Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden.Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden.
Paganel was hierover volstrekt niet verwonderd; hij kende de argentijnsche statistiek, en wist, dat in dat land het aantal kinderen gemiddeld meer dan negen voor ieder gezin bedraagt; maar wel was hij verwonderd, toen hij zag, dat die kleine soldaten op de fransche wijze exerceerden en met groote juistheid de voornaamste bewegingen der lading in twaalf tempo's uitvoerden. Dikwijls kommandeerde de korporaal zelfs in de moedertaal van den geleerden aardrijkskundige.
"Dat is vreemd," zeide hij.
Maar Glenarvan was niet in het fort Independencia gekomen om kinderen te zien exerceeren, en nog minder om zich bezig te houden met hun nationaliteit of hun afkomst. Hij liet dus Paganel geen tijd om zich nog langer te verwonderen, en verzocht hem om naar het hoofd der bezetting te vragen. Paganel voldeed hieraan, en een der argentijnsche soldaten ging naar een huisje, dat tot kazerne diende.
Eenige oogenblikken daarna verscheen de kommandant in eigen persoon. Het was iemand van vijftig jaar, sterk, met een krijgshaftig voorkomen, groote snorren, uitstekende wangbeenderen, grijsachtige haren, en een gebiedenden blik, voor zooverre men daarover althans kon oordeelen door de rookwolken heen, die hij uit zijn stompje pijp blies. Zijn houding deed Paganel denken aan het kenmerkend voorkomen der oude onderofficieren van zijn land.
Thalcave stelde den kommandant lord Glenarvan en diens reisgenooten voor. Terwijl hij sprak, hield de kommandant niet op Paganel op een vrij lastige wijze in het gezigt te zien. De geleerde kon maar niet begrijpen, wat de oude snorrebaard van hem wilde hebben en meende het hem juist te vragen, toen de ander zonder pligtplegingen zijn hand vatte, en in de taal van den aardrijkskundige op een vrolijken toon vroeg:
"Een Franschman?"
"Ja! een Franschman!" antwoordde Paganel.
"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!" herhaalde de kommandant, terwijl hij den arm van den geleerde met verbazende kracht schudde.
"O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!""O! blij! welkom! welkom! ook Franschman ben!"
"Een uwer vrienden?" vroeg de majoor aan Paganel.
"Voor den drommel!" antwoordde deze met zekere fierheid, "ik heb in al de vijf werelddeelen vrienden."
En na zijn hand niet zonder moeite losgemaakt te hebben uit de levende schroef, waarin zij haast gekneusd werd, knoopte hij een gesprek aan met den forschen kommandant. Glenarvan zou er gaarne een woord over zijn zaken tusschen gevoegd hebben; maar de soldaat vertelde zijn geschiedenis en was niet van zins om ze halverwege af te breken. Men kon wel zien, dat die dappere man Frankrijk reeds lang geleden verlaten had, hij kon zich nog maar met moeite in zijn moedertaal uitdrukken, en had zooal niet de woorden dan toch hun geregelde schikking vergeten. Hij sprak bijna als een neger uit de fransche koloniën.
Het duurde dan ook niet lang of zijn bezoekers vernamen, dat de kommandant van het fort Independencia inderdaad een fransch sergeant was, een oud medgezel van Parchappe.
Sedert de stichting van het fort in 1828 had hij het niet meer verlaten, en nu voerde hij er het bevel over met goedvinden van de argentijnsche regeering. Hij was iemand van vijftig jaar, een Baskiër, en heette Manuel Ipharaguerre. Men ziet, dat het niet veel scheelde of hij was een Spanjaard. Een jaar na zijn komst in het land liet de sergeant Manuel zich naturaliseeren, nam dienst in het argentijnsche leger en huwde een knappe indiaansche vrouw, die nu twee kinderen, tweelingen van een half jaar, aan de borst had. Dat het jongens waren spreekt van zelf; de waardige wederhelft van den sergeant zou hem geen meisjes hebben durven schenken. Manuel verachtte elk beroep buiten den soldatenstand, en hoopte bij leven en welzijn eenmaal der republiek een geheele compagnie jonge soldaten te kunnen aanbieden.
"Gij hebt gezien!" zeide hij. "Mooi! Goede soldaten. José! Juan! Miquele! Pepe! Pepe, zeven jaar! bijt reeds een patroon af!"
Toen Pepe zich hoorde prijzen, zette hij zijn kleine hielen tegen elkander aan en presenteerde zijn geweer met veel zwier.
"Hij zal het ver brengen!" voegde de sergeant er bij. "Eens, kolonel-majoor of brigadier-generaal!"
De sergeant Manuel was zoo verheugd, dat er niet aan te denken viel om iets te zeggen ten nadeele van de verhevenheid van den soldatenstand of van de toekomst, die zijn krijgshaftig kroost wachtte. Hij was gelukkig, en zooals Goethe zegt: "Niets van hetgeen ons gelukkig maakt is bedrog."
Dat verhaal duurde wel een kwartier tot groote verwondering van Thalcave. De Indiaan kon maar niet begrijpen, dat er uit ééne keel zooveel woorden kwamen. Niemand viel den kommandant in de rede. Maar eindelijk moet toch een sergeant, zelfs een fransch sergeant, wel zwijgen. Manuel zweeg dus eindelijk, na eerst nog zijn gasten gedwongen te hebben om hem in zijn woning te volgen. Zij moesten het nu voor lief nemen om aan vrouw Ipharaguerre voorgesteld te worden, die er naar hun oordeel "nog al goed uitzag," als men ten minste die europeesche uitdrukking van een indiaansche vrouw mag bezigen.
Toen men hem in alles zijn zin had gegeven, vroeg de sergeant eindelijk aan zijn gasten, waaraan hij de eer van hun bezoek had te danken. Thans moest het tot een verklaring komen.
Paganel vertelde hem in het fransch de geheele reis door de pampa's, en vroeg ten laatste waarom de Indianen het land verlaten hadden.
"Zoo!... niemand!..." antwoordde de sergeant de schouders ophalende. "Inderdaad!... niemand!... wij met de armen over elkaar ... niets te doen!"
"Maar waarom?"
"Oorlog."
"Oorlog?"
"Ja! burgeroorlog...."
"Burgeroorlog?..." hernam Paganel, die zonder er acht op te geven ook "negerfransch" begon te spreken.
"Ja, oorlog tusschen Paraguay en Buenos-Ayres," antwoordde de sergeant.
"Welnu?"
"Welnu, Indianen allen in het noorden, volgen generaal Flores. Indianen plunderaars, plunderen."
"Maar de hoofden?"
"Hoofden ook meê."
"Hoe! Catriel?"
"Geen Catriel."
"En Calfoucoura?"
"Geen Calfoucoura."
"En Yanchetruz?"
"Geen Yanchetruz meer!"
