XII

Diep zonk hij weg in den slaap, tot in de diepte waar geen droomen zijn.

Toen hij uit die duisternissen herrees, langzaam, naar het grauwe, koele licht van den morgen, streek hij door bonte, zachte droomen uit vroeger tijd. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdroppelen van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn oogen, half nog starend in het wemelen der lieflijke beelden.

Doch in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag, wat hij ook den vorigen morgen gezien had. Het scheen hem ver en lang geleden. Doch uur na uur kwam hem weer te binnen, van den droevigen morgen tot den vreeselijken nacht. Hij kon niet gelooven, dat al die verschrikkingen in éénen dag waren verschenen. Het begin van zijn ellende scheen zoo ver, verloren in grauwen mist.

Spoorloos gleden de zachte droomen van zijn ziel, Pluizer schudde hem, en de sombere dag begon, traag en kleurloos, de voorlooper van vele, vele andere.

Doch wat hij den vorigen avond op dien bangen tocht gezien had, bleef hem bij. Was het slechts een afschuwelijk visioen geweest?

Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en verwonderd aan.

'Wat bedoel je?' vroeg hij.

Doch Johannes zag den spot niet in zijn blik, en vroeg of het niet waarlijk zoo geschied was, hij zag het nog zoo scherp en duidelijk voor zich!

'Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen immers niet gebeuren!'

En Johannes wist niet wat hij denken moest.

'We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zulke domme vragen niet meer doen.'

En zij gingen naar den docter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, wat hij zocht.

Doch in de drukke straten hield Pluizer eenmaal plotseling stil en weesJohannes een mensch uit de menigte.

'Ken je hem nog?' vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek werd en den man verschrikt nastaarde.

Hij had hem den vorigen nacht gezien, diep onder de aarde.

Vriendelijk ontving hen de docter en deelde Johannes zijn wijsheid mede.Uren luisterde hij dien dag, en vele dagen daarna.

Wat hij zocht had de docter nog niet gevonden. Doch hij had het bijna, zeide hij. Hij zou Johannes zoo ver brengen als hij zelve was en dan zouden zij er beiden wel komen.

Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, dagen en maanden lang. Hij gevoelde weinig hoop, doch hij begreep, dat hij nu dóór moest gaan, zoo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, dat terwijl hij licht zocht, het hoe langer hoe duisterder om hem werd. Het begin van al wat hij leerde was het best, doch hoe dieper hij doordrong hoe doodscher en duisterder. Hij begon met planten en dieren, met al wat om hem was en als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uiteen tot cijfers, bladen vol cijfers. Dat vond docter Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen, doch voor Johannes was dat duisternis.

Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij moedeloos en vermoeid was. Alle oogenblikken van genot of bewondering bedierf hij hem.

Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die taak.

'Dat is toch prachtig,' zeide hij, 'hoe juist is dat alles berekend en hoe fijn en doelmatig gemaakt.'

'Ja, verbazend doelmatig,'zei Pluizer, 'jammer dat het grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden vruchten en hoeveel pitten worden boomen?'

'Maar het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt,' antwoorddeJohannes. 'Zie! de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten nietdat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur.Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.'

'Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten zij een gat onder in de bloem en maken de heele ingewikkelde inrichting te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor den gek laat houden.'

Bij het wonderbare samenstel van menschen en dieren ging het nog erger. Van al wat Johannes schoon en kunstig toescheen, toonde hij de onvolkomenheid en de gebreken. Het gansche heer van kwalen en ellende dat mensch en dier treffen kan, toonde hij hem, met voorliefde het walgelijkste en afzichtelijkste kiezend.

'Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte vergat hij iets, en de menschen hebben handen vol werk, om al die gebreken zoo goed mogelijk bij te lappen. Zie maar om je heen! een parapluie, een bril, zelfs kleeren en huizen, het is alles menschelijk lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker heeft niet bedacht dat menschen het koud zouden hebben en boeken zouden lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te denken, dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle menschen lang hun natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich volstrekt niet meer aan den plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, en waar het hem blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij den dood soms voor langen tijd, door allerlei kunstgrepen.'

'Maar het is de schuld van de menschen,' riep Johannes, 'waarom wijken zij moedwillig af van de natuur?'

