22. Eene Moorsche stad.

22. Eene Moorsche stad.Tunis bestond reeds vóor Carthago, maar kan toch geen spoor van oudheden meer aanwijzen. De stijl der huizen is algemeen de Moorsche en de straten zijn vrij breed. Bij al hare uitgestrektheid is de stad slechts klein in verhouding tot de bevolking, die op 125,000 zielen wordt geschat. De betrekkelijk geringe ruimte is echter voldoende, omdat een derde der inwoners dag en nacht op de straten huist, zonder een dak te bezitten. Twee muren, de buitenste met negen, de binnenste met zeven poorten, omringen de stad; doch daar die poorten niet tegen elkaar over staan, moet men tusschen de beide muren altijd een goed eind loopen, om naar buiten te komen. Dat gedeelte tusschen de muren biedt den vreemdeling echter menig belangwekkend tooneel aan; want hier zijn de karavansera’s, hier komen de beladen kameelen in lange karavanen uit alle gedeelten van Afrika aan en van hier vertrekken zij ook weer derwaarts. Het ontbreekt er niet aan druk bezochte koffiehuizen, voor wier deuren men dikwijls de schilderachtigste groepen waarneemt, die naar de klagende tonen der guitarre met drie snaren luisteren. Hier ziet men ook nu en dan een inlandschen groote in eene afgedankte Europeesche koets met vier muildieren rondrijden, of ontmoet men den bey van Tunis in zijn rijtuig met acht paarden, door soldaten bewaakt.Straat in eene Moorsche stad.Straat in eene Moorsche stad.In de stad zelve kan men zich om de drukte van geen rijtuig bedienen, maar moet te voet gaan, een paard of muildier berijden of zich in een’ palankijn laten dragen. Van vroeg tot laat heerscht op de straten een onbeschrijfelijk gedrang. Bedoeïnen, Maltezers, Joden, Negers, Turken golven voorbij. Daartusschen dringen kudden geiten, beladen kameelen, muildieren en ezels heen. Later op den dag heerscht de grootste drukte in de gewelfde bazars. Elke koopwaar heeft haar afzonderlijken bazar en in de kleinste winkeltjes treft men dikwijls de kostbaarste artikels aan. Laarzen en pantoffels, zadelmakerswerk, zijden stoffen, wapens, reukwerken, de roode mutsen, wier vervaardiging hier wel 20,000 menschen bezig houdt, pijpen, snoeren, enz., alles heeft zijn eigen gebouw. Ik zag hier costumes van donkerkleurig fluweel, kunstig met fijngoud geborduurd, die tot duizend gulden kostten. Ook aan eetwaren ontbreekt het niet. Net gekleede, ongesluierde Moorinnen houden met uitgestrekten arm op de vlakke hand eene piramide van brooden, die men elk oogenblik denkt te zullen zien ineenzakken; jongens met waterzakken bieden den dorstige een verfrisschenden dronk aan; anderen venten oranjeappelen, kleine witte kazen, oliekoeken, allerlei vruchten en andere versnaperingen uit. Tegen den avond vermindert het gewoel en kan men zonder gevaar van kwetsuren rondwandelen, om de hoefijzervormige poorten, de gedraaide kolommen, de kleurenpracht aan verscheiden Moorsche huizen, het paleis van den bey en de vele moskeeën met hare slanke minarets te bewonderen.Dat paleis van den bey is een sierlijk gebouw met marmeren binnenpleinen, fonteinen, kolommen en kleurige tegels. De wanden zijn met versiersels van pleister bekleed, die door hunne fijnheid aan kantwerk doen denken; de zolderingen vertoonen arabesken in goud, blauw en rood. De schoonste moskeeën zijn uit kolommen en andere deelen der ruïnen van Carthago en Utica saamgesteld, en men vindt er menig bezienswaardig gebouw onder; doch de Mohammedanen dulden ongaarne, dat het oog van een’ ongeloovige het inwendige van die heiligdommen ziet. Behalve eenige fraaie en ruime kazernes bevat Tunis verder weinig aanzienlijke gebouwen, en slechts de huizen der Europeesche consuls in de wijk der Maltezers, alwaar ook de minister-resident van Frankrijk (thans de wezenlijke beheerscher van Tunis) verblijf houdt, steken boven de massa der kleine Moorsche woningen uit.23. Natuur en volken van West-Midden-Afrika.De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men erpaard, kameel, ezel of rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier; geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens, giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte zijn alleen luipaarden, hyena’s en sjakals aan te treffen. Des te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn; ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen, kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht» noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door den angstkreet van een’ aap, op wien een arend neerschoot, om hem in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben, het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels, den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.Een Fetischman.Een Fetischman.De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn’ slaaf dooden; maar wordt een vrij man verslagen, zij ’t ook geheel onopzettelijk, zooals b.v. bij het vellen van een’ boom gebeuren kan, dan moet de dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit opzicht verdacht voorkomt,moet den giftbeker drinken en zoo een godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting onttrekken door een’ plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen aan de gevaarlijke proef onderwerpt.De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes, die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in ’t geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van ’t stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.24. Aan het Njassa-meer.Nergens in Afrika—verzekert Livingstone—heb ik eene zoo dichte bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In ’t zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid, onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd, die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over ’t geheel waren zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst, mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden, om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een’ koek van, die eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte—zoo zoo.De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin, in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts, zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan, steken sommige vrouwen er ook nog een’ in de onderlip. De voor verreweg ’t mooist gehouden pelele’s zijn van roode pijpaarde vervaardigd en maken het gezicht zooverfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens met zeker afgrijzen van afkeerden.Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der netten ging zien, boden zij hem altijd een’ visch aan. Ook in andere opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen onvriendelijk, valsch en oneerlijk.’t Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen, waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.25. Droogte en mieren.In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen, in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogdeuit. Er stierven zooveel visschen, dat de hyena’s van ’t gansche land, die op het maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?Mierenheuvels in Afrika.Mierenheuvels in Afrika.Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar geen’ last van de mieren dachten te zullen hebben; maardeze kwamen toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er vocht uit ontstaat.Er trokken wolken over zijn’ omtrek heen, zonder een’ droppel water te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden, waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.26. Zuid-Afrika’s planten- en dierenwereld.Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad, waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans zwaar verlies aan vee na zich sleept.Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica’s) in ontelbare soorten,pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en wordt spoedig zoo hoog, dat het een’ ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de minste aanraking in droppels bij neervloeit.Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen, verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken inde takken der acacia’s en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten en wilde tijgerpaarden: de zebra’s en de quagga’s. Waar deze laatsten zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door leeuwen, luipaarden, hyena’s en sjakals gevolgd, die zich met hun vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels: gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt en van de jacht.27. Kaapstad.Gezicht in Kaapstad.Gezicht in Kaapstad.Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen, vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad, op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin, die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche koopliedenwas en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren, ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein; doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders hier proviand kunnen innemen; dat honderdenOost-Indiëvaardershier het anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt, dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.Kaapstad en Tafelberg.Kaapstad en Tafelberg.Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.28. New-York.Als men te New-York den voet aan wal zet, ontvangt men al dadelijk een diepen indruk van de macht en levenskracht der Noord-Amerikaansche Unie. New-York, na Londen de eerste handelstad der wereld, ligt op de zuidpunt van het eiland Manhattan, dat een langwerpigen driehoek uitmaakt en door de Hudson, de Oost- en de Haarlemrivier bespoeld wordt. De stad Hoboken aan de overzijde van de Hudson en de steden Brooklyn en Williamsburg aan de overzijde van de Oost-rivier, die men als voorsteden van New-York kan beschouwen, zijn daarmede door een aantal stoombootveren verbonden; met Brooklyn is New-York nu ook verbonden door de nieuwe, onvergelijkelijke reuzenbrug. In 1612 door de Nederlanders onder den naam van Nieuw-Amsterdam gesticht, telde New-York, in 1664 in de handen der Engelschen overgaande, slechts 1500 inwoners, terwijl de bevolking thans bijna een en een vierde millioen zielen bedraagt. Door de ligging op een eiland, waar rivieren en zeearmen samenkomen, bezit de stad eenekolossale, veilige baai, en de grootste schepen kunnen nagenoeg onmiddellijk bij de stad aanleggen.De schoonste openbare plaats is de zoogenaamde Battery met haar park, waar men de geheele, door stoombooten en zeilschepen verlevendigde baai met hare schilderachtige eilanden en groene oevers overziet. De fraaiste en drukste straat, de Broadway of Breêstraat, loopt recht door het midden der stad.De Broadway te New-York.De Broadway te New-York.In deze straat komt de Wallstreet uit, die het middelpunt van den handel en het verkeer is; want men vindt daar bijna al de bankierskantoren en dagbladbureaux, alsmede de beurs en het postkantoor. Dit laatste is van wit marmer in navolging van het Parthenon te Athene opgebouwd. Onder de belangrijke gebouwen verdienen het stadhuis, het gerechtshof en de universiteit nog vermelding.New-York telt een zeer groot aantal kerken, waaronder de in Gothischen stijl opgetrokken Nederduitsche kerk in schoonheid uitmunt. De menigte der kerken, die men in alle Amerikaansche steden opmerkt, is niet slechts een gevolg van den levendigen godsdienstzin der Amerikanen, maar ook en vooral van de veelheid der secten. Ook voor het onderwijs wordt er veel gedaan: buiten de universiteit telt men te New-York een groot aantal inrichtingen voor hooger en lager onderwijs en verschillende openbare museums en bibliotheken.29. De Niagaravallen.Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten,plaatsten wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug, waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa te zien kregen. Des te geduchter, verhevener enindrukwekkender was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar’ loop tot aan het fort Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen, dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.De Niagaravallen.De Niagaravallen.De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen, de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste gedeelte des waters zijn’ weg door deze zijde en stort met vreeselijk geweld naar beneden. ’t Is ook uit het midden van den Hoefijzersval, dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien kan worden. De uitgestrektheid van dezenval kan slechts met het oog gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M., en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.30. De dierenwereld op de Noord-Amerikaansche prairiën.De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren, voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren verbonden.Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te maken. Men vangt hem met den lasso, een met een’ strik voorzienen riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde, als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil, of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. Decoyoteof prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond en is hier een grotbewoner geworden.Een prairiebrand.Een prairiebrand.Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijkenin holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvaneen’ hond op zijne achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar, korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne holen wegkruipen.Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel, als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid alles overtrof, wat men tot daartoe kende.Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden adem overheen doet gaan.Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog, door angst geheel verwilderd,—op den voet gevolgd door honderden bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed, de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij doorde rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden, of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water in haar’ voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.Wat is de oorzaak van het uitbreken van een’ prairiebrand?Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos, doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen, die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd; somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,—zietdaar keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden, en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde gastvrijheid aan.31. De mais.De mais is oorspronkelijk alleen in Amerika inheemsch. Men heeft hem nooit in een graf of sarcophaag gevonden en op geenoud schilder- of beeldhouwwerk is hij voorgesteld, behalve in dát werelddeel. Daar echter waren, volgens de oude Peruviaansche geschiedboeken, de paleistuinen der Inca’s in Peru met mais versierd, die met stengels, bladen, kolven en korrels in goud en zilver was nagemaakt. In een’ dezer tuinen was een veld van aanzienlijke grootte met zulke stengels bezet: een bewijs van den rijkdom der Inca’s niet alleen, maar ook van hunne achting voor dit belangrijke gewas. Bij den zonnetempel, op een eiland in het Titicacameer, werd de mais, ofschoon niet zonder moeite, verbouwd, om den zonnegod als offer te worden aangeboden en om de zaden van het nuttig graan daar onder het gansche volk uit te deelen.Maisplant met kolf.Maisplant met kolf.Als een verder bewijs voor den Amerikaanschen oorsprong van den mais kan de omstandigheid gelden, dat hij van de Rotsgebergten in Noord-Amerika tot in de vochtige bosschen van Paraguay in het wild wassend gevonden wordt. Ook weet men, dat de inboorlingen op Cuba hem reeds verbouwden, toen dit eiland door Columbus ontdekt werd.De eerste gelukkige proef, om dit graan in Noord-Amerika te verbouwen, namen de Engelschen in 1608 in Virginië aan de Jamesrivier. Toen droeg ieder korrel daar tweehonderd- tot duizendvoudig. De mais wordt tegenwoordig in geheel Amerika in de heete en in de gematigde zone geteeld.De maiskorrel heeft een zeer voedzaam meel, vooral geschikt tot het koken van pap en het bakken van kleine koeken, die men heet of versch verteert. Tot broodbakken is het maismeel minder geschikt, daar het de gisting weerstaat en niet bindend genoeg is. Zonder een toereikenden voorraad geroosterde maiskorrels gaat geen pakkendrager over de Andes; de Indiaan heeft in zijne hut, al bezit hij geen anderen voorraad, toch althans een aantal maiskolvenhangen, welke zijne vrouw dagelijks tot meel fijnstampen moet; geen’ maaltijd voor negers of blanken zonder mais, ’t zij men de halfrijpe kolven roostert of ze in water opkookt, of maiskoeken bakt, of het meel in de soep gebruikt. Van niet minderen dienst is het maiskoren tot het mesten van het pluimgedierte, de varkens, ja van alle huisdieren. De spitsen der stengels van de maisplant, de zoogenaamdetops, en de gedroogde bladen, het maishooi, zijn om de suikerachtige deelen, die zij inhouden, een uitmuntend voeder voor paarden en rundvee. Uit de dekhuiden der maiskolven worden matrassen, matten en papier gemaakt en, gelijk wij uit onze gerst, rogge en tarwe bier en brandewijn trekken, brouwen de Amerikanen uit den mais ook hun’ wijn en verschillende geestrijke dranken.32. De roodhuid op het krijgspad.Geen Indiaan kan gedwongen worden, aan een’ krijgstocht deel te nemen; hij is altijd vrijwilliger. Wie het krijgsgezang aanheft, den krijgsdans opvoert en een’ troep bijeen brengt, die zich aan hem aansluit, is aanvoerder. Voordat de bende oprukt, vast zij; in zijn krijgsgezang verzekert de aanvoerder, dat de geesten in de hoogte zijn’ naam spoedig met roem noemen zullen. Als oorlogsverklaring zendt men den vijand een rooden gordel of een’ bundel in bloed gedoopte rietstengels toe.Van de voorzichtigheid, welke de Indiaan in acht nemen moet, om niet overvallen te worden, kan de Europeeër zich geen begrip vormen. Een afgebroken tak, het minste spoor van een’ voetstap verwekt bezorgdheid en is van beteekenis; niet minder zijn dat teekens aan den hemel, vogelvlucht en de droomen van den medicijnman, die den geheiligden buidel draagt. Des Indiaans voornaamste toeleg is, den vijand uit eene hinderlaag te verrassen en zonder gevaar voor zichzelf te vellen. Groote gevechten zijn zeldzaam; het blijft doorgaans bij schermutselingen en overrompelingen. De roode krijger zoekt eenige vijanden te dooden en hun dan in allerijl de schedelhuid af te stroopen, om dan thuis met dit zegeteeken bij den skalpdans te pronken. De door den kogel of met de strijdbijl gevelde stort neer; met de eene hand pakt deroodhuid hem bij de haren, dan zet hij hem de knie op de borst trekt met de andere hand het skalpeermes uit de scheede, maakt de huid rondom den haarbos los en scheurt dien met de tanden af. In een paar minuten is dat alles gedaan; de afgetrokken schedelhuid wordt over een’ hoepel uitgespannen, in de zon gedroogd en met roode oker ingewreven.Roodhuiden.Roodhuiden.Soms bestaat eene krijgsbende slechts uit dertig, twintig, tien en minder mannen. Eens braken twee Irokeezen op, gingen door Pennsylvanië, Virginië en nog verder naar ’t zuiden, zwierven daar geruimen tijd rond en kwamen eerst na maanden met skalps beladen bij hun’ stam terug. In werkelijke oorlogen, als een gansch volk tegen een ander over stond, trokken natuurlijk wel eens kleine legers te velde. De overwonnenen werden gedood of ook wel bij de zegepralende natie ingelijfd. Vreeselijk echter was het lot der tot krijgsoffers bestemde gevangenen. Het schijnt wel, dat de wreedheid, waarmee men deze folterde en martelde, in een of ander bijgeloof haar’ grond had. Zoo werd in 1848 tusschen de Pawnees, ten westen van den Mississippi, en de Sioux een bloedige krijg gevoerd. Een veertienjarig Siouxmeisje was onder de gevangenen. Dit werd noch gedood, noch, gelijk anders gebruikelijk is, tot slavin gemaakt, maar met de meeste zorgvuldigheid gevoed en verpleegd. In April, toen zeventig dagen verloopen waren, hielden de hoofden der Pawnees raad en besloten, de gevangene aan dengeest van het maiskoren te offeren. Men bracht haar in de vergadering en leidde haar van de eene hut in de andere. Zij moest eenig hout en allerlei verfstoffen in de hand nemen, waarop krijgers en hoofden in een’ kring om haar gingen zitten. Het meisje bood nu hout en verven den aanzienlijksten man aan, deze voegde daar, blijkbaar als offergave, nog eenig hout en verfstof bij en reikte alles aan zijn’ buurman toe, die datzelfde deed. En zoo ging het den geheelen kring langs. Toen eindelijk leidde men de ongelukkige, die nog niets van haar lot scheen te vermoeden, naar een stuk weideland. Daarnaast was een met mais bezaaid veld, waarop eenige boomen stonden. Tusschen twee daarvan werd van dat opgegaarde offerhout een vuur aangelegd. Het meisje moest nu op een boven dat vuur aangebracht getimmerte klimmen, terwijl aan beide zijden een krijger stond en haar met eene vlammende harsfakkel de huid van het lichaam schroeide. Nadat zij deze marteling eene poos lang verduurd had, schoot ieder der aanwezige krijgers een’ pijl op haar af. Terstond werd het nog niet ontzielde lichaam nu in kleine stukken gesneden, waarvan ieder een nam, om met het daaruit gedrukte bloed het maisveld te besprenkelen. Een blanke was hier ooggetuige van, maar kon de barbaarsche daad niet verhinderen.33. In de hoofdstad van «onze West».Van het vrij aanzienlijk Amerikaansch grondgebied, dat indertijd door de West-Indische Compagnie onder Nederlandsche heerschappij werd gebracht, is ons niet veel overgebleven.Van de reeks eilanden, die als een wijde boog daar, waar de beide groote vastlanden van Amerika samenkomen, de Caraïbische zee afsluit, en den naam dragen van de Kleine Antillen, zijn er bijna 5½ in ons bezit, en wel drie «beneden den wind», in de richting van west naar oost,—namelijk Aruba, Curaçao en Bonaire,—en «boven den wind», van zuid naar noord, St. Eustatius, Saba en een stuk van St. Martin.Het voornaamste dier eilanden is het in de tweede plaats genoemde Curaçao, dat reeds twee en eene halve eeuw in ons bezit is. Daar, onder een gezond doch warm klimaat, door den frisschen zeewindgetemperd, leeft eene arbeidzame inlandsche bevolking, die ondanks de tegenwerking van een schralen, rotsigen bodem en dikwijls terugkeerend gebrek aan drinkwater, met behulp van eenigen invoer van de nabijgelegen kust van Zuid-Amerika, in haar behoeften weet te voorzien; bovendien wordt er voor den handel vee aangefokt en zout gewonnen. De hoofdplaats, Willemstad, waar de gouverneur der Nederlandsche Antillen woont, met een nabijgelegen fort Amsterdam, ziet er echt Hollandsch uit, en is niet ontbloot van levendigheid; doordien op het gansche eiland geen invoerrechten worden geheven, is er vrij wat handel.Maar ons koloniaal bezit in Amerika bepaalt zich niet tot de eilanden alleen.Als we ten westen van de Antillen de kust van Zuid-Amerika volgen, bereiken we spoedig Guiana. Het kustgebied, een grootendeels aangeslibd land, gevormd door de rivieren, die van het zuidelijk hoogland naar zee vloeien, doch door de zee aanhoudend bestookt, biedt over het algemeen geen al te veilig verblijf aan; doch langs de boorden dier stroomen, waar men de aanvallen van den Oceaan niet behoeft te vreezen, is de bij uitstek vruchtbare grond ongemeen geschikt om een weelderigen plantengroei te voorschijn te brengen. Daar hebben zich dan ook meest de Europeesche kolonisten gevestigd.Guiana behoort gedeeltelijk aan de westwaarts gelegen republiek Venezuela, gedeeltelijk aan het keizerrijk Brazilië, dat het ten zuiden begrenst. Het kustgebied is door twee naar het noorden stroomende rivieren, de Corentijn en de Marowyne, in drie stukken van nagenoeg gelijke breedte verdeeld: het middelste heet Suriname en behoort aan Nederland.Van dat schoone, in den laatsten tijd niet vooruitgaand gewest, zullen we eenig denkbeeld trachten te geven. Eerst een woord over de bevolking.De oorspronkelijke bewoners, van het Amerikaansche ras, of zoogenaamde Indianen, hebben zich naar het binnenland teruggetrokken, en leven in dat bergachtig en boschrijk oord hoofdzakelijk van de jacht. Meestal noemt men ze Bokken. Voor den arbeid waren zij weinig geschikt, en daarom hebben eerst de Spaansche veroveraars, daarna hunne Nederlandsche opvolgers Negers, uit Afrika afkomstig, aan het werk gezet. Deze waren slaven, geheel aan de willekeurhunner meesters overgeleverd. Dikwijls gebeurde het, dat een aantal slaven de vlucht namen, en in de zuidelijke wildernis niet achterhaald konden worden: zij vormden daar als het ware een nieuwen volksstam, en worden Boschnegers genoemd.In 1863 werd de slavernij afgeschaft: nog tien jaren bleven de slaven onder toezicht, daarna waren zij geheel meester over hun’ persoon. Velen voegden zich bij de boschnegers, anderen bleven op de cacao- of katoenplantage, of den suikerstaat van hun vroegeren meester als loonarbeider werken. Maar er is toch groot gebrek aan werkkrachten, en dat is de voorname reden, waarom Suriname niet meer voorspoed heeft. De neger is juist geen groote vriend van het werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op, levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan verschaffen zonder in dienst van een’ Europeaan te gaan, blijft hij liever zijne volle vrijheid genieten. Sinds eenige jaren is er in het gebrek aan werklieden te gemoet gekomen door Chineesche arbeiders en door koelies uit Britsch-Indië. Deze worden door tusschenkomst van het Engelsch bestuur voor vasten tijd aangenomen; de planter die van hunne diensten gebruik maakt, moet ook zorgen, dat zij kosteloos terugkeeren naar hun vaderland, of anders, dat zij na verloop van hun’ diensttijd op geschikte voorwaarden in Suriname kunnen achterblijven.Voegt men nu hierbij de Europeanen, waaronder natuurlijk de Nederlanders de eerste plaats innemen, dan ziet men wel, dat de bevolking gemengd genoeg is.Doch thans laten we een schrijver aan het woord, die van de hoofdstad der kolonie iets zal vertellen.Wanneer men met de mailboot uit Europa komende, de Suriname, eene der hoofdrivieren der kolonie Suriname, opvaart, is het fort Amsterdam de eerste plaats, waar men door de rood-wit-en-blauwe vlag gewaar wordt op Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen. Indien men zich dit fort denkt als eene Europeesch versterkte plaats met veel zichtbaar metselwerk en misschien wel met verscheiden torens, dan zou men zich een zeer verkeerd denkbeeld er van maken. Daar, waar de Commewijne in de Suriname vloeit, is in tegenstelling met het omliggende land, dat met laag geboomte dicht begroeidis, eene opene ruimte, waar verscheiden houten gebouwen, een seinpaal, eene vlag en een paar palmboomen te zien zijn, terwijl de vestingwerken niet van buiten onderscheiden kunnen worden. Van het midden der rivier zijn zelfs geene schildwachten waar te nemen, en de doodsche kalmte welke daar heerscht, doet veeleer denken aan een plantage in Zondagsrust, dan aan een versterkte plaats vanwaar oog gehouden wordt op alles, wat de kolonie uit- en ingaat. Bij het opstoomen der Suriname vaart men steeds tusschen vlakke, zooals ik zeide, met laag geboomte dicht bedekte oevers. Hier en daar komt een rookende schoorsteen van eene suikerfabriek, of de directeurswoning eener plantage uit het groen te voorschijn, ten bewijze, dat men in eene bewoonde streek is.De rivier is vrij breed, en wanneer men op het midden vaart, zijn de oevers te ver verwijderd om te kunnen onderscheiden aan bladvorm en stand der boomen en heesters, of men hier te doen heeft met Europeeschen, dan wel met tropischen plantengroei; en bij het aanschouwen van dit platte land kan men zich zeer goed voorstellen op ééne onzer Hollandsche rivieren verplaatst te zijn; de troepen groene papepaaien en roode flamingo’s, die nu en dan over de boot heenvliegen, zijn de eenige levende bewijzen dat wij in eene andere luchtstreek zijn.Een uur stoomens van haren mond, waar de Suriname een grooten bocht maakt, ligt op vlak terrein de stad Paramaribo. Van de rivier af bespeurt men weinig van de eigenlijke stad, daar langs den waterkant slechts pakhuizen en steigers en werven te zien zijn. Ik had mij van de ligging van Paramaribo dus ook niet heel veel voorgesteld en was zeer verrast, toen ik de stad voor ’t eerst in ’t oog kreeg. De gouverneurswoning, half verscholen achter tamarindeboomen en van de rivier door een park gescheiden, het torentje van de gouvernementsgebouwen, eene reeks witgeschilderde huizen van een of twee verdiepingen die, hier en daar verborgen achter zoogenaamde amandelboomen (alleen dus geheeten wegens zekere overeenkomst van de pitten der vrucht met die van den Europeeschen boom van dien naam), de geheele bocht der Suriname langs stonden, het wachtschip en de enkele koopvaardijschepen, die met de Hollandsche en Engelsche vlag in top op de rivier verspreid lagen, maakten een’ indruk, zooals ik dien niet had verwacht.Gezicht op Paramaribo.Gezicht op Paramaribo.Die, welken men bij nadere kennismaking van de stad ontvangt, is echter veel minder gunstig. Daar zij gedeeltelijk op eene schelpbank, gedeeltelijk op zandgrond is gebouwd, doen de ongeplaveide wegen aan een Hollandsch zeedorp denken. De stad is zeer ruim aangelegd met flinke, breede straten, maar alles is slecht onderhouden. Met enkele uitzonderingen zijn er voor het afloopen van het regenwater langs de huizen slechts greppels gegraven; de grond dien men daaruit gedolven heeft ligt aan den kant en is begroeid met allerhande onkruid; aan beide zijden der straat zijn tusschen de huizen en deze greppels, voetpaden; en de overige ruimte, voor zoover die niet ingenomen wordt voor de passage van rijtuigen, die zeer schaarsch zijn, is dicht met gras begroeid, zoodat de wegen hier en daar meer doen denken aan eene gemeenteweide dan aan eene stadsstraat. De huizen, met enkele uitzonderingen van hout gebouwd, zijn over ’t algemeen zeer verveloos, ja soms zóó, dat men niet kan gelooven, dat zij ooit met een’ verf kwast in aanraking zijn geweest. Bijna alle rusten op min of meer boven den grond uitstekende pilaren of geheele fundeeringen van baksteen, hier en daar ziet men balkons en veranda’s, en de meeste huizen, zelfs in de achterbuurten, kunnen zich beroemen op meer of minder hooge trapstoepen, soms met, soms zonder leuning. Zouden de vroegere bewoners der kolonie bij het bouwen dezer stoepen soms aan de grachten der hoofdstad van het moederland gedacht hebben? Buitendien staan in de meeste straten de huizen geheel naast elkander, enkele malen slechts door eene schutting gescheiden; dit alles samen genomen geeft een steedsch voorkomen, waardoor de toestand der wegen, iets wat bij ons alleen in arme, verwaarloosde dorpen voor kan komen, zooveel te meer in ’t oog valt.Beneden in de huizen vindt men in plaats van glasvensters slechts de gewone venster-openingen door groene luiken gesloten, terwijl buitendien meer binnenwaarts heele of halve jaloezieën zijn aangebracht, om zoo noodig de zonnestralen te kunnen buitensluiten of onbescheiden blikken te weren. Op de verdiepingen zijn gewoonlijk glazen schuiframen van buiten voorzien van halve jaloezieën, ter hoogte van de onderste ruiten. Deze schuiframen, die van boven niet kunnen geopend worden, zeer ondoelmatig in een klimaat waar luchtverversching meer dan elders vereischte is, zijn zeker ook eenherinnering aan onze Hollandsche vensters, door de eerste bewoners ingevoerd en oudergewoonte steeds behouden. De meeste huizen komen aan den achterkant op een’ tuin of eene plaats uit, waar men een aantal kleine woningen vindt, die aan arbeiders verhuurd worden en waarschijnlijk nog een overblijfsel zijn uit den slaventijd, toen ieder gezeten burger ter bediening een vrij aanzienlijk getal slaven moest huisvesten en onderhouden.De stad heeft ongeveer 23,000 inwoners en beslaat toch, naar men mij verzekert, eene bijna even groote oppervlakte als Den Haag. Als middelpunt kan men dat gedeelte van Paramaribo aannemen, waar de gouvernementsgebouwen staan. De gouverneurswoning ziet onder eene prachtige dubbele tamarindenlaan over eene grasvlakte op de rivier uit. Rechts daarvan zijn de gouvernements-secretarie en het gerechtshof, twee steenen gebouwen, terwijl links en aan de rivier het fort Zeelandia, reeds in 1640 aangelegd, gevonden wordt.Wanneer men naar telegraaf- en postkantoor zoekt, zal men het eene niet, het tweede slechts zeer moeilijk vinden. Een telegraaf toch bestaat er niet; ik durf ten minste een signaalpaal, die op het fort Zeelandia staat en berichten naar het fort Amsterdam over moet seinen, dien naam niet geven, hoewel hij hier met dien weidschen naam bestempeld wordt. Ofschoon er langs de zeekust een telegraafkabel ligt, welke Demerary met Cayenne verbindt, (Britsch- en Fransch-Guiana, tusschen welke Suriname of Nederlandsch-Guiana ligt,) is onze kolonie niet in deze verbinding opgenomen en hier kunnen de telegrammen dus slechts op maildagen ontvangen en verzonden worden, tenzij er toevallig eene scheepsgelegenheid voorkomen mocht.Het postkantoor is een klein onaanzienlijk gebouwtje. Eenige malen per maand is daar vol leven en beweging; drie maal bij het vertrek der mail naar Europa en even dikwijls wanneer zij de brieven uit Europa aanbrengt. Twee uur nadat het schot, op het fortZeelandiagelost, de aankomst der mail gemeld heeft, kan ieder zijne brieven komen afhalen; bezorgd worden zij alleen, nadat zij een paar dagen op het kantoor gelegen hebben, en ieder is te verlangend om het nieuws, dat hier zoo zeldzaam komt, te weten te komen om niet zoo spoedig mogelijk zijn deel in ontvangt te gaan nemen.De overige openbare gebouwen zijn spoedig genoemd; hun aantalis niet groot en bestaat voornamelijk uit de bedehuizen der verschillende godsdienstige gezindten: Hervormden, Lutherschen, Hernhutters, Roomschen en Joden, in welke de bevolking zich splitst; vooral de kerk der Portugeesche Joden steekt door hare netheid en haar smaakvollen tuin gunstig af bij de omliggende huizen. Achter de gebouwen van het oude Ziekenhuis in de Gravenstraat staat het nieuwe Hospitaal in een ruimen tuin. In een verveloos gebouw, dat mij als Schouwburg werd aangewezen, worden van tijd tot tijd voorstellingen gegeven.Toen ik eenige dagen in de stad geweest was, begon ik eenigszins gewend te raken aan den verwaarloosden toestand van straten en huizen, en maakte het geheel niet meer zulk een onaangenamen indruk op mij, als toen ik voor ’t eerst voet aan wal zette. Maar al is het voor ’t oog niet bekoorlijk, dat straten en pleinen met gras en bloemen en boomen als bedekt zijn, alles te zamen genomen herinnert het mij toch meer aan eene stad in verval dan aan de hoofdstad eener kolonie, die zoo rijk zou kunnen zijn. Op reis hierheen werd Suriname mij meermalen door verscheidene niet-Nederlanders als eene der vruchtbaarste streken van West-Indië genoemd, en waarlijk men behoeft slechts even een kijkje te nemen, om door dien weelderigen plantengroei overtuigd te worden welke schatten hier nog te verkrijgen zijn. Maar des te meer is het daarom te betreuren en te verwonderen, dat in uiterlijke welvaart Paramaribo zoo zeer achterstaat bij enkele steden van Britsch West-Indië.Eene bijzondere merkwaardigheid biedt de nieuwe wijk aan, die in het westelijkste deel der stad ligt en het «Plein van 12 Mei» heet. In 1874 werd op dien dag het 25jarig gedenkfeest van de regeering van Neerlands koning gevierd, en de gouverneur had, om die gebeurtenis te herdenken, prijzen uitgeloofd aan de negerwerklieden, die het meest zouden uitmunten in het aanleggen der wegen en het graven der slooten van bedoelde voorstad. Deze werd op den dag zelf met groote praal en plechtigheid en met uitreiking van belooningen door den gouverneur in persoon geopend en tegelijkertijd afgestaan aan de tegenwoordige bewoners, vrije en welvarende lieden, die er hunne hutten en tuinen netjes onderhouden.

22. Eene Moorsche stad.Tunis bestond reeds vóor Carthago, maar kan toch geen spoor van oudheden meer aanwijzen. De stijl der huizen is algemeen de Moorsche en de straten zijn vrij breed. Bij al hare uitgestrektheid is de stad slechts klein in verhouding tot de bevolking, die op 125,000 zielen wordt geschat. De betrekkelijk geringe ruimte is echter voldoende, omdat een derde der inwoners dag en nacht op de straten huist, zonder een dak te bezitten. Twee muren, de buitenste met negen, de binnenste met zeven poorten, omringen de stad; doch daar die poorten niet tegen elkaar over staan, moet men tusschen de beide muren altijd een goed eind loopen, om naar buiten te komen. Dat gedeelte tusschen de muren biedt den vreemdeling echter menig belangwekkend tooneel aan; want hier zijn de karavansera’s, hier komen de beladen kameelen in lange karavanen uit alle gedeelten van Afrika aan en van hier vertrekken zij ook weer derwaarts. Het ontbreekt er niet aan druk bezochte koffiehuizen, voor wier deuren men dikwijls de schilderachtigste groepen waarneemt, die naar de klagende tonen der guitarre met drie snaren luisteren. Hier ziet men ook nu en dan een inlandschen groote in eene afgedankte Europeesche koets met vier muildieren rondrijden, of ontmoet men den bey van Tunis in zijn rijtuig met acht paarden, door soldaten bewaakt.Straat in eene Moorsche stad.Straat in eene Moorsche stad.In de stad zelve kan men zich om de drukte van geen rijtuig bedienen, maar moet te voet gaan, een paard of muildier berijden of zich in een’ palankijn laten dragen. Van vroeg tot laat heerscht op de straten een onbeschrijfelijk gedrang. Bedoeïnen, Maltezers, Joden, Negers, Turken golven voorbij. Daartusschen dringen kudden geiten, beladen kameelen, muildieren en ezels heen. Later op den dag heerscht de grootste drukte in de gewelfde bazars. Elke koopwaar heeft haar afzonderlijken bazar en in de kleinste winkeltjes treft men dikwijls de kostbaarste artikels aan. Laarzen en pantoffels, zadelmakerswerk, zijden stoffen, wapens, reukwerken, de roode mutsen, wier vervaardiging hier wel 20,000 menschen bezig houdt, pijpen, snoeren, enz., alles heeft zijn eigen gebouw. Ik zag hier costumes van donkerkleurig fluweel, kunstig met fijngoud geborduurd, die tot duizend gulden kostten. Ook aan eetwaren ontbreekt het niet. Net gekleede, ongesluierde Moorinnen houden met uitgestrekten arm op de vlakke hand eene piramide van brooden, die men elk oogenblik denkt te zullen zien ineenzakken; jongens met waterzakken bieden den dorstige een verfrisschenden dronk aan; anderen venten oranjeappelen, kleine witte kazen, oliekoeken, allerlei vruchten en andere versnaperingen uit. Tegen den avond vermindert het gewoel en kan men zonder gevaar van kwetsuren rondwandelen, om de hoefijzervormige poorten, de gedraaide kolommen, de kleurenpracht aan verscheiden Moorsche huizen, het paleis van den bey en de vele moskeeën met hare slanke minarets te bewonderen.Dat paleis van den bey is een sierlijk gebouw met marmeren binnenpleinen, fonteinen, kolommen en kleurige tegels. De wanden zijn met versiersels van pleister bekleed, die door hunne fijnheid aan kantwerk doen denken; de zolderingen vertoonen arabesken in goud, blauw en rood. De schoonste moskeeën zijn uit kolommen en andere deelen der ruïnen van Carthago en Utica saamgesteld, en men vindt er menig bezienswaardig gebouw onder; doch de Mohammedanen dulden ongaarne, dat het oog van een’ ongeloovige het inwendige van die heiligdommen ziet. Behalve eenige fraaie en ruime kazernes bevat Tunis verder weinig aanzienlijke gebouwen, en slechts de huizen der Europeesche consuls in de wijk der Maltezers, alwaar ook de minister-resident van Frankrijk (thans de wezenlijke beheerscher van Tunis) verblijf houdt, steken boven de massa der kleine Moorsche woningen uit.

Tunis bestond reeds vóor Carthago, maar kan toch geen spoor van oudheden meer aanwijzen. De stijl der huizen is algemeen de Moorsche en de straten zijn vrij breed. Bij al hare uitgestrektheid is de stad slechts klein in verhouding tot de bevolking, die op 125,000 zielen wordt geschat. De betrekkelijk geringe ruimte is echter voldoende, omdat een derde der inwoners dag en nacht op de straten huist, zonder een dak te bezitten. Twee muren, de buitenste met negen, de binnenste met zeven poorten, omringen de stad; doch daar die poorten niet tegen elkaar over staan, moet men tusschen de beide muren altijd een goed eind loopen, om naar buiten te komen. Dat gedeelte tusschen de muren biedt den vreemdeling echter menig belangwekkend tooneel aan; want hier zijn de karavansera’s, hier komen de beladen kameelen in lange karavanen uit alle gedeelten van Afrika aan en van hier vertrekken zij ook weer derwaarts. Het ontbreekt er niet aan druk bezochte koffiehuizen, voor wier deuren men dikwijls de schilderachtigste groepen waarneemt, die naar de klagende tonen der guitarre met drie snaren luisteren. Hier ziet men ook nu en dan een inlandschen groote in eene afgedankte Europeesche koets met vier muildieren rondrijden, of ontmoet men den bey van Tunis in zijn rijtuig met acht paarden, door soldaten bewaakt.

Straat in eene Moorsche stad.Straat in eene Moorsche stad.

Straat in eene Moorsche stad.

In de stad zelve kan men zich om de drukte van geen rijtuig bedienen, maar moet te voet gaan, een paard of muildier berijden of zich in een’ palankijn laten dragen. Van vroeg tot laat heerscht op de straten een onbeschrijfelijk gedrang. Bedoeïnen, Maltezers, Joden, Negers, Turken golven voorbij. Daartusschen dringen kudden geiten, beladen kameelen, muildieren en ezels heen. Later op den dag heerscht de grootste drukte in de gewelfde bazars. Elke koopwaar heeft haar afzonderlijken bazar en in de kleinste winkeltjes treft men dikwijls de kostbaarste artikels aan. Laarzen en pantoffels, zadelmakerswerk, zijden stoffen, wapens, reukwerken, de roode mutsen, wier vervaardiging hier wel 20,000 menschen bezig houdt, pijpen, snoeren, enz., alles heeft zijn eigen gebouw. Ik zag hier costumes van donkerkleurig fluweel, kunstig met fijngoud geborduurd, die tot duizend gulden kostten. Ook aan eetwaren ontbreekt het niet. Net gekleede, ongesluierde Moorinnen houden met uitgestrekten arm op de vlakke hand eene piramide van brooden, die men elk oogenblik denkt te zullen zien ineenzakken; jongens met waterzakken bieden den dorstige een verfrisschenden dronk aan; anderen venten oranjeappelen, kleine witte kazen, oliekoeken, allerlei vruchten en andere versnaperingen uit. Tegen den avond vermindert het gewoel en kan men zonder gevaar van kwetsuren rondwandelen, om de hoefijzervormige poorten, de gedraaide kolommen, de kleurenpracht aan verscheiden Moorsche huizen, het paleis van den bey en de vele moskeeën met hare slanke minarets te bewonderen.

Dat paleis van den bey is een sierlijk gebouw met marmeren binnenpleinen, fonteinen, kolommen en kleurige tegels. De wanden zijn met versiersels van pleister bekleed, die door hunne fijnheid aan kantwerk doen denken; de zolderingen vertoonen arabesken in goud, blauw en rood. De schoonste moskeeën zijn uit kolommen en andere deelen der ruïnen van Carthago en Utica saamgesteld, en men vindt er menig bezienswaardig gebouw onder; doch de Mohammedanen dulden ongaarne, dat het oog van een’ ongeloovige het inwendige van die heiligdommen ziet. Behalve eenige fraaie en ruime kazernes bevat Tunis verder weinig aanzienlijke gebouwen, en slechts de huizen der Europeesche consuls in de wijk der Maltezers, alwaar ook de minister-resident van Frankrijk (thans de wezenlijke beheerscher van Tunis) verblijf houdt, steken boven de massa der kleine Moorsche woningen uit.

23. Natuur en volken van West-Midden-Afrika.De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men erpaard, kameel, ezel of rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier; geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens, giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte zijn alleen luipaarden, hyena’s en sjakals aan te treffen. Des te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn; ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen, kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht» noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door den angstkreet van een’ aap, op wien een arend neerschoot, om hem in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben, het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels, den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.Een Fetischman.Een Fetischman.De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn’ slaaf dooden; maar wordt een vrij man verslagen, zij ’t ook geheel onopzettelijk, zooals b.v. bij het vellen van een’ boom gebeuren kan, dan moet de dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit opzicht verdacht voorkomt,moet den giftbeker drinken en zoo een godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting onttrekken door een’ plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen aan de gevaarlijke proef onderwerpt.De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes, die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in ’t geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van ’t stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.

De ruimte, welke wij hier op het oog hebben, strekt zich van de kust ongeveer vijftig Duitsche mijlen in het binnenland uit en ligt tusschen den eersten en tweeden graad Z. B. Het grootste gedeelte is met woud of met rietvelden bedekt, waartusschen zich grootere of kleinere grassteppen als oasen uitstrekken. Dit boschland breidt zich om de twee of drie graden ten zuiden en ten noorden van den evenaar uit. Opmerkelijk is het gering dierlijk leven, dat in deze wildernis heerscht. Tevergeefs zoekt men erpaard, kameel, ezel of rund. De mensch is er veeleer zijn eigen en zijn eenig lastdier; geiten en hoenders alleen vertegenwoordigen er de huisdieren. Maar ook van de wilde dieren van Afrika mist men leeuwen, neushorens, giraffen, struisen, gazellen en antilopen. Van verscheurend gedierte zijn alleen luipaarden, hyena’s en sjakals aan te treffen. Des te talrijker zijn de slangen, onder welke de meesten giftig zijn; ook hagedissen vertoonen eene groote verscheidenheid. Zij en de vele soorten van spinnen dienen tot beteugeling van het insectenleven, dat door de vochtige boschlucht buitengewoon wordt begunstigd. De acht hier voorhanden soorten van apen hebben na den mensch, die hen met pijlen, kogels en vallen vervolgt, geen gevaarlijker vijand dan een grooten arend, dien de inboorlingen niet ongepast den «luipaard der lucht» noemen. Gedurig wordt de doodelijke stilte in het woud afgebroken door den angstkreet van een’ aap, op wien een arend neerschoot, om hem in zijne klauwen weg te dragen. De aap is een gezocht wildbraad en ook Europeeërs stellen, na den eersten afkeer overwonnen te hebben, het vleesch van een vetten aap boven elk ander vleesch. Met vogels is deze streek zóo dun bevolkt, dat de stilte in de bosschen drukkend is; uren lang kan men die doortrekken, zonder den kreet eens vogels, den tred eener gazelle of het gonzen van insecten te vernemen.

Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.

Eene slavenkaravaan in Midden-Afrika.

Van de weersgesteldheid moet vermeld worden, dat aan de kust de regentijd in September invalt en in Mei eindigt, terwijl de droge tijd slechts in de drie maanden van Juni tot Augustus invalt. De oostenwinden brengen dus regen, de westenwinden daarentegen, die toch uit de Atlantische Zee waaien, droogte aan.

Een Fetischman.Een Fetischman.

Een Fetischman.

De bewoners van dit boschland vormen een groot aantal stammen, die verschillende talen spreken. Bij deze stammen zijn de afzonderlijke horden dikwijls weer geheel onafhankelijk en voeren druk oorlog met elkaar. Hunne rechtsbegrippen steunen op het beginsel: tand om tand, oog om oog. Ieder heer kan straffeloos zijn’ slaaf dooden; maar wordt een vrij man verslagen, zij ’t ook geheel onopzettelijk, zooals b.v. bij het vellen van een’ boom gebeuren kan, dan moet de dader met zijn leven daarvoor boeten. Deze gestrengheid is hieraan toe te schrijven, dat de Negers elk onnatuurlijk of onverwacht sterfgeval aan de werking eener booze betoovering toeschrijven. Wie hun in dit opzicht verdacht voorkomt,moet den giftbeker drinken en zoo een godsgericht over zijne schuld of onschuld laten beslissen. Hoogst zelden komt het intusschen voor, dat familiehoofden tot het drinken van vergift gedwongen worden; zij kunnen zich aan die verplichting onttrekken door een’ plaatsvervanger te stellen, die zich voor hen aan de gevaarlijke proef onderwerpt.

De Islam is natuurlijk nog niet tot deze volken doorgedrongen; zij gelooven dus aan de macht van afgoden, fetischen en vooral aan de mogelijkheid van betoovering door hunne medemenschen. Een eigenaardig gebruik is de oprichting van zoogenaamde alumbihutten. In deze huisjes, die tusschen of achter de woonhuizen staan, worden een paar kisten met kalk of oker bewaard, waarmee de bezitter zich de huid inwrijft zoo vaak hij op de jacht, uit visschen of op reis gaat. Zij gelooven namelijk, hierdoor beter tegen gevaar te zijn beschut. Gewoonlijk bevatten die kalkkisten ook nog de schedels der voorvaders of aanverwanten van den eigenaar. Hoe meer de beensplinters daarvan zich allengs met de kalk vermengen, voor des te heiliger en krachtiger wordt deze gehouden. Komt nu een gast in huis, van wiens welwillendheid men zich wil verzekeren, dan schaaft de eigenaar een weinig kalk van de schedels en mengt dat onder de spijs, die hij hem voorzet, in ’t geloof, dat de bezoeker hem meer genegen zal worden, als iets van ’t stoffelijk overschot zijner voorvaderen in hem is overgegaan.

