwoorden.b.De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt indageeneg, en inhoofddeeltweed’s, alleen omdat men indageneeneg, en inhoofdendeelbeide eenedhoort.—De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil tweee’s indeelen(gedeelten), doch ééne indelen(planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eenedail, het anderedil.—De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.—Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijfttusschenmet eenech, enthansmet eeneh, alleen omdat men vroeger diechenhwerkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik (vergel.§ 68, nº, 3).Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak:abdij,ambt,herberg,behendig,overtollig,gekocht,wierook,bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleidingabtij,andbacht,heerberg,behandig,overtallig,gekoopt,wijrook,bruidlooptzou vorderen.Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden opb,p,d,t,genchregelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt is, die der Analogie en der Welluidendheid,vervullen geene onmisbare behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der bewoners getuigen.Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt o.a. de spelling der vele woorden, waarinij’s enei’s, en in opene lettergrepen helderee’s eno’s voorkomen. Dan moet de Regel der Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de laatste rang overblijft.Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze had leeren kennen.
33. Het schrift is, alsuitgedachtmiddel, eenkunstproduct, dat aanvankelijk door den wil des menschen bepaald werd en daarvan steeds afhankelijk blijft. Als zoodanig reeds behoort het onderworpen te worden aan de voorschriften derAesthetica. Die onderwerping blijkt eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, wanneer men in aanmerking neemt, dat het schrift invloed heeft op de uitspraak en tevens de zichtbare vorm is, waaronder een aantal voorwerpen van kunst (dit woord in hoogeren zin genomen), namelijk alle voortbrengselen der dichtkunst en der welsprekendheid, zich vertoonen. Het schrift kan inderdaad bevorderlijk of hinderlijk zijn voor het verwekken van het schoonheidsgevoel.
34. Het is de bestemming van het schrift niet, hetschoonheidsgevoelte streelen, het bestaat eenig en alleen voor eenpractisch doel, dat geheel buiten het schrift zelf ligt. Dit bepaalt de eischen, die de aesthetica aan het schrift stellen mag.Doelmatigheidis dientengevolge de eerste, de hoofdeigenschap, waaruit alle andere moeten voortvloeien en waaraan zij moeten onderworpen zijn.
35. De overige voorschriften der aesthetica, die niet alle rechtstreeks uit de doelmatigheid kunnen afgeleid worden, zijn meer negatief dan positief; zij verbieden slechts wat het schoonheidsgevoel kwetsen kan. Dit nu wordt beleedigd, behalve reeds doorondoelmatigheid, ook dooronregelmatigheid,onwaarheidenwanluidendheid. Dooronwaarheidis hier te verstaan gebrek aan overeenstemming tusschen het afgebeelde en de afbeelding, namelijk tusschen de woordklanken en het schrift; ook de doelmatigheid vordert die overeenstemming. Het schrift kan wel niet zelf wanluidend zijn, maar het kan aanleiding geven tot eene onwelluidende uitspraak, wat natuurlijk zooveel doenlijk moet vermeden worden.
36. De aesthetica eischt derhalve van de spellingdoelmatigheid,regelmatigheid,waarheidenwelluidendheid, dat wil zeggen overeenstemming (harmonie) tusschen demiddelenen hetdoel, tusschen demiddelen onderling, tusschen deafbeeldingen hetafgebeelde, tusschen hetschriften eenewelluidende uitspraak.
37. Hetdoelvan het schrift is het veroorzaken eenerreproductie van gedachten, dus het veroorzaken eenerwerking van den geest. De aard van het doel verwijst derhalve de spelling naar de lessen, die dePsychologieaangaande de reproductie der gedachten geeft.
38. Wij hebben reeds boven gezien, dat gedachten niet begrepen, niet in den geest opgenomen worden, wanneer deapperceptieder voorstellingen, waaruit zij bestaan, achterwege blijft. De psychologie legt derhalve aan de spelling, zal zij zoo doelmatig mogelijk zijn, als plicht op, de apperceptie, zooveel in haar vermogen is, te bevorderen.
39. Daar alle spreken eene nabootsing der beschaafde uitspraak behoort te wezen, en het schrift in de eerste plaats de aanwijzing tot het spreken is, moeten de geschreven woorden, zullen zij aan hun doel beantwoorden, debeschaafde uitspraakvertegenwoordigen. Op dit vereischte berust de spelregel, dien men denRegel der beschaafde Uitspraakpleegt te noemen.
40. De Regel der beschaafde Uitspraak zal nagenoeg aldus luiden:
Stel in uw schrift de beschaafde uitspraak voor;d.i.geef door letterteekens al de bestanddeelen op, die in een woord gehoord worden, wanneer het door beschaafde lieden zuiver wordt uitgesproken; en kies in gevallen, waarin de juiste uitspraak niet kan worden voorgesteld, het naastbijkomende letterteeken.
a.De bedoeling der woordenbeschaafdenzuiveris duidelijk.—De beperking van den regel tot het volgen van debeschaafdeuitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal zou begrepen worden.—Van vele woorden bestaat slechts ééne, en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden zij—doorgaans bastaardwoorden—verschillend uitgebracht, dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr.contrefort), bij de schoenmakerskomfoor,komfoordofkomfoort; volgens den regel moet de laatste uitspraak, mv.komfoortendoor de spelling voorgesteld worden.b.Het woordzuivermoet dienen om aan eene uitspraak, die ten gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters verwisselt, weglaat of invoegt, en dusonzuiveris, allen invloed op de spelling te ontzeggen.Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook af te keuren, iets anders danonzuiverspreken. Zoolang in eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer (Orthographie).Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene spellingleer te doen gelden.c.De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.
a.De bedoeling der woordenbeschaafdenzuiveris duidelijk.—De beperking van den regel tot het volgen van debeschaafdeuitspraak ziet natuurlijk alleen op die woorden, waarvan naast de betrekkelijk algemeene, d.i. door het gansche land bij velen en juist bij de beschaafdsten gebruikelijke uitspraak nog eene plaatselijke of gewestelijke bestaat. De regel wil, dat men alsdan de algemeene uitspraak zal volgen, op grond, dat het bijzondere voor het algemeene moet wijken, en eene schrijfwijze, die eene slechts plaatselijke uitspraak voorstelt, dikwijls niet overal zou begrepen worden.—Van vele woorden bestaat slechts ééne, en dus eene volstrekt algemeene uitspraak; deze is dan vanzelve tevens de beschaafde, waarop de regel doelt. Wanneer technische woorden, uitsluitend bij kunstenaars, werklieden enz. in gebruik, maar bij het algemeen niet bekend, slechts op ééne wijze worden uitgesproken, dan is deze vanzelve de normale. Doch worden zij—doorgaans bastaardwoorden—verschillend uitgebracht, dan is natuurlijk de minst verbasterde als de beschaafdste te beschouwen. Zoo heet b.v. het leder achter in laarzen of schoenen, dat dient om aan de hielen stevigheid te geven (fr.contrefort), bij de schoenmakerskomfoor,komfoordofkomfoort; volgens den regel moet de laatste uitspraak, mv.komfoortendoor de spelling voorgesteld worden.
b.Het woordzuivermoet dienen om aan eene uitspraak, die ten gevolge van organische gebreken of verkeerde gewoonten letters verwisselt, weglaat of invoegt, en dusonzuiveris, allen invloed op de spelling te ontzeggen.