Dit antwoord werd aan Thalcave medegedeeld, die toestemmend knikte. En inderdaad, Thalcave wist niet of had vergeten, dat een burgeroorlog, die later de tusschenkomst van Brazilië zou veroorzaken, tusschen de beide partijen in de republiek woedde. De Indianen hebben alles bij die binnenlandsche worstelingen te winnen, en laten zulke schoone gelegenheden om te plunderen niet ongebruikt. De sergeant vergiste zich dan ook niet, toen hij als reden voor het verlaten der pampa's een burgeroorlog opgaf, die in het noorden der argentijnsche provinciën gevoerd werd.
Maar die gebeurtenis wierp de plannen van Glenarvan in duigen, wiens oogmerken zoo verijdeld werden. Was Harry Grant bij de hoofden der stammen gevangen, dan zouden zij hem zeker tot aan de noordelijke grenzen medegesleept hebben. Waar en hoe konden zij hem dan wedervinden? Moest hij gevaarlijke en bijna vergeefsche nasporingen tot aan de noordelijke grenzen der pampa in het werk stellen? Dat was een gewigtig besluit, waarover ernstig beraadslaagd diende te worden.
Toch kon er nog ééne gewigtige vraag aan den sergeant gedaan worden, en het was de majoor, die hieraan dacht, terwijl zijne vrienden elkander zwijgend aanstaarden.
"Had de sergeant ook gehoord, dat er bij de hoofden der stammen in de pampa's eenige Europeanen gevangen waren?"
Manuel dacht eenige oogenblikken na, als iemand die zich iets tracht te herinneren.
"Ja!" zeide hij eindelijk.
"Ha!" zeide Glenarvan, die weder nieuwe hoop begon te koesteren.
Paganel, Mac Nabbs, Robert en hij omringden den sergeant.
"Spreek! spreek!" zeiden zij, terwijl hun oog vol verwachting op hem staarde.
"Eenige jaren geleden," antwoordde Mannel, "ja,... het is zoo ... europeesche gevangenen ... maar nooit gezien...."
"Eenige jaren," hernam Glenarvan, "gij vergist u... De dagteekening van de schipbreuk is juist.... DeBritanniais in Junij 1862 vergaan.... Het is dus nog geen twee jaar geleden."
"O! langer, mylord!"
"Onmogelijk!" riep Paganel.
"Het is toch zoo! Het was bij de geboorte van Pepe... Er waren twee mannen...."
"Neen, drie!" zeide Glenarvan.
"Twee!" gaf de sergeant op een stelligen toon ten antwoord.
"Twee!" zeide Glenarvan hoogst verwonderd. "Twee Engelschen?"
"Wel neen!" antwoordde de sergeant. "Wie spreekt er van Engelschen? Neen ... een Franschman en een Italiaan."
"Een Italiaan, die door de Poyuchen vermoord werd!" riep Paganel.
"Ja! en ik heb later gehoord ... Franschman ... gered."
"Gered!" riep de jonge Robert, wiens leven aan de lippen van den sergeant hing.
"Ja, gered uit de banden der Indianen," antwoordde Manuel.
Allen zagen den geleerde aan, die zich wanhopend voor het hoofd sloeg.
"Ha! ik begrijp het al," zeide hij eindelijk, "alles is duidelijk, alles wordt opgehelderd!"
"Maar zeg dan toch wat er van de zaak is!" riep Glenarvan even ongerust als ongeduldig.
"Mijne vrienden!" antwoordde Paganel de handen van Robert vattende, "wij moeten ons in een groote teleurstelling schikken! wij hebben een verkeerd spoor gevolgd! Er is hier geen sprake van den kapitein, maar van een mijner landgenooten, wiens reisgenoot, Marco Vazello, inderdaad door de Poyuchen vermoord werd; van een Franschman, die deze wreede Indianen verscheidene malen tot aan de oevers van de Colorado vergezelde, en die, na gelukkig aan hun handen ontsnapt te zijn, naar Frankrijk is teruggekeerd. Meenende het spoor van Harry Grant te volgen, hebben wij dat van den jongen Guinnard[1]gevolgd."
Deze verklaring werd door een diepe stilte gevolgd. De dwaling was duidelijk. De bijzonderheden door den sergeant medegedeeld, het volk, waartoe de gevangene behoorde, de moord van zijn reisgenoot, zijn ontsnapping uit de handen der Indianen, alles liep zamen om haar te bewijzen. Glenarvan zag Thalcave met een ontstelden blik aan. De Indiaan vatte nu het woord op en vroeg den sergeant:
"Hebt gij nooit hooren spreken van drie engelsche gevangenen?"
"Nooit!" antwoordde Manuel, "het zou te Tandil bekend geworden zijn ... ik zou het weten.... Neen, daar is niets van aan...."
Na dit stellige antwoord had Glenarvan niets meer op het fort Independencia te verrigten. Hij ging dus heen met zijn vrienden, na vooraf den sergeant bedankt en hem de hand gegeven te hebben.
Glenarvan was wanhopend over die volkomene vernietiging zijner hoop. Robert ging weenende naast hem, zonder een woord te spreken. Glenarvan kon geen enkel woord vinden om hem te troosten. Paganel maakte drukke gebaren en sprak in zich zelven. De majoor drukte de lippen op elkander. Wat Thalcave betreft, de eigenliefde van den Indiaan scheen gekwetst, omdat hij op een valsch spoor verdwaald was. En toch dacht niemand er aan om hem een zoo vergevelijke dwaling te verwijten.
Zij traden de herberg weder binnen.
Het avondeten was treurig. Voorzeker, geen enkele van die moedige en verknochte mannen beklaagde zich over zooveel vermoeijenissen, die te vergeefs doorgestaan waren, over zooveel gevaren, waaraan zij zich te vergeefs hadden blootgesteld. Maar allen zagen in één oogenblik alle hoop op goeden uitslag in rook verdwijnen. Zou men kapitein Grant tusschen het Tandil-gebergte en de zee kunnen ontmoeten? Neen. Ware de een of andere gevangene op de kusten van den Atlantischen Oceaan in handen der Indianen gevallen, dan zou sergeant Manuel er stellig kennis van gedragen hebben. Een voorval van dien aard kon niet aan de aandacht der inboorlingen ontsnappen, die een geregelden handel drijven van Tandil op Carmen, aan den mond der Rio Negro. Nu spreekt het van zelf, dat de handelaars in de argentijnsche vlakte alles van elkander te weten komen, alles met elkander bespreken. Er schoot dus niets anders over, dan zonder uitstel deDuncante gaan opzoeken op het aangewezen verenigingspunt, kaap Medano.
Intusschen had Paganel aan Glenarvan het document gevraagd, op hetwelk afgaande zij zoo deerlijk in hun nasporingen gedwaald hadden. Hij herlas het met zekeren kwalijk verholen toorn. Hij zocht naar een nieuwe uitlegging er van.
"Dat document is toch duidelijk genoegt" herhaalde Glenarvan. "Het behelst toch een stellig berigt betreffende de schipbreuk van den kapitein en de plaats zijner gevangenschap!"
"Neen! neen!" antwoordde de aardrijkskundige met de vuist op de tafel slaande, "honderdmaal neen! Daar Harry Grant niet in de pampa's is, is hij ook niet in Amerika. Waar hij wel is moet en zal dit document zeggen, mijne vrienden! of mijn naam is geen Jacques Paganel meer!"