'O domme Johannes! als een kindermeid een onnoozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? Het kind dat geen vuur kende, of de meid die wist dat het kind zich branden zou? En wie is schuld, als de menschen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelve of de alwijze plannenmaker, bij wien zij als onwetende kinderen zijn?'

'Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten …'

'Johannes! als gij een kind zegt: 'raak dat vuur niet aan! het doet pijn' en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn is, kunt gij u dan van schuld vrij pleiten en zeggen: 'zie! het kind was niet onwetend'? Gij toch wist, dat het uwen raad niet zou achten. Menschen zijn dwaas en dom als kinderen. Doch glas is bros en leem is week. En wie menschen maakt en hun dwaasheid niet rekent, is als hij die wapenen maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen.'

En de woorden vielen als droppelen vloeiend vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed weenen, in de stille, slapelooze uren van den nacht.

Ach! slaap! slaap! Er kwam een tijd, na lange dagen, dat slaap hem het liefste was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn droomen brachten hem altijd tot zijn vroeger leven terug. Heerlijk scheen het hem, als hij er van droomde, doch overdag kon hij zich niet meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het ledige, doode gevoel dat hij nu kende. Hij had eens smartelijk naar Windekind verlangd, hij had eens uur aan uur op Robinetta gewacht. Hoe heerlijk was dat geweest!

Robinetta! Verlangde hij nog? Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn verlangen week. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat liefde was. Toen schaamde hij zich en docter Cijfer zeide dat hij er nog geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zoude. Zoo werd het duisterder en duisterder om den kleinen Johannes.

Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet herkend had op zijn vreeselijken tocht met Pluizer.

Als hij Pluizer er over sprak, zeide deze niets en lachte slim. MaarJohannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.

De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de menschen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, in de ziekenhuizen, waar in groote zalen de zieken lagen, lange rijen bleeke, uitgeteerde gezichten met doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte was, slechts door kuchen en kermen gebroken. En Pluizer wees hem, wie van hen nimmer die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stroomen menschen het huis binnenkwamen om hunne zieke verwanten te bezoeken, zeide Pluizer: 'Zie! die allen weten, dat ook zij eens in dit huis en in die droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist uitgedragen te worden.'

'Hoe kunnen zij nog ooit vroolijk zijn?' dacht Johannes.

En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerschte en waar de verwijderde klanken van een piano uit een naburig huis onophoudelijk en droomerig doordrongen. Daar wees Pluizer hem onder de anderen een zieke, die suffend voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs den muur kroop.

'Die ligt daar al zeven jaar,' zeide Pluizer. 'Hij is zeeman geweest en heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bosschen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al de lange dagen van zeven lange jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan; maar het kan nog even lang duren.'

Na dien dag was het Johannes' bangste droom, op eens te ontwaken in dat zaaltje, in dat weemoedig halfduister bij die droomerige klanken, om tot het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de groote kerkgebouwen en liet hem luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij groote plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.

Johannes leerde de menschen kennen, en het gebeurde hem somtijds, dat hij aan zijn vroeger leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren menschen die hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven makkers meende te zien, of aan den eenen meikever, die een dag ouder was dan de andere en zooveel over een roeping gesproken had, en hij hoorde verhalen, die hem aan Kribbelgauw, den held der kruisspinnen, deden denken; of aan den aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke koning deftig stond. Zich-zelven vergeleek hij wel met den jongen meikever, die niet wist wat een roeping was en in het licht vloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.

Ach, den tuin zou hij wel niet meer vinden, wanneer zou de zwarte voet komen en hem verpletteren?

Pluizer bespotte hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te gelooven, dat Windekind er nooit geweest was.

'Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!'

'Niets! Niets! Er zijn menschen en cijfers, dat is alles waar, dat bestaat, eindeloos veel cijfers.'

'Maar, Pluizer, dan hebt ge mij bedrogen. Laat mij uitscheiden, laat mij niet meer zoeken, laat mij alleen!'

'Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? Een mensch zou je worden, een volmaakt mensch.'

'Ik wil niet, het is vreeselijk.'

'Je moet, je hebt ééns gewild. Zie docter Cijfer eens, vindt die het vreeselijk? Word zooals hij is.'

Het was waar. Docter Cijfer scheen altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studeerend en onderrichtend, tevreden en gelijkmoedig.

'Zie hem,' zeide Pluizer, 'hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de menschen alsof hij zelf een ander wezen ware, dat niets met hen uitstaande heeft. Hij gaat tusschen kwalen en ellenden als een onkwetsbare en verkeert met den dood als een onsterfelijke. Hij verlangt alleen te begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles even goed wat hij te weten komt. Hij is met alles tevreden, zoodra hij het bereikt. Zóó moet je ook worden.'

'Maar dat kan ik nooit.'

'Ja, dat kan ik niet helpen.'

Dat was immer het hopelooze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.

't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

Op een killen, mistigen morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van boomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkschen gang.

Op een plein ontmoette hij eenige jonge meisjes, op een rij, met schoolboeken in de hand. Ze wierpen elkaar met sneeuw en lachten en stoeiden. Helder klonken haar stemmetjes over het besneeuwde plein. Men hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen der paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blijde lach door de stilte. Johannes zag hoe een der meisjes hem aankeek en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarten hoed. Hij kende haar gelaat zeer goed, maar wist toch niet wie zij was. Zij knikte eens, en nog eens.

'Wie is dat? ik ken haar.'

'Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haarRobinetta.'

'Neen, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje.'

'Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen.'

'Neen, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zooals de anderen.'

En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en prevelde:

'Dat is het laatste, er is niets! niets!'

Het klare, warme zonlicht van een eersten lentemorgen stroomde over de groote stad. Helle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; op de lage zoldering trilde en schommelde een groote lichtplek, weerkaatsing van het rimpelend water der gracht.

Johannes zat voor het raam in den zonneschijn en staarde over de stad. Zij was geheel van uitzicht veranderd. De grauwe mist was een glanzig blauw zonnewaas geworden, dat het einde der lange straten en de torens in de verte omhulde. De lichtkanten der leien daken schitterden zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het zonlicht, er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water scheen levend geworden. De bruine knopjes der iepeboomen waren dik en glanzig, en luidruchtige musschen fladderden tusschen de takjes.

Het werd Johannes zoo zonderling te moede, terwijl hij staarde. De zonneschijn bracht hem in een zoete verdooving.

Er was vergetelheid en dadelijke weelde in. Droomend staarde hij op de schittering der golfjes, op de zwellende iepeknopjes, en hij luisterde naar het tjilpen der musschen. Er was vreugde in dat geluid.

Zoo week was hij in langen tijd niet gestemd geweest; zoo gelukkig had hij zich in langen tijd niet gevoeld.

Dat was de oude zonneschijn, dien hij herkende. Dat was de zon die hem vroeger naar buiten riep, naar den tuin, waar hij dan, in de luwte van een oud muurtje, op den warmen grond ging liggen, en lang kon genieten van al dat licht en die warmte, starend op de halmpjes en kluitjes vóór hem, gekoesterd in de zon.

Het was hem zoo wèl in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, zooals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van zijn moeder. Hij moest aan al het verledene denken, doch hij weende of verlangde niet. Hij zat stil en droomde, niet anders wenschend dan dat de zon blijven mocht.

'Wat suf je daar, Johannes?' riep Pluizer, 'je weet ik houd niet van droomen.'

Johannes hief smeekend de peinzende oogen op.

'Laat mij nog wat zoo blijven,' zeide hij. 'De zon is zoo goed.'

'Wat vindt je aan die zon?' zeide Pluizer. 'Het is toch niets anders dan een groote kaars, of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt hetzelfde. Zie! die schaduwen en die lichte plekken op straat, dat is toch niets anders dan het schijnsel van een licht, dat wat stil brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! daar is het nu nacht, nu en altijd.'

Doch zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn geheele ziel, het was licht en vredig in hem.

Pluizer nam hem mede naar het kille huis van docter Cijfer. Een tijd lang nog zweefden de zonnebeelden voor zijn geest, toen verflauwden zij langzamerhand en midden op den dag was het geheel duister in hem.

Doch toen de avond kwam en hij weder door de straten der stad ging, was de lucht zoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar in de rustige wolkjes, in het teedere rood van den westelijken hemel.