Gemaakt, pedant, lispelend of galmend spreken is, hoezeer ook af te keuren, iets anders danonzuiverspreken. Zoolang in eene gemaakte uitspraak dezelfde bestanddeelen worden gehoord als in eene natuurlijke, heeft zij geen nadeeligen invloed op de spelling. Waarschuwingen daartegen behooren te huis in eene Uitspraakleer (Orthoëpie), niet in eene Spellingleer (Orthographie).
Eerst wanneer zij letters weglaat, invoegt of verwisselt, houdt zij op zuiver te zijn, en verliest zij het recht om zich in eene spellingleer te doen gelden.
c.De Regel der Uitspraak vloeit geheel en onmiddellijk voort uit het wezen en het doel van het schrift. Hij is daarom de hoofd- en grondregel der Spelling. Alles wat met dien regel strijdt, is tevens strijdig met het wezen en de bestemming van het schrift. Uit dien hoofde kan hij wel door andere regels verklaard en nader bepaald, maar niet weersproken worden, en is elke regel, die tegen dezen strijdt, van het theoretische standpunt, te verwerpen.
De practijk echter kan gewichtige redenen hebben om zoodanige regels, wanneer zij eenmaal bestaan, als geldig te erkennen.
41. Uit de verhouding der beschaafde uitspraak tot de overige dialecten volgt, dat alleen zijbeslist, en dat de andere dialecten slechts in twijfelachtige gevallen eeneraadgevende stemkunnen hebben. Wanneer eene plaatselijke of gewestelijke uitspraak in strijd is met de afleiding, de regelmaat of wel met eenigen anderen regel, uit dien der beschaafde uitspraak afgeleid, dan mag zij op de spelling geen invloed oefenen.
De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.
De noodzakelijkheid dezer bepaling vloeit reeds voort uit den strijd der dialecten. Het is vanzelf onmogelijk gelijktijdig aan de eischen van alle te voldoen; en één bijzonder dialect te bevoorrechten, verbiedt de billijkheid.
42. Bij eene oppervlakkige beschouwing schijnt eene volkomen nauwkeurige afbeelding der beschaafde uitspraak door het schrift zeer wenschelijk en ook wel mogelijk. In de practijk echter blijkt spoedig, dat het ondoenlijk is, eenig dialect, welk ook, volkomen juist voor te stellen. Reeds terstond ziet men, dat de eigenaardigheden in de spraak der bijzondere personen, die ook in de beschaafde uitspraak blijven bestaan, onmogelijk kunnen aangeduidworden. Het schrift stelt dus van niet één individu de uitspraak geheel nauwkeurig voor; het kan uit zijnen aard slechts een middelweg houden tusschen de individueele eigenaardigheden. Doch ook op dezen weg ontmoet het schrift bijna onoverkomelijke zwarigheden in de wijzigingen der meeste letterklanken, veroorzaakt deels door den invloed der naburige letters, deels door hunne plaats vooraan, achteraan of in het midden der woorden.
a.De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen gevoelen, zijn denen de zachte onder de zoogenaamde verwante medeklinkers, met name deb,d,g,v, enz.b.Denklinkt geheel anders inzoonenmijndan intangendank, of infranje,kransje,hondje.c.Deb,d,g,v, enzworden aan het einde eener lettergreep en in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg alsp,t,ch,fensluiden, devenzmeestal zelfs infensovergaan. Men vergelijkebeenmetschub,krab,hebt,hebzucht;daarmetraad,gidsenblijdschap;gootmetoog,oogtandenzegt;velmetdiev(dief),leevt(leeft) enontvangen;zeelmetleez(lees),vreezt(vreest),raadzaamenontzinken.d.Degwordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord eenenvoorafgaat, b.v. intang, hijzingt.e.Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men vergelijke dewinwijn,flauw,schuwenschuwer; desinsaai,stijfselenraadsel; deminman,kom,hemd, enkomt; de l inland,stoelenmelk; definfraaienstraf; deiininktenkoning.
a.De letters, bij welke die invloeden zich het duidelijkst doen gevoelen, zijn denen de zachte onder de zoogenaamde verwante medeklinkers, met name deb,d,g,v, enz.
b.Denklinkt geheel anders inzoonenmijndan intangendank, of infranje,kransje,hondje.
c.Deb,d,g,v, enzworden aan het einde eener lettergreep en in de nabuurschap van sommige andere, inzonderheid van scherpe letters, zóózeer verscherpt, dat zij geheel of nagenoeg alsp,t,ch,fensluiden, devenzmeestal zelfs infensovergaan. Men vergelijkebeenmetschub,krab,hebt,hebzucht;daarmetraad,gidsenblijdschap;gootmetoog,oogtandenzegt;velmetdiev(dief),leevt(leeft) enontvangen;zeelmetleez(lees),vreezt(vreest),raadzaamenontzinken.
d.Degwordt geheel gewijzigd, wanneer haar in hetzelfde woord eenenvoorafgaat, b.v. intang, hijzingt.
e.Bij andere letters hebben veel fijner wijzigingen plaats, die somtijds alleen voor een geoefend gehoor waarneembaar zijn. Men vergelijke dewinwijn,flauw,schuwenschuwer; desinsaai,stijfselenraadsel; deminman,kom,hemd, enkomt; de l inland,stoelenmelk; definfraaienstraf; deiininktenkoning.
43. Doch is het niet mogelijk de spraak in het schrift volkomen juist weder te geven, het is ookonnoodigen zou buitendienondoelmatigzijn.
Eene volkomen juiste afbeelding der woordklanken isonnoodig, omdat men in den regel schrijft voor lieden, die de taal verstaan en de uitspraak der bedoelde woorden kennen, en die dus uit hunne kennis het ontbrekende weten aan te vullen. De wijziging der letters volgt bij het samenvoegendeuitspreken vanzelve en behoeft daarom niet aangeduid te worden, evenmin als in eene chemische formule de verandering der elementen, die door hunne vermenging vanzelve ontstaat.
Het doel van het schrift wordt reeds bereikt, wanneer de lezer het bedoelde woordherkennenkan.
44. Uit het gezegde in§ 9blijkta priori, en de ondervinding leerta posteriori, dat geen schrift in staat is om de ware uitspraak eener taal voor den vreemdeling kenbaar te maken. Alle schrijfwijzen, die uitsluitend daartoe zouden moeten strekken, zijn als vruchtelooze pogingen te verwerpen. De spelling mag niet gewijzigd worden ten behoeve van den vreemdeling.
45. Eene aan de uitspraak volkomen adaequate spelling zou om verschillende redenenondoelmatigzijn.
a.Zij zou voorvelenhet schrijven onmogelijk maken. Immers, indien men al de wijzigingen, die de letters ten gevolge van hare plaats en nabuurschap ondergaan, door het schrift wilde uitdrukken, dan zou het alphabet met een aanzienlijk getal letters moeten vergroot, of er zouden diacritische teekens moeten uitgedacht worden. Het gebruik dier nieuwe letters of teekens zou een fijner oor vereischen dan velen bezitten, zoodat dezen niet zouden weten, welke teekens te kiezen.
b.Het zou voorallen, zonder uitzondering, het schrijven en lezen noodeloos hoogst moeilijk maken. Immers, ten gevolge der vele wijzigingen, die de letters in verschillende omstandigheden ondergaan, zouden de voornaamste woorden der taal, namelijk al de veranderlijke, zich telkens onder geheel verschillende vormen aan het oog vertoonen. Geen vorm zou zich in het geheugen prenten, en daardoor zou het gebruik der vele letters en teekens groote oplettendheid vereischen. Een geoefende schrijft thans zonder aan zijn schrift te denken; de letters ontvloeien als vanzelve aan zijne pen. Zulks zou dan onmogelijk wezen. Wie schreef, zou hardop moeten spreken om zich zelven te beluisteren,ten einde den waren klank te kunnen treffen. Een lezer zou altijd hardop moeten lezen om het woord te hooren, eer hij aan het geschrevene eene voorstelling wist te verbinden, terwijl thans een telkens wederkeerende, licht herkenbare vorm hem in staat stelt zich het bedoelde woord te denken.
c.In derivata zou de vorm der grondwoorden, in composita de vorm der samenstellende deelen noodeloos onkenbaar worden gemaakt. Het schrift zou dus al de voordeelen missen, die een verwijzen op de etymologie der woorden kan opleveren.
46. De waarheid, dat het schrift de uitspraak niet volkomen juist behoeft voor te stellen, geeft echter in geenen deele de vrijheid om een geheel anderen klank af te beelden, dan in de beschaafde uitspraak gehoord wordt, al ware het dat een andere spelregel, b.v. die derGelijkvormigheid, zulk eene afwijking scheen te vorderen. De Regel der Beschaafde Uitspraak overheerscht uit zijnen aard alle andere regels; daarom schrijft men b.v.koninklijk,afhankelijk,gezocht, vankoning,afhangenenzoeken;grachtvoorgraft, vangraven.
47. Ofschoon het doel van het schrift door de eenvoudige opvolging van den Regel der Beschaafde Uitspraak kan bereikt worden, is die regel geenszins voldoende om in alle gevallen tot richtsnoer te dienen. Vooreerst toch doet dedoelmatigheidstrengere eischen dan het slechts mogelijke bereiken van het doel. Zij wil, dat een woord zoo vlug doenlijk, en niet eerst na lang wikken en wegen, met zekerheid herkend worde. Vervolgens maakt de bestaande toestand van de taal en het letterschrift een aantal bijzondere regels noodzakelijk, die de keus uit zoogenaamdegelijkluidendeletterteekens moeten bepalen. De Regel der Beschaafde Uitspraak behoeft derhalve andere regels onder zich, die hem verklaren en aanvullen.
a.De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die eischen.b.Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk deieny,cenk,cens,xenks; terwijlph,thenqudoor ons gelijkgesteld worden metf,tenkw. Vervolgens zijn eenige oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te weten de zachteeenoen de scherpeeeenoo, en de tweeklankenijenei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde letters bepalen.c.Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamdeverwantemedeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten voorkomen. Dezachte, deb,deng, worden dan verscherpt en naderen zoozeer tot descherpe, tot dep,tench, dat zij in de uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.d.Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van deauit de vergelijking vandàgmetdágen; van dee, uitde,bèdendégen; van dei, uitpìn,títelenzandigenz.e.Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.f.De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien derGelijkvormigheiden dien derAfleiding.
a.De regelmatigheid zou vorderen, dat men voor iederen letterklank maar één letterteeken had, en dat ieder letterteeken slechts ééne waarde bezat en altijd denzelfden klank vertegenwoordigde. De bestaande toestand beantwoordt in vele opzichten niet aan die eischen.
b.Vooreerst zijn onze letterteekens niet voor het Nederlandsch uitgedacht; ons alphabet is van de Latijnen ontleend, en bezat reeds bij de overneming eenige gelijkluidende letters, namelijk deieny,cenk,cens,xenks; terwijlph,thenqudoor ons gelijkgesteld worden metf,tenkw. Vervolgens zijn eenige oorspronkelijk zeer verschillende klanken in den mond van velen allengs geheel gelijkluidend geworden, waardoor sommige teekens, voor de zoodanigen althans, dezelfde waarde hebben gekregen, te weten de zachteeenoen de scherpeeeenoo, en de tweeklankenijenei. Er zijn dus voorschriften noodig, die de keus der genoemde letters bepalen.
c.Dezelfde behoefte bestaat bij het kiezen der zoogenaamdeverwantemedeklinkers, wanneer zij als sluitletters moeten voorkomen. Dezachte, deb,deng, worden dan verscherpt en naderen zoozeer tot descherpe, tot dep,tench, dat zij in de uitspraak niet meer van deze te onderscheiden zijn.
d.Omgekeerd moeten sommige letterteekens dienen om meer dan éénen klank voor te stellen; gelijk blijkt ten opzichte van deauit de vergelijking vandàgmetdágen; van dee, uitde,bèdendégen; van dei, uitpìn,títelenzandigenz.
e.Ofschoon het opgenoemde evenzeer tegen de doelmatigheid als tegen de regelmatigheid aandruischt, is er nagenoeg niets aan te veranderen. Volstrekt ongeoorloofd is het echter die gebreken uit loutere spitsvondigheid te vermeerderen, door b.v. aan een zelfde letterteeken noodeloos meer dan ééne waarde toe te kennen.
f.De voorschriften, die strekken moeten om een schrijver bij het kiezen uit geheel of nagenoeg gelijkluidende letterteekens te besturen, zijn hoofdzakelijk gegrond op den tweeden en derden algemeenen spelregel, op dien derGelijkvormigheiden dien derAfleiding.