[1]De heer Guinnard is werkelijk drie jaren lang, van 1856 tot 1859, gevangen geweest bij de Poyuche-Indianen. Hij verduurde met buitengewonen moed de verschrikkelijke beproevingen, waaraan hij was blootgesteld, en eindelijk gelukte het hem door de engte van Upselata over de Andes te ontsnappen. Hij zag Frankrijk in 1861 weder, en is nu een der medeleden van den achtenswaardigen Paganel van het genootschap van aardrijkskunde.
[1]De heer Guinnard is werkelijk drie jaren lang, van 1856 tot 1859, gevangen geweest bij de Poyuche-Indianen. Hij verduurde met buitengewonen moed de verschrikkelijke beproevingen, waaraan hij was blootgesteld, en eindelijk gelukte het hem door de engte van Upselata over de Andes te ontsnappen. Hij zag Frankrijk in 1861 weder, en is nu een der medeleden van den achtenswaardigen Paganel van het genootschap van aardrijkskunde.
Een afstand van honderd vijftig mijlen[1]scheidt het fort Independencia van de oevers van den Atlantischen Oceaan. Als er geen onvoorzien oponthoud in den weg kwam, hetgeen trouwens niet te denken was, kon Glenarvan in vier dagen deDuncanbereiken. Maar hij kon zich maar niet gewennen aan de gedachte om aan boord terug te komen zonder kapitein Grant en na zoo ongelukkig in zijn nasporingen geweest te zijn. Hij dacht er dan ook den volgenden morgen niet eens aan om bevelen tot de afreis te geven. Daarom nam de majoor op zich om de paarden te laten zadelen, nieuwen mondvoorraad op te doen en den weg te laten opnemen. Daardoor was de kleine troep in staat om des morgens ten acht ure een begin te maken met de afdaling langs de met gras begroeide ruggen van het Tandil-gebergte.
Zonder een woord te spreken galoppeerde Glenarvan naast Robert voort; zijn stoutmoedig en vastberaden karakter gedoogde niet om zich aan dien tegenspoed zoo zoetsappig te onderwerpen; zijn hart bonsde, zijn hoofd gloeide. Door de moeijelijkheid gescherpt draaide Paganel op alle mogelijke wijzen de woorden van het document om, ten einde er nieuwe inlichtingen uit te putten. Thalcave zweeg en liet aan Thaouka de zorg over om den weg te vinden. De majoor, die als altijd vol goeden moed was, bleef standvastig op zijn post, als iemand op wien de moedeloosheid geen vat had. Tom Austin en zijn beide matrozen verveelden zich even als hun meester. Toen een angstig konijn vóór hen over de paden van het gebergte liep, zagen de bijgeloovige Schotten elkander aan.
"Een slecht voorteeken," zeide Wilson.
"Ja, in de Hooglanden," antwoordde Mulrady.
"Wat in de Hooglanden slecht is, is hier niet beter," antwoordde Wilson heel verstandig.
Tegen twaalf ure hadden de reizigers het Tandil-gebergte achter den rug en waren zij weder in de golvende vlakten, die zich tot aan de zee uitstrekken. Bij iedere schrede besproeiden heldere beekjes, die in de hooge weilanden verdwenen, dat vruchtbare land. De bodem werd weêr even vlak als vroeger, gelijk de Oceaan na een storm. De laatste bergen der argentijnsche pampa's waren zij voorbij, en de pooten der paarden betraden het onafzienbare grastapijt der eentoonige prairie.
Tot nog toe was het weder schoon geweest; maar op dien dag kreeg de lucht een onrustbarend aanzien. De massa's dampen, die door de groote warmte der vorige dagen opgestegen waren en zich tot digte wolken vereenigd hadden, dreigden met stortbuijen. Bovendien maakten de nabijheid van den Atlantischen Oceaan en de westewind, die er meestal waait, het klimaat van deze streek bijzonder vochtig. Het was wel te zien aan haar vruchtbaarheid, aan den overvloed van vette weiden en aan haar donkergroene kleur. Dien dag echter had er nog geen wolkbreuk plaats, en des avonds hielden de paarden, na zonder moeite een togt van veertig mijlen afgelegd te hebben, aan den kant van diepe "canada's" stil, zeer groote, met water gevulde natuurlijke grachten. Het ontbrak aan de geringste schuilplaats. De mantels moesten tot tenten en dekens te gelijk dienen, en allen legden zich onder een dreigenden hemel te slapen, die het echter bij bedreigingen blijven liet.
Naarmate de vlakte afbelde werd des anderen daags de aanwezigheid van water onder den grond hoe langer hoe merkbaarder; het vocht drong door al de poriën van den grond heen. Weldra werd de weg naar het oosten door groote vijvers doorsneden, waarvan sommige reeds diep waren, andere eerst begonnen te ontstaan. Zoolang het nog "laguna's" bleven, dat goed begrensde en van waterplanten vrije plassen zijn, konden de paarden er gemakkelijk uitkomen; maar dit ging moeijelijker uit die bewegelijke modderpoelen, "pentano's" geheeten; hooge planten versperden er den weg, en om het gevaar te zien, moest men er reeds in zijn.
Die moerassen hadden reeds menig levend wezen den dood veroorzaakt. Robert, die een halve mijl vooruit reed, kwam op eens in galop terug, roepende:
"Mijnheer Paganel! mijnheer Paganel! een bosch van horens!"
"Wat!" antwoordde de geleerde, "hebt gij een bosch van horens gevonden?"
"Ja, ja! op zijn allerminst een kreupelbosch."
"Een kreupelbosch! gij droomt, mijn jongen!" antwoordde Paganel, de schouders ophalende.
"Ik droom niet," hernam Robert; "kom zelf maar zien! Een raar land! Men zaait hier horens en zij schieten op als graan! Ik zou er wel wat zaad van willen hebben!"
"Hij spreekt in vollen ernst," zeide de majoor.
"Ja, mijnheer de majoor! gij zult zien, dat het zoo is."
Robert had goed gezien. Weldra bevonden zij zich voor een groot onafzienbaar veld met horens, die regelmatig geplant waren. Het was inderdaad een laag en digt, maar vreemd kreupelbosch.
"Wat zegt gij er van?" vroeg Robert.
"Dat is vreemd," antwoordde Paganel zich tot den Indiaan wendende om dezen te ondervragen.
"De horens steken boven den grond uit," zeide Thalcave, "maar de runderen zitten er onder."
"Hoe!" riep Paganel, "is er een geheele kudde in die modder weggezonken?"
"Ja!" antwoordde de Patagoniër.
Werkelijk had een ontelbare kudde den dood gevonden onder dien grond, die onder haar hoeven was weggezonken; honderden runderen waren zoo naast elkander in dat groote moeras gesmoord. Dit feit, dat wel meer in de argentijnsche vlakte plaats heeft, kon den Indiaan niet onbekend zijn, en was een waarschuwing, die men niet in den wind mogt slaan.