24. Aan het Njassa-meer.Nergens in Afrika—verzekert Livingstone—heb ik eene zoo dichte bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In ’t zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid, onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd, die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over ’t geheel waren zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst, mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden, om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een’ koek van, die eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte—zoo zoo.De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin, in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts, zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan, steken sommige vrouwen er ook nog een’ in de onderlip. De voor verreweg ’t mooist gehouden pelele’s zijn van roode pijpaarde vervaardigd en maken het gezicht zooverfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens met zeker afgrijzen van afkeerden.Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der netten ging zien, boden zij hem altijd een’ visch aan. Ook in andere opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen onvriendelijk, valsch en oneerlijk.’t Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen, waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.

Nergens in Afrika—verzekert Livingstone—heb ik eene zoo dichte bevolking aangetroffen als langs de oevers van het Njassa-meer. In ’t zuiden zagen wij eene bijna onafgebroken reeks van dorpen. Aan den oever stonden telkens dichte zwarte drommen, om de groote nieuwigheid, onze zeilende boot, aan te gapen; en bij ons landen waren wij in een ommezien door honderden mannen, vrouwen en kinderen omringd, die de «chironbo» (wilde dieren) kwamen zien. Over ’t geheel waren zij zeer beleefd en eischten van ons geene geschenken. Zij oefenen ook den landbouw op eene vrij groote schaal uit en telen rijst, mais, enz. Meer noordwaarts is mais ook het hoofdproduct. Gedurende een gedeelte des jaars komt daar nog eene vrij zonderlinge toespijs bij. Toen wij die streken naderden, zagen wij in het verschiet wolken als de rook van brandend gras. Den volgenden morgen stuurden wij door die wolken, die toen bleken, niet uit rook of nevel te bestaan, maar uit millioenen kleine muggen, die hier «koengo» genoemd worden. Zij vervulden de lucht tot eene onmetelijke hoogte en krioelden op het water, daar zij te licht zijn om er in te zinken. Terwijl wij door deze levende wolk voeren, moesten wij mond en oogen dicht houden, om ze niet vol van die insecten te krijgen. De inlanders verzamelen groote hoeveelheden van die muggen en bakken er een’ koek van, die eene lekkernij voor hen is en natuurlijk millioenen diertjes bevat. Men bood er ons een aan; hij was donker van kleur en smaakte—zoo zoo.

De oeverbewoners zijn geen schoon menschenras. De vrouwen zijn van natuur reeds leelijk en maken zich ten volle afzichtelijk door de vreemde schoonheidsmiddelen, die zij aanwenden. Algemeen dragen zij den «pelele» of lipring. De kostbaarste zijn van zuiver tin, in den vorm van een schoteltje gehamerd; andere zijn van wit kwarts, zoodat het er uitziet, of de draagster een stuk van eene waskaars door hare lip had gestoken. Met dien ring in de bovenlip nog niet voldaan, steken sommige vrouwen er ook nog een’ in de onderlip. De voor verreweg ’t mooist gehouden pelele’s zijn van roode pijpaarde vervaardigd en maken het gezicht zooverfoeielijk leelijk, dat wij er ons telkens met zeker afgrijzen van afkeerden.

Al de inboorlingen zijn van het hoofd tot de voeten getatoeëerd, en wel met figuren, waardoor de verschillende stammen zich onderscheiden. Over het geheel zijn zij mild; als een van ons eens naar het ophalen der netten ging zien, boden zij hem altijd een’ visch aan. Ook in andere opzichten gedroegen zij zich zeer voorkomend jegens ons. In andere streken, waar de slavenhandel in zwang is zijn de inwoners daarentegen onvriendelijk, valsch en oneerlijk.

’t Verwonderde ons, goed aangelegde en zorgvuldig onderhouden begraafplaatsen bij hen te vinden. Dit viel ons vooral in een dorpje op de zuidkust van het meer in het oog. Men had er breede en zindelijke paden aangelegd en hier en daar stond een zware vijgeboom, wiens wijd uitgestrekte takken hunne schaduw op de rustplaatsen der dooden wierpen. Men zag er grafheuvels gelijk in Europa, doch alle van het noorden naar het zuiden gericht. De grafsteden der beide geslachten waren kenbaar aan de verschillende daarop geplaatste voorwerpen, waarvan de overledenen zich bij hun leven bediend hadden, doch die alle verbroken waren, als ten teeken, dat zij niet meer zouden worden gebruikt. Een stuk van een vischnet en een gebroken roeiriem duidden aan, waar een visscher rustte. Op de graven van vrouwen stond de houten vijzel met den zwaren stamper tot het fijnstooten van graan. Dat het toekomstige leven op het tegenwoordige zou gelijken, schijnt men hier niet aan te nemen; doch bij verscheiden graven was een banaanboom geplant, alsof diens vrucht nog te pas zou kunnen komen.

25. Droogte en mieren.In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen, in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogdeuit. Er stierven zooveel visschen, dat de hyena’s van ’t gansche land, die op het maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?Mierenheuvels in Afrika.Mierenheuvels in Afrika.Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar geen’ last van de mieren dachten te zullen hebben; maardeze kwamen toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er vocht uit ontstaat.Er trokken wolken over zijn’ omtrek heen, zonder een’ droppel water te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden, waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.

In 1840 had de held van Afrika, Livingstone, zich aan de rivier Kolobeng in het land der Beetsjoeanen of Boschjesmannen eene woning gebouwd. Zijne vrouw maakte kleeren, zeep en kaarsen, hij zelf was prediker, dokter, tuinman, timmerman, smid en nog honderd dingen meer. De eerste jaren waren zeer zwaar, vertelt hij, omdat lange droogten invielen. In het tweede jaar viel geen enkele droppel regen, in het derde geen tien cM. en de Kolobeng droogdeuit. Er stierven zooveel visschen, dat de hyena’s van ’t gansche land, die op het maal afkwamen, de menigte niet overweldigen konden. Het vierde jaar was even ongunstig, daar er niet regen genoeg viel om het graan tot rijpheid te brengen. Wij groeven in de rivierbedding al dieper kuilen, om althans water te krijgen, om onze vruchtboomen tot beter tijd in het leven te houden. Naalden, die maanden lang in de open lucht lagen, roestten niet. Alle bladeren der inlandsche boomen hingen verwelkt en ingekrompen neer. Midden in deze akelige dorheid maakte de levendigheid, waarmee de mieren rondliepen, eene vreemde vertooning. Als men enkele kevers op de oppervlakte van den bodem zette, kropen zij een paar seconden rond en waren dan dood. Deze gloeiende hitte had bij de mieren alleen de uitwerking, dat zij de bewegelijkheid harer lange pooten verhoogde. Vanwaar kregen die diertjes de vochtigheid, waaraan zij behoefte hadden?

Mierenheuvels in Afrika.Mierenheuvels in Afrika.

Mierenheuvels in Afrika.

Wij hadden onze woning op een harden grond gebouwd, wijl wij daar geen’ last van de mieren dachten te zullen hebben; maardeze kwamen toch en waren in dit droge weer in staat, den bodem de vastheid van cement te geven, zoodat zij er hare lange gangen in konden bouwen.

Tot hare cementbereiding hadden zij vocht noodig, en als men hare binnenkamers open legde, waren die ook bevreemdend vochtig. Toch viel geen dauw, en dus blijft wel geene andere verklaring over, dan dat de mieren de begaafdheid hebben, om de zuurstof en de waterstof van haar plantenvoedsel in dier voege in zich te vereenigen, dat er vocht uit ontstaat.

Er trokken wolken over zijn’ omtrek heen, zonder een’ droppel water te laten vallen; maar twee mijlen verder viel regen in toereikende mate. Livingstone kwam hierdoor in verdenking van den omtrek betooverd te hebben en vooral zijn kerkklokje kreeg een kwaden naam. «Gij zijt de eenige blanke,» zei het opperhoofd der Beetsjoeanen, «met wien wij vrede kunnen houden; maar laat dat eeuwige preeken en bidden, waarmee wij geen vrede hebben. Gij ziet immers zelf, dat het bij ons nooit regent, terwijl de stammen, die nooit bidden, regen krijgen in overvloed.» Men kwam evenwel dien tijd van droogte te boven, zonder dat Livingstone om zijne voorgewende tooverij werd lastig gevallen.

26. Zuid-Afrika’s planten- en dierenwereld.Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad, waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans zwaar verlies aan vee na zich sleept.Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica’s) in ontelbare soorten,pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en wordt spoedig zoo hoog, dat het een’ ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de minste aanraking in droppels bij neervloeit.Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen, verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken inde takken der acacia’s en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten en wilde tijgerpaarden: de zebra’s en de quagga’s. Waar deze laatsten zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door leeuwen, luipaarden, hyena’s en sjakals gevolgd, die zich met hun vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels: gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt en van de jacht.

Zuid-Afrika is omringd door kustgebergten, die zich trapsgewijs tot eene hoogte van achtduizend voet rondom een binnenland met wijde vlakke dalkommen en uitgestrekte hooglanden verheffen. Het ergste kwaad, waarmee dit land te kampen heeft, is het gebrek aan regen. Gewoonlijk volgt er na vier tot zes jaren een tijd van aanhoudende droogte, die bij de Negers hongersnood en bij de Europeesche kolonisten althans zwaar verlies aan vee na zich sleept.

Nadat een jaar door regen gezegend was, heeft het Zuid-Afrikaansche landschap een geheel ander aanzien, dan als er zoolang droogte heerschte. Als de wolken den bodem toereikend besproeid hebben, dan vertoonen zich wijde streken in ware bloemtuinen herschapen. Zwaardlelies en vele andere bolgewassen staan na weinig dagen in vollen bloei. Heidekruiden (erica’s) in ontelbare soorten,pelargoniums, geraniums, enz. tooien zich met nieuw blad en ontsluiten de kleurige bloesems. In de zandstreken schiet zelfs jong gras op en wordt spoedig zoo hoog, dat het een’ ruiter tot het hoofd reikt. Vreemd gevormde kevers gonzen door de lucht; prachtige vlinders azen op den bloemenhonig; fraai gevederde honigvogels fladderen om heesters en struik. Vele gewassen zijn zoo rijk aan honig, dat deze er bij de minste aanraking in droppels bij neervloeit.

Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.

Een sprinkhanenzwerm in Zuid-Afrika.

In sommige jaren vermenigvuldigen de sprinkhanen zich op ontzettende wijze. Als zij in éene streek al het groen hebben weggeknaagd, dwingt de honger hen tot opbreken. Zij trekken dan in zwermen, die als donkere wolken den hemel bedekken, en al de landstreken, waarop zij neervallen, verwoesten zij. Kleine vogels trekken in dichte zwermen achter de sprinkhanen aan en verteren die. Ook de menschen worden door den nood gedwongen, zich met sprinkhanen te voeden. Zuid-Afrika is zeer rijk aan gevogelte. Langs de wateren wemelt het van zwem- en boschvogels. De gezellige weversvogels vlechten uit riethalmen groote schutdaken inde takken der acacia’s en hangen daaronder hunne nesten bij honderden op.

Op aan kruiden rijke plaatsen verzamelt het wild zich. Kleine knaagdieren, vooral langbeenige springmuizen en springhazen, wroeten daar naar knollen en wortels. Zeer talrijk zijn vooral antilopensoorten en wilde tijgerpaarden: de zebra’s en de quagga’s. Waar deze laatsten zijn, komen ook struisvogelkudden voor. In dorre jaren, als gebrek aan voeder hen tot rondzwerven dwingt, zijn de springbokken niet te tellen. Zij vormen soms legers van honderdduizenden en worden dan door leeuwen, luipaarden, hyena’s en sjakals gevolgd, die zich met hun vleesch mesten. Evenals de hen in de lucht begeleidende roofvogels: gieren, arenden en valken, hebben dan ook de menschen overvloed van wild. Eene opvolging van dorre jaren heeft een even groot gebrek tot nasleep. Runderen, schapen, wild komen om van honger en de menschen hebben dikwijls geen beter lot. De zwarte inboorlingen en de Kaffers van de oostkust, de Boschjesmannen van het binnenland en de Hottentotten van het zuiden leven hoofdzakelijk van de veeteelt en van de jacht.

27. Kaapstad.Gezicht in Kaapstad.Gezicht in Kaapstad.Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen, vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad, op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin, die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche koopliedenwas en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren, ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein; doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders hier proviand kunnen innemen; dat honderdenOost-Indiëvaardershier het anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt, dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.Kaapstad en Tafelberg.Kaapstad en Tafelberg.Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.

Gezicht in Kaapstad.Gezicht in Kaapstad.

Gezicht in Kaapstad.

Eenige wagens met twaalf tot zestien ossen bespannen, die zich op het strand vertoonden, brachten het eerste leven in het landschap, dat alom nog scheen te sluimeren, en voordat de zon hooger aan den hemel steeg, bracht de sloep ons naar den wal. Daar lag een hoop kleurlingen, vuil, morsig en in havelooze lompen, zich in de nog niet al te heete zonnestralen te koesteren. Dit waren de eerste vrije burgers der stad, op welke mijn oog rustte. Verder herinnerde alles mij dadelijk aan de eerste bouwheeren van Kaapstad, wier nakomelingen nog tegenwoordig het grootste gedeelte der blanke bevolking uitmaken. Overal valt de nette regelmatigheid in het oog, en zelfs aan grachten ontbreekt het niet in deze breede rechte straten, ofschoon zij hier niet noodig zijn. Van de landingsplaats loopt eene dezer straten recht zuidwaarts de stad in en verbreedt zich op de helft harer lengte tot den zoogenaamden Stadstuin, die de geliefde wandelplaats der vroegere Hollandsche koopliedenwas en vier groote lanen van eiken, populieren, enz. heeft. Hier hebben zij rechts en links in de nabijheid hunne kerken gebouwd; hier staat het paleis van den gouverneur, en ook een botanische tuin mocht niet ontbreken. De citadel met het paradeplein ligt natuurlijk dicht aan de zee, waar ook aan de rechterzijde dadelijk de oude koopstad begint. Op vele plaatsen ziet men nog de ouderwetsche puntgevels en lage deuren, ja tot zelfs de uithangborden en windwijzers van het voorgeslacht. De oude stad bevat twee pleinen: het Marktplein en het Hottentottenplein; doch tegenwoordig is een viermaal grooter plein buiten de stad tot markt bestemd en hier ontbreekt het het geheele jaar door niet aan vruchten. Neemt men in aanmerking, dat de stad om hare gezonde lucht en haar zuiver drinkwater zeer veel als badplaats door rijke Engelschen uit Britsch-Indië bezocht wordt; dat de Amerikaansche walvischvaarders hier proviand kunnen innemen; dat honderdenOost-Indiëvaardershier het anker werpen; dat de weg naar China en Australië hier voorbij loopt, dan kan men zich voorstellen, dat hier bijna alle talen der aarde gehoord worden. Jaarlijks doen 500 tot 600 groote schepen Kaapstad aan, om zich van het benoodigde te voorzien; doch in Juni, Juli en Augustus moeten zij wegens de gevaarlijke winden de Tafelbaai mijden.

Kaapstad en Tafelberg.Kaapstad en Tafelberg.

Kaapstad en Tafelberg.