De schemering spreidde een zachten, grijzen nevel over de stad, vol fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de verte speelde een weemoedige wijs, de huizen schenen zwarte schimmen tegen den rooden avondhemel, als tallooze armen staken ze hun grillige spitsen en schoorsteenen op.

Het was Johannes als een vriendelijke glimlach der zon, toen zij voor het laatst lichtte over de groote stad, vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkoozend langs de wangen.

Toen kwam er een groote weemoed in Johannes' hart, zoo groot dat hij niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar den wijden hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Het was alles berouw en liefde en vergeving in hem.

Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve oogen.

'Kom! Johannes! doe niet zoo raar, de menschen kijken!' zei Pluizer.

De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en naargeestig uit. Een jammer in de zoele lucht, een klaagtoon tusschen het roepen van de lente!

De menschen zaten aan de deuren en op de stoepen, om de lente te genieten. Het scheen Johannes een bespotting. De vuile deuren stonden open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte hen. Nog rekte het orgel in de verte zijn weemoedige tonen.

'O! kon ik hier uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar—de zee!'

Doch hij moest mede naar het hooge kleine kamertje en hij lag wakker dien nacht.

Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem maakte, als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de viooltjes groeien tusschen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze met zijn vader gezocht had. Den ganschen nacht zag hij het gezicht van zijn vader, zooals het was, als hij des avonds bij het stille lamplicht naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.

Iederen morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog ééns terug te mogen gaan, naar zijn huis en zijn vader, om nog ééns zijn tuin en de duinen te mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan Presto en zijn kamertje, want het was om hem dat hij het vroeg.

'Zeg mij alleen hoe het met hem is en of hij nog boos op mij is, dat ik zoolang ben weggebleven.'

Pluizer haalde de schouders op. 'Al wist je dat nu, wat zou het je helpen?'

Doch de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iederen nacht droomde hij van het donkergroene mos aan de duinhellingen en van zonnestralen, die door het fijne, jonge groen schenen.

'Het kan zóó niet langer duren,' dacht Johannes, 'ik kan het niet uithouden.'

En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, ging naar het venster, en staarde in den nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een zee van zachten glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen sliepen in den zoelen nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage boschjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het golvende koor der kikvorschen te hooren, dat zoo geheimzinnig aanzweeft over de velden, en het lied van den eenigen vogel, die de plechtige stilte mag begeleiden, die zijn zang zoo zacht en klagend begint en zoo plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep hem, het riep hem alles. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte op zijn arm.

'Ik kan niet! ik kan het niet dragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik niet komen mag.'

Toen Pluizer hem den volgenden dag wekte, zat hij nog bij het venster, waar hij was ingeslapen met het hoofd op den arm.

De dagen vergingen, werden lang en warm, en er kwam geen verandering.Doch Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.

Op een morgen zeide docter Cijfer tot hem: 'Gaat ge mede Johannes, ik moet een zieke bezoeken.'

Docter Cijfer was bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp in tegen ziekte en dood. Reeds dikwijls was Johannes met hem medegegaan.

Pluizer was bizonder vroolijk dien morgen. Hij ging telkens op het hoofd staan, danste en buitelde, en bedreef allerlei uitgelaten scherts. Hij grinnikte voortdurend geheimzinnig, als een die een ander een verrassing bereid heeft. Johannes vreesde hem zeer in die stemming.

Docter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.

Zij gingen een verren weg dien morgen. In een spoortrein en te voet. Zij gingen verder dan anders, nog nooit was Johannes buiten de stad medegenomen.

Het was een warme, zonnige dag. Uit den spoortrein zag Johannes de groote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar de lucht trilde van zonnehitte.

Doch opeens voelde hij een tinteling, daar strekte zich de lange, golvende duinreeks uit!

'Nu Johannes!' grinnikte Pluizer. 'Nu krijg je toch je zin, zie je wel!'

Half ongeloovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader en naderbij. De lange slooten aan beide zijden schenen om hun middelpunt te draaien en snel vlogen enkele woningen langs den weg voorbij.

Toen kwamen de boomen: dichtbebladerde kastanjeboomen, rijkelijk bloeiend met duizenden groote, witte of roode bloemtrossen, donker-blauwgroene dennen, groote, statige linden.

Het was toch waarheid, hij ging zijn duinen weerzien.