Zij reden om het ontzaggelijke offer heen, dat de meest eischende goden der oudheid zou tevreden gesteld hebben, en een uur later was men twee mijlen van het veld met horens af.
Thalcave sloeg met zekeren angst dien stand van zaken gade, die in zijn oog buitengewoon was. Hij hield dikwijls stil en ging in de stijgbeugels staan. Zijn hooge gestalte stelde hem in staat om ver in het rond te zien; maar daar hij niets bemerkte, dat hem opheldering kon geven, hervatte hij weldra den gestaakten marsch. Een mijl verder hield hij nog eens stil, week daarna van de gevolgde rigting af, maakte nu eens noord- dan zuidwaarts een omweg van eenige mijlen, en stelde zich vervolgens weder aan het hoofd van het gezelschap, zonder te zeggen wat hij hoopte of vreesde. Daar hij die handelwijze verscheidene malen herhaalde, werd Paganel nieuwsgierig en Glenarvan ongerust. Den geleerde werd daarom verzocht den Indiaan te ondervragen, hetgeen hij ook terstond deed.
Thalcave antwoordde hem, dat hij zich er over verwonderde, dat de grond zoo doorweekt was van water. Zoover hem heugde en zoolang hij het beroep van gids uitoefende, had hij een zoo drassigen bodem nooit betreden. Zelfs in den regentijd waren er nog altijd begaanbare paden door de argentijnsche vlakte.
"Maar wat kan de oorzaak zijn van die toenemende vochtigheid?" vroeg Paganel.
"Ik weet het niet," antwoordde de Indiaan, "en wist ik het!"...
"Treden de bergstroomen, door den regen gezwollen, nooit buiten hun oevers?"
"Somtijds."
"En zou dit nu misschien het geval zijn?"
"Misschien!" zeide Thalcave.
Paganel moest zich vergenoegen met dat halve antwoord, en deelde aan Glenarvan den inhoud van het gesprek mede.
"En wat raadt Thalcave?" vroeg Glenarvan.
"Wat moeten wij doen?" vroeg Paganel den Patagoniër.
"Snel voortgaan," antwoordde de Indiaan.
De raad was gemakkelijker te geven dan op te volgen. De paarden werden spoedig moede van het betreden van een grond, die onder hen wegzakte; hun pooten drongen er telkens dieper in, en dit gedeelte der vlakte kon vergeleken worden met een ontzaggelijken kuil, waarin het aanstormende water zich weldra ophoopen zou. Het was dus van het hoogste belang om die dalende gronden zonder uitstel over te trekken, daar een overstrooming ze onmiddellijk in een meer zou veranderd hebben.
Zij verhaastten derhalve hunne schreden. Maar alsof dat water, dat onder de pooten der paarden stroomde, nog niet genoeg ware, werden tegen twee ure de sluizen des hemels geopend, en begon het te regenen, alsof het met bakken uit den hemel werd gegoten. Nooit had zich een schooner gelegenheid opgedaan om te toonen, dat men een wijsgeer is. Er was geen kans om aan dien zondvloed te ontwijken, en het beste was hem met onverschilligheid door te staan. De mantels waren druipnat, het water stroomde van de hoeden af als van een dak, welks goten verstopt zijn; de franje der zadels scheen van vloeibare draden gemaakt te zijn, en de ruiters die met modder bespat werden door de hoeven hunner paarden, reden voort in een dubbele stortbui, die te gelijk uit den grond en uit de lucht kwam.
Zoo doornat, verstijfd en afgemat kwamen zij 's avonds aan een zeer ellendige hut. Alleen lieden, die spoedig tevreden waren, konden haar een schuilplaats noemen, en alleen uitgeputte reizigers konden er in toestemmen om er den nacht in door te brengen. Maar Glenarvan en zijn makkers hadden geen keus. Zij kropen digt bij elkander in die verlatene stulp, die de armste Indiaan uit de pampa's niet zou hebben willen bewonen. Een zwak vuur van kruiden, dat meer rook dan warmte gaf, werd niet zonder moeite ontstoken. De stortregens woedden buiten en door het verrotte riet zijpelden groote droppels. Dat het vuur niet twintig maal uitging was aan Mulrady en Wilson te danken, die de overmagt van het water moedig bestreden.
Het sobere en ongenoegzame avondeten werd treurig genuttigd. Niemand had eetlust. Alleen de majoor at met graagte het doorweekte gedroogde vleesch, en liet niets verloren gaan. De ongevoelige Mac Nabbs was boven het lot verheven. Paganel deed als een echt Franschman zijn best om te schertsen; maar het ging niet.
"Mijn kwinkslagen zijn nat geworden," zeide hij, "zij ketsen."
Daar intusschen slapen het beste was, wat men in die omstandigheden kon doen, trachtten allen in den slaap een oogenblik hun vermoeidheid te vergeten. De nacht was slecht; de planken der hut kraakten en braken bijna; zij werd door de windvlagen heen en weder geslingerd en dreigde bij iedere bui om te waaijen; de rampzalige paarden lagen buiten, blootgesteld aan de guurheid des weders, terwijl hun meesters niet minder leden in de ellendige hut. Eindelijk look de slaap echter hunne oogen. Robert viel het eerst in slaap, met het hoofd tegen den schouder van lord Glenarvan geleund, en weldra waren al de bewoners der hut onder Gods hoede ingeslapen.
De nacht verliep zonder verdere ongelukken. Het geroep van Thaouka, die altijd waakte, maakte de slapers wakker; hij hinnikte en schopte driftig tegen den muur der stulp. Wanneer het noodig was kon hij, indien Thalcave het verzuimde, zeer goed het sein tot het vertrek geven. Men had te veel verpligting aan hem om hem niet te gehoorzamen en vertrok.
De regen was een weinig bedaard, maar het gevallen water bleef op den doornatten grond staan; het ondoordringbare leem hield de plassen, moerassen en vijvers tegen, die overliepen en groote, verraderlijk diepe "banado's" vormden. Paganel raadpleegde zijn kaart, en meende, niet ten onregte, dat de Rio Grande en de Rio Vivarota, waarin gewoonlijk de wateren dezer vlakte uitloopen, zich met elkander vereenigd en een bedding van verscheidene mijlen breed gevormd hadden.
Het was nu hoog noodig om zoo snel mogelijk voort te trekken. Aller leven stond op het spel. Waar zou men een schuilplaats vinden, wanneer het water wassende bleef? Zoover het oog reikte kon men geen uitstekend punt ontdekken, en dit water zou die effene vlakte weldra geheel overstroomen.
De paarden werden dus tot spoed aangezet; Thaouka was voorop, en beter dan sommige vinpootige dieren met magtelooze vinnen verdiende hij den naam van zeepaard; want hij sprong, alsof hij in zijn element was.
Eensklaps, het was des morgens omstreeks tien ure, gaf Thaouka teekens van een hevige ongerustheid. Hij zag telkens om naar de onmetelijke vlakten in het zuiden, hinnikte lang achtereen, sperde zijn neusgaten wijd open en steigerde geweldig. Thalcave, die door zijn sprongen niet uit den zadel kon geworpen worden, hield hem niet zonder moeite in bedwang. Het schuim van zijn bek werd met bloed vermengd, zoo sterk haalde hij het gebit aan; en toch kwam het vurige dier niet tot bedaren; zijn meester bespeurde wel, dat het dier, ware het vrij geweest, in vollen ren noordwaarts zou gevlugt zijn.
"Wat scheelt Thaouka toch?" vroeg Paganel; "hebben de verschrikkelijke bloedzuigers der argentijnsche wateren hem gebeten?"
"Neen!" antwoordde de Indiaan.
"Is hij bevreesd voor eenig gevaar?"
"Ja, hij heeft het gevaar geroken...."
"Welk?"
"Dat weet ik niet."
Kon het oog het gevaar, dat Thaouka vermoedde, nog niet gewaar worden, het oor kon er toch reeds iets van opvangen. Een dof geraas, te vergelijken met het gedruisch, dat de vloed maakt, deed zich zeer in de verte hooren. Er woei van tijd tot tijd een vochtige wind, die een fijnen stofregen aanvoerde; bevreesd voor het een of ander onbekend verschijnsel kliefden de vogels met bliksemsnelheid de lucht; de paarden, die reeds tot aan de knieën door het water waadden, gevoelden reeds de eerste schokken van den stroom. Weldra klonk in een zuidelijke rigting, maar een halve mijl van de reizigers af, een vreeselijk geraas, geloei en gehinnik, en verschenen er ontelbare kudden die elkander omverliepen, weder opstonden en nedervielen, een onzamenhangende massa van verschrikte beesten, die met een verschrikkelijke vaart vlugtten. Men kon hen naauwelijks onderscheiden te midden van de waterstralen, die zij in hun loop deden opspatten. Honderd van de grootste walvisschen konden de golven van den Oceaan niet met meer geweld omwoelen.
"Anda!anda![2]" riep Thalcave met luider stem.
"Wat bedoelt gij?" zeide Paganel.
"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave zijn paard de sporen gevende, dat hij in een noordelijke rigting voortdreef.
"Een overstrooming!" riep Paganel, en zijn makkers renden, hem volgende, Thaouka achterna.
"Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave..."Het water wast! het water wast!" antwoordde Thalcave...
Het was tijd. Inderdaad kwam er uit het zuiden een hooge en breede voorvloed over het land opzetten, dat in een zee werd herschapen. Het hooge gras verdween alsof het afgemaaid was. De bosjes mimosa-planten door den stroom losgescheurd, werden medegesleept en vormden drijvende eilandjes. De watermassa zette met onwederstaanbaar geweld haar loop voort. Er was geen twijfelen aan of de groote rivieren der pampa's waren buiten haar oevers getreden, en misschien vereenigde zich nu het water der Colorado uit het noorden en dat der Rio Negro uit het zuiden wel in een gemeenschappelijke bedding.
De voorvloed, dien Thalcave had geseind, kwam met de snelheid van een renpaard opzetten. De reizigers vlugtten voor hem, evenals een wolk door den stormwind wordt voortgezweept. Te vergeefs zagen zij naar alle kanten naar een schuilplaats rond. Aan den gezigteinder liepen water en lucht ineen. Door het gevaar beangstigd vlogen de paarden in een wilden galop voort, en hun berijders konden naauwelijks in den zadel blijven zitten. Glenarvan zag telkens achterom.
"Het water bereikt ons," dacht hij.
"Schielijk! schielijk!" riep Thalcave.
En men zette de ongelukkige dieren nog meer aan. Uit hun door de sporen opengescheurde zijden stroomde het bloed, dat lange roode strepen op het water achterliet. Zij struikelden over de spleten in den grond. Zij raakten verward in het verborgen gras. Zij vielen. Men hielp ze op. Zij vielen weder. Men hielp ze weder op. Het water werd zigtbaar hooger. Lange golvingen verkondigden den aanval van dien voorvloed, die geen twee mijlen van hen af zijn schuimende kuif bewoog.
Een kwartier lang duurde die hagchelijke worsteling tegen het verschrikkelijkste van alle elementen. De vlugtelingen hadden den afgelegden afstand niet kunnen berekenen, maar naar hun snellen ren te oordeelen, moest hij zeer aanmerkelijk zijn. Intusschen konden de paarden, die tot aan de borst in het water liepen, slechts met de grootste moeite verder komen. Glenarvan, Paganel, Austin, allen achtten zich verloren en zagen den verschrikkelijken dood van schipbreukelingen voor oogen. De paarden hadden ter naauwernood meer grond onder de pooten, en zes voet water zou hen doen verdrinken.
Het is onmogelijk om den benaauwenden doodsangst te schetsen van die acht mannen, die door het wassende water overvallen werden. Zij gevoelden hoe onmagtig zij waren om tegen die natuurrampen te worstelen, die met de menschelijke krachten spotten. Hun leven was niet meer in hunne handen.
Vijf minuten later zwommen de paarden reeds; de stroom alleen sleepte hen met onvergelijkelijk geweld mede en hun snelheid evenaarde die van hun vlugsten galop, d.i. zij bedroeg meer dan twintig mijlen in het uur.
Alle kans op redding scheen vervlogen. Daar hoorde men op eens de stem van den majoor, die riep: "Een boom!"
"Een boom?" vroeg Glenarvan.
"Daar! daar!" antwoordde Thalcave.
Met den vinger wees hij in het noorden naar een soort van reusachtigen notenboom, die acht honderd vademen verder eenzaam boven het water uitstak.
Hij behoefde zijn makkers niet aan te zetten om haast te maken. Zij moesten met inspanning van alle krachten dien boom trachten te bereiken, die zich daar zoo onverwacht aan hen vertoonde. De paarden zouden hem zeker niet bereiken, maar de menschen konden tenminste gered worden. De stroom droeg hen.
Op hetzelfde oogenblik liet het paard van Tom Austin een akelig gehinnik hooren en verdween. Zijn berijder maakte zich los uit de stijgbeugels en begon fiks te zwemmen.
"Houd mijn zadel vast!" riep Glenarvan hem toe.
"Ik dank u, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin, "ik heb sterke armen."
"Uw paard, Robert?..." hernam Glenarvan, zich naar den jongen Grant keerende.
"Het houdt zich goed, mylord! Het zwemt als een visch!"
"Geeft acht!" riep de majoor met een sterke stem.
Naauwelijks was het woord er uit, of de vreeselijke vloed kwam. Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf, brak met verschrikkelijk geraas op de vlugtelingen. Menschen en paarden, alles verdween in een schuimenden afgrond. Een watermassa van verscheidene millioenen tonnen zwaar overstelpte hen met haar woedende baren.
Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf...Een monsterachtige, wel veertig voet hooge golf...
Toen de voorvloed voorbij was getrokken, kwamen de menschen weder boven; allen waren er, maar de paarden, uitgezonderd Thaouka, waren voor altijd verdwenen.
"Houd u goed! houd u goed!" herhaalde Glenarvan, die Paganel met den eenen arm ondersteunde en met den anderen zwom.
"Het gaat goed! het gaat goed!" antwoordde de waardige geleerde; "het spijt mij niet eens...."
Wat speet hem niet? Dat is men nooit te weten gekomen, want de arme man moest het slot van den zin met een halve pint modderig water inzwelgen. De majoor kwam rustig nader, terwijl hij het water al zwemmende zoo kunstmatig met de armen kliefde, dat een zwemmeester er niets op aan te merken zou gehad hebben. De matrozen waren even goed op hun gemak in het vloeibare element als een paar bruinvisschen. En Robert liet zich, aan de manen van Thaouka hangende, door dezen medeslepen. Thaouka kliefde het water met verbazende kracht, en bleef instinctmatig in de rigting van den boom, waarheen de stroom hem droeg.
De boom was nog maar twintig vademen ver; het geheele gezelschap had hem weldra bereikt. Dit was een geluk voor hen, want hadden zij die schuilplaats niet gevonden, dan zou alle kans op redding verdwenen zijn en hadden zij in de golven moeten omkomen.
Het water kwam tot boven aan den stam, ter plaatse waar de hoofdtakken te voorschijn kwamen, zij konden er zich dus gemakkelijk aan vastklemmen. Thalcave stapte van zijn paard, heesch Robert op, klom het eerst in den boom en bezorgde met zijn sterke armen weldra een veilige plaats aan al de afgematte zwemmers.
Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel. Hij draaide zijn schranderen kop naar zijn meester, schudde zijn lange manen en hinnikte, als om hem te roepen.
Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel.Door den stroom medegesleept verwijderde Thaouka zich snel.
"Kunt gij hem verlaten?" zeide Paganel tot Thalcave.
"Ik!" riep de Indiaan.
En in het woelige water springende, kwam hij tien vademen van den boom af weder boven. Eenige oogenblikken daarna had hij zijn arm om den hals van Thaouka geslagen, en paard en ruiter dreven zamen af naar den benevelden gezigteinder in het noorden.
[1]Omtrent zestig uren.
[1]Omtrent zestig uren.
[2]Schielijk! schielijk!
[2]Schielijk! schielijk!
De boom, waarop Glenarvan en zijn makkers een schuilplaats hadden gevonden, geleek op een notenboom. Hij had deszelfs glimmende bladeren en ronde gedaante. Het was de "ombu," dien men alleenstaande in de argentijnsche vlakte aantreft. Deze boom met zijn bogtigen en stevigen stam, is niet alleen door zijn groote wortels in den grond bevestigd, maar ook door sterke uitspruitsels, die hem op de stevigste wijze vasthouden. Hij had dan ook den aanval van den voorvloed doorgestaan.
Die boom was wel honderd voet hoog, en kon met zijn schaduw een omtrek van zestig vademen bedekken. Dat geheele gevaarte rustte op drie groote takken, die uit den top van den zes voet dikken stam opschoten. Twee van die takken rezen bijna loodregt overeind en droegen het ontzaggelijke zonnescherm van bladeren, welker takken, als door de hand van een mandenmaker gekruist, door elkander geslingerd en verward, een ondoordringbare schuilplaats opleverden. De derde tak daarentegen stak bijna waterpas over het loeijende water uit; zijn onderste bladeren hingen er reeds in; hij was om zoo te zeggen een uitstekende kaap van dit groene eiland, dat door een oceaan werd omringd. Het ontbrak ook niet aan ruimte in dien reusachtigen boom; het gebladerte, dat aan den omtrek minder digt was, liet groote opene ruimten over, die op opene plekken in een bosch geleken; er was lucht in overvloed, frischheid overal. Als men die takken zoo hun tallooze takjes tot in de wolken zag verheffen, terwijl woekerende slingerplanten ze aan elkander vasthielden, en de zonnestralen door de openingen in het gebladerte speelden, zou men waarlijk gezegd hebben, dat de stam van dien boom alleen een geheel bosch torschte.
Bij de komst der vlugtelingen week een menigte luchtbewoners naar de hoogste takken, door hun geschreeuw verzet aanteekenende tegen zulk een schandelijke overrompeling van hun verblijf. Die vogels, die ook een schuilplaats op dien eenzamen boom hadden gezocht, waren daar bij honderden bijeen: meerlen, sperwers, isaca's, hilguero's en vooral de pica-flor, vliegenvogeltjes met schitterende kleuren; wanneer deze opvlogen, scheen het, dat een windvlaag den boom van al zijn bloemen beroofde.
Dit was de schuilplaats, die de kleine troep van Glenarvan had bereikt. De jonge Grant en de vlugge Wilson zaten naauwelijks in den boom, of zij haastten zich om tot in de hoogste takken te klimmen. Hun hoofd stak nu door den groenen koepel heen. Van dit hooge punt overzag hun blik een ruimen omtrek. Aan alle zijden omringde hen de oceaan, dien de overstrooming had geschapen, en hoe ver de blik zich ook uitstrekte, toch konden zij deszelfs grens niet bemerken. Geen enkele boom stak boven het watervlak uit; de notenboom, die alleen zich boven het onstuimige water verhief, slingerde door deszelfs geweldigen aandrang. In de verte dreven, door den onstuimigen stroom medegesleept, in een noordelijke rigting ontwortelde boomstammen, ineengedraaide takken, rieten daken van weggespoelde hutten, balken die door het water van de afdaken der vetweiderijen waren losgerukt, lijken van verdronken dieren, bloedige huiden, en op een drijvenden boom een geheele hoop brullende tijgerkatten, die haar klaauwen in het brooze vlot geslagen hadden. Nog verder trok een zwarte, reeds bijna onzigtbare stip de aandacht van Wilson. Het was Thalcave en diens getrouwe Thaouka, die in de verte verdwenen.
Dit was de schuilplaats, die de kleine troep had bereikt.Dit was de schuilplaats, die de kleine troep had bereikt.
"Thalcave! vriend Thalcave!" riep Robert, de hand naar den moedigen Patagoniër uitstrekkende.
"Hij zal zich redden, jonge heer Robert!" antwoordde Wilson; "maar laten wij zijne Edelheid weder gaan opzoeken."
Een oogenblik later klauterden Robert Grant en de matroos de drie verdiepingen van takken af en bereikten het boveneinde van den stam. Daar vonden zij Glenarvan, Paganel, den majoor, Austin en Mulrady, die de beenen lieten afhangen of zich aan de takken vasthielden, volgens hun verschillende geaardheid. Wilson gaf verslag van zijn bezoek aan den top des booms. Allen dachten eenstemmig met hem ten aanzien van Thalcave. De meeningen liepen echter uiteen over den vraag, of Thalcave Thaouka, dan wel Thaouka Thalcave redden zou.
Zonder tegenspraak was de toestand van de boombewoners veel onrustbarender. De boom zou wel niet bezwijken voor het geweld van den stroom; maar het nog altijd wassende water kon zijn hoogste takken bereiken; want de hellende bodem maakte van dit gedeelte der vlakte eene waren vergaderbak. Glenarvan zorgde daarom allereerst om door middel van kepen merken te maken, ten einde de verschillende waterstanden te kunnen waarnemen. De overstrooming, die nu op dezelfde hoogte bleef, scheen haar hoogsten stand bereikt te hebben. Dat was reeds een troost.