Wat den vreemdeling hier bovenal aantrekt is de kolossale Tafelberg van 3582 voet hoogte, wiens kruin altijd door nevelen en wolken omhuld is. Als men het geluk heeft, eene heldere lucht te treffen, is het uitzicht daar boven verrassend schoon. Ginds ligt de stad, verderop de Tafelbaai met hare schepen, die zich als notedoppen voordoen en daar achter de onbegrensde zee. Rondom zich heeft men aan alle zijden het uitgestrekte landschap met zijne bergen, links den platten Leeuwenberg en rechts den spitsen Duivelsberg; ver in het zuiden ligt de Valsche Baai, aan wier westzijde het oog zich verliest in het zand van de Simonsbaai. In die richting liggen ook de beroemde wijnbergen van Constantia, die zich niet ver van den voet des bergs uitstrekken.

28. New-York.Als men te New-York den voet aan wal zet, ontvangt men al dadelijk een diepen indruk van de macht en levenskracht der Noord-Amerikaansche Unie. New-York, na Londen de eerste handelstad der wereld, ligt op de zuidpunt van het eiland Manhattan, dat een langwerpigen driehoek uitmaakt en door de Hudson, de Oost- en de Haarlemrivier bespoeld wordt. De stad Hoboken aan de overzijde van de Hudson en de steden Brooklyn en Williamsburg aan de overzijde van de Oost-rivier, die men als voorsteden van New-York kan beschouwen, zijn daarmede door een aantal stoombootveren verbonden; met Brooklyn is New-York nu ook verbonden door de nieuwe, onvergelijkelijke reuzenbrug. In 1612 door de Nederlanders onder den naam van Nieuw-Amsterdam gesticht, telde New-York, in 1664 in de handen der Engelschen overgaande, slechts 1500 inwoners, terwijl de bevolking thans bijna een en een vierde millioen zielen bedraagt. Door de ligging op een eiland, waar rivieren en zeearmen samenkomen, bezit de stad eenekolossale, veilige baai, en de grootste schepen kunnen nagenoeg onmiddellijk bij de stad aanleggen.De schoonste openbare plaats is de zoogenaamde Battery met haar park, waar men de geheele, door stoombooten en zeilschepen verlevendigde baai met hare schilderachtige eilanden en groene oevers overziet. De fraaiste en drukste straat, de Broadway of Breêstraat, loopt recht door het midden der stad.De Broadway te New-York.De Broadway te New-York.In deze straat komt de Wallstreet uit, die het middelpunt van den handel en het verkeer is; want men vindt daar bijna al de bankierskantoren en dagbladbureaux, alsmede de beurs en het postkantoor. Dit laatste is van wit marmer in navolging van het Parthenon te Athene opgebouwd. Onder de belangrijke gebouwen verdienen het stadhuis, het gerechtshof en de universiteit nog vermelding.New-York telt een zeer groot aantal kerken, waaronder de in Gothischen stijl opgetrokken Nederduitsche kerk in schoonheid uitmunt. De menigte der kerken, die men in alle Amerikaansche steden opmerkt, is niet slechts een gevolg van den levendigen godsdienstzin der Amerikanen, maar ook en vooral van de veelheid der secten. Ook voor het onderwijs wordt er veel gedaan: buiten de universiteit telt men te New-York een groot aantal inrichtingen voor hooger en lager onderwijs en verschillende openbare museums en bibliotheken.

Als men te New-York den voet aan wal zet, ontvangt men al dadelijk een diepen indruk van de macht en levenskracht der Noord-Amerikaansche Unie. New-York, na Londen de eerste handelstad der wereld, ligt op de zuidpunt van het eiland Manhattan, dat een langwerpigen driehoek uitmaakt en door de Hudson, de Oost- en de Haarlemrivier bespoeld wordt. De stad Hoboken aan de overzijde van de Hudson en de steden Brooklyn en Williamsburg aan de overzijde van de Oost-rivier, die men als voorsteden van New-York kan beschouwen, zijn daarmede door een aantal stoombootveren verbonden; met Brooklyn is New-York nu ook verbonden door de nieuwe, onvergelijkelijke reuzenbrug. In 1612 door de Nederlanders onder den naam van Nieuw-Amsterdam gesticht, telde New-York, in 1664 in de handen der Engelschen overgaande, slechts 1500 inwoners, terwijl de bevolking thans bijna een en een vierde millioen zielen bedraagt. Door de ligging op een eiland, waar rivieren en zeearmen samenkomen, bezit de stad eenekolossale, veilige baai, en de grootste schepen kunnen nagenoeg onmiddellijk bij de stad aanleggen.

De schoonste openbare plaats is de zoogenaamde Battery met haar park, waar men de geheele, door stoombooten en zeilschepen verlevendigde baai met hare schilderachtige eilanden en groene oevers overziet. De fraaiste en drukste straat, de Broadway of Breêstraat, loopt recht door het midden der stad.

De Broadway te New-York.De Broadway te New-York.

De Broadway te New-York.

In deze straat komt de Wallstreet uit, die het middelpunt van den handel en het verkeer is; want men vindt daar bijna al de bankierskantoren en dagbladbureaux, alsmede de beurs en het postkantoor. Dit laatste is van wit marmer in navolging van het Parthenon te Athene opgebouwd. Onder de belangrijke gebouwen verdienen het stadhuis, het gerechtshof en de universiteit nog vermelding.

New-York telt een zeer groot aantal kerken, waaronder de in Gothischen stijl opgetrokken Nederduitsche kerk in schoonheid uitmunt. De menigte der kerken, die men in alle Amerikaansche steden opmerkt, is niet slechts een gevolg van den levendigen godsdienstzin der Amerikanen, maar ook en vooral van de veelheid der secten. Ook voor het onderwijs wordt er veel gedaan: buiten de universiteit telt men te New-York een groot aantal inrichtingen voor hooger en lager onderwijs en verschillende openbare museums en bibliotheken.

29. De Niagaravallen.Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten,plaatsten wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug, waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa te zien kregen. Des te geduchter, verhevener enindrukwekkender was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar’ loop tot aan het fort Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen, dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.De Niagaravallen.De Niagaravallen.De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen, de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste gedeelte des waters zijn’ weg door deze zijde en stort met vreeselijk geweld naar beneden. ’t Is ook uit het midden van den Hoefijzersval, dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien kan worden. De uitgestrektheid van dezenval kan slechts met het oog gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M., en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.

Om het schouwspel der Niagaravallen uit de verte te genieten,plaatsten wij ons eerst op de over de duizend voet lange ijzeren handbrug, waar wij niets anders dan eene wilde, woeste en dreigende watermassa te zien kregen. Des te geduchter, verhevener enindrukwekkender was echter het dof, sedert duizenden jaren onafgebroken donderend ruischen en klateren. Reeds heeft het geweld des waters de kalkrots tot anderhalve mijl lengte, een half uur breedte en 500 tot 600 voet diepte weggeschuurd. Van hier begaven wij ons in de nabijheid en op de hoogte der wereldberoemde vallen. De eerste paar mijlen van het Eriemeer is de Niagara ongeveer 300 M. breed, en diep genoeg om negen tot tien voet diep gaande vaartuigen te dragen; doch de stroom is uiterst onregelmatig en snel, en het vaarwater door de talrijke klippen zoo gevaarlijk, dat slechts vaartuigen met vlakken bodem er zich op wagen kunnen. Verder benedenwaarts verbreedt zich de rivier en vloeit het water, alhoewel de stroom zeer sterk is, vrij effen en zacht voort. Zoo vervolgt de rivier rustig haar’ loop tot aan het fort Chippeway, dat nagenoeg drie mijlen boven de vallen ligt. Hier wordt de bedding rotsachtig en het water door verschillende stroomingen in geweldige beweging gebracht. De golven slaan hier met zoo vreeselijk geweld tegen de rotsen, dat het gezicht alleen den toeschouwer eene rilling aanjaagt. Het water is intusschen slechts aan de beide zijden der rivier zoo bewogen; in het midden is de branding niet zoo gevaarlijk, of goed bestuurde booten kunnen een eiland naderen, dat de rivier bij de vallen zelve in tweeën deelt.

De Niagaravallen.De Niagaravallen.

De Niagaravallen.

De stroom wringt zich bij het naderen der vallen met verdubbelde onstuimigheid tusschen de rotsen door, bereikt eindelijk den rand des schrikwekkenden afgronds en stort, zonder door rotsen opgehouden te worden, in de diepte neer. De breedte der vallen is aanmerkelijk grooter dan die der rivier, een weinig beneden hare neerploffing gemeten. Men kan hieruit zien, dat de stroom zich niet in zijn geheel en ongebroken neerstort; maar dat hij zich in drie vallen, de een naast den ander, verdeelt. De geweldigste daarvan is aan den noordwestelijken of Britschen oever en wordt de groote of Hoefijzersval genoemd. De lengte van dezen val is slechts 142 voet, terwijl die der beide andere op 160 voet geschat wordt. Daar de bedding hier lager is dan aan de andere zijde, zoo neemt verreweg het grootste gedeelte des waters zijn’ weg door deze zijde en stort met vreeselijk geweld naar beneden. ’t Is ook uit het midden van den Hoefijzersval, dat de verbazende dampwolk opstijgt, die op verren afstand gezien kan worden. De uitgestrektheid van dezenval kan slechts met het oog gemeten worden. Men houdt het er algemeen voor, dat hij niet minder dan 500 M. in de monding heeft. De breedte van het eiland, dat dezen val van den naasten scheidt, wordt op 350 M. geschat. De tweede val is omtrent 5 M., het dan volgend eiland 30 M. breed, en de derde val wordt voor althans zoo breed gehouden als het gansche eiland. De gansche uitgestrektheid der vallen is dus, de eilanden meegerekend, 1335 M., en de watermassa, die zich over de vallen neerstort, moet, volgens tamelijk zekere berekeningen, 672,000 ton in iedere minuut bedragen.

30. De dierenwereld op de Noord-Amerikaansche prairiën.De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren, voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren verbonden.Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te maken. Men vangt hem met den lasso, een met een’ strik voorzienen riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde, als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil, of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. Decoyoteof prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond en is hier een grotbewoner geworden.Een prairiebrand.Een prairiebrand.Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijkenin holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvaneen’ hond op zijne achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar, korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne holen wegkruipen.Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel, als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid alles overtrof, wat men tot daartoe kende.Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden adem overheen doet gaan.Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog, door angst geheel verwilderd,—op den voet gevolgd door honderden bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed, de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij doorde rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden, of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water in haar’ voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.Wat is de oorzaak van het uitbreken van een’ prairiebrand?Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos, doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen, die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd; somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,—zietdaar keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden, en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde gastvrijheid aan.

De buffel of bison is onder al de dieren van het prairieland het belangrijkste. Grooter dan de gewone stier bereikt hij soms het gewicht van wel tweeduizend halve KG. Millioenen dezer dieren worden jaarlijks gedood en hunne huiden verkocht, en toch kan het nog jaren duren, voordat deze talrijke diersoort geheel is uitgeroeid. De door den Indiaan zoo geliefde buffeljacht is intusschen met velerlei gevaren verbonden.

Nevens den buffel doolt op de wijde prairie de mustang of het wilde paard insgelijks in groote kudden rond. Waarschijnlijk stamt hij van de vroeger door de Spanjaarden ingevoerde paarden af. Aan de tucht ontsnapt, is hij verwilderd en slechts met groote moeite weer tam te maken. Men vangt hem met den lasso, een met een’ strik voorzienen riem, die het paard over den kop wordt geworpen. Onder den zadel verliest het spoedig veel van zijne schoonheid. Slechts daar, waar het met honderden zijner makkers geheel vrij omdartelt, vertoont het zich welgevormd en van fraaien lichaamsbouw. Schuw wijkt de vluchtige antilope voor hem uit den weg, bescheiden treedt het hert ter zijde, als het met den buffel wedrennend op de gemeenzame drenkplaats toesnelt; doch loerend houdt de wolf zich achter de struiken schuil, of hij ook onvoorziens een jong kalf of veulen buit kan maken. Decoyoteof prairiewolf zwerft op de grassteppe in groote troepen rond en is hier een grotbewoner geworden.

Een prairiebrand.Een prairiebrand.

Een prairiebrand.

Even zoo leeft ook de prairiehond met duizenden van zijnsgelijkenin holen onder de aarde. Op eene uitgestrektheid van verscheiden mijlen ziet men dikwijls hol aan hol en voor elk daarvaneen’ hond op zijne achterpooten zitten en zich in de zon koesteren. Zij gelijken wel eenigszins een hamster of een mormeldier, hebben geelbruin haar, korte ooren en scherpe, tot graven geschikte tanden. Bij het naderen van menschen heffen zij een luid gejank aan, bewegen hunne korte staarten en nemen de houding aan, alsof zij zich te weer wilden stellen, ofschoon zij, zoodra men op hen toekomt, dadelijk in hunne holen wegkruipen.

Aan vogels is de prairie arm. Alleen het prairiehoen en de wilde kalkoen, die men bij honderden vangt, als hij op zijne tochten aan de oevers van den Ohio, Missouri en Mississippi aankomt, zijn er in groote scharen, schoon doorgaans slechts in de nabijheid der wouden. Deze zijn over het geheel met allerlei gevogelte opgevuld. Een vogel, als de struis, heeft Amerika niet aan te wijzen. In het algemeen worden de hoogere dierklassen der nieuwere wereld door die der oude ver overtroffen. De geweldige dikhuiden van Afrika komen in Amerika niet dan veel zwakker en kleiner als tapirs voor; de kameel wordt op de hoogvlakten van Zuid-Amerika slechts door de veel zwakkere en kleinere lama vervangen. De laffe jaguar is slechts een flauw afbeeldsel van den leeuw in de oude wereld. Wat de huisdieren betreft, deze zijn eerst na de ontdekking van dit werelddeel er overgebracht. Toenmaals was er paard noch rund, hond noch schaap te vinden, terwijl daarentegen het rijk der insecten en amphibiën in talrijkheid en verscheidenheid alles overtrof, wat men tot daartoe kende.

Vreeselijk is de aanblik der prairie, als het vuur er zijn vernielenden adem overheen doet gaan.

Een oneindig gordijn van zwarten rook en donkerroode vlammen beperkt den gezichteinder, en in de verte doet zich een zonderling loeiend geruisch hooren. Maar geene minuut later, is die gansche massa van plaats veranderd: zij rolt voort, met onstuimig geweld, als eene vuurzee door den storm opgezweept. Daar stuift een woeste troep dieren voorbij: eerst de mustangs, met manen en staart omhoog, door angst geheel verwilderd,—op den voet gevolgd door honderden bisons, ingelijks door de vlammen opgedreven, en in toomelooze vaart te vergeefs eene schuilplaats zoekende. Want al bewegen de vlugge viervoetige prairiebewoners zich met nog zooveel spoed, de vlammenzee overtreft hunne snelheid: straks worden zij doorde rookwolken ingesloten, vallen half verstikt ter aarde, en laten slechts hunne verkoolde overblijfselen achter te midden van het tooneel van verwoesting. Wee den reiziger, den rondzwervenden inboorling of de karavane, die door het prairievuur wordt overvallen: meestal zijn zij verloren, tenzij het hun gelukken mocht het gevaar vroeg genoeg te zien om, of een niet met gras bedekte plaats te vinden, of, voor zich uit, in de richting van den wind, ook eene plaats in brand te steken ten einde daar straks, als de naderende vlammen zijn aangekomen, op het inmiddels kaal gebrand terrein eene schuilplaats te vinden. Gewoonlijk woeden de vlammen voort tot zij door een water in haar’ voortgang gestuit of door den regen gebluscht worden.

Wat is de oorzaak van het uitbreken van een’ prairiebrand?

