Glenarvan alleen waakte.Glenarvan alleen waakte.
Die overdenkingen bragten echter Glenarvan niet tot bedaren. Wanneer hart en rede elkander bestrijden, is deze zelden de sterkste. De heer van Malcolm-Castle tastte in die duisternis allen, die hij liefhad, zijn lieve Helena, Mary Grant, de geheele bemanning zijnerDuncan. Hij dwaalde langs den eenzamen oever, dien de golven met hun lichtgevende loovertjes bedekten. Hij zag toe, hij luisterde, hij meende zelfs van tijd tot tijd een flaauw schijnsel op zee waar te nemen.
"Ik bedrieg mij niet," zeide hij bij zichzelven; "ik heb het licht van een schip gezien! het licht van deDuncan. Ach! konden mijn blikken maar door die digte duisternis heenboren!"
Daar rees een gedachte bij hem op. Paganel beweerde, dat hij nachtziende was, Paganel kon des nachts zien. Hij ging Paganel wekken.
De geleerde sliep als een mol in zijn gat, toen een sterke arm hem onder zijn deken van zand weghaalde.
"Wie daar?" riep hij.
"Ik, Paganel!"
"Wie is dat, ik?"
"Glenarvan. Kom, ik heb uwe oogen noodig."
"Mijne oogen?" antwoordde Paganel, ze sterk wrijvende.
"Ja, uwe oogen, om onzeDuncanin die duisternis te onderscheiden. Kom! ga mede!"
"De duivel hale het nachtzien!" zeide Paganel, die echter innerlijk verheugd was, dat hij Glenarvan van dienst kon zijn.
En opstaande, zich uitrekkende en geeuwende, als iemand die wakker wordt, volgde hij zijn vriend naar het strand.
Glenarvan verzocht hem om den duisteren gezigteinder der zee te onderzoeken. Eenige minuten lang zag Paganel met de grootste oplettendheid rond, maar zonder iets te ontdekken.
"Hoe is het! bemerkt gij niets?" vroeg Glenarvan.
"Niets! een kat zelfs zou geen twee schreden voor zich uit kunnen zien."
"Zoek een rood licht of een groen licht, dat is te zeggen, een bakboordslicht of een stuurboordslicht."
"Ik zie noch een groen noch een rood licht! Alles is zwart!" antwoordde Paganel, wiens oogen zich onwillekeurig sloten.
Een half uur lang volgde hij werktuigelijk zijn ongeduldigen vriend, nu eens het hoofd op de borst latende zakken, en het dan weder plotseling oprigtende. Hij antwoordde niet, hij sprak niet meer. Hij slingerde heen en weder als een beschonkene. Glenarvan zag Paganel aan. Paganel sliep loopende.
Glenarvan greep hem nu bij den arm en bragt hem, zonder hem wakker te maken, naar zijn gat terug, waar hij hem behoorlijk instopte.
Bij het krieken van den dag vlogen allen overeind op het geroep van: "DeDuncan! deDuncan!"
"Hoera! hoera!" riepen de medgezellen van Glenarvan, terwijl zij naar den oever snelden.
Werkelijk lag het jagt, vijf mijlen ver in zee, met gereefde zeilen onder halven stoom; zijn rook vermengde zich met de ochtendnevels. De zee was zeer onstuimig, en een schip van dien inhoud kon niet zonder gevaar den voet der banken naderen.
Met den verrekijker van Paganel gewapend, bespiedde Glenarvan de bewegingen derDuncan. John Mangles had zeker zijn passagiers niet gezien; althans hij manoeuvreerde niet en bleef met bakboordshalzen zeilen onder digtgereefd marszeil.
Maar thans loste Thalcave, na zijn karabijn goed aangezet te hebben, zijn wapen in de rigting van het jagt.
Men luisterde. Men zag vooral uit. Driemaal wekten de losbrandingen der karabijn de echo's der duinen op.
Eindelijk steeg er een witte rook van het jagt op.
"Zij hebben ons gezien!" riep Glenarvan. "Het is het kanon van deDuncan!"
En eenige seconden later hoorde men op den oever flaauwtjes het doffe geluid eener losbranding. Terstond veranderde deDuncanhaar marszeil, stookte haar vuren aan, en maakte de noodige bewegingen om zoo digt mogelijk aan de kust te komen.
Met behulp van den kijker zag men spoedig een boot van het schip afsteken.
"Lady Helena zal niet kunnen komen," zeide Tom Austin, "de zee is te onstuimig!"
"John Mangles evenmin," antwoordde Mac Nabbs, "hij kan zijn schip niet verlaten."
"Zuster! lieve zuster!" riep Robert, zijn armen naar het jagt uitstekende, dat geducht slingerde.
"O! hoe verlang ik aan boord te zijn!" riep Glenarvan.
"Geduld, Edward! Gij zult er binnen twee uren zijn," antwoordde de majoor.
Twee uren! De sloep, met zes roeijers bemand, kon inderdaad niet in korter tijd de heen- en terugreis volbrengen.
Nu begaf Glenarvan zich naar Thalcave, die met over elkander geslagen armen, naast Thaouka staande, rustig de golvende oppervlakte der zee gadesloeg.
Glenarvan vatte zijn hand en zeide, hem het jagt wijzende:
"Kom!"
De Indiaan schudde zachtjes het hoofd.
"Kom, mijn vriend!" hernam Glenarvan.
"Neen!" antwoordde Thalcave zachtjes. "Hier is Thaouka, en dààr zijn de pampa's!" voegde hij er met een hartstogtelijk gebaar bij, als wilde hij de onmetelijke vlakte omhelzen.