"En wat zullen wij nu aanvangen?" zeide Glenarvan.
"Wel, een nest bouwen!" antwoordde Paganel vrolijk.
"Een nest bouwen!" riep Robert.
"Wel zeker, mijn jongen! en als vogels leven, daar wij toch niet als visschen kunnen leven."
"Goed," zeide Glenarvan, "maar wie zal ons voedsel brengen?"
"Ik!" antwoordde de majoor.
Allen wendden hun blikken naar Mac Nabbs; de majoor zat dood op zijn gemak in een natuurlijken armstoel, door twee veerkrachtige takken gevormd, terwijl hij met de eene hand zijn nat geworden, maar goed gevulde knapzakken overreikte.
"Daaraan herken ik u weder, Mac Nabbs!" riep Glenarvan. "Gij denkt aan alles, zelfs in omstandigheden, waarin men alles zou mogen vergeten."
"Zoodra ons plan vaststond om niet te verdrinken," antwoordde de majoor, "waren wij immers niet voornemens om van honger te sterven!"
"Ik zou er wel aan gedacht hebben," zeide Paganel met een onnoozel gezigt, "maar ik ben zoo verstrooid!"
"En wat bevatten de knapzakken?" vroeg Tom Austin.
"Voedsel voor zeven menschen gedurende twee dagen," antwoordde Mac Nabbs.
"Goed!" zeide Glenarvan, "ik hoop, dat het water binnen vier en twintig uren wel wat gezakt zal zijn."
"Of dat wij een middel zullen gevonden hebben om het vaste land weder te bereiken," antwoordde Paganel.
"Ons eerste werk moet dan maar zijn te ontbijten," zeide Glenarvan.
"Eerst dienen wij ons toch wat te droogen," merkte de majoor aan.
"Maar hoe komen wij aan vuur!" vroeg Wilson.
"Wel, dat moet gij aanmaken," antwoordde Paganel.
"Waar?"
"Wat drommel! in den top van den stam."
"Waarmede?"
"Met dood hout, dat wij uit den boom zullen snijden."
"Maar hoe krijgen wij het aan?" vroeg Glenarvan. "Ons zwam heeft veel van een natte spons!"
"Wij kunnen het wel missen!" antwoordde Paganel; "wat droog mos, een zonnestraal, de lens van mijn verrekijker, en gij zult eens zien bij welk een helder vuurtje wij ons zullen warmen. Wie gaat er hout zoeken in het bosch?"
"Ik!" riep Robert.
En door zijn vriend Wilson gevolgd verdween hij als een jonge kat in de digte takken. Terwijl zij weg waren, vond Paganel genoeg droog mos; hij verschafte zich zonder moeite een zonnestraal, want de dagvorstin schitterde nu in volle pracht; met behulp van zijn lens deed hij vervolgens die brandbare stoffen gemakkelijk ontvlammen, die op een laag vochtige bladeren waren nedergelegd, ter plaatse waar de groote takken van den boom zich verdeelden. Het was een natuurlijke vuurhaard, die volstrekt geen gevaar van brand opleverde. Spoedig kwamen Wilson en Robert met een armvol dood hout terug, dat op het mos werd geworpen. Ten einde de trekking te bevorderen ging Paganel boven den haard zitten, met zijne lange beenen op arabische wijze wijd van elkander; zich vervolgens snel op en neer bewegende veroorzaakte hij met zijn mantel een hevigen luchtstroom. Het hout ontbrandde, en weldra steeg een heldere, knetterende vlam boven die nieuwerwetsche stookplaats omhoog. Allen droogden zich behoorlijk, terwijl de in den boom opgehangen mantels door den wind heen en weer slingerden; vervolgens ontbeet men, maar met mate, want men moest aan den volgenden dag denken; het kon gebeuren, dat het onmetelijke bekken niet zoo spoedig leegliep als Glenarvan hoopte, en bovendien was de voorraad niet al te ruim. De boom droeg geen vruchten; gelukkig kon hij een aanzienlijke hoeveelheid versche eijeren opleveren uit de talrijke nesten, die zijne takken bedekten, zonder nog te spreken van hun gevederde bewoners. Die hulpmiddelen waren geenszins te versmaden.
In het vooruitzigt van een langdurig verblijf kwam het er nu op aan om zich gemakkelijk in te rigten.
"Daar de keuken en de eetzaal gelijkvloers zijn," zeide Paganel, "zullen wij op de eerste verdieping gaan slapen; het huis is groot, de huur niet hoog; wij behoeven ons niet te behelpen. Ik zie in de hoogte natuurlijke hangmatten, waarin wij als op de zachtste bedden zullen slapen, als wij ons eerst maar goed vastgesjord hebben. Wij hebben niets te vreezen; ten overvloede zullen wij waken, en wij zijn talrijk genoeg om vlotten met Indianen en andere wilde dieren te keeren."
"Het ontbreekt ons alleen aan wapenen," zeide Tom Austin.
"Ik heb mijn revolvers," zeide Glenarvan.
"En ik de mijnen," voegde Robert er bij.
"Dat helpt ons niet," hernam Tom Austin; "of mijnheer Paganel moest een middel weten om kruid te maken?"
"Dat is onnoodig," antwoordde Mac Nabbs, tevens een kruidhoren latende zien, die in goeden staat was.
"Hoe komt gij daaraan, majoor?" vroeg Paganel.
"Van Thalcave. Hij dacht, dat hij ons te pas zou kunnen komen en gaf hem mij, eer hij Thaouka te hulp snelde."
"Edelmoedige en brave Indiaan!" riep Glenarvan.
"Ja!" antwoordde Tom Austin, "wanneer alle Patagoniërs hem gelijken, maak ik er mijn compliment voor aan hun land."
"Maar wij mogen het paard ook niet vergeten!" zeide Paganel. "Het maakt een deel uit van den Patagoniër, en het zou mij zeer tegenvallen, als wij hen niet beiden terugzagen."
"Hoever zijn wij van den Atlantischen Oceaan af?" vroeg de majoor.
"Op zijn hoogst veertig mijlen," antwoordde Paganel.
"Daar elk onzer doen kan wat hij wil, vraag ik u verlof, mijne vrienden! om u te verlaten; ik ga daar boven een plekje tot observatorium uitkiezen en zal u met behulp van mijn verrekijker op de hoogte houden van hetgeen er zoo al op deze wereld voorvalt."
Men liet den geleerde begaan, die zich heel behendig van den eenen tak op den anderen heesch en achter de dikke bladerengordijn verdween. Zijn medgezellen hielden zich daarop bezig met het in orde brengen van hun nachtverblijf en het gereed maken van hun slaapplaats. Dit was niet moeijelijk en nam niet veel tijd weg. Men behoefde geen bed te maken en geen huisraad te schikken, zoodat allen spoedig hun plaatsje om den haard weder konden innemen.