Als men nagaat, dat eene langdurige droogte het hooge gras geheel heeft doen verdorren, zoodat het, in eene vrij dikke en luchtige laag den harden bodem bedekt, dan behoeft er niet lang naar oorzaken gezocht te worden. Eene enkele vonk, achteloos weggeworpen bij het aansteken der pijp; het niet zorgvuldig uitdooven van het kampvuur van een reisgezelschap, dat daarvoor wel is waar eene brandvrije plek koos, doch bij zijn vertrek niet zorgde de overblijfselen te blusschen, die daarna door den wind naar gevaarlijke plekken worden gevoerd; somtijds ook moedwil, als eene Europeesch jager op eene gemakkelijke wijze bisons wilde bemachtigen of zich wreken op een Indiaanschen vijand; het blakeren van de gloeiende middagzon, die gemakkelijk de uitgedroogde bladeren en grashalmen vlam kan doen vatten,—zietdaar keus genoeg uit de oorzaken, die zich bij herhaling voordoen.

De prairiebrand laat niets achter dan een verkoolden of met asch bedekten grond. Maar kort daarna, als de regen is nedergedaald, ziet men te midden dier verwoesting nieuwe groene spruitjes. Het gras vertoont zich weder, en op den bodem, gemest door de overblijfselen van den brand, schiet het malscher en weliger op. Nog enkele maanden, en zoover het oog reikt golft eene groene vlakte, schooner dan zij voorheen was, en biedt aan nieuwe bewoners de gaven harer milde gastvrijheid aan.

31. De mais.De mais is oorspronkelijk alleen in Amerika inheemsch. Men heeft hem nooit in een graf of sarcophaag gevonden en op geenoud schilder- of beeldhouwwerk is hij voorgesteld, behalve in dát werelddeel. Daar echter waren, volgens de oude Peruviaansche geschiedboeken, de paleistuinen der Inca’s in Peru met mais versierd, die met stengels, bladen, kolven en korrels in goud en zilver was nagemaakt. In een’ dezer tuinen was een veld van aanzienlijke grootte met zulke stengels bezet: een bewijs van den rijkdom der Inca’s niet alleen, maar ook van hunne achting voor dit belangrijke gewas. Bij den zonnetempel, op een eiland in het Titicacameer, werd de mais, ofschoon niet zonder moeite, verbouwd, om den zonnegod als offer te worden aangeboden en om de zaden van het nuttig graan daar onder het gansche volk uit te deelen.Maisplant met kolf.Maisplant met kolf.Als een verder bewijs voor den Amerikaanschen oorsprong van den mais kan de omstandigheid gelden, dat hij van de Rotsgebergten in Noord-Amerika tot in de vochtige bosschen van Paraguay in het wild wassend gevonden wordt. Ook weet men, dat de inboorlingen op Cuba hem reeds verbouwden, toen dit eiland door Columbus ontdekt werd.De eerste gelukkige proef, om dit graan in Noord-Amerika te verbouwen, namen de Engelschen in 1608 in Virginië aan de Jamesrivier. Toen droeg ieder korrel daar tweehonderd- tot duizendvoudig. De mais wordt tegenwoordig in geheel Amerika in de heete en in de gematigde zone geteeld.De maiskorrel heeft een zeer voedzaam meel, vooral geschikt tot het koken van pap en het bakken van kleine koeken, die men heet of versch verteert. Tot broodbakken is het maismeel minder geschikt, daar het de gisting weerstaat en niet bindend genoeg is. Zonder een toereikenden voorraad geroosterde maiskorrels gaat geen pakkendrager over de Andes; de Indiaan heeft in zijne hut, al bezit hij geen anderen voorraad, toch althans een aantal maiskolvenhangen, welke zijne vrouw dagelijks tot meel fijnstampen moet; geen’ maaltijd voor negers of blanken zonder mais, ’t zij men de halfrijpe kolven roostert of ze in water opkookt, of maiskoeken bakt, of het meel in de soep gebruikt. Van niet minderen dienst is het maiskoren tot het mesten van het pluimgedierte, de varkens, ja van alle huisdieren. De spitsen der stengels van de maisplant, de zoogenaamdetops, en de gedroogde bladen, het maishooi, zijn om de suikerachtige deelen, die zij inhouden, een uitmuntend voeder voor paarden en rundvee. Uit de dekhuiden der maiskolven worden matrassen, matten en papier gemaakt en, gelijk wij uit onze gerst, rogge en tarwe bier en brandewijn trekken, brouwen de Amerikanen uit den mais ook hun’ wijn en verschillende geestrijke dranken.

De mais is oorspronkelijk alleen in Amerika inheemsch. Men heeft hem nooit in een graf of sarcophaag gevonden en op geenoud schilder- of beeldhouwwerk is hij voorgesteld, behalve in dát werelddeel. Daar echter waren, volgens de oude Peruviaansche geschiedboeken, de paleistuinen der Inca’s in Peru met mais versierd, die met stengels, bladen, kolven en korrels in goud en zilver was nagemaakt. In een’ dezer tuinen was een veld van aanzienlijke grootte met zulke stengels bezet: een bewijs van den rijkdom der Inca’s niet alleen, maar ook van hunne achting voor dit belangrijke gewas. Bij den zonnetempel, op een eiland in het Titicacameer, werd de mais, ofschoon niet zonder moeite, verbouwd, om den zonnegod als offer te worden aangeboden en om de zaden van het nuttig graan daar onder het gansche volk uit te deelen.

Maisplant met kolf.Maisplant met kolf.

Maisplant met kolf.

Als een verder bewijs voor den Amerikaanschen oorsprong van den mais kan de omstandigheid gelden, dat hij van de Rotsgebergten in Noord-Amerika tot in de vochtige bosschen van Paraguay in het wild wassend gevonden wordt. Ook weet men, dat de inboorlingen op Cuba hem reeds verbouwden, toen dit eiland door Columbus ontdekt werd.

De eerste gelukkige proef, om dit graan in Noord-Amerika te verbouwen, namen de Engelschen in 1608 in Virginië aan de Jamesrivier. Toen droeg ieder korrel daar tweehonderd- tot duizendvoudig. De mais wordt tegenwoordig in geheel Amerika in de heete en in de gematigde zone geteeld.

De maiskorrel heeft een zeer voedzaam meel, vooral geschikt tot het koken van pap en het bakken van kleine koeken, die men heet of versch verteert. Tot broodbakken is het maismeel minder geschikt, daar het de gisting weerstaat en niet bindend genoeg is. Zonder een toereikenden voorraad geroosterde maiskorrels gaat geen pakkendrager over de Andes; de Indiaan heeft in zijne hut, al bezit hij geen anderen voorraad, toch althans een aantal maiskolvenhangen, welke zijne vrouw dagelijks tot meel fijnstampen moet; geen’ maaltijd voor negers of blanken zonder mais, ’t zij men de halfrijpe kolven roostert of ze in water opkookt, of maiskoeken bakt, of het meel in de soep gebruikt. Van niet minderen dienst is het maiskoren tot het mesten van het pluimgedierte, de varkens, ja van alle huisdieren. De spitsen der stengels van de maisplant, de zoogenaamdetops, en de gedroogde bladen, het maishooi, zijn om de suikerachtige deelen, die zij inhouden, een uitmuntend voeder voor paarden en rundvee. Uit de dekhuiden der maiskolven worden matrassen, matten en papier gemaakt en, gelijk wij uit onze gerst, rogge en tarwe bier en brandewijn trekken, brouwen de Amerikanen uit den mais ook hun’ wijn en verschillende geestrijke dranken.

32. De roodhuid op het krijgspad.Geen Indiaan kan gedwongen worden, aan een’ krijgstocht deel te nemen; hij is altijd vrijwilliger. Wie het krijgsgezang aanheft, den krijgsdans opvoert en een’ troep bijeen brengt, die zich aan hem aansluit, is aanvoerder. Voordat de bende oprukt, vast zij; in zijn krijgsgezang verzekert de aanvoerder, dat de geesten in de hoogte zijn’ naam spoedig met roem noemen zullen. Als oorlogsverklaring zendt men den vijand een rooden gordel of een’ bundel in bloed gedoopte rietstengels toe.Van de voorzichtigheid, welke de Indiaan in acht nemen moet, om niet overvallen te worden, kan de Europeeër zich geen begrip vormen. Een afgebroken tak, het minste spoor van een’ voetstap verwekt bezorgdheid en is van beteekenis; niet minder zijn dat teekens aan den hemel, vogelvlucht en de droomen van den medicijnman, die den geheiligden buidel draagt. Des Indiaans voornaamste toeleg is, den vijand uit eene hinderlaag te verrassen en zonder gevaar voor zichzelf te vellen. Groote gevechten zijn zeldzaam; het blijft doorgaans bij schermutselingen en overrompelingen. De roode krijger zoekt eenige vijanden te dooden en hun dan in allerijl de schedelhuid af te stroopen, om dan thuis met dit zegeteeken bij den skalpdans te pronken. De door den kogel of met de strijdbijl gevelde stort neer; met de eene hand pakt deroodhuid hem bij de haren, dan zet hij hem de knie op de borst trekt met de andere hand het skalpeermes uit de scheede, maakt de huid rondom den haarbos los en scheurt dien met de tanden af. In een paar minuten is dat alles gedaan; de afgetrokken schedelhuid wordt over een’ hoepel uitgespannen, in de zon gedroogd en met roode oker ingewreven.Roodhuiden.Roodhuiden.Soms bestaat eene krijgsbende slechts uit dertig, twintig, tien en minder mannen. Eens braken twee Irokeezen op, gingen door Pennsylvanië, Virginië en nog verder naar ’t zuiden, zwierven daar geruimen tijd rond en kwamen eerst na maanden met skalps beladen bij hun’ stam terug. In werkelijke oorlogen, als een gansch volk tegen een ander over stond, trokken natuurlijk wel eens kleine legers te velde. De overwonnenen werden gedood of ook wel bij de zegepralende natie ingelijfd. Vreeselijk echter was het lot der tot krijgsoffers bestemde gevangenen. Het schijnt wel, dat de wreedheid, waarmee men deze folterde en martelde, in een of ander bijgeloof haar’ grond had. Zoo werd in 1848 tusschen de Pawnees, ten westen van den Mississippi, en de Sioux een bloedige krijg gevoerd. Een veertienjarig Siouxmeisje was onder de gevangenen. Dit werd noch gedood, noch, gelijk anders gebruikelijk is, tot slavin gemaakt, maar met de meeste zorgvuldigheid gevoed en verpleegd. In April, toen zeventig dagen verloopen waren, hielden de hoofden der Pawnees raad en besloten, de gevangene aan dengeest van het maiskoren te offeren. Men bracht haar in de vergadering en leidde haar van de eene hut in de andere. Zij moest eenig hout en allerlei verfstoffen in de hand nemen, waarop krijgers en hoofden in een’ kring om haar gingen zitten. Het meisje bood nu hout en verven den aanzienlijksten man aan, deze voegde daar, blijkbaar als offergave, nog eenig hout en verfstof bij en reikte alles aan zijn’ buurman toe, die datzelfde deed. En zoo ging het den geheelen kring langs. Toen eindelijk leidde men de ongelukkige, die nog niets van haar lot scheen te vermoeden, naar een stuk weideland. Daarnaast was een met mais bezaaid veld, waarop eenige boomen stonden. Tusschen twee daarvan werd van dat opgegaarde offerhout een vuur aangelegd. Het meisje moest nu op een boven dat vuur aangebracht getimmerte klimmen, terwijl aan beide zijden een krijger stond en haar met eene vlammende harsfakkel de huid van het lichaam schroeide. Nadat zij deze marteling eene poos lang verduurd had, schoot ieder der aanwezige krijgers een’ pijl op haar af. Terstond werd het nog niet ontzielde lichaam nu in kleine stukken gesneden, waarvan ieder een nam, om met het daaruit gedrukte bloed het maisveld te besprenkelen. Een blanke was hier ooggetuige van, maar kon de barbaarsche daad niet verhinderen.

Geen Indiaan kan gedwongen worden, aan een’ krijgstocht deel te nemen; hij is altijd vrijwilliger. Wie het krijgsgezang aanheft, den krijgsdans opvoert en een’ troep bijeen brengt, die zich aan hem aansluit, is aanvoerder. Voordat de bende oprukt, vast zij; in zijn krijgsgezang verzekert de aanvoerder, dat de geesten in de hoogte zijn’ naam spoedig met roem noemen zullen. Als oorlogsverklaring zendt men den vijand een rooden gordel of een’ bundel in bloed gedoopte rietstengels toe.

Van de voorzichtigheid, welke de Indiaan in acht nemen moet, om niet overvallen te worden, kan de Europeeër zich geen begrip vormen. Een afgebroken tak, het minste spoor van een’ voetstap verwekt bezorgdheid en is van beteekenis; niet minder zijn dat teekens aan den hemel, vogelvlucht en de droomen van den medicijnman, die den geheiligden buidel draagt. Des Indiaans voornaamste toeleg is, den vijand uit eene hinderlaag te verrassen en zonder gevaar voor zichzelf te vellen. Groote gevechten zijn zeldzaam; het blijft doorgaans bij schermutselingen en overrompelingen. De roode krijger zoekt eenige vijanden te dooden en hun dan in allerijl de schedelhuid af te stroopen, om dan thuis met dit zegeteeken bij den skalpdans te pronken. De door den kogel of met de strijdbijl gevelde stort neer; met de eene hand pakt deroodhuid hem bij de haren, dan zet hij hem de knie op de borst trekt met de andere hand het skalpeermes uit de scheede, maakt de huid rondom den haarbos los en scheurt dien met de tanden af. In een paar minuten is dat alles gedaan; de afgetrokken schedelhuid wordt over een’ hoepel uitgespannen, in de zon gedroogd en met roode oker ingewreven.

Roodhuiden.Roodhuiden.

Roodhuiden.

Soms bestaat eene krijgsbende slechts uit dertig, twintig, tien en minder mannen. Eens braken twee Irokeezen op, gingen door Pennsylvanië, Virginië en nog verder naar ’t zuiden, zwierven daar geruimen tijd rond en kwamen eerst na maanden met skalps beladen bij hun’ stam terug. In werkelijke oorlogen, als een gansch volk tegen een ander over stond, trokken natuurlijk wel eens kleine legers te velde. De overwonnenen werden gedood of ook wel bij de zegepralende natie ingelijfd. Vreeselijk echter was het lot der tot krijgsoffers bestemde gevangenen. Het schijnt wel, dat de wreedheid, waarmee men deze folterde en martelde, in een of ander bijgeloof haar’ grond had. Zoo werd in 1848 tusschen de Pawnees, ten westen van den Mississippi, en de Sioux een bloedige krijg gevoerd. Een veertienjarig Siouxmeisje was onder de gevangenen. Dit werd noch gedood, noch, gelijk anders gebruikelijk is, tot slavin gemaakt, maar met de meeste zorgvuldigheid gevoed en verpleegd. In April, toen zeventig dagen verloopen waren, hielden de hoofden der Pawnees raad en besloten, de gevangene aan dengeest van het maiskoren te offeren. Men bracht haar in de vergadering en leidde haar van de eene hut in de andere. Zij moest eenig hout en allerlei verfstoffen in de hand nemen, waarop krijgers en hoofden in een’ kring om haar gingen zitten. Het meisje bood nu hout en verven den aanzienlijksten man aan, deze voegde daar, blijkbaar als offergave, nog eenig hout en verfstof bij en reikte alles aan zijn’ buurman toe, die datzelfde deed. En zoo ging het den geheelen kring langs. Toen eindelijk leidde men de ongelukkige, die nog niets van haar lot scheen te vermoeden, naar een stuk weideland. Daarnaast was een met mais bezaaid veld, waarop eenige boomen stonden. Tusschen twee daarvan werd van dat opgegaarde offerhout een vuur aangelegd. Het meisje moest nu op een boven dat vuur aangebracht getimmerte klimmen, terwijl aan beide zijden een krijger stond en haar met eene vlammende harsfakkel de huid van het lichaam schroeide. Nadat zij deze marteling eene poos lang verduurd had, schoot ieder der aanwezige krijgers een’ pijl op haar af. Terstond werd het nog niet ontzielde lichaam nu in kleine stukken gesneden, waarvan ieder een nam, om met het daaruit gedrukte bloed het maisveld te besprenkelen. Een blanke was hier ooggetuige van, maar kon de barbaarsche daad niet verhinderen.

33. In de hoofdstad van «onze West».Van het vrij aanzienlijk Amerikaansch grondgebied, dat indertijd door de West-Indische Compagnie onder Nederlandsche heerschappij werd gebracht, is ons niet veel overgebleven.Van de reeks eilanden, die als een wijde boog daar, waar de beide groote vastlanden van Amerika samenkomen, de Caraïbische zee afsluit, en den naam dragen van de Kleine Antillen, zijn er bijna 5½ in ons bezit, en wel drie «beneden den wind», in de richting van west naar oost,—namelijk Aruba, Curaçao en Bonaire,—en «boven den wind», van zuid naar noord, St. Eustatius, Saba en een stuk van St. Martin.Het voornaamste dier eilanden is het in de tweede plaats genoemde Curaçao, dat reeds twee en eene halve eeuw in ons bezit is. Daar, onder een gezond doch warm klimaat, door den frisschen zeewindgetemperd, leeft eene arbeidzame inlandsche bevolking, die ondanks de tegenwerking van een schralen, rotsigen bodem en dikwijls terugkeerend gebrek aan drinkwater, met behulp van eenigen invoer van de nabijgelegen kust van Zuid-Amerika, in haar behoeften weet te voorzien; bovendien wordt er voor den handel vee aangefokt en zout gewonnen. De hoofdplaats, Willemstad, waar de gouverneur der Nederlandsche Antillen woont, met een nabijgelegen fort Amsterdam, ziet er echt Hollandsch uit, en is niet ontbloot van levendigheid; doordien op het gansche eiland geen invoerrechten worden geheven, is er vrij wat handel.Maar ons koloniaal bezit in Amerika bepaalt zich niet tot de eilanden alleen.Als we ten westen van de Antillen de kust van Zuid-Amerika volgen, bereiken we spoedig Guiana. Het kustgebied, een grootendeels aangeslibd land, gevormd door de rivieren, die van het zuidelijk hoogland naar zee vloeien, doch door de zee aanhoudend bestookt, biedt over het algemeen geen al te veilig verblijf aan; doch langs de boorden dier stroomen, waar men de aanvallen van den Oceaan niet behoeft te vreezen, is de bij uitstek vruchtbare grond ongemeen geschikt om een weelderigen plantengroei te voorschijn te brengen. Daar hebben zich dan ook meest de Europeesche kolonisten gevestigd.Guiana behoort gedeeltelijk aan de westwaarts gelegen republiek Venezuela, gedeeltelijk aan het keizerrijk Brazilië, dat het ten zuiden begrenst. Het kustgebied is door twee naar het noorden stroomende rivieren, de Corentijn en de Marowyne, in drie stukken van nagenoeg gelijke breedte verdeeld: het middelste heet Suriname en behoort aan Nederland.Van dat schoone, in den laatsten tijd niet vooruitgaand gewest, zullen we eenig denkbeeld trachten te geven. Eerst een woord over de bevolking.De oorspronkelijke bewoners, van het Amerikaansche ras, of zoogenaamde Indianen, hebben zich naar het binnenland teruggetrokken, en leven in dat bergachtig en boschrijk oord hoofdzakelijk van de jacht. Meestal noemt men ze Bokken. Voor den arbeid waren zij weinig geschikt, en daarom hebben eerst de Spaansche veroveraars, daarna hunne Nederlandsche opvolgers Negers, uit Afrika afkomstig, aan het werk gezet. Deze waren slaven, geheel aan de willekeurhunner meesters overgeleverd. Dikwijls gebeurde het, dat een aantal slaven de vlucht namen, en in de zuidelijke wildernis niet achterhaald konden worden: zij vormden daar als het ware een nieuwen volksstam, en worden Boschnegers genoemd.In 1863 werd de slavernij afgeschaft: nog tien jaren bleven de slaven onder toezicht, daarna waren zij geheel meester over hun’ persoon. Velen voegden zich bij de boschnegers, anderen bleven op de cacao- of katoenplantage, of den suikerstaat van hun vroegeren meester als loonarbeider werken. Maar er is toch groot gebrek aan werkkrachten, en dat is de voorname reden, waarom Suriname niet meer voorspoed heeft. De neger is juist geen groote vriend van het werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op, levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan verschaffen zonder in dienst van een’ Europeaan te gaan, blijft hij liever zijne volle vrijheid genieten. Sinds eenige jaren is er in het gebrek aan werklieden te gemoet gekomen door Chineesche arbeiders en door koelies uit Britsch-Indië. Deze worden door tusschenkomst van het Engelsch bestuur voor vasten tijd aangenomen; de planter die van hunne diensten gebruik maakt, moet ook zorgen, dat zij kosteloos terugkeeren naar hun vaderland, of anders, dat zij na verloop van hun’ diensttijd op geschikte voorwaarden in Suriname kunnen achterblijven.Voegt men nu hierbij de Europeanen, waaronder natuurlijk de Nederlanders de eerste plaats innemen, dan ziet men wel, dat de bevolking gemengd genoeg is.Doch thans laten we een schrijver aan het woord, die van de hoofdstad der kolonie iets zal vertellen.Wanneer men met de mailboot uit Europa komende, de Suriname, eene der hoofdrivieren der kolonie Suriname, opvaart, is het fort Amsterdam de eerste plaats, waar men door de rood-wit-en-blauwe vlag gewaar wordt op Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen. Indien men zich dit fort denkt als eene Europeesch versterkte plaats met veel zichtbaar metselwerk en misschien wel met verscheiden torens, dan zou men zich een zeer verkeerd denkbeeld er van maken. Daar, waar de Commewijne in de Suriname vloeit, is in tegenstelling met het omliggende land, dat met laag geboomte dicht begroeidis, eene opene ruimte, waar verscheiden houten gebouwen, een seinpaal, eene vlag en een paar palmboomen te zien zijn, terwijl de vestingwerken niet van buiten onderscheiden kunnen worden. Van het midden der rivier zijn zelfs geene schildwachten waar te nemen, en de doodsche kalmte welke daar heerscht, doet veeleer denken aan een plantage in Zondagsrust, dan aan een versterkte plaats vanwaar oog gehouden wordt op alles, wat de kolonie uit- en ingaat. Bij het opstoomen der Suriname vaart men steeds tusschen vlakke, zooals ik zeide, met laag geboomte dicht bedekte oevers. Hier en daar komt een rookende schoorsteen van eene suikerfabriek, of de directeurswoning eener plantage uit het groen te voorschijn, ten bewijze, dat men in eene bewoonde streek is.De rivier is vrij breed, en wanneer men op het midden vaart, zijn de oevers te ver verwijderd om te kunnen onderscheiden aan bladvorm en stand der boomen en heesters, of men hier te doen heeft met Europeeschen, dan wel met tropischen plantengroei; en bij het aanschouwen van dit platte land kan men zich zeer goed voorstellen op ééne onzer Hollandsche rivieren verplaatst te zijn; de troepen groene papepaaien en roode flamingo’s, die nu en dan over de boot heenvliegen, zijn de eenige levende bewijzen dat wij in eene andere luchtstreek zijn.Een uur stoomens van haren mond, waar de Suriname een grooten bocht maakt, ligt op vlak terrein de stad Paramaribo. Van de rivier af bespeurt men weinig van de eigenlijke stad, daar langs den waterkant slechts pakhuizen en steigers en werven te zien zijn. Ik had mij van de ligging van Paramaribo dus ook niet heel veel voorgesteld en was zeer verrast, toen ik de stad voor ’t eerst in ’t oog kreeg. De gouverneurswoning, half verscholen achter tamarindeboomen en van de rivier door een park gescheiden, het torentje van de gouvernementsgebouwen, eene reeks witgeschilderde huizen van een of twee verdiepingen die, hier en daar verborgen achter zoogenaamde amandelboomen (alleen dus geheeten wegens zekere overeenkomst van de pitten der vrucht met die van den Europeeschen boom van dien naam), de geheele bocht der Suriname langs stonden, het wachtschip en de enkele koopvaardijschepen, die met de Hollandsche en Engelsche vlag in top op de rivier verspreid lagen, maakten een’ indruk, zooals ik dien niet had verwacht.Gezicht op Paramaribo.Gezicht op Paramaribo.Die, welken men bij nadere kennismaking van de stad ontvangt, is echter veel minder gunstig. Daar zij gedeeltelijk op eene schelpbank, gedeeltelijk op zandgrond is gebouwd, doen de ongeplaveide wegen aan een Hollandsch zeedorp denken. De stad is zeer ruim aangelegd met flinke, breede straten, maar alles is slecht onderhouden. Met enkele uitzonderingen zijn er voor het afloopen van het regenwater langs de huizen slechts greppels gegraven; de grond dien men daaruit gedolven heeft ligt aan den kant en is begroeid met allerhande onkruid; aan beide zijden der straat zijn tusschen de huizen en deze greppels, voetpaden; en de overige ruimte, voor zoover die niet ingenomen wordt voor de passage van rijtuigen, die zeer schaarsch zijn, is dicht met gras begroeid, zoodat de wegen hier en daar meer doen denken aan eene gemeenteweide dan aan eene stadsstraat. De huizen, met enkele uitzonderingen van hout gebouwd, zijn over ’t algemeen zeer verveloos, ja soms zóó, dat men niet kan gelooven, dat zij ooit met een’ verf kwast in aanraking zijn geweest. Bijna alle rusten op min of meer boven den grond uitstekende pilaren of geheele fundeeringen van baksteen, hier en daar ziet men balkons en veranda’s, en de meeste huizen, zelfs in de achterbuurten, kunnen zich beroemen op meer of minder hooge trapstoepen, soms met, soms zonder leuning. Zouden de vroegere bewoners der kolonie bij het bouwen dezer stoepen soms aan de grachten der hoofdstad van het moederland gedacht hebben? Buitendien staan in de meeste straten de huizen geheel naast elkander, enkele malen slechts door eene schutting gescheiden; dit alles samen genomen geeft een steedsch voorkomen, waardoor de toestand der wegen, iets wat bij ons alleen in arme, verwaarloosde dorpen voor kan komen, zooveel te meer in ’t oog valt.Beneden in de huizen vindt men in plaats van glasvensters slechts de gewone venster-openingen door groene luiken gesloten, terwijl buitendien meer binnenwaarts heele of halve jaloezieën zijn aangebracht, om zoo noodig de zonnestralen te kunnen buitensluiten of onbescheiden blikken te weren. Op de verdiepingen zijn gewoonlijk glazen schuiframen van buiten voorzien van halve jaloezieën, ter hoogte van de onderste ruiten. Deze schuiframen, die van boven niet kunnen geopend worden, zeer ondoelmatig in een klimaat waar luchtverversching meer dan elders vereischte is, zijn zeker ook eenherinnering aan onze Hollandsche vensters, door de eerste bewoners ingevoerd en oudergewoonte steeds behouden. De meeste huizen komen aan den achterkant op een’ tuin of eene plaats uit, waar men een aantal kleine woningen vindt, die aan arbeiders verhuurd worden en waarschijnlijk nog een overblijfsel zijn uit den slaventijd, toen ieder gezeten burger ter bediening een vrij aanzienlijk getal slaven moest huisvesten en onderhouden.De stad heeft ongeveer 23,000 inwoners en beslaat toch, naar men mij verzekert, eene bijna even groote oppervlakte als Den Haag. Als middelpunt kan men dat gedeelte van Paramaribo aannemen, waar de gouvernementsgebouwen staan. De gouverneurswoning ziet onder eene prachtige dubbele tamarindenlaan over eene grasvlakte op de rivier uit. Rechts daarvan zijn de gouvernements-secretarie en het gerechtshof, twee steenen gebouwen, terwijl links en aan de rivier het fort Zeelandia, reeds in 1640 aangelegd, gevonden wordt.Wanneer men naar telegraaf- en postkantoor zoekt, zal men het eene niet, het tweede slechts zeer moeilijk vinden. Een telegraaf toch bestaat er niet; ik durf ten minste een signaalpaal, die op het fort Zeelandia staat en berichten naar het fort Amsterdam over moet seinen, dien naam niet geven, hoewel hij hier met dien weidschen naam bestempeld wordt. Ofschoon er langs de zeekust een telegraafkabel ligt, welke Demerary met Cayenne verbindt, (Britsch- en Fransch-Guiana, tusschen welke Suriname of Nederlandsch-Guiana ligt,) is onze kolonie niet in deze verbinding opgenomen en hier kunnen de telegrammen dus slechts op maildagen ontvangen en verzonden worden, tenzij er toevallig eene scheepsgelegenheid voorkomen mocht.Het postkantoor is een klein onaanzienlijk gebouwtje. Eenige malen per maand is daar vol leven en beweging; drie maal bij het vertrek der mail naar Europa en even dikwijls wanneer zij de brieven uit Europa aanbrengt. Twee uur nadat het schot, op het fortZeelandiagelost, de aankomst der mail gemeld heeft, kan ieder zijne brieven komen afhalen; bezorgd worden zij alleen, nadat zij een paar dagen op het kantoor gelegen hebben, en ieder is te verlangend om het nieuws, dat hier zoo zeldzaam komt, te weten te komen om niet zoo spoedig mogelijk zijn deel in ontvangt te gaan nemen.De overige openbare gebouwen zijn spoedig genoemd; hun aantalis niet groot en bestaat voornamelijk uit de bedehuizen der verschillende godsdienstige gezindten: Hervormden, Lutherschen, Hernhutters, Roomschen en Joden, in welke de bevolking zich splitst; vooral de kerk der Portugeesche Joden steekt door hare netheid en haar smaakvollen tuin gunstig af bij de omliggende huizen. Achter de gebouwen van het oude Ziekenhuis in de Gravenstraat staat het nieuwe Hospitaal in een ruimen tuin. In een verveloos gebouw, dat mij als Schouwburg werd aangewezen, worden van tijd tot tijd voorstellingen gegeven.Toen ik eenige dagen in de stad geweest was, begon ik eenigszins gewend te raken aan den verwaarloosden toestand van straten en huizen, en maakte het geheel niet meer zulk een onaangenamen indruk op mij, als toen ik voor ’t eerst voet aan wal zette. Maar al is het voor ’t oog niet bekoorlijk, dat straten en pleinen met gras en bloemen en boomen als bedekt zijn, alles te zamen genomen herinnert het mij toch meer aan eene stad in verval dan aan de hoofdstad eener kolonie, die zoo rijk zou kunnen zijn. Op reis hierheen werd Suriname mij meermalen door verscheidene niet-Nederlanders als eene der vruchtbaarste streken van West-Indië genoemd, en waarlijk men behoeft slechts even een kijkje te nemen, om door dien weelderigen plantengroei overtuigd te worden welke schatten hier nog te verkrijgen zijn. Maar des te meer is het daarom te betreuren en te verwonderen, dat in uiterlijke welvaart Paramaribo zoo zeer achterstaat bij enkele steden van Britsch West-Indië.Eene bijzondere merkwaardigheid biedt de nieuwe wijk aan, die in het westelijkste deel der stad ligt en het «Plein van 12 Mei» heet. In 1874 werd op dien dag het 25jarig gedenkfeest van de regeering van Neerlands koning gevierd, en de gouverneur had, om die gebeurtenis te herdenken, prijzen uitgeloofd aan de negerwerklieden, die het meest zouden uitmunten in het aanleggen der wegen en het graven der slooten van bedoelde voorstad. Deze werd op den dag zelf met groote praal en plechtigheid en met uitreiking van belooningen door den gouverneur in persoon geopend en tegelijkertijd afgestaan aan de tegenwoordige bewoners, vrije en welvarende lieden, die er hunne hutten en tuinen netjes onderhouden.