48. Wanneer een persoon steeds dezelfde kleeding draagt, en de exemplaren eener soort van voorwerpen, b.v. werktuigen, steeds denzelfden vorm hebben, dan zal men dien persoon en de soort, waartoe een voorwerp behoort, lichtelijk overal en onder alle omstandigheden herkennen. Het omgekeerde geschiedt, wanneer de persoon geheel anders gekleed is en de gedaante van een voorwerp van den gewonenvorm afwijkt; de herkenning heeft dan òf in het geheel niet, òf eerst na eenig weifelen plaats. Met dewoordenis het evenzoo gelegen. Wie het woordconsequentienooit anders dan zóó gespeld heeft gezien, zal eenige oogenblikken in twijfel staan, als hijkonzekwencygeschreven vindt. Op deze psychologische waarheid steunt de tweede algemeene spelregel, die derGelijkvormigheid, welke in onze spelling steeds meer en meer is geëerbiedigd geworden.
49. De Regel der Gelijkvormigheid luidt aldus:
Geef, zooveel de uitspraak toelaat, aan een zelfde woord en aan ieder deel, waaruit het bestaat, steeds denzelfden vorm, wanneer daardoor de herkenning en juiste opvatting van het woord kan bevorderd worden.
De laatste voorwaarde maakt het noodzakelijk den regel in twee deelen te splitsen, waarvan het eerste de woorden in hungeheel, het laatste hunnebestanddeelenbetreft. De regel wordt dan:
a.Schrijf hetzelfde woord, zooveel de uitspraak en de verbuiging of vervoeging toelaten, steeds met dezelfde letters.
b.Geef in afgeleide woorden aan het grondwoord en in samengestelde aan de samenstellende deelen, zooveel de uitspraak toelaat, steeds dienzelfden vorm, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen; wel te verstaan, indien die grondwoorden of deelen nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn en dan dezelfde beteekenis hebben als in de afgeleide of samengestelde woorden.
a.Overeenkomstig het voorschrift a) spelt mendag, desdags, tendage,dagen;glad,gladde,gladder,gladst;zeg,zegt,gezegd,zeggen; nietdach,des dachs;glat,glatst;zech,zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.b.Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft menvijlselvanvijlen;verleidingvanverleiden;raadzaamvanraad, door aanhechting vanzaam;hoofddeeluithoofdendeel; nietveilsel,verlijden,raatsaam,hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.c.Het voorschrift b) ontraadt te spellenweereldvoorwereld,DuidschvoorDuitsch,diedschvoordiets,begichtvoorbiecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woordenweer(man),diedofduid(volk),giën(zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.d.De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat” is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven:andbachtvoorambachtenambt;heertogvoorhertog;paarlemoedervoorpaarlemoer;gezoekt,gekoopt, voorgezocht,gekochtenz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.e.Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk denRegel der Afleidingnoemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, deafleidingin acht te nemen. De benamingRegel der Gelijkvormigheidverdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het ina) bedoelde omvat, hetwelk door den naamRegel der Afleidingbuitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op deafleidinggegrond is.f.De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters derveranderlijkewoorden tot deverwantemedeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk bovenaenb.
a.Overeenkomstig het voorschrift a) spelt mendag, desdags, tendage,dagen;glad,gladde,gladder,gladst;zeg,zegt,gezegd,zeggen; nietdach,des dachs;glat,glatst;zech,zecht, gelijk oudtijds wel placht te geschieden.
b.Overeenkomstig het voorschrift b) schrijft menvijlselvanvijlen;verleidingvanverleiden;raadzaamvanraad, door aanhechting vanzaam;hoofddeeluithoofdendeel; nietveilsel,verlijden,raatsaam,hoofdeel, omdat de juiste opvatting door de laatste schrijfwijze zou belemmerd worden.
c.Het voorschrift b) ontraadt te spellenweereldvoorwereld,DuidschvoorDuitsch,diedschvoordiets,begichtvoorbiecht, omdat deze spelling, hoewel door de afleiding geboden, tegen andere regels aandruischt, en de woordenweer(man),diedofduid(volk),giën(zeggen) niet meer in gebruik zijn, zoodat de beteekenis door het wijzen op de grondwoorden niet duidelijker gemaakt, maar veeleer verduisterd zou worden.
d.De bepaling »zooveel de uitspraak toelaat” is aan beide deelen gemeen en stelt den geheelen regel onder dien der Beschaafde Uitspraak. Zij verbiedt te schrijven:andbachtvoorambachtenambt;heertogvoorhertog;paarlemoedervoorpaarlemoer;gezoekt,gekoopt, voorgezocht,gekochtenz., omdat die vormen met de uitspraak in strijd en daardoor onduidelijk zijn.
e.Men zie vooral niet voorbij, dat de gestelde regel grootendeels dezelfde is, als die, welken men gewoonlijk denRegel der Afleidingnoemt. Immers, onder meer, schrijft hij ook voor, deafleidingin acht te nemen. De benamingRegel der Gelijkvormigheidverdient echter de voorkeur; vooreerst omdat zij, op de bedoeling van den regel zinspelende, zijne strekking beter uitdrukt, en ook het ina) bedoelde omvat, hetwelk door den naamRegel der Afleidingbuitengesloten wordt; en vervolgens, omdat men deze laatste uitdrukking noodig heeft als de benaming van een anderen regel, die werkelijk uitsluitend op deafleidinggegrond is.
f.De Regel der Gelijkvormigheid, ofschoon eigenlijk de bevordering der apperceptie ten doel hebbende, vult te gelijk meer dan ééne leemte in den Regel der Uitspraak aan, doordien hij in vele gevallen, waar deze niet beslist, het gebruik der medeklinkers bepaalt. Dit heeft plaats, wanneer de sluitletters derveranderlijkewoorden tot deverwantemedeklinkers behooren, en wanneer in afleidingen en samenstellingen twee gelijke of verwante medeklinkers samentreffen; vergelijk bovenaenb.