Het gesprek werd nu algemeen, maar de tegenwoordige toestand, waarin men zich geduldig moest schikken, was er het onderwerp niet van. Men kwam weder terug op de onuitputtelijke stof: Harry Grant. Als het water zakte, zouden de reizigers binnen drie dagen weder aan boord van deDuncanzijn. Maar Harry Grant en zijne beide matrozen, die ongelukkige schipbreukelingen zouden niet bij hen zijn. Het scheen zelfs na dien tegenspoed, na dien nutteloozen togt door Amerika, alsof alle hoop om hen terug te vinden onherroepelijk verloren was. Waar zou men nieuwe nasporingen in het werk stellen? Hoe groot zou niet de smart van lady Helena en van Mary Grant zijn, als zij moesten vernemen, dat zij alle hoop op de toekomst moesten laten varen!
"Arme zuster!" zeide Robert, "alles is uit voor ons!"
Voor de eerste maal kon Glenarvan geen troostwoord vinden om daarop te antwoorden. Welke hoop toch kon hij den knaap geven? Had hij niet met de grootste stiptheid de aanwijzingen van het document gevolgd?
"En toch," zeide hij, "die zeven en dertigste graad breedte is meer dan een niets beteekenend cijfer! Het zij het betrekking heeft op de schipbreuk of op de gevangenschap van Harry Grant, het is toch niet uit de lucht gegrepen, willekeurig uitgelegd noch een bloote gissing! Wij hebben het met onze eigene oogen gezien!"
"Dat alles is waar, Uwe Edelheid!" antwoordde Tom Austin; "maar onze nasporingen zijn niettemin vergeefsch geweest."
"Dat is spijtig en tegelijk ontmoedigend!" riep Glenarvan.
"Spijtig, wanneer gij dat wilt," antwoordde Mac Nabbs op een bedaarden toon; "maar geenszins ontmoedigend. Juist omdat wij een vast cijfer hebben, moeten wij den moed volstrekt niet opgeven."
"Wat bedoelt gij daarmede," vroeg Glenarvan, "en wat kunnen wij naar uwe meening verder doen?"
"Iets zeer eenvoudigs, dat tevens zeer logisch zou zijn, waarde Edward! Zoodra wij aan boord van deDuncanzijn, wenden wij den steven oostelijk, en volgen de zeven en dertigste parallel zoo noodig zelfs tot aan het punt, vanwaar wij uitgingen."
"Meent gij dan, Mac Nabbs! dat ik daaraan niet gedacht heb?" antwoordde Glenarvan. "O! wel honderd maal! Maar welke kans hebben wij om te slagen? Wanneer wij het amerikaansch vastland verlaten, verwijderen wij ons immers van de plaats, die Harry Grant zelf heeft aangeduid, van dat Patagonië, dat zoo uitdrukkelijk in het document vermeld wordt?"
"Gij zult toch geen nieuwe nasporingen in de pampa's willen beginnen," antwoordde de majoor, "nu gij de zekerheid verkregen hebt, dat de schipbreuk derBritanniaevenmin heeft plaats gehad op de kusten der Stille Zuidzee als op die van den Atlantischen Oceaan!"
Glenarvan gaf geen antwoord.
"En moeten wij, al is de kans om Harry Grant weder te vinden door de parallel, die hij opgaf, langs te reizen, nog zoo gering, het toch niet beproeven?"
"Daarop zeg ik geen neen!" antwoordde Glenarvan.
"En zijt gij het niet met mij eens, vrienden?" voegde de majoor er bij, zich tot de zeelieden rigtende.
"Volkomen!" antwoordde Tom Austin, waarmede Mulrady en Wilson door een knik instemden.
"Hoort mij aan, vrienden!" hernam Glenarvan na eenige oogenblikken nadenken, "en luister goed toe, Robert! want het geldt een zaak van gewigt. Ik zal alles doen, wat in mijn magt staat om kapitein Grant weder te vinden, dat heb ik op mij genomen en daaraan zal ik, zoo het noodig is, mijn gansche leven toewijden. Geheel Schotland zou zich met mij verbinden om dien moedigen man te redden, die zich voor zijn vaderland heeft opgeofferd. Mijn gevoelen is ook, dat wij, al is die kans nog zoo gering, langs die zeven en dertigste parallel rondom de aarde moeten reizen, en ik zal het doen. Maar dat is nu eigenlijk de vraag niet. Zij is veel gewigtiger en luidt: Moeten wij bepaald en van nu af aan onze nasporingen op het amerikaansche vastland staken?"
Die zoo stellig ingekleede vraag werd niet beantwoord. Niemand durfde zich verklaren.
"Wat is uw gevoelen?" hernam Glenarvan, zich meer in het bijzonder tot den majoor rigtende.
"Waarde Edward!" antwoordde Mac Nabbs, "het antwoord op die vraag eist een zware verantwoordelijkheid op. Zij vordert eenig nadenken. Vóór alles wensch ik te weten, over welke streken de zeven en dertigste graad zuiderbreedte heengaat."
"Dat zal Paganel wel weten," antwoordde Glenarvan.
"Dan zullen wij het hem vragen," zeide de majoor.
De geleerde was zoo verborgen door het digte gebladerte van den boom, dat hij onzigtbaar was. Men moest hem dus praaijen.
"Paganel! Paganel!" riep Glenarvan.
"Present!" antwoordde een stem, die uit de lucht kwam.
"Waar zijt gij?"
"In mijn toren."
"Wat doet gij daar?"
"Ik sla den onmetelijken gezigteinder gade."
"Kunt gij even afkomen?"
"Hebt gij mij noodig?"
"Ja."
"Waarom?"
"Om te weten over welke landen de zeven en dertigste parallel heenloopt."
"Niets is gemakkelijker," antwoordde Paganel; "het is niet eens noodig, dat ik afkom om het u te zeggen."
"Ga uw gang dan maar."
"Luister. Amerika verlatende, gaat de zevenendertigste graad zuiderbreedte over den Atlantischen Oceaan."
"Goed."
"Hij snijdt de eilanden Tristan d'Acunha."
"Zeer goed."
"Hij gaat twee graden bezuiden de kaap de Goede Hoop."
"Vervolgens."
"Hij loopt over de Indische zee."
"Verder."
"Hij raakt even het St.-Pieters-eiland van den eilandengroep Amsterdam."
"Ga voort."
"Hij snijdt de australische provincie Victoria."
"Verder."
"Australië verlatende...."
Die laatste zin werd niet voltooid. Aarzelde de aardrijkskundige? Wist de geleerde het niet verder? Neen; maar in den top van den boom weerklonk een geduchte kreet, een heftige uitroep. Glenarvan en zijn vrienden verbleekten en zagen elkander aan. Had er een nieuw onheil plaats? Had de ongelukkige Paganel zich laten vallen? Reeds snelden Wilson en Mulrady hem te hulp, toen er een lang ligchaam verscheen. Paganel tuimelde van den eenen tak na den anderen. Zijn handen konden niets aangrijpen. Leefde hij nog? Was hij dood? Men wist het niet; maar hij stond op het punt om in het loeijende water te vallen, toen de majoor hem met zijn gespierde arm in zijn val stuitte.