Glenarvan begreep wel, dat de Indiaan nooit het land zou willen verlaten, waar het gebeente zijner vaderen rustte. Hij kende de vrome gehechtheid van die kinderen der woestijn aan hun geboorteland. Hij drukte dus Thalcave de hand en drong er niet verder op aan. Hij hield ook evenmin aan, toen de Indiaan, op zijne eigenaardige wijze glimlagchende, alle belooning voor zijn diensten van de hand wees met de woorden: "Uit vriendschap!"
Glenarvan kon hem van aandoening niet antwoorden. Hij zou toch zoo gaarne den braven Indiaan iets achterlaten, dat hem aan zijn vrienden uit Europa kon doen denken. Maar wat was hem overgebleven? Zijn paarden, zijn wapenen, alles had hij verloren bij die noodlottige overstrooming. Zijn vrienden waren niet rijker dan hij.
Hij wist dus niet, hoe hij de belangeloosheid van den braven gids zou vergelden, toen hem iets te binnen schoot. Hij haalde uit zijn brieventasch een kostbaar medaillon met een bewonderenswaardig portret, een kunststuk van Lawrence, en bood het den Indiaan aan.
"Mijn vrouw!" zeide hij.
Thalcave beschouwde met aandoening het portret en zeide niets anders dan:
"Schoon en goed!"
Vervolgens gingen Robert, Paganel, de majoor, Tom Austin en de beide matrozen een roerend afscheid van den Patagoniër nemen. Die brave lieden waren zeer aangedaan, nu zij dien onverschrokken en verknochten vriend moesten verlaten. Thalcave drukte hen allen aan zijn breede borst. Paganel drong hem eene kaart van Zuid-Amerika en der beide Oceanen op, die de Indiaan dikwijls met belangstelling had beschouwd. Het was het kostbaarste, dat de geleerde bezat. Robert had slechts liefkozingen uit te deelen; hij spaarde ze niet voor zijn redder, en Thaouka werd bij die uitdeeling niet over het hoofd gezien.
In dit oogenblik naderde de sloep van deDuncan; zij gleed in een naauw vaarwater tusschen de banken door en zette het weldra op het strand.
"Mijn vrouw?" vroeg Glenarvan.
"Mijn zuster?" riep Robert.
"Lady Helena en miss Grant wachten u aan boord," antwoordde de stuurman der sloep. "Maar wij moeten vertrekken, Uwe Edelheid! wij hebben geen oogenblik te verliezen, want de ebbe begint reeds."
Allen omhelsden nog eens den Indiaan. Thalcave vergezelde zijn vrienden tot aan de sloep, die weder vlot werd gemaakt. Toen Robert haar zou bestijgen, nam de Indiaan hem in zijn armen en zag hem liefderijk aan.
"En nu, ga!" zeide hij, "gij zijt een man!"
"Vaarwel, mijn vriend! vaarwel!" riep Glenarvan nog eens.
"Zullen wij elkander nimmer wederzien?" vroeg Paganel.
"Wie weet?" antwoordde Thalcave zijn hand hemelwaarts rigtende.
Dit waren de laatste woorden van den Indiaan, die in den wind vervlogen.
"Wie weet?" antwoordde Thalcave..."Wie weet?" antwoordde Thalcave...
Men stak van wal. De boot werd door het vallende water medegesleept. Nog lang was Thalcave, die roerloos staan bleef, door het schuim der baren heen zigtbaar; vervolgens kromp zijn lange gestalte ineen, en eindelijk verdween hij uit de oogen zijner vrienden van éénen dag.
Een uur later sprong Robert het eerst aan boord van deDuncanen viel hij Mary Grant om den hals, terwijl de bemanning van het jagt de lucht met haar vrolijk hoera vervulde.
Zoo was de togt door Zuid-Amerika afgeloopen. Bergen noch rivieren hadden de reizigers van hun weg kunnen afbrengen, en hadden zij al niet te kampen gehad met de kwaadwilligheid der menschen,—de losgelaten elementen hadden hun edelmoedige onverschrokkenheid dikwijls op zware proeven gesteld.
[1]Omtrent vijftien uren.
[1]Omtrent vijftien uren.
Lijst van illustraties
(Uit de oorspronkelijke 19deeeuwse Franse ed., door Riou.)
01. ... terwijl hij een onkenbaar voorwerp liet zien....02. Glenarvan haalde ze er voorzichtig uit....03. "Ik ben Miss Grant, mevrouw!"04. "Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant....05. ... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....06. Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...07. Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.08. Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.09. ... dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken...10. Tom Austin, Wilson, en Mulrady...11. ... de doorwaadbare plaats aan de Rio de Tubal...12. Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden.13. Het bergvlak, ..., gleed intusschen met de vaart van een sneltrein...14. De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...15. De Patagoniër Thakave.16. ... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...17. De paarden liepen stevig door,...18. Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.19. De roode wolven volgden het spoor van het paard.20. De jacht op flamingo's.21. Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken.22. Reis rond de wereld—deel 1—Zuid-Amerika.23. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden.24. "O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!"25. "Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave...26. Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf...27. Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel.28. Dit was de schuilplaats, die de kleine troep had bereikt.29. Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen.30. De jagt stelde zich goed in...31. "Er was eens," zeide Paganel...32. De zon ging onder in de vonkelende nevels...33. De onophoudelijke bliksemstralen namen allerlei gedaanten aan.34. Binnen weinige oogenblikken stortte de reusachtige hoos zich op den boom...35. "Vrienden!" zeide de Patagoniër...36. Glenarvan alleen waakte.37. "Wie weet?" antwoordde Thalcave...
"Frontispiece" Franse editie."Frontispiece"—Franse editie.