50. Waar de Regel der Gelijkvormigheid voor de bepaling der sluitletters te kort schiet of zijne toepassing geheel nutteloos zou zijn, voornamelijk bij onverbuigbare woorden, wier vorm dikwijls ook niet uit de afleiding blijkt, is het rationeel die letters te kiezen, die het naast aan de uitspraak komen. Daar nu de zachte medeklinkers aan het einde der woorden geheel of bijna aan de verwante scherpe gelijk worden, eischt de Regel der Beschaafde Uitspraak het gebruik der scherpe in de onverbuigbare woorden. Daarom detinooit,voort,voorts,want, dechindoch,toch, enz.
Dooronverbuigbarewoorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, dievan natureonverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantiefwas(cera) en het adjectiefkwijtb.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.
Dooronverbuigbarewoorden (indeclinabilia) worden hier verstaan alleen die woorden, dievan natureonverbuigbaar zijn, als bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels, niet de zoodanige, die tot eene klasse van verbuigbare woorden, als de zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden behoorende, alleen door toevallige omstandigheden niet verbogen worden. Het substantiefwas(cera) en het adjectiefkwijtb.v. behooren niet tot de indeclinabilia, ofschoon beide geene verbuiging ondergaan.
51. Dedoelmatigheidzou nog een anderen regel voorschrijven, wier opvolging de vlugge herkenning der woorden zeer zou bevorderen en dien men denRegel der Onderscheidingzou kunnen noemen. Deze zou eischen, dat gelijkluidende, maar in beteekenis verschillende woorden (homoniemen) door de spelling werden onderscheiden. Die eisch is echter in vele gevallen volstrekt onuitvoerbaar, en zou in andere tot eene geheel willekeurige spelling aanleiding geven, waardoor bovendien meestal tegen andere erkende regels zou worden gezondigd. Het is b.v. niet mogelijkarm(niet rijk) anders te schrijven danarm(lichaamsdeel); het zou doenlijk zijnzugt(zware ademhaling) te onderscheiden vanzucht(begeerte), maar hoe danzugtofzucht(ziekte) als van beide verschillend te kenmerken?Waaren(koopgoederen) en (wij)warenzou, op zich zelf beschouwd, kunnen gaan, maar deaastrijdt tegen een erkenden regel, terwijl de willekeur hieruit blijkt, dat het evenzeer mogelijk zou zijn het eerstewarenmet ééne, het tweede met tweea’s te schrijven. Doch hoewel de onderscheiding der homoniemen niet als regel kan voorgeschreven worden, is zij toch belangrijk genoeg om met recht te eischen, dat woorden, die tot nu toe verward zijn, voortaan, in weerwil van het gevestigd gebruik, verschillend worden gespeld, wanneer zulks buitendien reeds door een anderen regel gevorderd wordt. B.v.delen(planken) endeelen(gedeelten),beren(verscheurende dieren) enbeeren(varkens),sleepen(doen slepen) enslepen(gesleept worden).
52. De beide opgegeven regels, die der Beschaafde Uitspraaken die der Gelijkvormigheid, vloeien, gelijk wij gezien hebben, onmiddellijk uit de natuur en de bestemming van het schrift voort. De bijzondere spelregels zijn òf toepassingen van die twee, òf zijn er onafhankelijk van. De beschouwing der voorschriften, die onmiddellijk uit de algemeene spelregels voortvloeien, ligt buiten het bestek van een programma, dat niet bestemd is om het geheele spellingstelsel te doen kennen, maar alleen om de grondslagen te leggen, waarop het stelsel behoort opgetrokken te worden, en bestaande geschillen te beslissen.
53. Ook de voorschriften, welke niet in een onmiddellijk verband staan met de algemeene regels, kunnen hier niet ter sprake komen, dan voor zooverre zij door één beginsel, door een hoogeren regel, beheerscht worden, die wel is waar evenzeer als de bijzondere regels willekeurig is aangenomen, doch moet worden geëerbiedigd, indien men de spelling tegen stelselloosheid en tallooze inconsequenties behoeden wil. Die voorschriften betreffen de keus uit de paren van gelijkluidende letterteekens bij het schrijven van grondwoorden. Daar die letters, opgenoemd in§ 47, voor veler oor en mond volkomen denzelfden klank vertegenwoordigen, kan de Regel der Beschaafde Uitspraak niet beslissen; terwijl de Regel der Gelijkvormigheid alleen eischt, dat men in een zelfde woord steeds dezelfde letters bezige, zonder de letters zelve te bepalen.
54. Wanneer men de meeste dier bijzondere voorschriften onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat het Nederlandsch den volgenden regel heeft aangenomen, dien men om den grondslag, waarop hij geheel steunt, denRegel der Afleidingkan noemen:
Bij de keus der gelijkluidende letterteekens beslist de afleiding of de oudere vorm uit den tijd, toen de nu gelijk geworden klanken nog duidelijk onderscheiden konden worden, in die gevallen, waarin geene andere regels of bijzondere omstandigheden die keus onraadzaam maken.
55. Het kan hier de vraag niet zijn, of men niet beter zou gehandeld hebben met een der gelijkluidende letterteekens als overtollig weg te werpen; het is genoeg te weten, dat men zulks niet gedaan heeft en nu met het bestaande moet voortwerken. Het strikt genomen overtollige als ballast over boord te werpen, zou eene omwenteling zijn, wier nasleep niet te overzien ware; het verstandigst is den bestaanden toestand te eerbiedigen.
56. Buitendien heeft die overvloed ook zijne goede zijde. Het bestaan van gelijkluidende letterteekens stelt dikwijls in staat om homoniemen door de spelling te onderscheiden; men denke aanweken, mv. vanweek, enweeken, ww.; aankolenenkoolen,lijdenenleiden.
57. Indien het schrijven overeenkomstig den ouderen vorm alleen een noodmiddel is, dat door de natuur van het schrift niet gevorderd, veeleer ontraden wordt, omdat het de spelling voor niet-taalkundigen moeilijk maakt, dan mag dat beginsel vooral niet worden toegepast in strijd met den Regel der Beschaafde Uitspraak.
58. Doch hoewel de uitspraak steeds de hoogste wetgeefster in de spelling is en blijft, waartegen men zelfs ten gerieve der apperceptie niet zondigen mag, bestaan er eenige weinige gevallen, waarin het raadzaam is uitzondering te maken. In zeldzaam voorkomende woorden, waarin eene bijna niet merkbare verandering zou moeten plaats grijpen, mag de afleiding den boventoon hebben, wanneer daardoor de ware uitspraak en de juiste opvatting der woorden hersteld kan worden; b.v.kerstmisvoorkersmis,bestjevoorbesje,amechtigvooraamechtig,slaphakkenvoorslabbakken. Dit mag te eer geschieden, wanneer het volk de ware of eene minder bedorven uitspraak bewaard heeft. Op dien grond isDinsdag, oudtijdsDisendag(verbasterd uitDiesdag), van den krijgsgodDie, te verkiezen bovenDingsdag, dat ten onrechte aandingofgedingdoet denken.