Van het vrij aanzienlijk Amerikaansch grondgebied, dat indertijd door de West-Indische Compagnie onder Nederlandsche heerschappij werd gebracht, is ons niet veel overgebleven.

Van de reeks eilanden, die als een wijde boog daar, waar de beide groote vastlanden van Amerika samenkomen, de Caraïbische zee afsluit, en den naam dragen van de Kleine Antillen, zijn er bijna 5½ in ons bezit, en wel drie «beneden den wind», in de richting van west naar oost,—namelijk Aruba, Curaçao en Bonaire,—en «boven den wind», van zuid naar noord, St. Eustatius, Saba en een stuk van St. Martin.

Het voornaamste dier eilanden is het in de tweede plaats genoemde Curaçao, dat reeds twee en eene halve eeuw in ons bezit is. Daar, onder een gezond doch warm klimaat, door den frisschen zeewindgetemperd, leeft eene arbeidzame inlandsche bevolking, die ondanks de tegenwerking van een schralen, rotsigen bodem en dikwijls terugkeerend gebrek aan drinkwater, met behulp van eenigen invoer van de nabijgelegen kust van Zuid-Amerika, in haar behoeften weet te voorzien; bovendien wordt er voor den handel vee aangefokt en zout gewonnen. De hoofdplaats, Willemstad, waar de gouverneur der Nederlandsche Antillen woont, met een nabijgelegen fort Amsterdam, ziet er echt Hollandsch uit, en is niet ontbloot van levendigheid; doordien op het gansche eiland geen invoerrechten worden geheven, is er vrij wat handel.

Maar ons koloniaal bezit in Amerika bepaalt zich niet tot de eilanden alleen.

Als we ten westen van de Antillen de kust van Zuid-Amerika volgen, bereiken we spoedig Guiana. Het kustgebied, een grootendeels aangeslibd land, gevormd door de rivieren, die van het zuidelijk hoogland naar zee vloeien, doch door de zee aanhoudend bestookt, biedt over het algemeen geen al te veilig verblijf aan; doch langs de boorden dier stroomen, waar men de aanvallen van den Oceaan niet behoeft te vreezen, is de bij uitstek vruchtbare grond ongemeen geschikt om een weelderigen plantengroei te voorschijn te brengen. Daar hebben zich dan ook meest de Europeesche kolonisten gevestigd.

Guiana behoort gedeeltelijk aan de westwaarts gelegen republiek Venezuela, gedeeltelijk aan het keizerrijk Brazilië, dat het ten zuiden begrenst. Het kustgebied is door twee naar het noorden stroomende rivieren, de Corentijn en de Marowyne, in drie stukken van nagenoeg gelijke breedte verdeeld: het middelste heet Suriname en behoort aan Nederland.

Van dat schoone, in den laatsten tijd niet vooruitgaand gewest, zullen we eenig denkbeeld trachten te geven. Eerst een woord over de bevolking.

De oorspronkelijke bewoners, van het Amerikaansche ras, of zoogenaamde Indianen, hebben zich naar het binnenland teruggetrokken, en leven in dat bergachtig en boschrijk oord hoofdzakelijk van de jacht. Meestal noemt men ze Bokken. Voor den arbeid waren zij weinig geschikt, en daarom hebben eerst de Spaansche veroveraars, daarna hunne Nederlandsche opvolgers Negers, uit Afrika afkomstig, aan het werk gezet. Deze waren slaven, geheel aan de willekeurhunner meesters overgeleverd. Dikwijls gebeurde het, dat een aantal slaven de vlucht namen, en in de zuidelijke wildernis niet achterhaald konden worden: zij vormden daar als het ware een nieuwen volksstam, en worden Boschnegers genoemd.

In 1863 werd de slavernij afgeschaft: nog tien jaren bleven de slaven onder toezicht, daarna waren zij geheel meester over hun’ persoon. Velen voegden zich bij de boschnegers, anderen bleven op de cacao- of katoenplantage, of den suikerstaat van hun vroegeren meester als loonarbeider werken. Maar er is toch groot gebrek aan werkkrachten, en dat is de voorname reden, waarom Suriname niet meer voorspoed heeft. De neger is juist geen groote vriend van het werk: een kleine hoek gronds, met eene heel eenvoudige woning er op, levert voor zijne geringe behoeften genoeg, en als hij zich dat kan verschaffen zonder in dienst van een’ Europeaan te gaan, blijft hij liever zijne volle vrijheid genieten. Sinds eenige jaren is er in het gebrek aan werklieden te gemoet gekomen door Chineesche arbeiders en door koelies uit Britsch-Indië. Deze worden door tusschenkomst van het Engelsch bestuur voor vasten tijd aangenomen; de planter die van hunne diensten gebruik maakt, moet ook zorgen, dat zij kosteloos terugkeeren naar hun vaderland, of anders, dat zij na verloop van hun’ diensttijd op geschikte voorwaarden in Suriname kunnen achterblijven.

Voegt men nu hierbij de Europeanen, waaronder natuurlijk de Nederlanders de eerste plaats innemen, dan ziet men wel, dat de bevolking gemengd genoeg is.

Doch thans laten we een schrijver aan het woord, die van de hoofdstad der kolonie iets zal vertellen.

Wanneer men met de mailboot uit Europa komende, de Suriname, eene der hoofdrivieren der kolonie Suriname, opvaart, is het fort Amsterdam de eerste plaats, waar men door de rood-wit-en-blauwe vlag gewaar wordt op Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen. Indien men zich dit fort denkt als eene Europeesch versterkte plaats met veel zichtbaar metselwerk en misschien wel met verscheiden torens, dan zou men zich een zeer verkeerd denkbeeld er van maken. Daar, waar de Commewijne in de Suriname vloeit, is in tegenstelling met het omliggende land, dat met laag geboomte dicht begroeidis, eene opene ruimte, waar verscheiden houten gebouwen, een seinpaal, eene vlag en een paar palmboomen te zien zijn, terwijl de vestingwerken niet van buiten onderscheiden kunnen worden. Van het midden der rivier zijn zelfs geene schildwachten waar te nemen, en de doodsche kalmte welke daar heerscht, doet veeleer denken aan een plantage in Zondagsrust, dan aan een versterkte plaats vanwaar oog gehouden wordt op alles, wat de kolonie uit- en ingaat. Bij het opstoomen der Suriname vaart men steeds tusschen vlakke, zooals ik zeide, met laag geboomte dicht bedekte oevers. Hier en daar komt een rookende schoorsteen van eene suikerfabriek, of de directeurswoning eener plantage uit het groen te voorschijn, ten bewijze, dat men in eene bewoonde streek is.

De rivier is vrij breed, en wanneer men op het midden vaart, zijn de oevers te ver verwijderd om te kunnen onderscheiden aan bladvorm en stand der boomen en heesters, of men hier te doen heeft met Europeeschen, dan wel met tropischen plantengroei; en bij het aanschouwen van dit platte land kan men zich zeer goed voorstellen op ééne onzer Hollandsche rivieren verplaatst te zijn; de troepen groene papepaaien en roode flamingo’s, die nu en dan over de boot heenvliegen, zijn de eenige levende bewijzen dat wij in eene andere luchtstreek zijn.

Een uur stoomens van haren mond, waar de Suriname een grooten bocht maakt, ligt op vlak terrein de stad Paramaribo. Van de rivier af bespeurt men weinig van de eigenlijke stad, daar langs den waterkant slechts pakhuizen en steigers en werven te zien zijn. Ik had mij van de ligging van Paramaribo dus ook niet heel veel voorgesteld en was zeer verrast, toen ik de stad voor ’t eerst in ’t oog kreeg. De gouverneurswoning, half verscholen achter tamarindeboomen en van de rivier door een park gescheiden, het torentje van de gouvernementsgebouwen, eene reeks witgeschilderde huizen van een of twee verdiepingen die, hier en daar verborgen achter zoogenaamde amandelboomen (alleen dus geheeten wegens zekere overeenkomst van de pitten der vrucht met die van den Europeeschen boom van dien naam), de geheele bocht der Suriname langs stonden, het wachtschip en de enkele koopvaardijschepen, die met de Hollandsche en Engelsche vlag in top op de rivier verspreid lagen, maakten een’ indruk, zooals ik dien niet had verwacht.

Gezicht op Paramaribo.Gezicht op Paramaribo.

Gezicht op Paramaribo.

Die, welken men bij nadere kennismaking van de stad ontvangt, is echter veel minder gunstig. Daar zij gedeeltelijk op eene schelpbank, gedeeltelijk op zandgrond is gebouwd, doen de ongeplaveide wegen aan een Hollandsch zeedorp denken. De stad is zeer ruim aangelegd met flinke, breede straten, maar alles is slecht onderhouden. Met enkele uitzonderingen zijn er voor het afloopen van het regenwater langs de huizen slechts greppels gegraven; de grond dien men daaruit gedolven heeft ligt aan den kant en is begroeid met allerhande onkruid; aan beide zijden der straat zijn tusschen de huizen en deze greppels, voetpaden; en de overige ruimte, voor zoover die niet ingenomen wordt voor de passage van rijtuigen, die zeer schaarsch zijn, is dicht met gras begroeid, zoodat de wegen hier en daar meer doen denken aan eene gemeenteweide dan aan eene stadsstraat. De huizen, met enkele uitzonderingen van hout gebouwd, zijn over ’t algemeen zeer verveloos, ja soms zóó, dat men niet kan gelooven, dat zij ooit met een’ verf kwast in aanraking zijn geweest. Bijna alle rusten op min of meer boven den grond uitstekende pilaren of geheele fundeeringen van baksteen, hier en daar ziet men balkons en veranda’s, en de meeste huizen, zelfs in de achterbuurten, kunnen zich beroemen op meer of minder hooge trapstoepen, soms met, soms zonder leuning. Zouden de vroegere bewoners der kolonie bij het bouwen dezer stoepen soms aan de grachten der hoofdstad van het moederland gedacht hebben? Buitendien staan in de meeste straten de huizen geheel naast elkander, enkele malen slechts door eene schutting gescheiden; dit alles samen genomen geeft een steedsch voorkomen, waardoor de toestand der wegen, iets wat bij ons alleen in arme, verwaarloosde dorpen voor kan komen, zooveel te meer in ’t oog valt.

Beneden in de huizen vindt men in plaats van glasvensters slechts de gewone venster-openingen door groene luiken gesloten, terwijl buitendien meer binnenwaarts heele of halve jaloezieën zijn aangebracht, om zoo noodig de zonnestralen te kunnen buitensluiten of onbescheiden blikken te weren. Op de verdiepingen zijn gewoonlijk glazen schuiframen van buiten voorzien van halve jaloezieën, ter hoogte van de onderste ruiten. Deze schuiframen, die van boven niet kunnen geopend worden, zeer ondoelmatig in een klimaat waar luchtverversching meer dan elders vereischte is, zijn zeker ook eenherinnering aan onze Hollandsche vensters, door de eerste bewoners ingevoerd en oudergewoonte steeds behouden. De meeste huizen komen aan den achterkant op een’ tuin of eene plaats uit, waar men een aantal kleine woningen vindt, die aan arbeiders verhuurd worden en waarschijnlijk nog een overblijfsel zijn uit den slaventijd, toen ieder gezeten burger ter bediening een vrij aanzienlijk getal slaven moest huisvesten en onderhouden.

De stad heeft ongeveer 23,000 inwoners en beslaat toch, naar men mij verzekert, eene bijna even groote oppervlakte als Den Haag. Als middelpunt kan men dat gedeelte van Paramaribo aannemen, waar de gouvernementsgebouwen staan. De gouverneurswoning ziet onder eene prachtige dubbele tamarindenlaan over eene grasvlakte op de rivier uit. Rechts daarvan zijn de gouvernements-secretarie en het gerechtshof, twee steenen gebouwen, terwijl links en aan de rivier het fort Zeelandia, reeds in 1640 aangelegd, gevonden wordt.

Wanneer men naar telegraaf- en postkantoor zoekt, zal men het eene niet, het tweede slechts zeer moeilijk vinden. Een telegraaf toch bestaat er niet; ik durf ten minste een signaalpaal, die op het fort Zeelandia staat en berichten naar het fort Amsterdam over moet seinen, dien naam niet geven, hoewel hij hier met dien weidschen naam bestempeld wordt. Ofschoon er langs de zeekust een telegraafkabel ligt, welke Demerary met Cayenne verbindt, (Britsch- en Fransch-Guiana, tusschen welke Suriname of Nederlandsch-Guiana ligt,) is onze kolonie niet in deze verbinding opgenomen en hier kunnen de telegrammen dus slechts op maildagen ontvangen en verzonden worden, tenzij er toevallig eene scheepsgelegenheid voorkomen mocht.

Het postkantoor is een klein onaanzienlijk gebouwtje. Eenige malen per maand is daar vol leven en beweging; drie maal bij het vertrek der mail naar Europa en even dikwijls wanneer zij de brieven uit Europa aanbrengt. Twee uur nadat het schot, op het fortZeelandiagelost, de aankomst der mail gemeld heeft, kan ieder zijne brieven komen afhalen; bezorgd worden zij alleen, nadat zij een paar dagen op het kantoor gelegen hebben, en ieder is te verlangend om het nieuws, dat hier zoo zeldzaam komt, te weten te komen om niet zoo spoedig mogelijk zijn deel in ontvangt te gaan nemen.

De overige openbare gebouwen zijn spoedig genoemd; hun aantalis niet groot en bestaat voornamelijk uit de bedehuizen der verschillende godsdienstige gezindten: Hervormden, Lutherschen, Hernhutters, Roomschen en Joden, in welke de bevolking zich splitst; vooral de kerk der Portugeesche Joden steekt door hare netheid en haar smaakvollen tuin gunstig af bij de omliggende huizen. Achter de gebouwen van het oude Ziekenhuis in de Gravenstraat staat het nieuwe Hospitaal in een ruimen tuin. In een verveloos gebouw, dat mij als Schouwburg werd aangewezen, worden van tijd tot tijd voorstellingen gegeven.

Toen ik eenige dagen in de stad geweest was, begon ik eenigszins gewend te raken aan den verwaarloosden toestand van straten en huizen, en maakte het geheel niet meer zulk een onaangenamen indruk op mij, als toen ik voor ’t eerst voet aan wal zette. Maar al is het voor ’t oog niet bekoorlijk, dat straten en pleinen met gras en bloemen en boomen als bedekt zijn, alles te zamen genomen herinnert het mij toch meer aan eene stad in verval dan aan de hoofdstad eener kolonie, die zoo rijk zou kunnen zijn. Op reis hierheen werd Suriname mij meermalen door verscheidene niet-Nederlanders als eene der vruchtbaarste streken van West-Indië genoemd, en waarlijk men behoeft slechts even een kijkje te nemen, om door dien weelderigen plantengroei overtuigd te worden welke schatten hier nog te verkrijgen zijn. Maar des te meer is het daarom te betreuren en te verwonderen, dat in uiterlijke welvaart Paramaribo zoo zeer achterstaat bij enkele steden van Britsch West-Indië.

Eene bijzondere merkwaardigheid biedt de nieuwe wijk aan, die in het westelijkste deel der stad ligt en het «Plein van 12 Mei» heet. In 1874 werd op dien dag het 25jarig gedenkfeest van de regeering van Neerlands koning gevierd, en de gouverneur had, om die gebeurtenis te herdenken, prijzen uitgeloofd aan de negerwerklieden, die het meest zouden uitmunten in het aanleggen der wegen en het graven der slooten van bedoelde voorstad. Deze werd op den dag zelf met groote praal en plechtigheid en met uitreiking van belooningen door den gouverneur in persoon geopend en tegelijkertijd afgestaan aan de tegenwoordige bewoners, vrije en welvarende lieden, die er hunne hutten en tuinen netjes onderhouden.


Back to IndexNext