De trein stond stil, en toen liepen de drie te voet, onder schaduwrijk loof.

Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken der zonnestralen op den boschgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennenaalden.

'Is het waar! is het werkelijk waar?' dacht Johannes, 'zou het geluk komen?'

Zijn oogen schitterden en zijn hart klopte sterk. Hij begon te gelooven aan zijn geluk. Deze boomen, dezen grond kende hij, dit boschpad was hij vaak gegaan.

Zij waren alleen op den weg. Doch Johannes moest omkijken, alsof hen iemand volgde. En hij meende tusschen het eikenloof de donkere figuur van een mensch te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het pad verborgen bleef.

Pluizer keek hem valsch en geheimzinnig aan. Docter Cijfer liep met lange schreden en staarde naar den grond.

De weg werd hem bekender en vertrouwder, iederen steen, ieder struikje kende hij, toen verschrikte Johannes op eenmaal hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.

De kastanjeboom voor het huis breidde zijn groote, handvormige bladen schaduwend uit. Tot boven in den hoogen top prijkten de prachtig witte bloesems in de volle, ronde loovermassa.

Hij hoorde het geluid der opengaande deur, dat hij zoo goed kende, en hij rook den geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, alles stuk voor stuk, met een smartelijk gevoel van verloren vertrouwelijkheid. Het was alles een deel van zijn leven, van zijn eenzaam, mijmerend kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, waarin hij geen mensch toeliet. Doch nu voelde hij zich gescheiden en afgestorven van het gansche oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was hem alsof hij een kerkhof bezocht, zoo weemoedig en droevig.

Was Presto hem maar tegemoetgesprongen, dan zou het minder akelig zijn, maar Presto was zeker weg of dood.

Doch waar was zijn vader?

Hij keek terug naar de open deur en den zonnigen tuin daarbuiten, en zag den man, die hem op weg scheen te achtervolgen, nu reeds op het huis toeschrijden. Hij kwam nader en nader en scheen grooter te worden bij het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een groote, kille schaduw de gang. Toen herkende Johannes den Man.

Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een trede, die altijd kraakte onder den tred, dat wist Johannes. En nu hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als pijnlijk kreunen. Doch onder den vierden voetstap was het als een doffe snik.

En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zoo regelmatig als langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.

De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwen blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behangsel staarden hem verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.

Zij gingen naar de kamer van waar het geluid kwam. Het was zijns vaders slaapkamer. De zon scheen vroolijk naar binnen, op de gesloten, groene gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in den zonneschijn. Er heerschte een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van nabij.

Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opgeslagen.

Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij zoo dikwijls voor zich had gezien den laatsten tijd. Doch het was geheel anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in den halfgeopenden mond en het wit der oogen onder de halfgesloten oogleden. Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij het kreunen even op, om dan weer moede op zij te vallen.

Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke oogen naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, hij durfde geen vinger bewegen, hij durfde die oude, bleeke handen niet vatten, die slap op het witte linnen lagen.

Het was alles zwart om hem, de zon en de lichte kamer, het groen daarbuiten en de blauwe lucht van zooeven, al wat achter hem lag, het werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in dien nacht zag hij alleen dat bleeke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan dat arme hoofd, dat zoo moede scheen, en zich telkens en telkens weer met smartelijk geluid moest opheffen.

Daar kwam een oogenblik verandering in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de oogen staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.

'Dag vader!' fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de zoekende oogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, saamgeplooide hand werd van het linnen opgeheven en maakte een onzekere beweging naar Johannes, toen viel zij krachteloos weder neer.

'Kom! kom!' zeide Pluizer, 'geen scène hier.'

'Ga uit den weg, Johannes,' zeide docter Cijfer, 'wij moeten zien wat er te doen valt.' De docter begon het onderzoek, doch Johannes ging weg van het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht en naar de breede kastanjeblaren, waarop dikke vliegen zaten, die blauw glansden in den zonneschijn. Het kreunen begon weer met dezelfde gelijkmatigheid.

Een zwarte meerle huppelde tusschen het hooge gras in den tuin, groote rood- en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het loover der hoogste boomen drong het zachte, vleiende gekir der houtduiven tot Johannes door.

Hier binnen hield het kreunen aan, altijd door, altijd door. Hij moest er naar luisteren, en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende droppel, die krankzinnig maakt. In spanning wachtte hij bij elke tusschenpooze en telkens kwam het weer, verschrikkelijk als de voetstap van den naderenden dood.

En daarbuiten heerschte warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete weelde, boven de hooge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde een reiger met kalmen vleugelslag.

Johannes begreep het niet, het was hem alles een raadsel. Het was zoo verward en duister in zijn ziel. 'Hoe kan dit alles tegelijk in mij zijn!' dacht hij.

'Ben ik dit werkelijk? Is dat mijn vader, mijn eigen vader? Van mij, mij, Johannes?'

Het was hem alsof hij van een vreemde sprak. Het was alles een verhaal, dat hij gehoord had. Hij had iemand hooren vertellen van Johannes en van het huis, waar hij woonde en van zijn vader, dien hij verlaten had en die nu sterven ging. Hij was het zelf niet, hij had het hooren vertellen. Het was wel een droevig verhaal, recht droevig. Maar het ging hem niet aan.

Ja! ja! toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!

'Ik begrijp de zaak niet,' zeide docter Cijfer, zich oprichtende, 'het is een raadselachtig geval.'

Pluizer kwam bij Johannes staan.

'Kom je niet eens kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De docter weet het niet.'

'Laat mij,' zeide Johannes, zonder zich om te wenden. 'Ik kan niet denken.'

Doch Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zooals zijn gewoonte was.

'Niet denken! Dacht je dat je niet denken kon? Dat heb je mis. Je moet denken. Al kijk je nu in het groen en in de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt toch niet. En de zieke man dáár gaat toch dood. Dat heb je even goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?'

'Ik weet het niet! ik wil het niet weten.'

Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en verwijtend. Docter Cijfer maakte aanteekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, het hoofd gebogen, de lange hand naar den zieke gestrekt en de diepliggende oogen naar de klok gericht.

Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.

'Waarom zie je zoo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen vogels. Wat verlang je nu nog? Wacht je Windekind? Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu niet? Zou hij bang zijn voor dien donkeren vriend aan het hoofdeneind? Die was er toch altijd.'

'Zie je nu wel dat het alles verbeelding geweest is, Johannes?'

'Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan zooeven. Je kunt hooren dat het wel gauw heelemaal zal ophouden. Nu, wat is dat? Er hebben er al zooveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep tusschen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en gaat niet de duinen in, als vroeger? Zie! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee in al die vroolijkheid en dat leven?'

'Eerst klaag je en verlang je, nu breng ik je waar je zijn wilde en nu is het weer niet goed. Zie! ik laat je gaan, ga door het hooge gras, lig in die koele schaduw, laat de vliegen om je gonzen en ruik den geur van het jonge kruid! ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!'

'Je wilt niet? Geloof je nu dan toch alleen in mij? Is het waar wat ik je verteld heb? Loog Windekind of ik?'

'Hoor het kreunen! Zoo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn.'

'Zie maar niet zoo angstig om, Johannes. Hoe eer het stil is, hoe beter. Nu zullen er geene lange wandelingen meer komen, nu zul je niet meer naar viooltjes zoeken met hem. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld hebben, denk je? toen je weg waart? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden stellen. Als je mij wat vroeger gekend hadt, zou je nu niet zoo jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zooals je wezen moet. Denk je dat docter Cijfer in jouw geval zoo kijken zou? Het zou hem even bedroefd maken als die kat, die daar spint in den zonneschijn. En dat is goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je die geleerd? Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij weten niets, daarom zijn zij zoo. Jij bent eens begonnen met iets te weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan ik alleen je leeren. Alles of niets.'

'Luister naar mij. Wat scheelt het of dat je vader is? Het is een mensch die sterft, dat is een gewone zaak.'

'Hoor je het kreunen nog? Erg zwak niet waar? Het zijn nu wel de laatsten.'

Johannes zag naar het bed in bange beklemming.

Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit en legde zich spinnend naast den stervende in het bed.

Het arme, moede hoofd bewoog niet meer, het lag stil in het kussen gezonken, doch uit den half geopenden mond kwamen nog regelmatig de korte, matte klanken.

Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.

Toen wendde de Dood de donkere oogen van de klok naar het ingezonken hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.

Een vale schaduw viel over het strakke gelaat.

Stilte, doffe, leege stilte!

Johannes wachtte, wachtte.

Doch de regelmatige klank keerde niet weer. Het bleef stil, een groote, suizende stilte.

De spanning van het luisteren der laatste uren hield op, en het was Johannes of zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwart en grondloos ledig. Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en duisterder om hem.

Daar klonk Pluizer's stem, als op een grooten afstand.

'Ziezoo! dat verhaaltje is weer uit.'

'Dat is goed,' zeide docter Cijfer, 'nu kunt gij zien wat het geweest is. Ik laat dat aan u over. Ik moet heen.'

Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.

De kat zette een hoogen rug. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht weer den zonneschijn.

Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig beschouwde en er mede naar het bed ging.

Toen schudde Johannes de verdooving van zich af. Eer Pluizer bij het bed was, stond hij vóór hem.

'Wat wilt ge? vroeg hij. Zijn oogen waren wijd geopend in ontzetting.

'Wij zullen zien wat het geweest is,' zeide Pluizer.

'Neen!' zeide Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.

'Wat beteekent dat?' zeide Pluizer met grimmig flikkerenden blik.

'Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?'

'Ik wil niet,' zeide Johannes. Hij sloot de tanden opeen en haalde diep adem. Vast staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.

Doch Pluizer naderde. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde met hem.

Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem weerstaan. Doch hij liet niet af, en zijn wil brak niet.

Het mes schitterde voor zijn oogen, hij zag vonken voor zijn blik en roode vlammen, doch hij gaf niet toe en bleef worstelen. Hij wist wat er komen zou als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. Doch wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.

En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het doode lichaam gestrekt en bewegingloos, zooals het gelegen had op het oogenblik, toen de stilte kwam, het wit der oogen zichtbaar als een smalle streep, de mondhoeken opgetrokken tot strakken grijnslach.

Alleen als beiden in hun strijd tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen en weer.

Nog hield Johannes vol, de adem begaf hem en hij zag niets meer. Een sluier van bloedrood licht was voor zijn oogen. Toch hield hij vol.

Toen verzwakte langzamerhand de weerstand der beide polsen onder zijn greep. Zijn spieren ontspanden zich, zijn armen vielen slap langs zijn lijf en zijn gesloten handen waren ledig.

Toen hij opzag was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.

'Dat was goed van u, Johannes,' zeide hij.

'Zal hij weerkomen?' fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.

'Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer.'

'En Windekind? Zal ik nu Windekind weerzien?'

Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend meer, maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een groote diepte.

'Ikalleen kan u bij Windekind brengen. Door mij alleen kunt ge het boekje vinden.'

'Neem mij dan mede, er is nu niemand meer, neem mij nu ook mede, zooals de anderen, ik wil niets anders meer …'

Nogmaals schudde de Dood het hoofd.

'Gij hebt de menschen lief, Johannes. Gij wist het niet, maar gij hebt hen altijd liefgehad. Gij moet een goed mensch worden. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn.'

'Ik wil niet, neem mij mede …'

'Het is niet zoo. Gij wilt. Gij kunt niet anders!'

Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' oogen, zij vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde in 't vertrek en trok weg langs de zonnestralen.

Johannes boog het hoofd over den rand van het bed en schreide bij den dooden man.

Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven. 'Vader! Vader!' fluisterde johannes.

Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige zonnewijding.

En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als zongen de lichte stralen.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij hem nu roepen?

Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.

'Arme, lieve vader!' zeide hij.

Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere avondwolkjes vormden.

Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw des hemels.

Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.

Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.

Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.

Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar blonk in de hooggeheven hand.

Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het geblakerde duingras.

Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het stekelig helm.

Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den moerassigen grond.

Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale, dorre helm.

Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën en staarde over de zee.

Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur, een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des verren hemels.

Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.

Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem leidde, aan het verste einde aanraakte.

Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.

'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en rustig kwam hij nader.

Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.

'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'

'Ik ben meer!' zeide hij.

'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.

'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'

'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.

'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'

'Waarom zie ik u nu eerst?'

'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.

'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe uwe keuze.'

Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.

* * * * *

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een sprookje zal het dan niet meer gelijken.

End of Project Gutenberg's De kleine Johannes, by Frederik van Eeden


Back to IndexNext