59. De laatst gestelde algemeene regel (die derAfleiding) is natuurlijk niet toereikend bij die woorden, wier afleidingof oudere vorm geheel onbekend of onzeker is. Dit maakt een vierden algemeenen regel noodzakelijk, die door de Aesthetica ter wering van willekeur of onordelijkheid en ter bevordering van regelmaat wordt voorgeschreven: te weten denRegel der Analogie. Deze zal in de spelling aldus moeten luiden:
Waar de drie bovengenoemde algemeene spelregels zwijgen, handelt men overeenkomstig de analogie;d.i.de woorden wier spelling noch door de uitspraak, noch door de gelijkvormigheid, noch door de afleiding wordt bepaald, worden op dezelfde wijze geschreven als andere, wier spelling met zekerheid bekend is en die oogenschijnlijk op overeenkomstige wijze gevormd zijn.
60. Daar de Regel der Analogie niet uit de natuur van het schrift voortvloeit, maar op gronden steunt, die buiten het gebied der grammatica liggen, zou het verkeerd zijn dien te laten gelden in strijd met een der vorige regels.
61. De Aesthetica geeft nog een regel aan de hand, die in enkele twijfelachtige gevallen den doorslag kan geven en de balans naar de eene of andere zijde doen overhellen. In§ 14is reeds aangemerkt, dat het schrift, ofschoon zelf op de uitspraak gegrond en daarvan afhankelijk, omgekeerd op de uitspraak, vooral van hen die eerst leeren lezen, terugwerkt en eenen invloed oefent, die zich veelal ook later doet gevoelen. De leerling toch ziet al de bestanddeelen van den woordklank even duidelijk vertegenwoordigd, en is daarom vanzelf geneigd al de letters even sterk te articuleeren, ook die welke in de gewone spreektaal maar flauw gehoord worden. Het schrift geeft dus uit zijnen aard aanleiding tot eene gedeeltelijk onnatuurlijke en gedwongene, dat wil zeggenonwelluidende, uitspraak. Waar de spelling vaststaat en door algemeen erkende regels bepaald is, kan het schrift zulk eene wanspraak niet voorkomen, en moet het aan den onderwijzer blijven overgelaten er zijne leerlingen tegen te waarschuwen, en te zorgen, dat zij geene gewoonte worde. Doch wanneer eene in dit opzicht beterespelling mogelijk is, en—dit moet op den voorgrond blijven—door goede schrijvers is aangenomen; in die gevallen dus, waar geene eenparigheid in het schrijven bestaat en eene keus moet gedaan worden, is het ongetwijfeld rationeel die spelling te kiezen, die het minst tot eene verkeerde en wanluidende uitspraak aanleiding geeft. Op dat beginsel, welks deugdelijkheid wel door niemand zal in twijfel getrokken worden, laat zich een regel bouwen, welken men dien derWelluidendheidzou kunnen noemen. Vooraf dient echter uitgemaakt te worden, hoe ver deze reiken mag, en dit hangt ten deele af van het begrip, dat hier aan het woordwelluidendmoet gehecht worden.
62. Het woordwelluidendis hier natuurlijk niet in zijn algemeensten zin op te vatten; de vraag is slechts: wat is binnen de grenzen onzer eigene taal relatief welluidend te achten? Nu is in het oor van het beschaafde publiek elk woord betrekkelijk welluidend, wanneer het zóó wordt uitgesproken, als men gewoon is het door beschaafden te hooren uitspreken. Wat van die gewoonte afwijkt, klinkt òf plomp en dialectisch, òf gemaakt en pedant. Er kan dus geene sprake zijn van eene welluidendheid, de beschaafde uitspraak overtreffende, of van een regel, die leeren zou anders te spreken dan de gewoonte medebrengt.
Een regel voor de welluidendheid kan derhalve slechts eene aanvulling zijn van den Regel der Beschaafde Uitspraak, en mag geen ander doel hebben dan op de naleving der voorschriften van dezen meer bepaaldelijk aan te dringen, die uitspraak te bevorderen en elke andere tegen te gaan. Wanneer men dit in het oog houdt, zal men denRegel der Welluidendheidin de volgende bewoordingen vervatten:
Waar twee of meer verschillende spellingen in gebruik zijn, waarvan geene zich door een der vroeger behandelde regels geheel laat rechtvaardigen, is die te verkiezen, welke de beschaafde uitspraak het best vertegenwoordigt.
63. Hieruit vloeit bepaaldelijk voort, dat men buiten overwegende redenen, b.v. blootelijk om eene afleiding te doen kennen, die de duidelijkheid, de apperceptie, niet bevordert, in het schrift geene letters herstellen mag, die in de beschaafde uitspraak niet meer gehoord worden.
Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren:thans,bijkans,Parijsche,Friesche,wijste,frischte,meisje,handjeenz., voorthands,bijkants,Parijssche,Friessche,wijsste,frischste,meisjen,handtjeenz.
Volgens den Regel der Welluidendheid zijn b.v. de volgende schrijfwijzen goed te keuren:thans,bijkans,Parijsche,Friesche,wijste,frischte,meisje,handjeenz., voorthands,bijkants,Parijssche,Friessche,wijsste,frischste,meisjen,handtjeenz.
64. Eene letter, die niet afzonderlijk wordt uitgesproken, moet toch geacht worden aanwezig te zijn, indien zij invloed heeft op eene voorafgaande of volgende letter, zoodat deze bij gemis der eerstgenoemde anders zou luiden. Zoo moet men b.v. rekenen, dat instraffende beidef’s gehoord worden, omdatstrafende uitspraakstrá-fenvoorstelt; ingeenszinswordt, hoewel niemandgeens-zinsuitspreekt, destoch gehoord, dewijl zij de volgendezverscherpt, zoodat het woord alsgeensinsluidt.
65. De bijzondere spelregels bestaan in voorschriften, die leeren, hoe men in de bijzondere gevallen te handelen heeft om getrouw te blijven aan de grondbeginselen, in de algemeene spelregels uitgedrukt. Daar die grondregels geput zijn uit de natuur en de bestemming van het schrift, kan hunne consequente toepassing schijnen eene volstrekte noodzakelijkheid te zijn, die het stellen van verscheidene nieuwe regels zou gebieden. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het toepassen van nieuwe regels van de schrijvenden altijd eene grootere of geringere inspanning vordert, altijd lastig is, en dat eene ongewone spelling steeds eenonaangenamen indruk maakt, dan blijkt de onmogelijkheid eener strenge consequentie en de noodzakelijkheid eenerbeperkingvan de toepassing der grondbeginselen. Het zou derhalve, gelijk reeds in§ 27en 28 is aangemerkt, eene dwaasheid wezen, indien een grammaticus meende, dat hij als het ware eene geheele omwenteling in een spellingstelsel zou kunnen te weeg brengen. Te recht heeft dan ook reedsSiegenbeek, toen er nog geen gevestigd stelsel bestond, een regel gesteld, die de strekking had het aantal wijzigingen te beperken, en die gebood »acht te geven op het Gebruik”. Die regel, of dat beginsel, zal in onzen tijd nagenoeg aldus moeten luiden:
De toepassing der beginselen, in de grondregels geleerd, is ondoenlijk in die gevallen, waarin zij eene veelomvattende wijziging der gebruikelijke spelling ten gevolge zou hebben. Door iedereen erkende en aangenomen regels, die de spelling bepalen van een groot aantal woorden, of van dezulke die, om zoo te zeggen, in elken volzin terugkeeren, al zij het ook dat zij door geenen der grondregels volkomen worden gerechtvaardigd, behooren geëerbiedigd te blijven, zoolang het gebruik niet vanzelf verandert.
66. Het spreekt vanzelf, dat deze regel evenmin onbepaald mag worden toegepast, maar beperkt blijft tot die gevallen, waar het Gebruik steunt op deugdelijke gronden, geldig in den tijd, toen het ontstond. Waar zulke gronden ontbreken, waar het Gebruik slechts een uitvloeisel is van begripsverwarring, van eene valsche etymologie of van eene verkeerde toepassing der analogie, daar heeft het van den aanvang af geene rechten gehad, maar staat met misbruik gelijk, en wordt ook door lengte van tijd niet gewettigd.
a.Zoo is b.v. de spellingthans(uitte hande), met eeneh, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, enthands, met eeneder in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men inhandeenehen eenedhoort. Dechintusschenis door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eenechuitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijzeDingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die denDinsdagvoor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spellingte samente verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie metsamenkomst,samenzijnenz., waarin deswettig is, als ontstaan zijnde uittz.b.Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en denRegel van het Gebruikgenoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; hetGebruikschrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.
a.Zoo is b.v. de spellingthans(uitte hande), met eeneh, die niet meer gehoord wordt, door het Gebruik gewettigd, enthands, met eeneder in, zou het ook wezen, indien men algemeen zóó schreef, omdat men inhandeenehen eenedhoort. Dechintusschenis door het Gebruik gewettigd, omdat men, toen men begon zóó te schrijven, in dit woord werkelijk eenechuitsprak. Niet gewettigd daarentegen is de schrijfwijzeDingsdag, als steunende op eene valsche etymologie, die denDinsdagvoor den dag der rechtsgedingen hield. Evenmin is de spellingte samente verdedigen, ofschoon men misschien algemeen zoo uitspreekt, omdat die uitspraak slechts eene verkeerde toepassing is der analogie metsamenkomst,samenzijnenz., waarin deswettig is, als ontstaan zijnde uittz.
b.Men heeft dit grondbeginsel tot de algemeene spelregels gerekend en denRegel van het Gebruikgenoemd. Wel beschouwd echter voldoet het niet aan de eischen van een regel. Het beginsel heeft alleen voor den grammaticus waarde, niet voor het publiek; hetGebruikschrijft geene bepaalde regels voor, maar onderstelt, dat men eenparig zekere schrijfwijze volgt, die het niet aanbeveelt, maar slechts toestaat, en alleen gedwongen wettigt.
67. Uit het lastige, dat het toepassen van ongewone regels inheeft, vloeit nog een beperkend beginsel voort, dat de grammaticus niet roekeloos verzaken mag. Onze spelling levert reeds een aantal moeilijkheden op, die even onloochenbaar als, zonder eene algeheele omwenteling, onvermijdelijk zijn. Vereischt nu het schrijven van het Nederlandsch vrij wat oplettendheid, dit bezwaar mag niet willekeurig en zonder eenig nut nog grooter gemaakt worden. Nieuwe spitsvondige onderscheidingen in de spelling, die geen practisch voordeel aanbrengen, niet met de beteekenis of het gebruik in verband staan, of niet door een erkenden regel geëischt worden, mogen niet worden aanbevolen.
Van een geheel anderen aard zijn de gevallen, waarin eene keuze moet plaats hebben tusschen twee gebruikelijke nagenoeg even goede schrijfwijzen; alsdan kan het uit den aard der zaak slechts eene kleinigheid, een onbeduidend iets wezen, dat den doorslag moet geven.
68. Uit het vorenstaande volgt, dat er ten opzichte van de uitspraak drieërlei spelling bestaat:
1. eene spelling, geheel overeenkomstig met de uitspraak,naarofvolgensde uitspraak, d.i. geheel en al door den Regel der Beschaafde Uitspraak voorgeschreven, b.v. die vanal,as,bal,bastenz., welke woorden met onze letters niet anders zouden kunnen geschreven worden;
2. eene spelling, niet geheelvolgensde uitspraak, niet juist zóó door haar voorgeschreven, doch ook niet met haar in strijd, maar met haarvereenigbaar, doordien de ware, gebruikelijke uitspraak, ten gevolge van den wederzijdschen invloed der letters op elkander, vanzelve volgt; vergelijk§ 42en het slot van§ 43. Tot deze soort van spelling behooren b.v.abt,werelddeel,staatdame,geenszins; en
3. eene spelling, gedeeltelijk volstrektstrijdigenonvereenigbaarmet de hedendaagsche uitspraak, maar door een wettig gebruik volstrekt gewild; b.v.menschen,tusschen,thans,vijftig,zestig.
69. De volgorde, waarin de Algemeene Spelregels ontvouwd zijn, is de natuurlijke; eene geheele omzetting zou zelfs onmogelijk wezen.
De regel der Uitspraak moet noodwendig de rij openen. Daar hetschriftde reproductie der woordklankenten doel heeft (zie§ 2en 3), is een letterschrift, dat den klank, de uitspraak, aanvankelijk althans, niet afbeeldt, iets volstrekt ondenkbaars, een onding. De Regel der Uitspraak is derhalve met het schrift gegeven, is deNatuurwet der Spelling. De eerste schrijvenden volgden dien noodwendig, ook omdat er geene woordenboeken of spraakkunsten bestonden, die hen leerden, geene gezaghebbende schrijvers, die hen noopten, anders te handelen.
De Regel der Uitspraak is niet slechts de eerste en oorspronkelijk de eenige, maar ook thans nog de algemeenste. Geen woord, welks spelling niet òf geheel en al, òf grootendeels door de uitspraak wordt geregeld; en al de regels, die moeten dienen om den Regel der Beschaafde Uitspraak, waar die te kort schiet, aan te vullen of te verklaren, ontleenen van dezen hunne kracht en beteekenis. Zelfs wanneer het Gebruik dwingt in strijd daarmede te handelen, geschiedt zulks op grond der uitspraak, namelijk ten gevolge eener verouderde.
a.Van tallooze woorden, alsaf,bel,doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. vanboekbindersknechten,kuipershandwerk, worden alleen dechen dedniet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ookgentdaaraan zouden beantwoorden.b.De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt indageeneg, en inhoofddeeltweed’s, alleen omdat men indageneeneg, en inhoofdendeelbeide eenedhoort.—De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil tweee’s indeelen(gedeelten), doch ééne indelen(planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eenedail, het anderedil.—De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.—Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijfttusschenmet eenech, enthansmet eeneh, alleen omdat men vroeger diechenhwerkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.
a.Van tallooze woorden, alsaf,bel,doek, enz., waarvan geene andere spelling denkbaar is, wordt deze geheel door de uitspraak geregeld. Van de overige woorden, waarbij ook andere regels moeten gehoord worden, bepaalt zij de groote meerderheid der letters; b.v. vanboekbindersknechten,kuipershandwerk, worden alleen dechen dedniet rechtstreeks door de uitspraak voorgeschreven, dewijl ookgentdaaraan zouden beantwoorden.
b.De Regel der Gelijkvormigheid is op dien der Uitspraak gegrond en wil niets dan hetgeen de uitspraak wil. Hij eischt indageeneg, en inhoofddeeltweed’s, alleen omdat men indageneeneg, en inhoofdendeelbeide eenedhoort.—De Regel der Afleiding steunt op de uitspraak. Hij wil tweee’s indeelen(gedeelten), doch ééne indelen(planken), alleen omdat die woorden voorheen verschillend luidden, het eenedail, het anderedil.—De Regel der Analogie ontleent zijne kracht aan dien der Afleiding, en berust dus middellijk op de uitspraak; terwijl die der Welluidendheid eeniglijk uitgaat van de onderstelling, dat het schrift de uitspraak voorstelt.—Zelfs in die gevallen, waarin het niet raadzaam is het gevestigd Gebruik te trotseeren, doet de uitspraak zich gelden. Men schrijfttusschenmet eenech, enthansmet eeneh, alleen omdat men vroeger diechenhwerkelijk uitgesproken heeft, dus inderdaad alweder op grond der uitspraak. Deze doet derhalve allerwegen hare kracht gevoelen.
70. De Regel der Uitspraak overheerscht ook alle andere regels, zoodra deze eene spelling voorschrijven, volstrekt onvereenigbaar met de uitspraak; hij wijkt alleen voor het onverzettelijk Gebruik (vergel.§ 68, nº, 3).
Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak:abdij,ambt,herberg,behendig,overtollig,gekocht,wierook,bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleidingabtij,andbacht,heerberg,behandig,overtallig,gekoopt,wijrook,bruidlooptzou vorderen.Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.
Men schrijft volgens den Regel der Beschaafde Uitspraak:abdij,ambt,herberg,behendig,overtollig,gekocht,wierook,bruiloft, hoewel de Regel der Gelijkvormigheid of die der Afleidingabtij,andbacht,heerberg,behandig,overtallig,gekoopt,wijrook,bruidlooptzou vorderen.
Een strijd tusschen den Regel der Analogie en dien der Beschaafde Uitspraak is uit den aard der zaak ondenkbaar, dewijl de eerste alleen dan spreekt, als de laatste zwijgt. Hetzelfde is het geval met den regel der Welluidendheid, die eeniglijk strekt om de overeenstemming van het schrift met de uitspraak te bevorderen.
71. Aan den Regel der Gelijkvormigheid komt èn om zijn uitgestrekt gebied èn om zijne nuttigheid de tweede rang toe. Men zal dit gereedelijk erkennen, als men bedenkt, dat hij de spelling van alle afgeleide en samengestelde woorden, en van alle verbuigbare woorden opb,p,d,t,genchregelt, dus wijd en zijd heerscht, en dat hij moet strekken om de duidelijkheid, de gemakkelijke herkenning der woorden en hunner beteekenis te bevorderen, en derhalve van uitgebreid nut is.
Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.
Men vergete vooral niet, dat de Regel der Gelijkvormigheid, onder meer, ook gebiedt de afleiding te volgen in al die gevallen, waarin zulks aan de duidelijkheid kan bevorderlijk wezen, en dat hij uit dien hoofde ook de regels omvat, die men voorheen onder den Regel der Afleiding stelde. Inderdaad wordt derhalve aan de Afleiding de tweede rang toegekend, namelijk voor zooverre hare inachtneming nuttig is.
72. Is het volgen van den Regel der Uitspraak volstrekt onvermijdelijk en de naleving van dien der Gelijkvormigheid hoogst nuttig, van een anderen aard is het in acht nemen der drie volgende grondregels. Dit zou niet volstrekt noodzakelijk zijn, en het nut daarvan bestaat slechts in de regeling van zaken, die tamelijk onverschillig zouden wezen, indien orde en regelmaat niet ook in de Spelling wenschelijke eigenschappen waren. De Regel der Afleiding, zooals deze hier beperkt is, die der Analogie en der Welluidendheid,vervullen geene onmisbare behoeften, brengen geene gemakken aan, maar leveren de voorwerpen van weelde, die eene doelmatig ingerichte woning tot een aangenaam verblijf kunnen maken, en die van de beschaving en den smaak der bewoners getuigen.
Onder deze komt aan den Regel der Afleiding de eerste plaats toe, omdat zijn gebied, ook na aftrek van alles wat onder den Regel der Gelijkvormigheid is gebracht, nog groot blijft. Hij regelt o.a. de spelling der vele woorden, waarinij’s enei’s, en in opene lettergrepen helderee’s eno’s voorkomen. Dan moet de Regel der Analogie volgen, omdat deze zich op de Afleiding beroept en van haar al zijne kracht ontleent; zoodat voor den Regel der Welluidendheid, welke, evenals die der Analogie, slechts zelden te pas komt, de laatste rang overblijft.
Van het Gebruik, dat, hoe machtig ook, geen regel is, maar de toepassing der eigenlijke regels beperkt, kon natuurlijk eerst melding worden gemaakt, nadat men de kracht en strekking van deze had leeren kennen.