Eenstemmigheid in een of anderBrengt eerst de harten tot elkander,—Maar zelden houdt die neiging aan.Tenzij innemendheid van zeden,Beschaafde en kiesche oplettendheden,Haar achteruitgang tegengaan.”
Eenstemmigheid in een of anderBrengt eerst de harten tot elkander,—Maar zelden houdt die neiging aan.Tenzij innemendheid van zeden,Beschaafde en kiesche oplettendheden,Haar achteruitgang tegengaan.”
Eenstemmigheid in een of ander
Brengt eerst de harten tot elkander,—
Maar zelden houdt die neiging aan.
Tenzij innemendheid van zeden,
Beschaafde en kiesche oplettendheden,
Haar achteruitgang tegengaan.”
„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht. De manier, waarop hijmet haar omging, was een volmaakt model van allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, erwezenlijkschik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met zijn financiën wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg! Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen, alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken, dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een voortreffelijk man?”
„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt meêgedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als een man zonder eer,zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap, het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.”
„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert.
„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier, zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en schoppen op den koop toe te krijgen.”
„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk, die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt eenseen schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk waard zijn.
„'t Is een vaste regel, dat die natiën die voor wellevendheid en hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en eerlijkheid te houden.
„Niemand kan eenFranschwerk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep een zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een ander onaangenaam kan zijn. Als wij op deFranschecomedies mogen afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk, de ruwe en ronde woorden,waarmeêwij iemand een brutaliteit aandoen, in het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat ons onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid geeft.
„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit meê te deelen, en rondweg voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken, geen bediendenu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz.
„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madameGeorge Sandin haar levensbeschrijving bericht over de verhouding tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk. Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon, en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij het hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid te zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er in haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch om de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt zich tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden van 't huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele zaak bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar brieven, of op de hartelijkheid, waarmeê zij, even als altijd, haar zoon ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem toelaat, bij haar komt doorbrengen.
„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder zettenjaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt, alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart.
„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen, huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn, zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.”
„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't zelfde in anderen verdragen.
„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets zeî tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met zooveel omhaal als toen wij nog geëngageerd waren,—'t is immers omdat zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knieën viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is.
„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.”
„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten oprechtheid is beterdan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of andere reden, (al is 't ook nog zóó fijn, zóó kiesch) zullen bedrogen worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel. Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten.
„Wil iemand weten, wat ik hiermeê bedoel, dan verwijs ik hem naar de gedenkschriften vanDe Tocquevilledien ik voor een ideaal van een Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt.
„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden, waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt geen verleiding bestaat.
„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouweninstinct van oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons huiselijk leven zou kunnen ingeënt worden.
„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen, wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude, halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun één van al die attenties aan te doen.
„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan, en een smerig en slordig pak voor t'huis.
„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is. Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon inhuis te dragen; zij zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak was:t'huismoet een vrouw er altijd lief uitzien.
„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel, dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en dochters keurig en met smaak gekleed gaan.”
„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden. Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.”
„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel, en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie.
„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje behaagziek te wezen,—ofbeter gezegd, om ons aangenaam te maken in de oogen onzer naaste betrekkingen.
„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleêren veel van een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen van de gratiën uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als dominé's voor een geestelijke rechtbank moeten verhoord worden.
„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg moet zijn,om er niet te spreken over 't geen voor een ander onaangenaam is.
„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen, om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een tooverheks meê! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste Française die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt, wat u hinderen kan.
„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkaêr in 't vaarwater kan zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maarde vrijheden zelven maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger.
„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst zeî, verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig kwetsen.
„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en gegriefd, die te bloô of te bang is, om er over te klagen. En wat voor nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan, dan menig kleine vos in staat is te doen.
„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden, als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de gewoonte van sommige mannen, om altijd weêr plompweg te vitten op 't geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk. Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en voor haar fatsoen, hijmoest die soort van zaken geheel in privé behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst en gesmeerd wordt.
„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet, maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het aanbieden van goeden raad.
„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle idées en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen sympathiseeren.
„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard, stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't niet mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met vrede gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er een vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen en aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens zien?”—„Mijnbrief is van Die-en-Die.”—„Schrijfthijje? Dat wist ik niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen geweest? Wat heb je gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er meê doen?”—„Dat is, dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets te doen. Ik zou het heel anders doen.”—„Begrijpeens, Marie! Saartje wil van den zomer een zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te duur is—jij ook niet?”
„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer door worden.
„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is, waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven, mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste dingen, die ik ken.
„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen.
„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene niet?Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet gedaan?”—„Ikzou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen en al dat vitten en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, dat het dikwijls moeielijk valt, er geen acht op te geven.
„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief ennog zoo goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere bescheidenheid weêrhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te vragen en te vitten en raad te geven.
„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze eigenaardigheden opdringen.
„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een ander meê te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant, waar een geest van gezelligheid en eenigheidheerscht, die ons in alles bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wél gezind ze zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken.
„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.”
VII.
ONVOLDAANHEID.
Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hemONVOLDAANHEID.
En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde gebrek.
Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en ziekelijke voorstelling van het doel zelf.
Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd moet worden, van zoo iemandzult ge zeggen, dat hij aan volslagen monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt.
Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt.
Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ééne, die de geleerdenidealiteitnoemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen ikonvoldaanheidgenoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat er iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre dan ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat, waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat. Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij hetnaderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het Christendom en de taak van den Christen.
Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol onkruid.
„Wraak,” zegtLord Bacon,„is een soort van woeste rechtvaardigheid, koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in 't huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar overdrijving.
Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif.
Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen idealiteit en 't gemis daarvan.
't Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, dieDaytons: gastvrij, welwillend en vriendelijk.
Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden zóó tamelijk, en—op dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft.
MevrouwDaytonis een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop een keurige huisvrouw gesteld is.
Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature;zij tracht alleen goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of buitengewoons, maar is er altijd tevreden meê, zoo als 't met hen uitvalt.
Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk, dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt, en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn.
Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingenmet elkaêr een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste stukken.
Zoo zijn deDaytons; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme tevredenheid, die u daar omgeeft.
Vlak tegenover deDaytonswonen deMores, en deMoreszijn juist het tegenovergestelde van deDaytons.
Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als 't volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen inderdaad verwonderlijk.
Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun geen tiende van de voldoening, die deDaytonsvan hun halfbakken werk en hun knoeisels hebben.
De beide dochters, Jeanne en Maria, hadden een lieve stem, en, toen zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen, dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in één woord, nadat deze familieJenny Lind,Grisi, Alboni, Marioen anderen gehoord heeft, is er tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, diezijkan maken, is toch niet de moeite waard.
Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden teekenen zoo alsSignor Pottilodini, als er kans voor haar was, 't ooit tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet meê zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten, dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets meer aan te doen.
Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op. Indien zij zoo'n mooie hand hadden alsCharlotte Cushman,—indien er niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort van dingenvinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten. Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met een beetje oefening er nog verder in brengen.
MevrouwMorevergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu, dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte keukenmeid.”Gij vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar ge moest de soep eens in zeker hôtel te Parijs geproefd hebben, en de puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar in haar gansche, schijnbaar zóó goed geordende huishouding, genoeg naar haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen:„'t Moet er nu maar meê door!” „Och, laat maar staan!”lispelt ze met bitteren weemoed, als eenongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om 't een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.”
De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend, want ieder heeft zijn snaren zóó hoog gespannen, dat de een voor den ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe geoefend van oordeel ze zijn.
Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun overburen behooren neêr te zien, daar deze in een heidenschen toestand van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk dat de elegante zoon des huizes Johan zeerdikwijlster sluiks naar deDaytonsoverwipt, om er een avondje door te brengen en bij die oude rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met hen te zingen, waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis.Lize Daytonheeft een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is een aardige meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar zoo aan de piano zit en allen dapper meê aanheffen, dan begint Johan te denken,dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een aria voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven raadsels op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en pleizierig toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en plaats en omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar onwetendheid zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig te zijn”.
Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met deDaytonsop heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij deDaytonsaan huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine attenties van WillemDayton, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden, waarmeê mevrouwMoreen de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde en geleerdheid, er nog altijd vóór ligt en nog altijd philosopheert over de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige,alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappeMoreszich om den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de droomerijen der idealiteit.
Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan deDaytonsverre boven deMores. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen deMoreshet van deDaytons. Een deel van de overdreven zucht naar het ideëele, die wij bij deMoresaantreffen, zou deDaytonsaansporen, veel te verbeteren en te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid derDaytons, zou de begaafdheden derMoresvruchtbaarder voor de practijk maken en hun eigen geluk bevorderen.
Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in, evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals 't gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare enhet onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen.
't Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ééne soort van zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen zeggen: nu kan het niet beter!
Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe 't een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare, terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden.
Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen, tevreden te zijn, als de dingen maarhalfzoo goed gedaan worden als ik het zou wenschen,” luiddezijn antwoord, en hetzelfde zou men met vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den huiselijken kring.
't Is een gewone manier van zeggen, datdieendiemenschen zijn, die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes” was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte.
Zijn het nuvrouwenen aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden, dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken; want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles en alles „in de puntjes” kán wezen.
Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan daarover voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken alleraardigste tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden, waar boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld.
Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theoriën omtrent levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te zitten en al die theoriën en idealen te zien verdwijnen voor den drang der omstandigheden.
Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten en bemesten. Wijlezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel.
De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter.
't Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die het minst eischen en verwachten.
De zucht naar het ideële ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is. Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is er natuurlijk maar één antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in de war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig.
Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan 't hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van aard en moeielijk van humeur zijn,geen vrede en harmonie stichten. Dat is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen, overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten beoordeelen zij zich volgens een ideëelen maatstaf en bemerken, dat zij ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarmeê het Christendom verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel tegenzin hebben.
Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen karakter en een groote zucht naar het ideëele hebben, deze eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch, zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideëele. De christelijke godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave vanrustheeft willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die alle wantrouwen buiten sluit,rustaan allen zonder onderscheid, onder alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht: „Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zalU RUSTgeven.”
't Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken anderen verre te boven gaat, en in dat ééne woord het doel van ons leven voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”
Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld niet in staat is dit raadsel opte lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken.
Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden, met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan.
Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat God in den mensch niet een éénige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dàt geeft rust aan 't gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling afwachten, die eindelijk zeker zal komen.
Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen.
Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in denweelderigsten overvloed op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen, en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning betrekken. Daar zat ze in dat ééne vertrek, dat voor huiskamer, slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren van haar man en de kleêren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren kring bewogen had.
Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leerenwennen, even als een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent.
Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarmeê zij eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren, terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven, die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar.
Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten wij ook opdit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen.
Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben: dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn opgestaan, isFénelonde eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben. Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen, 't opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan;erkentdan ook, dat het dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doetons vaak meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek.
Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft en niet meer dan één meid kan houden, waardeer ik het als een soort van zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig, als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar een éénig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is zóó iets te zien.
Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet sparen kan, door nauwkeurig te berekenen,hoeveel er onder zekere omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen verrichten.
Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen, als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet? Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven waarlijk niet beter of gezonder maakten.
De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen, zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw nooit afgedaan is.
Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet besparen, als wij er nooit een kant meêopgingen, die meer van ons vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat.
Er is één vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woordgarneersel. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende, tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er in vergelijking niets bij is. Een japon kan in één dag gemaakt worden, maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te komen, is—ze links te laten liggen.
Mrs Kirklandvertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes veel te groot was. Na lang probeeren en weêr probeeren en na er veel verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige meubel meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er nergens plaats voor is, dan is er geen plaats voor.”
De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt, om gemak engerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten de deur had moeten zetten.
Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte genoeg in het blokhuis.
Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder die dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander zóó slecht doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij tot het ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner kinderen is het eenige, wat ik goedkandoen en daaropalleenzal ik mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen.
Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht was.
Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit te staren. Men zou denken, dat het gezondverstand ons zou leeren, dat gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat achter hem ligt niet vergeten.
„Was dàt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt, ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind.
't Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel: „vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vóór is.” De idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt dan deze: „Deed ik niet, wat iktoenvoor het beste hield?”
De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem, moeten wij ons tevreden stellen.
Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn vrouw aan 't breien van een rokmet keurige schulpjes en figuren,—een van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog vóór October klaar te krijgen.
Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen: