IV.Het was donker van vallende nacht, toen de draagstoel door de Porta Ostiensis en langs de Zuidzijde van den Circus Maximus Rome bereikt had: de dragers, hijgende, repten zich langs het Pædagogium der keizerlijke slaven en hielden stil bij een kleine achterpoort, waarbij een wachthuis van Prætorianen; de soldaten, op een bank schrijlings gezeten, dobbelden, om een kruik wijn bij het licht der walmende muurlamp.Martialis wekte op uit zijne peinzing.—Jongens, zeide hij. Hier stap ik uit. Dit is de poort, waardoor ik den Keizer bereik. Waar gaan jullie heen?—Heer, zeide Cecilius. Wij moeten dendominuszoeken....—....dominuszoeken, herhaalde Cecilianus.—Hij zal vermoedelijk in het Theater zijn....—.... in het Theater zijn van Pompeïus....—.... van Pompeïus, natuurlijk....—Kunnen jullie het vinden, jongens? vroeg Martialis. Want jullie mogen alleen niet verder in den draagstoel....Ikheb zelfs al betwijfelbaar recht in een draagstoel te zitten!—Natuurlijk, heer; wij zullen wel loopen....—.... Zullen loopen, echode Cecilianus.Zij stegen alle drie uit; Martialis gaf drinkpenning den voorloopers. De nacht, na den schitterenden Aprildag, was vochtig: een zilveren waas hing in de lucht, als een immens, doorzichtig spinnerag.... De jongens, in hun lichte tuniekjes, rilden.—Hier, zeide Martialis—hij greep een wittelacerna, die lag in den draagstoel; doet dezen mantel aan; ik ben overtuigd, dat de edele Plinius hem in den draagstoel heeft doen leggen voor wie van ons drieën het koud zoû hebben.—Gelooft gij, heer? weifelde Cecilius.—Ik wel, zei Cecilianus; want de edele Plinius is een bizonder edel heer.Martialis sloeg de wijdelacernaden beiden jongens om en glimlachte....—Jullie zien er uit net twee kleine Dioscuurtjes, zeide hij; in dien eenen witten mantel. Ik zal eens een epigram op jullie maken. Maar nu zit ik nog met mijn vijfde in de maag, voor den Keizer.... Vier kan ik er hem niet toe dienen, dàt is geen eerbiedig getal en drie is te weinig. Goede nacht, mijn Prætorianen.... Ik ben bij den Keizer ontboden.—Ga binnen, Martialis, noodden de Prætorianen, die op stonden; de draagstoel wiegelde al weg....—Ik haast mij, zei Martialis; hij streelde Cecilius vlug over zijn hoofd, tikte Cecilianus op de wang en slipte het poortje binnen, om den Keizer vooral niet langer te doen wachten dan noodzakelijk was.—En jullie, jochies? vroegen de Prætorianen, die zich weêr zetten bij de kruik en de dobbelsteenen, schrijlings over hun bank.—Wij moeten, lichtte Cecilius in; naar het Theater van Pompeïus.... Wij zijn komedianten....—Kom maar wat bij ons zitten, jochies, noodden de Prætorianen;zij zaten in hun leêren soldatentunieken, de zwarecaligægesnoerd om de voeten, de breede riemen om de kuiten; helmen hadden zij afgezet; zwaarden hingen aan den muur. En zij verveelden zich. Zouden nog lang niet worden afgelost en jonge komediantjes waren altijd aardig.—Neen, zeide Cecilius; dat „zal niet gaan”! Wij moeten naar onzendominus....—„Zal niet gaan”.... kwam Cecilianus na.—En ik hóop, dat die in het Theater is.... We moeten heùsch naar het Theater.... Waar is het?—Ga dan maar langs het Septizonium.—Die hooge toren daar?—Ja, die hooge wachttoren daar.... En dan den Circus Maximus heelemaal langs....—En dan?—Het Forum Boarium over....—Ecàstor! En dan?—Tusschen den Capitolinus en het Theater van Marcellus....—Is het dan vèrder dan het Marcellus-Theater?—Bij Herkles, ja, een goed eind verder.—En dàn?—De Portiek van Octavia door en langs het Theater van Balbus....—Ecàstor, vloekte Cecilius met zijn meisjesvloek en de Prætorianen lachten omdat hij zoo aardig, als een meisje, vloekte. Moeten we twée Theaters langs, voor dat we....?—Aan jou Theater komen, ja, komediantje!—Ecère!vloekte Cecilianus bij Ceres, nog fijner dan Cecilius, omdat hij ook de Prætorianen wilde doen lachen, en ze lachten om hem en deden hen na:EcèreenEcàstor!—Vloek eens bij Hèrklès!!! donderde een Prætoriaan voor de grap.—Bij Hèrklès!!! vloekten de jongens met plotse basstemmen van kerels, en de Prætorianen brulden om ze van het lachen en noodden weêr:—Niet een kroes wijn, hier, een oogenblik, op de bank??Maar zij hadden beiden beteren wijn gedronken in den draagstoel en haastten zich weg, dicht tegen elkaâr in de wittelacerna, de blonde koppen vlak bij elkaâr....—Dàt zijn me je jochies! prezen de Prætorianen, met een oogje na en dobbelden voort, wie de kruik wijn zoû betalen....De jongens gingen langs het Septizonium, en keken op....—Hoog, hè? zei Cecilianus.—Zeven zônen, zei Cecilius.—Zeven? Tellen.... Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.... ja zèven, waaràchtig....—Niet zoo hoog als....—.... Neen, als de Faros van Alexandrië....—Toch hoog....—Héel hoog.... Om uit te kijken over de Via Appia....?—De Via Appia.... Wie weet....Plotseling zagen zij een paar, in de schaduw, op zij van den toren. Een man en een vrouw, in omhelzing en éen mantel, liepen langzaam; de nachtschemering doezelde om hen, maar Cecilius herkende hen.—Ecàstor!riep giechelend Cecilius.—Ecère!!giechelde, hen herkennend, Cecilianus en kietelde van pret broêrtje in het middel:—Zie je wel?—Of ik zie....—Die patricische....—Van gisteren....—Ja, die ònze rollen wil spelen.... Laat ze liever.... ik weet niet wàt doen....!—En Colosseros....—Die ons hossen deed, op zijn knie....—St.... stil.... niet ze laten merken, dat we hebben gezien.... Luisteren....—Ja.... luisteren....De beide jongens slopen het Septizonium om. De maan rees; door het vochte, zilveren spinnerag, dat geheel de lucht doorweefde, zeefde de vage gloor.... En zij gluurden om.... Ja, het was Colosseros en het was Fabulla.... Zij liepen tegen elkaâr, de kussen klonken....—Hoè!!! deden de beide jongens plotseling schrikken het paar. Fabulla gilde, Colosseros vloekte. En hij stond een oogenblik breed, wijdbeens, vuisten gebald, gereed, zag toen de knapen: zij vluchtten weg in hun fladdermantel: hij herkende ze; liep ze na, haalde ze in met een paar wijde stappen, greep ze ieder in den nek.... Zij lachten, zij gilden....—Niet doen! Niet doen! Colosseros! Wij zijn Cecilius en Cecilianus!—Kwâjongens! Waar moet dat heen?—Naar het Theater!Dominuswacht ons! Colosseros, zit hij bij Nilus soms?—Weet ik het?—Heb jij dan niet bij Nilus ge-avondmaald?—Ik gá avondmalen....—Bij Fabulla?—Ja, bij Fabulla....Colosseros hield nog steeds een vuist om ieders nek. Hij liet ze nu los, lachte om ze, goedmoediglijk, streelde ze om de kinnen ten teeken, dat hij ze vergaf: iedereen mòcht ze wel, al waren ze èchte bengels.—Den heelen middag zijn we zoèt geweest.... zei Cecilius.—Het zal me wat zoets geweest zijn, betwijfelde Colosseros.—Nou, wat dènk je.... Bij den edelen Plinius!!—Het is overal éen pot nat, was Colosseros’ ondervinding.Valetedan, lievertjes!—Vale, Colosseros.—Vale....—Eet lekker....—.... lekker, bij Fabulla....De jongens repten zich nu, keken om. Degladiatoren de patricische verwijderden zich, haastiger, Fabulla zeker bang voor meerdere ontmoeting....Maar in Rome’s avondstraten, in deze wijk tusschen Palatinusheuvel en Tiber liep niemand. Het was de verlatenheid in de groote stad. Rechts, in de rijzende maan, zuilden de keizerlijke paleizen, vaag blank in den nachtkleurigen hemel, waarin het zilveren spinnerag gespannen scheen. Links verschoot de lange muur van het Circus, met, regelmatig, pilasters, nissen, waarin standbeelden, die als spookten....De jongens waren bang. Zij liepen heel dicht tegen elkander aan geperst, in die eene, wittelacerna. Zij kwamen niemand tegen....—Verbeeldt je, dat we een spóok zouden zien....? griezelde Cecilianus.—Néen, stelde Cecilius gerust, maar zelve bang.—Dan wordt je bezeten, als je een spook ziet!—Néen....—Ja, gèk!—Schei toch uit, Cecilianus....Nu kwamen den hoek van het Circus om twee donkere mannen.—Cecilius, kreunde Cecilianus.—Ben je zót, bang te zijn....??Maar zij waren beiden bang. Tot zij de mannen herkenden. Het waren die twee, die met elkaâr, gisteren, zoo hadden zitten smoezen, blikkend naar Fabulla en Nigrina. De jongens waren,plotseling, niet meer zoo bang voor de sinistere boeven, toen zij ze hadden herkend....—Goed geluk! riep Cecilius hun toe.—.... gelùk! bauwde Cecilianus na, benauwder.De mannen hielden hen staande.—Waar gaan jullie heen, komediantjes?—Naar het Theater....—.... van Pompeïus....—Wij zoeken dendominus!—At hij bij Nilus?—Weet ik het? zei de weggeloopen slaaf. Wij waren niet bij Nilus. Niet zeggen, hoor, dat je ons hebt gezien?—Nóoit, verzekerde Cecilius plechtig.—Nooit, echode Cecilianus.—Valete....—Valete....Zij gingen elkander voorbij.—Zij gaan hun slag slaan....—.... slag slaan? Inbrekers dan?—Natuurlijk....—Verbeeldt je, dat ze in ònze villa....—Inbraken??De jongens giechelden. Wat was het wijd om hen rond en eenzaam. Het Forum Boarium, die verlaten vlakte zeker, met paaltjes.... Zie je, om een gróoten bronzen stier....—Daar is soms veemarkt....—Geloof je....—Kijk, daar boven; die tempel met vergulde pannen: hoe dat opschittert in de maan!—Dat is zeker de tempel van Jupiter Capitolinus. Al die gebouwen daar, in de lucht, met al die beelden, dat moet de Capitolinus zijn.—Ja, de Arx. Kijk, die herken je, de Citadel....—En, hier, links, is een halfronde muur: een Theater....—Dat is het eerste, dat we voorbij moeten; dat van Marcellus....—De Portiek.... Kijk! bewonderde Cecilianus.De Portiek van Octavia zuilde verlaten wijd, wit, weelderig op. De talrijke zuilen—driehonderd—verschoten achter elkaâr als een bosch blanke stammen, schachten van sneeuw, met breede, blauwige schaduwkanten. Er verwijderde zich door heen een verlaatte voetganger, strompelend....—Hij is dronken, fluisterde Cecilianus.—Dronkenlàp!! gilde Cecilius hem scheldend na, maar toen de dronkaard zich omdraaide, een donkere aap gelijk in het zuilenwoud van blanke stammen, renden de beide jongens, bang, weg; delacernawaaide om hen rond, en Cecilius verloor bijna de maskers, die hij van Plinius gekregen had....—Dronkenlàp! schold Cecilianus, van heel ver, nog na.Maar de Portiek voorbij, keken de jongens om zich rond, giechelend van de pret, en toch bang. Witte wolken trokken over de maan en de wijde, witte verlatene nachtstad strekte zich om hen rond. De straten waren smal, met de groeven der wagensporen, altijd sinds eeuwen de zelfde, en de schuilsteenen tusschen die sporen.... Soms openbaarde plotseling zich tusschen de gebouwen een vergezicht: een blik op den glanzigen Tiber links; rechts, over een verlatene vlakte, onbebouwd, de plotse pracht der keizerlijkefora: dat van Cæzar, dat van Augustus, het modernst dat van Vespazianus en het waren in die vaag zilverende verte zuilen, zuilen, zuilen.... Niemand ging hier; het nachtleven riep niet de Romeinen, die op dit uur thuis niet toefden, in deze wijk en het was beangstigend wijd en wit, voornaam en leêg, en de standbeelden in de nissen der muren of tusschen de portiekzuilen spookten.... Des morgens slechts, na de eerste en tweedeure, vulde zich deze verlatenheid met de menigte der bezigen, der zakenmenschen, der advokaten en procesbezorgers, der loerende verklikkers, met al het bezige leven, dat niet alleen het Forum Romanum besluiten kon.... Nu spookten slechts de witte beelden en donkere schaduwen....De jongens liepen verder en plots wees Cecilius, klemmend de maskers onder zijn arm, in de mantelplooien:—Dáar moet het zijn....—.... Moèt het zijn, beweerde Cecilianus met nadruk. Want een hooge half-cirkel muurde omhoog, met beelden bekroond.—Het Pompeïus-Theater....—Met zijn portiek....De maan was achter de wolken. Tusschen de zuilen van den immensenporticusvan het Theater donkerde het. Het was of de jongens stemmen hoorden achter den ronden muur met pilasters, nissen, beelden. Zij liepen de zuilen langs, zochten een ingang. Een poort stond open. De stemmen verduidelijkten.—Hier is het, zei Cecilianus beslist.—.... Natuurlijk is het hier, zei Cecilius.—Wàblief? baste een diepe stem in het donker.—Pompeïus....? vroeg Cecilius.—Zijn Theater ten minste, zei de portier.—Is dedominushier....?—Ja, en jullie zullen er van làngs krijgen, hoor! Kom maar gauw binnen, noodde dejanitorvan het Theater; een gewichtig persoon; slaaf, maar van den Stáat. En ga dan rechts....Maar de beide jongens wipten binnen, liepen dadelijk een trappenvlucht op. Plotseling, als een half ronde put, donkerde het ontzaglijke Theater vóor hen; terwijl dejanitorachter hen vloekte. De half ronde muur steeg tot de wolken, scheen het: de beelden, die de ommegang bekroonden, gebaarden tegen de maan, die door brak. Zij helde twijfelachtig schemerig naar binnen, verschootweêr, liet alles dan weêr in het duister met een grillig, zich telkens verbergen achter meer en meer wolkgevaarte. De jongens zagen, dat zij door de keizerlijke ingang waren binnen gekomen. Zij gingen weêr een vlucht van trappen op, bevonden zich in het Tribunaal, de keizerlijke loge. Op het tooneel, met enkele roode lampjes verlicht, op het wijdeproscænium, liepen, praatten, gebaarden tal van donkere wezens, als schimmen en schaduwen.... De jongens, in den schemer, herkenden hen. Het was decaterva....—Dominus! riep Cecilius.—Dominus!! riep Cecilianus, scheller.Uit de schimmen en schaduwen, die op keken, en daar op hetproscæniumhun vreemde nachtspel mimeerden, trad er eene driftig voor. Het was Lavinius Gabinius.—Zijn jullie daar, eindelijk? riep hij woedend.—Ja,dominus....—Waar zijn jullie geweest, dondersche jongens?! Moet je den heelen dag weg loopen? Moet je me in ongerustheid laten, als mijn hoofd tòch me al omloopt? Moeten jullie me heelemaal gek maken? Wáar zijn jullie geweest? bulderde Lavinius Gabinius van af het tooneel naar de keizerlijke loge, waar in hun wittelacernade tweelingen waren verschenen.—Bij den edelen Plinius,dominus.... Is de cliënt dat dan niet komen zeggen?—Wiè is de edele Plinius?! riep razend Lavinius Gabinius. Ik ken geen edelen Plinius, en ik heb niets met zijn cliënten te maken! Jullie behooren bij mij te zijn en ransel krijg je als je weg loopt. Kom dadelijk hier, op hetproscænium! Zijn jullie gek!! Wat moèt dat, in het Tribunaal? In de Keizersloge?? Moeten jullie gekruisigd worden voor heiligschennis??De jongens merkten, dat het mis was. Dedominuswas geen kwaad meester, tot aan den vooravond der voorstellingen. Naderdeechter het gewichtige oogenblik, dan ontpopte zich uit zijn van nature gemoedelijke, door artisticiteit verzachte, door omgang met vele gewichtige autoriteiten beleefd toegevende persoonlijkheid een zèlf autoritaire, andere persoonlijkheid, die de komedianten kenden en waarmede rekening was te houden. Dorsten zij ook eens van te voren een grapje zich veroorloven met hundominus, hem plagen over zijn angst om zijn „tweelingen” te verliezen, naderde de dag der eerste voorstelling, dan dorst zelfs desenexniets meer en de „paraziet”, fijntjes, hield zich koest. Terwijl dedominusraasde, zwegen zij allen stil. Zij waren daar, in den maneschijn, in den rooden lampeschijn, in de schaduw van het immense Theater nog verzameld na de repetitie, die dien geheelen middag geduurd had. Zij hadden de Menæchmi gerepeteerd, toen dedominus, terug van deædilen, met wie alles was afgesproken geworden, hen in het Theater verzameld vond. Alleen de „tweelingen” hadden weêr ontbroken.... En de „paraziet” had weten gedaan te krijgen, gesteund door densenex, dat in plaats van de Bacchides de Menæchmi was gerepeteerd, omdat de jongens, die de hoofdrollen in de Bacchides zouden vervullen, toch bij een zekeren edelen Plinius toefden, als een cliënt was komen melden.... Desenexhield eigenlijk meer van zijn grijsaardsrol in de Bacchides, maar uit nijdigheid tegen de jongens, uit jaloezie, bijna uit haat, had hij zich met den „paraziet” vereenigd en aangedrongen bij dendominus, dat de Menæchmi werden gerepeteerd en de vrouwerollen door andere jongens gespeeld. Toen was Gymnazium gekomen, met haretonstrix: er was over de kapsels te doen geweest in de kleine kleedkamertjes achter hetproscænium; toen was Cosmus gekomen, de beroemde geurwerker, die zorgen zoû voor de zalven, blanketsels en poeiers; van alles werd nota genomen....Gèen Bacchides, gèen Bacchides! had dedominus, wiens hoofd omliep, geraasd. Nóoit meer de Bacchides, als die donderschejongens met iederen edelen Plinius weg liepen! Ketenen zoû hij ze, onder in het gewelf van hetproscænium, waar demimus-decoratiën werden bewaard; uithongeren zoû hij ze; geeselen zoû hij ze laten, als ze ooit terug kwamen, die dondersche jongens, die dòndersche jongens.... De komedianten, om dendominus, lachten niet meer; hunne gezichten stonden strak: dit was Lavinius Gabinius, als, de contracten geteekend, àlles met deædilengeregeld, hij zeker was van zijn zaak, als tact en hoffelijkheid met de autoriteiten uit hadden gediend, als hij het klaar had gespeeld, als hij geld wist te verdienen.... De komedianten wisten het: hij máakte een potje. Nu ontpopte hij als de èchtedominus; zijn eerst gemoedelijk, wel eens pijnlijk gezicht van rijperen man verstevigde, verjeugdigde trots zijn rimpels, in kracht, in energie; zijn anders zich verontschuldigende blik vervastte, verfèlde; zijn vuisten balden, als het niet goed ging. Nu washijmeester van het Theater van Pompeïus, weet je, meester van de Megalezia, die hij in zijn macht hàd om mooi gevierd te worden of nièt mooi; nu was hij meester van Rome! Ja wel, degladiatoren-spelen, in het Flavische Amfitheater, dat immense Colosseum.... De wedrennen in het Circus Maximus.... Hij lapte ze aan zijn laars! Naar hèm zouden ze komen: Plautus zoû hij ze laten slikken, den eeuwigen Plautus, de hóoge komedie, de onovertrefbarepalliataen dàn demimus, maar de artistiekemimus, demimus, niet met al te grove grappen maar het onvergelijkbareexodium-spel, dat zoû zijn als een muzikaal-choregrafische navoorstelling met decoratie-verwisselingen en licht-effecten, met edel fluitspel en Attischen dans....Zijnsmaak van kunstenaar zoû hij nu doen zegevieren en ze zouden, bij Herklès! eens zien allemaal, en het allereerst zijn komedianten, zijn slàven, wat voor een kerel hij kon zijn, als het moest....En Lavinius Gabinius’ oogen flonkerden als die van een leeuw, zijn grauwe haar fladderde als manen om zijn herschapendominus-gezicht toen hij Cecilius en Cecilianus met den vinger wees op hetproscæniumte komen.De jongens wisten er alles van: dreigen zoû het zijn en dan.... tòch niet met de zweep. Maar zij gehoorzaamden; zij keerden zich kleintjes om, verlieten het Tribunaal en werden, boven aan de trappenvlucht, gescholden door denjanitor, dat zij zoo op een drafje, éer hij het verhinderen kon, de keizerlijke trappen òp, de keizerlijke loge waren in geloopen!! En door de ronde gang, depræcinctio, kwamen zij langs deparascæna—bewaarplaats van requizieten—door een zijpoort op hetproscænium. Daar stonden zij bij het poortje, half in de schaduw, half in den rooden lampeschijn als misdadigers, naast elkaâr, even groot, even blond, met de zelfde schuldige gezichten. En dedominus, woedend, gaf ze een klap links, een klap rechts en brulde, dat ze flink op de billen zouden krijgen. Zij twijfelden nog, waren wel gewoon aan die bedreigingen, twee dagen vóor de voorstelling, als dedominusvan allerlei bemoeiïng buiten zichzelven was en bleef.Maar dit maal scheen het èrnst te worden. Dedominusriep om zijn machinisten, twee, en om de zweepen. En de kerels kwamen, ruwe gasten, ieder met een stok, waaraan smalle lederen riemen.—Kleedt ze uit! riep dedominus. En geeft ze er van làngs!Nu gilden de jongens, smeekten genade.—Van wie heb je dielacerna? riep dedominus, den witten mantel in de handen. Altijd hèbben jullie wat en nooit weet iemand, hoe je aan de dingen komt!!—Van den edelen Plinius,dominus! smeekte Cecilianus en huilde en vouwde de handen: allen drongen op hetproscæniumte zamen, alle de komedianten, en ook Thymele, de groote danseres, die in hetmimus-spel zoû optreden, en Cosmus, de beroemde geurwerker en Gymnazium met haartonstrix.... Allen wilden kijken....—Wiè is toch de edele Plinius?! riep woedend nòg eens dedominus; de jongens stonden in hun gele tuniekjes, die de knechten hen open knoopten.—Die weet ik óok al niet, hoe je die gekregen hebt! raasde dedominusvoort. Uìt met die dingen....!En de knechten deden den jongens, steeds schreeuwend, steeds huilend, de tuniekjes uit. Ginds, op de ommerijen en gangen van den donkeren, nu en dan maan-doorvloeiden, half ronden, immensen theaterput, zaten er te kijken: dat was volk, binnen gedrongen, om de repetitie te zien en nu te zien hoe de komediantjes zouden gegeeseld worden.—Wat is dàt? riep dedominus: uit Cecilius’ gordel viel een boekje; de dominus raapte het op....—Dat zijn de laatste Epigrammen,dominus, van den edelen Martialis: hij heeft ze me zelve gegeven!!—Wiè is de edele Martialis? raasde dedominus.—Martialis’ Epigrammen? riep Cosmus, de geurwerker, uit. Staan er epigrammen op mij in? Martialis maakt altijd epigrammen op mij, wàt aardige!—Op mij ook! blufte Gymnazium, de voormalige.—Op mij ook, natúurlijk!! meende zelfbewust Thymele, de danseres, te moeten zeggen en Latinus, de beroemdemimus-speler, die als gast in hetmimus-spel zoû optreden, kwam aan en vroeg wat er toch aan de hand was.—Hij zal er op òns ook maken! blufte hoog-gillerig Cecilianus benauwd, angstig omziende naar de geeselzweep, die nog slap hing in den knuist van den knecht.—En wat is dat, onder je àrm? bulderde dedominus, want Cecilius, bang voor den ànderen tooneelknecht, die stond te wachten met zijn nog slap hangende riemenroê, knelde, onbewust van angst, een pakje vàst onder zijn oksel. Dedominusrukte het weg.—Pas òp! schreeuwde Cecilius. Het zijn móoie Grieksche vrouwemaskers, kostbare antieke dingen: we hebben ze van den edelen Plinius gekregen....! Endominus, in mijn gordel, die daar ligt, zijn driè goudstukken verborgen, voor jou, alle drie, van den edelen Plinius, voor jou, omdat we „Hero en Leandros” gespeeld hebben van middag na zijn feestmaal!!Dedominusraapte haastig den gordel op en de jongens, uitgekleed, stonden nu naakt, hoogriemig geschoeid, bibberig, blanke efeebjes met knikkende knieën en krimpende ruggetjes in den maneschijn, op dat zelfdeproscænium, waar ze overmorgen zouden moeten optreden voor veertig-duizend toeschouwers. Zij stonden naast elkaâr, angstig steeds omziende en de geheelecatervalachte, omdat ze zoo grappigjes stonden; desenexalleen grinnikte werkelijk van voorpleizier; de „paraziet” niet; hij kòn zelfs niet tegen geeselen-zien, ook al intrigeerde hij wel eens tegen de tweelingen....Bij het roode lichtje van descæna—den achtermuur met hooge zuilen, waartusschen nissen met beelden, vaag zichtbaar in de twijfelachtige schijnsels van flauw glimmende lampen, door flauw glorenden maanschemer heen, met de donker gestapelde schaduwen in de hoeken—pakte dedominushet pakje uit. Hij zag de twee maskers. Latinus en Thymele kwamen ook kijken.—Mooie dingen, zèldzaam! zei Thymele, de beroemde.—Of ze zeldzaam zijn! zei Latinus, eveneens een beroemde.—Cecilius, fluisterde Cecilianus tegen zijn broêrtje, beide knapen, bibberend van angst, naakt tusschen de toekijkendecaterva; twée goudstukken zijn er voor òns bij!—Laat maar, fluisterde Cecilius. Ik gap ze hem later weêr alle drie af. Silus—tot den tooneelknecht—zal je niet hard slaan?—Jij ook niet, Afer? smeekte Cecilianus. Zal je niet hard slaan? Dan krijg je....—Ja, dan krijg je van me....—Tweeas, Afer....—Tweeas, lieve Silus, als je niet hard slaat.Decatervalachte; de tooneelknechten lachten: zij hieven zelfs lachend de zweepen op.—Au....!! gilde Cecilianus en trok zijn onderrug in. Maar de knecht hàd nog niet geraakt.—Ach! riep dedominus, haastig toe tredend; sla de jongens toch niet! Het zijn bengels, maar als ze nu bij den edelen Plinius geweest zijn....—Ziè je wel? nijdaste desenextot den „paraziet”. Hèb ik het je niet gezegd? De jongens wòrden niet gegeeseld....—Maar wij spelen de Menæchmi! triomfeerde fluisterend de „paraziet”, blij om de mooie rol, die hij had in dat stuk.Desenexbromde wat: eigenlijk gaf hij de voorkeur aan zijn rol in de Bacchides.—.... En, pochte Cecilius, herademend, tot dendominus; we hebben in de villa bij Laurentum den edelen Quintilianus ontmoet en die heeft ons ondervraagd in de rhetorica....—Ja, in de rhetorica, riep Cecilianus.—Omdat die niet geloofde....—.... niet gelooven wìlde....—.... dat we wisten wat eensolœcismus....—.... eensolœcismuswas....—Wie is de edele Quintilianus? vroeg, brauwefronsend, dedominus.Nu praatten allen door elkaâr. Latinus en Thymele legden om strijd dendominusuit wie Quintilianus en Plinius wel waren; alle de komedianten, omdat dedominusverzoend scheen door de drie goudstukken en de maskers, ademden ruimer, maakten weêr grapjes, durfden weêr, bauwden na wat demimusen de danseres hem zeiden....—Wie de edele Plinius is? Wie de edele Quintilianus en Martialis? Maar,dominus, weet je dan niet....—Dat die de modèrne Latijnsche schrijvers zijn....—En...., sneden heftig de jongens door elkaâr op; we hebben er ook ontmoet den edelen Tacitus! Verginius Rufus!—Suetonius!—Frontinus, den proconsul!—Juvenalis!!!—Dominus, zeide, glunderend, Latinus—hij was lang, mager, geestig, vlug, met scherpe, ondeugende oogen—; je tweelingen hebben voor de bloèm van onze moderne Latijnsche schrijvers en dichters „Hero en Leandros” mogen opvoeren....—Bloem? viel dedominusuit. Wàt bloem? Ik geef nièts om modèrne schrijvers! Wat kunnen mij moderne schrijvers schelen! Erzijngeen moderne tooneelschrijvers en àls ze er waren, zouden ze nog nièts waard zijn! Er zijn nièmand dan Terentius en Plautus; dat zijn genieën; die hebben de Grieksche modellen zuiver weten na te bootsen....—Je moet origineel zijn, om iets te beduiden, zegt de edele Quintilianus! schreeuwde, brutaal, Cecilianus tusschen allen door, en gilde toen van angst na, want de tooneelknechten, voor de grap, klakten met de zweepen; allen lachten.—Afer en Silus, fluisterde Cecilius den kerels toe; donder nou op; we wòrden niet meer gegeeseld....Dedominusverstond hem echter.—Neen, ik zal je niet doen geeselen, ik ben àltijd tegen geeselen, dat weten jullie wel.... Als ik het met zachtheid en overreding van jullie gedaan kan krijgen, geesel ik niet....De knapen, oogenblikkelijk, bukten haastig en grepen snel hun tuniekjes... hun gordels....—Maar, bij Herklès, jongens, we geven overmorgen de Menæchmi en zonder jùllie! Begrijp je?—Wat!!? spitsten de beide jongens razende op, blonde addertjes gelijk. De Menæchmi? En zònder ons? En waarom niet de Bacchides? Ja, waarom niet de Bacchides? Hoe gemeen! Hè, hoe gemeen!! Dat zal ik.... ja, dat zal ik....Zij dachten precies het zelfde....—Aan den edelen Plinius zeggen!—En aan den edelen Martialis!!—En aan den edelen Quintilianus!!!En zij dreigden met opgestokene adderkopjes, met flonkerende oogen. Zij waren beiden razend, en, half gekleed nog, wierpen zij zich beiden, plots, als met éene ingeving hunner tweelingzielen, op den „paraziet.” Er was éen helsch geschreeuw, een tumult; ginds, in den donkeren theaterput, immensen halfcirkel vol schaduw, vaag maan-doorvloeid, zat dichter en dichter het binnen gedrongen volk te kijken. De een na den ander drong binnen; het was reeds als een voorstelling. Maar de tweelingen hadden den „paraziet” op de planken gegooid en hamerden er met hunne ronde meisjesvuisten op los. Ze speelden de vrouwerollen, maar ze waren sterk genoeg om dien „paraziet” op zijn donder te geven, schreeuwden ze. Hunne hooge stemmen galmden al het gejoel en lawaai bòven uit en ze hamerden, ze hamerden.... Lavinius Gabinius, Latinus, de anderen, trokken hen weg, hielpen den „paraziet” op; de „paraziet” stond razend, vuisten gebald; de twee jongens over hem, vuisten gebald; alle drie weêrhouden door al de joelende en lawaaiende anderen.Op depræcinctionesjoeg dejanitor, met zijn slaven, het volk weg. Door welke poort waren zij binnen gedrongen? Er was geen orde te houden, als het zoo donker was. Kom, de repetitie was uit! Weg met iedereen, wèg ook met de komedianten; toe,dominus, dejanitormoest sluiten....Boven, in den hemel, straalde de maan fèl uit. De nacht was blauw. De zilveren vloed stroomde den half ronden theaterputbinnen. Langs de schaduwlijnen der zitrijen en ommegangen dreef dejanitorde donkere schimmen der binnen-gedrongenen. De komedianten verlieten achter elkaâr hetproscænium. Er was nog vloeken, razen, dreigen, lachen, schertsen en ophitsen; er klonken gemeene uitroepen.—Cecilius, riep dedominus. Waar zijn nu de drie goudstukken van dien edelen Plinius?—Maardominus, die heb ik je in de hand gedrukt.... alle drie voor jou....—Me in de hand gedrukt....??—Ja.... Je hebt ze in je gordel gestoken....—Je liegt, ik geloof er niets van. Je hebt ze nog, jij kwâjongen. Maar weet je, die antieke maskers.... hoû ik. Hoû jij dan maar je goudstukjes....—Zeg,dominus?—Wat, bengel?—Spelen we overmorgen niet.... de Bacchides??—En wanneer repeteeren?—Morgen.... Toe,dominus; je hebt òns toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden....?—Dominus.... vleide Cecilianus met zijn liefste stemmetje. Je hebt ons toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden??—We zullen zien, mompelde, brauwefronsend, dedominus.Buiten, in de manenacht, druk pratend, lachend, dreigend, met een vloek er nog tusschen door van den „paraziet”, vervloeide decaterva, in de richting van de Suburra. Zij ging naar Nilus, avondmalen.V.Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat, voor het huis van voller en slavenkoopman, toen decaterva,mèt Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen, om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een; zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in decatervazelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de Bacchides èn de Menæchmi beiden, had dedominusmet gezag verklaard, terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene toga’s op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius te begroeten. Intusschen trok de „paraziet” dendominuster zijde, en tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken, onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de „paraziet” zijndominusfijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk niet beter zijn, meende de „paraziet”, àls de Menæchmi dan werden opgevoerd, géen tweede stuk van Plautus te nemen maar, ter afwisseling, een stuk van Terentius: de Formio of de Heautontimorùmenos? Woedend, in stilte, nog steeds op de tweelingen, stelde hij van alles in het werk hun dat successtuk der Bacchides te ontnemen. In die Bacchides speelden zij de tweelingzusjes, de twee courtizanen-tweelingen en hadden zij steeds, maskerloos, meer dan gewonen bijval.... Hij trok densenexer bij en beiden zeurden nu aan desdominus’ ooren; uit nijd en afgunst desenex, die, jong, altijd gemaskerd moest spelen; uit wraakzucht de „paraziet”, al zoû hij zijn mooie rol in de Menæchmi toch misschien kunnen luchten.... Neen, zeide dedominus: Terentius hadden zij in Neapolis heelemaal niet gespeeld; Plautus zat er beter in bij heel den troep.... Terentius was zoo fijn, meende de „paraziet”, zoobeschaafd, zoo Attiesch, zoo welluidend van titels: Heautontimorùmenos.... Jawel, jawel, meende dedominus.... Terentius èn Plautus beiden waren de genieën, de klassieken—modern was er niets. Maar toch, er wàs geen tijd Terentius op nieuw heelemaal in te studeeren en de voorstellingen, zie je, moesten puik zijn; denk toch, voor de Megalezia, te Rome....! Achter hun drietal stieten de tweelingen elkander aan, hadden de samenzwering wel in de gaten, maar waren reeds zeker van hun Bacchides. Koesterden niet de minste vrees meer.... Dien middag werden de Bacchides gerepeteerd en ze zouden nu niet meer er van door gaan, zelfs al riep de genadige Domitianus zelve hen in zijn keizerlijken draagstoel.... Zij bleven vlàk achter hundominusen zouden hun zaak niet meer bederven: zij zouden nu oppassen, hoor! En zoodra zij kans zagensenexen „paraziet” weg te duwen, voegden zij zich aan weêrszijden van dendominusvol zoete woordjes, gevlei, flikkeflooiden zij hun meester, beloofden héel mooi te spelen en te zeggen, en Cecilius vroeg en Cecilianus vroeg na, of het niet aardig zoû zijn hun koppen te maken, hun gezichten te schilderen naar de antieke maskers van den edelen Plinius? Dedominusbewonderde hun inval: toch wel aardige, knappe jongens; ze hadden talent meer dan gewoon, zèker geërfd van hun vader Manlius, die eenhistriowas geweest.... En hij zei van ja, altijd ingepalmd door die twee. En zoo bleven zij den geheelen tijd om hundominus: „dominus” hier en „dominus” daar; in de Thermen verlieten zij hem niet, maakten grapjes en iedereen keek naar hen, omdat zij zoo mooi naakt in het water waren en dedominuswas trotsch op hen en verheerlijkte tusschen hen beiden. Een oude bader, half kaal, met grijzen ring haren en een dikken buik boven zijn altijd afvallenden badmantel bombeerend, wenkte dendominusen decapsariïzeiden, hij was de schatrijke Sextilianus en daarom ging dedominusnaar den dikbuik toe. En Sextilianus bood dendominustweehonderd-vijftigduizendsestertiën voor de beide tweelingen, als hij ze verkoopen wilde. Het zal niet gaan! riepen Cecilius en Cecilianus na, overtuigd van hun onverkoopbaarheid. Het was toch een goèd bod; een gewone slaaf-van-waarde kostte zoo ongeveer honderdduizend sestertiën. Maar dedominus, vlug, berekende toch, dat de tweelingen hem in decatervaniet minder opbrachten en hij zeide Sextilianus, dat hij ze niet missen kon, nu vooral niet, in de Megalezia.... Of ze dan niet eens konden komen voordragen, tijdens een banket.... Neen, neen, fluisterden de tweelingen tot dendominus, lievedominus, en dat ze niet konden: ze moesten immers de Bacchides repeteeren, en morgen spelen? Dag aan dag spelen.... Misschien niet dàg-aan-dàg, meende dedominus, als de Menæchmi.... Dus toch de Menæchmi? fluistervroegen de jongens en duwden dikken, schatrijken Sextilianus, die tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor hen geven wilde, met den elleboog weg. Om de beurt: Menæchmi en Bacchides? Om af te wisselen? Nu goed dan, maar dan ook de rol van Erotium, aardige deerne-rol, nu eens door Cecilius, dan eens door Cecilianus laten spelen, hè? Clarus, die hem gisteren gerepeteerd had, was toch eigenlijk beter in eenmatrona-rol, had niet de intonatie van demeretrix. Vond dedominusniet? En ze vleiden en ze flikkeflooiden en dedominus, hoewel steeds met een autoritairen frons tusschen de brauwen, gaf toe, gaf alles toe, op éen voorwaarde; dat ze nooit meer zoo een heelen dag weg liepen en hem in ongerustheid lieten.... Een moord, ja een moord en een diefstal.... In de Carinæ.... Het was een ontroering: Rome was niet veilig; de Viermannen zorgden heelemaal niet voor de nachtelijke veiligheid; schorrie-morrie dwarrelde ’s nachts altijd rond tusschen de zuilen der portieken; dat waren decolumnariï, zoo als de Romeinen hen reeds noemden: dieven en moordenaars en ’s nachts krioelden ze in de Suburra, in al de kroegen, taveernen, bordeelen. Ja, zeiden de jongens ensneden op: gisteren nacht, toen zij langs de Portiek van Octavia waren gegaan, had het er gekrioeld vancolumnariï, allemaal moordenaars en dieven. En de eene dronkelap, dien zij hadden gezien en uitgescholden, werd in hunne verbeelding een bende boeven en roovers en zij vertelden ervan hoe zij waren nagezeten, hoe zij hadden gevochten en de baders verzamelden om hen. Zij stelden zich aan, hingen ieder aan een arm van hundominusom toch goed te laten zien, hoe goede vriendjes zij met hem waren en dedominusliep er in, geloofde, dat zij gevaar hadden geloopen, vloekte, dat zij zoo onvoorzichtig waren, drukte hun op het hart voortaan niet alleen door die groote stad te dwalen. Een man vermoord....? Ja, een man.... neen, tòch een vrouw.... En plotseling, op den drempel van de Thermen, die zij verlieten, om vlak bij, staande, in een taveerne, gestremde melk en honigkoek te eten, hoorden zij wie er die nacht vermoord was in de Carinæ.... Het was Nigrina....! Wie, Nigrina? Wel, de zwaardvechtster, je weet wel; ze trad in het Colosseum op tegen een beer of een tijger, soms tegen een anderen zwaardvechter of -vechtster en zelfs kerels hadden ontzag voor haar; ze was een patricische en de vrouw van een senator, die was al lang om het een of ander door den Keizer verbannen en zij was nu vermoord.... Nigrina, die met Fabulla....? vroegen de jongens. Ja, die natuurlijk, diè, en de jongens beweerden wereldwijs, dat zulke hooge vrouwen ook niet onder het volk moesten komen; dat liep altijd slecht af.... En onder elkaâr smoesden zij, toch even beïndrukt, als het wèrkelijk Nigrina zoû zijn, dat zij het er altijd goed hadden afgebracht, van hun nachtelijke avontuurtjes en onverwachte uitnoodigingen.... En, voor de taveerne bij de Thermen, bestormd door de baders, die er de roode kommetjes gestremde melk uitslurpten, besprak decaterva, bespraken alle de ontbijters het geval.... Neen, het wàs nièt Nigrina, hoorden zij nu weêr.... Wie het dan wel was....? Crispina, de Egyptische, de zuster vanCrispinus, den gunsteling van den Keizer. En dedominusschrikte wel, toen hij hoorde, dat het Crispina was! Crispina, de moeder van de tweelingen, die met Manlius, denhistrio, in der tijd.... Maar het was niet Crispina.... Er was heelemaal geen moord gepleegd.... Jawel, jawel.... Dus toch de Bacchides? Die verdomde jongens, ze kregen toch altijd hun zin. En de komedianten overluisterden ook een twist van Clarus en Cecilianus:—Jij bent maar eenmatrona-jongen, zei Cecilianus hoog; alleen mijn broêrtje of ik kan Erotium spelen....—Zoo, ben ik maar....? begon Clarus woedend; hij was al in de twintig, zijn stem werd al te mannelijk; hij moest die forceeren naar de hoogte toe.—Ja, en jij hebt de stem van een vènt, minachtte Cecilianus en Clarus werd rood van boosheid maar desenexwenkte hem en zij smoesden, terwijl allen nu, langzaam, slenterend, op weg gingen naar het Pompeïus-theater, voor de repetitie.De tweelingen lieten niet af van dendominus. Zij lieten zich niet meer afleiden door al het geklets en gekakel over den moord, hier, vlak bij de Carinæ, wier rijke huizen zich daar ginds verloren, weg verschoten in een fijn geschaduw van tuinen, van sycomorengeschemer en platanengeblaârte, doorzond door de nog jonge, gouden zon. Voorname draagstoelen wiegelden aan, aangekondigd door geklikkak van zweepen. Bevalligecarpenta, met een of twee paarden, deden de voetgangers haastig schuil zoeken op de nauwe vluchtrichels; zwarte slaven, laatdunkend, stieten hun schreeuw van aankondiging uit. Decaterva, vaak na gekeken, herkend soms toe geroepen:histriones!, slenterde onverschillig voor de algemeene minachting, langzaam een eind de Sacra Via op, door den Titusboog....—De Joodsche Kandelaar! wezen de tweelingen dendominus.—Hebben jullie dan àlles al weêr in Rome gezien? vroeg dedominus, steeds tusschen hen beiden in, langs de trappenvluchten van het Flavische Paleis....—Daar woont de Keizer, wezen de jongens; en hier heeft de edele Plinius ons in zijn draagstoel meê genomen....Dedominuswist wel, dat de Keizer daar woonde, maar sommige komedianten, die nooit in Rome waren geweest, stonden stil, gaapten naar die prachtige, Olympische woning, zuilende op den Palatinus, tegen de doorzichtigheid van blauw kristallijnen Aprillucht.... En de jongens wezen, pedant, omdat ze het wel wisten, meér hadden gezien, aanservusen andere bemindecaterva-leden....—Het paleis van den goddelijken Domitianus....Zonder dien beroerden „paraziet” ensenexmet een blik te verwaardigen....En zij slenterden door de drukte verder. Nu was het zoo druk, voor het Huis van Vesta, en den ronden Vesta-tempel, bij den Tempel van Castor en Pollux, dat zelfs hun groote troep niet meer in het oog viel. Zij werden niet meer opgemerkt; zij zagen er bijna uit als iedereen; zij werden niet meer nagejouwd; hier verdrong zich en woelde de menigte. Steeds schreeuwden de voorloopers van draagstoelen encarpenta, klakten de zweepen, en de drukke stemmen lawaaiden luider, lachende, twistende, schertsende tegen elkaâr in. De tweelingen lieten dendominusniet meer los, hielden hem ieder aan een slip van zijn tuniek.... Zij genoten van de volte, de drukte. Zij wezen dendominusde Basilica Julia; zij wisten dadelijk in iedere vreemde stad den weg. Waarlijk, Rome herinnerden zij zich weêr, van drie jaren her, toen ze nog ukjes waren geweest.—De Basilica Julia weet ik ook wel, bromde dedominus.In de Baziliek verdrongen zich de wandelaars, schuilende voor de al warme zon. De schaduw koelde blauw tusschen de zuilen. Straatjongens speelden damspelletje op de, in de marmeren tredendoor hen gegroefde, vierkante lijntjes.... Meiden met kleurige toga’s om—want de deerne droeg de „toga” en niet als dematronastolaenpalla—wandelden daar, wapperden met hare franjes, buitensporig gekapt, lonkten met geschilderde oogen.... Pleitbezorgers stonden met hunne slachtoffers te redetwisten, druk over hun hangende processen, met de duimen stavende hun bewijsredenen. Senatoren, in rood omzoomdelaticlavia, begroetten elkander, deftig. En het was als kleur een even bont, maar zacht bont getinte, grauwige blankheid, om de weêrschijningen van al het marmer van het dicht op elkander bebouwde Forum: de tempels, de bazilieken, de zuilen, de trappetreden, de tallooze beelden, die alle de blauwige schaduwen sloegen.—Hoe nu? vroeg dedominus, een oogenblik de kluts kwijt.—Den Vicus Tuscus door, natuurlijk! oriënteerden zich de jongens dadelijk.—Den Vicus Tuscus, natuurlijk! herstelde zich spoedig dedominus.De jongens hìngen aan hem, lieten hem niet meer los, na de les van gisteren avond. Zij zouden hun Bacchides niet meer verliezen. Zij zouden zich vast klampen aan hun Bacchides èn aan hundominusen zij liepen met hem vooruit: decaterva, slenterend, volgde, vol commentaar.Langs den Vicus Tuscus, die van het Forum naar het Circus Maximus leidde, rijden zich de winkels. Hier stond het beeld van den god Vertumnus, god van alle wisselvalligheid, god van goed en slecht weêr, god ook van koop en verkoop. Hier waren de voorname zijdehandelaars, en op hun toonbanken plooiden zij voor de koopende vrouwen de kleurige, ritselende lappen uit, juist geschikt voorstola,palla,toga. De matronen verdrongen zich met de deernen, deden de stoffen knisteren in hare vingers. De goud- en zilversmeden stalden hun goudsmeêwerk, hun zilveren vaatwerk uit; de geurwerkers, in tal van kleine vaasjes van onyx,albast of goedkooper steen hadden in zeer kleine winkeltjes op planken hun koopwaar sierlijk uit gestald. Een barbier voor aanzienlijke klanten er naast. Open waren alle de winkels; het was alles klein, druk, vol, rumoerig en roezemoezig op elkaâr. Lavinius liep even bij Cosmus in. Het winkeltje, hoewel open, geurde een nardus-potje gelijk.—Ik breng alles van daag in gereedheid,dominus! verzekerde Cosmus. Al je zalven, verven en poeiers....—Maar dènk, vriend Cosmus, dat ik een arme drommel ben, die zijn geld moet verdienen!—Kom, kom, je zit er goed in! meende Cosmus.Dedominussloeg de armen op en uit, de tweelingen dicht naast zich. Er goed in?! Hij, een vrijgelatene, die vroeger, zelf slaaf, komediant, nu ja een beetje van alles gespeeld had, vrouwerol, „paraziet,”senex, tot hij zich had vrij gekocht en eengrex, o een kleine maar, had kunnen verzamelen....—Wees maar niet bang,dominus; Cosmus zet je niet af, verzekerde de geurwerker; ik ben ook vrijgelatene, maar ik ben ook cliënt van een aanzienlijken patroon, van den schatrijken Sextilianus....—Die ons woû koopen...?—.... Ja, woû koopen....—.... Voor tweehonderd....—.... vijftigduizend sestertiën!! vielen de tweelingen samen in.Cosmus lachte; Lavinius nam afscheid. Hij liep nu het Argiletum op, waar de boekenwinkels waren en den winkel van Tryfo binnen. Reeds had hij afgesproken met Tryfo, dat hij hem zijntitulïleveren zoû, om aan te plakken op de hoeken der straten en Thermen. En hij woû nog eens gaan hooren, want de tijd vloog om....—Dag Martialis! Dàg Martialis! begroetten de tweelingen den dichter, die juist bij den boekhandelaar was om te hooren of zijnlaatste epigrammenbundel goed werd verkocht.Dominus, dit is Martialis....!Dedominuswist nu wel wie Martialis was. Een moderne epigrammendichter, wiens epigrammen dóoden konden.... Verbeeldt je, als hij eens epigrammen, venijnige, dichten ging op hèm, op zijngrex, op de voorstellingen, die hij zoû geven! En hij dacht, dat het goed zoû zijn, zeer hoffelijk Martialis te groeten.—Edele Martialis!! groette dedominus. Wat ben ik verheugd u te mogen begroeten, u, den geestigsten Romein onzer dagen! Wat zal ik het waardeeren, zoo niets u verhinderen zal onze voorstellingen bij te wonen! Vooral de eerste, waar alles wat Rome voornaam, aanzienlijk, geletterd, geleerd bezit, zal samen stroomen!—Ik zal komen, ik zal komen, Lavinius, verzekerde Martialis; en wij zullen allen komen: Plinius, Quintilianus, Tacitus, Frontinus, Suetonius....—Hooge eer doen de groote schrijvers mij aan en de edele proconsul en de alleredelste Plinius, verzekerde Lavinius Gabinius; en wij zullen de Bacchides, hoop ik, tot hun aller genoegen opvoeren.—De Menæchmi.... Las ik ten minste op deacta diurnain het Forum, Lavinius....?—De nieuwsberichten, meende, hoffelijk glimlachend, dedominus; zijn nooit héelemaal juist ingelicht. Wij zullen spelen, edele Martialis, misschien een enkelen keer de Menæchmi, maar vooral de Bacchides, vooràl de Bacchides....—Daar spelen wij....—.... Ja, wij....—De hoofdrollen in! riepen de jongens.Maar Tryfo rolde-uit een groot perkament.—Zie hier,dominus....—Mooi zoo! riep dedominus, dadelijk getroffen.En zij lazen allen, Martialis,dominus, knapen het groote perkament van dentitulus, dedidascalia, het programma:Acta Ludis Megalensibus.—Vindt je die roode en zwarte letters mooi,dominus? vroeg de boekhandelaar, te gelijk uitgever en vrijgelatene, éen der cliënten van Plinius. Hij was meester van zeer knappe copiïsten: die zaten achter in een zaaltje over te schrijven en keken nieuwsgierig op, hunne stiften in de hand.... Martialis vroeg even, ter loops....—Uw epigrammen, edele Martialis? Zeker, ik verkoop ze, ik verkoop ze.... De laatste bundeltjes zelfs voor drie-en-een-halveas. Iedereen wil ze hebben, grif gaan ze weg. Dus mooi, niet waardominus; die roode en zwarte letters en mooi groot, niet waar, dat treft dadelijk:Acta Ludis Megalensibus.Lucio Sosibiano et Marco SofronioÆdilibusCurulibus.—Zoudt ge niet de namen van deædilen, beste Tryfo, meende dedominus, met iets grootere letters laten schrijven?! Dat doet altijd pleizier, weet ge.... Wat vindt gij, edele Martialis??—De namen van deædilenzoo groot mogelijk, Tryfo, zoo groot mogelijk!—Goed dan,dominus; zeker, Martialis; de eigennamen iets grooter dan, met iets meer rood er tusschen? Maarædilibuscurulibus?—Zoo laten, zoo laten, meende Martialis.—Ja, zoo laten, meende dedominus, en de jongens bauwden na:—Zoo laten! Niet met grootere letters:ædilibus curulibus!Tryfo wees en las verder:Door den beroemden Troep—Neen, zei dedominus: niet „beroemd”. Ik wil niet: „beroemd”.—Je hebt een beroemden troep, Lavinius, verzekerde Martialis. Je bent zelf beroemd.—Ik bèn het, zeide dedominus, met kalme eigenwaarde; maar het staàt niet.... het staat niet waardig. Het staat zoo weinig letterkundig, artistiek: het doet zoo aan als een opschrift voor koordedansers en berenleiders. Neen, Tryfo, ik wil niet „beroemd”....—We zullen dan niet „beroemd” zetten,dominus. Dus:Door den Troep....—Ja;door den troep....—Met roode letters:troep....?—Ja,troeprood: rood en zwart samen doen mooi.Tryfo ging voort:Door den Troep van Lavinius Gabinius.—Goed zoo, meende dedominus, nu „beroemd” was door geschrapt, en las nu zelve:Hymne en Voorspel met Dans, Zang en Fluitspel.Muziek van Atillius Burrhus voor Rechter- en Linkerfluiten.—Je copiïsten zijn kunstenaars, Tryfo, meende Martialis.—Het is heùsch nog al mooi geschreven, bracht Cecilius in het midden, met jeugdige, wereldwijze waardeering.—In Alexandrië schreven ze dedidascaliamet gouden letters, fluisterde Cecilianus echter minachtend.Maar voor de deur van het winkeltje verdrongen zich nu de komedianten en iedereen las op zijn beurt, hard op:—Acta.... Acta Ludis.... Acta Ludis Megalensibus....Daarnalazen dedominusen Tryfo te gelijker tijd:De Bacchides van Plautus.—De Bacchides! De Bacchides!! klapten de tweelingen zegevierend in de handen. De Bacchides!!!En zij zagen om naar de deur: daar verschenen de gezichten van densenexen den „paraziet”. Nu, dacht desenex, hij had toch een aardige rol in de Bacchides. Maar de „paraziet” was bleek van woede en beloofde zich zijn lamme, kleine rol slècht te spelen, zelfs al zoû dedominushem een kwaad ding doen....—Staan onze namen er nu niet eens onder?? vroegen te gelijker tijd de tweelingen. Waarom staan onze namen er nu niet eens onder?—Dat is geen gewoonte! zei dedominusbeslist.—Heelemaal niet! zei Tryfo.—Wijk maar eens van de gewoonte af, ried Martialis aan. Mooi zoo: daar valt mij een epigram op „De Gewoonte” in! Dat heb ik ten minste al weêr!Maar Lavinius en Tryfo beiden waren het met elkaâr eens, dat een strenge traditie gehandhaafd moest worden in dentitulus.—Didascalia, verbeterde eigenwijs Cecilius, die het Grieksche woord mooier vond.—....Didascalia, bauwde Cecilianus, klein mondje, na.—Ziet u, edele Martialis; detitulusmàg niet afwijken van de antieketutulï, zooals Plautus en Terentius ze gaven.—Jullie tooneelvolk groeit vast in je „traditie” en gewoonte, meende Martialis.En hij zelve herhaalde nu:De Bacchides van Plautus.De geheel Grieksche handeling valt voorte Athene.Daarna:VerschillendeATELLANÆmet Zang, Dans en Fluitspel.Muziek van....—De namen van die muziekmakers worden wèl genoemd, viel Cecilianus Martialis in de rede.—.... Wèl genoemd, kwam ouder broêrtje nijdig na.Daarna,lazen zij alle drie, dichter,dominus, boekhandelaar:DE KOFFER,Mimusspel van Publilius.Gespeeld door den beroemden Latinus....—Latinus wordt oòk al genoemd! siste nijdig Cecilius; broêrtje siste dadelijk na....En....ging Martialis voort, met een ondeugenden blik naar de tweelingen:Door de zeer beroemde Danseres.....—Oooh!! verontwaardigden zich de tweelingen.„THYMELE”voltooide Martialis.—Een vrouw!! krijschten de tweelingen te zamen, de vuisten ballend. Alleen maar een danseres! Nièts dan een danseres! Thymele, verbeeldt je! Wordt die oòk al genoemd! En nog wel geschreven met zulke groote letters, heelemaal rood! Heelemaal rood!—Dat is de gewoonte, zei Tryfo. Thymele en Latinus worden altijd genoemd.Mimusen Danseres....—En waarom niet decomœdi?? protesteerden de tweelingen.—Om de „traditie”, komediantjes! plaagde Martialis.—Wij mimeeren ook, wij dansen immers ook....—.... Zijn ookmimusen danser....Ten slotte:viel dedominusin met autoritaire verheffing van stem om die dondersche tweelingen toch te doen zwijgen: de heelecatervanu gluurde binnen, kop na kop en las, hard-op, een voor een:—.... De Bacchides.... Dus de Bacchides?....Daarna....De Koffer....? Latinus en Thymele?LAUREOLUSGroot Exodium-Spel.Gespeeld door den allerberoemdstenarchimimusLentulus, ving Martialis het van dendominusop.—Allerberoemdst! Allerberoemdst!! raasden de beide jongens: de blonde koppen naast elkaâr hadden nijdige adderbewegingen rond dendominusen ze fluisterden na, ze flikkeflooiden....; mochten hun namen oòk niet....??—Kom, pleitte Martialis;dominus! Laat nu maar schrijven door de copiïsten met véel rooden inkt:De Bacchides van Plautus,Waarin de hoofdrollen zullen gespeeld worden door mijn twee onvergelijkelijke tweeling-comœdi, Cecilius en Cecilianus....Tryfo lachte. Dedominuswerd zenuwachtig.—Edele Martialis, waarlijk! En jùllie jongens, hoor nu even toch.... Gaan jùllie toch dóór, naar het Theater?! donderde hij decatervatoe, die bleef kijken: de koppen, plots, verdwenen: het daglicht viel helderder neêr over den, door Tryfo steeds opgehouden, uitgespreidentitulus:—Je weet, ik doe voor jullie wàt ik kan! Jullie zijn ook lieve, aardige jongens....—Blonde schàtten! prees Martialis.—Jullie spelen goed, zeggen móoi; ik geef het àlles toe, jullie spelen de Bacchides....—Als èchte Bacchides! viel Martialis in.—Maar....—Maar.... echode Martialis.—De traditie, zie je, de traditie....—Ja, de „traditie”, knikte Martialis den jongens toe.—.... Wil niet, ging Lavinius door; wil niet....—.... dat jullie namen worden vermeld, viel Tryfo in en rolde dentitulusop....—Neen! herwon zich Lavinius. De traditie wil het niet. En dat is heel goed.... Kijk, hetmimus-spel blijft altijd een kijkspel, zonder zèggingskunst, nu ja, mimiek, dans,saltatio, dat kan alles heel mooi worden en we zullen ook pogen het zoo mooi mogelijk te doen, maar het evenaart nóoit de èrnstige, hoogere komedie, depalliata, het Grieksche blijspel, verlatinizeerd, maar tòch Grieksch, onherroepelijk Grieksch en daarom alléen al, naast de tragedie, het hoogst staand van alles wat op de planken vertoond wordt, vertoond kàn worden.... En, zie je, jongens, ziet ge, edele Martialis, we kùnnen niet, we mògen niet, in iets van depalliata mimus-manieren aannemen, zèlfs niet in dentitulus, waarin noch de Grieken, noch Plautus, noch Terentius de namen van de spelers ooit hebben vermeld; we moeten trouw aan de traditie blijven, de hooge traditie en jullie mogen niet, neen Martialis, ge moògt niet aandringen op die vermelding van de namen der hoofdrolspelers, en dat nog wel met rooden inkt, veel rooden inkt: neen, Martialis, ge moògt niet!!Op eens schrikte Lavinius.—Tryfo!! riep hij. Tryfo! De namen van de Consuls zijn toch niet vergeten onder aan dentitulus?—Heb geen vrees, Lavinius, zei Tryfo; voor de autoriteit heb ik minstens even veel eerbied als jij.... Ze stáan er op: onderhet Consulaat van.... Zie je wel?—plooiende de rol nog even open. Dus alles in orde, Lavinius? Edele Martialis, vindt ge het dan goed, dat de copiïsten het schrijven van uw laatste bundeltjes staken voor van daag en morgen? En met detitulïbeginnen? Er is zoo veel aan te doen! Om aan te plakken in het Forum, de Baden, bij het Velabrum, het Theater.... Ja, druk, drùk is het leven, edele Martialis, voor een boekhandelaar in Rome!—Druk is het, beste Tryfo, voor een armen dichter, die van epigrammen leeft!—Maar druk ook, met uw verlof, edele Martialis, zei Lavinius; voor eendominusgregistijdens de Megalezia. Ik moet weg: repeteeren moeten we, den heelen middag....—De Bacchides! verzekerden de jongens trotsch.Het stond nu op dentitulus; zij waren nu zeker van hun zaak. En zij namen alle drie afscheid van Martialis, die terug moest naar zijn huisje, heelemaal bij de Porta Nomentana, en te voet....—Heb je je vijfde epigram voor den Keizer gisteren avond nog gevonden? vroeg Cecilius, al gemeenzaam met den jovialen dichter.—Hèb je? riep Cecilianus na.—Ik heb, ik heb, ocomœdider hoogerepalliata, arme roode inktlooze slachtoffers van de traditie, blonde Bacchides-spelertjes met je aardige bakkesen! declameerde Martialis en wuifde ze toe, glimlachte ze toe met zijn Silenus-glimlach.Zij wuifden, lachten terug; dedominusdrong ze vooruit. Decatervawas reeds een eind voort geslenterd; ja, de tweelingen bleven altijd de lievelingen. Wat wil je, hè; er waren er àltijd een paar, die....De jongens, alleen met dendominus, verzekerden hem sentimenteel, dat zij èrg veel van hem hielden.... Dat zij hem nooit zouden willen verlaten, zelfs al werden ze rijk.... Ze hingen hemieder aan een arm, gezellig slenterend met hun drieën, terwijl zij het Velabrum overstaken.... Daar was de markt nog in vollen gang; in Rome begon het huishouden laat. Daar waren de slagers, poeliers, warmoeziers, de banketbakkers, ooftverkoopers.... Daar waren de sneeuwverkoopers.... Onder bonten zeiltjes, kraampjes met afdakken, onder groote zonneschermen krioelde en woelde het marktgedoe. Vrijgelatenen, intendanten van rijke burgers, bevalen hun slaven de inkoopen in manden te bergen; vrouwen dongen, venters scholden terug, gaven toch toè, riepen dan weêr aanprijzende. Op den weg gingen onder oorverdoovend geschreeuw, geklak, gevloek, de karren elkander voorbij, reden op muilezels en ezels, ter weêrszijden beladen, de koopers met hunne korven provizies.—Goed geluk! riep Nilus plots van zijn ezel hun toe: hij had zijn inkoopen gedaan; ter weêrszijden van zijn lastdier hingen de korven vol geladen met den voorraad voor decena.—Goed geluk! riepen Lavinius, de knapen: basroep tusschen soprane-gilletjes.—.... Heb al decatervadaar ginds gezien! riep Nilus van af den ezel. Heb jij van den moord gehoord?—Ja.... Nigrina....? Maar nièt Crispina, hè?—Nigrina.... Vermoord!! Keèl afgesneden!.... Is de moèite waard zwaardvechtster te zijn om vermoord te worden door een dièf! Of een weggeloopen slaaf!!—Door wiè? Een dièf?.... Weggeloopen slaàf??—Klanten van mij.... Maar niet zeker: dief òf slaaf....De jongens keken elkander aan, zeiden niets van hun ontmoeting van gisteren avond, bang voor het gerecht in Rome.—Beiden? vroeg Lavinius.—Wie weet! Kom je van avond?—Ja! Avondmalen.... Nà de repetitie!—Zal de lange tàfel voor je open houden, hoor!—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd?? gilde Cecilius.—Picenum-broodjes? gilde Cecilianus hooger.—Op je lieve snoètjes!! riep Nilus.De ezel sloeg de achterpooten naar boven. Wie volgde, vloekte. Nilus vloekte terug, reed toch voort, spoorde met de hielen het beest. De jongens schaterden, zoo maar, om de vroolijkheid....—Vlug toch, jongens; we hebben nog zoó veel te doen....—Ja ja, de Bacchides! De Bàcchides!! triumfeerden de jongens, vroolijk.Zij liepen nu haastiger, duwden zich brutaal een weg door de markt.—Bijna zoo aardig als in Alexandrië.... glunderde Cecilianus, wereldwijs, hàd de wereld gezièn. Maar aan het einde van het Velabrum was de slavenmarkt en zij hoorden de uitroepers prijzen.—Even kijken? vroeg Cecilius dendominus.—Ja, even kijken? kwam Cecilianus na.—Waarom niet.... meende dedominus.Je wist nooit.... Geld had hij nu, voorschot van deædilen, in bewaring gegeven bij een bekenden wisselaar en àls hij op de markt eens een goed slaafje aantrof, dan was het in Rome, waar de groote slavenmarkten waren, geen kwaad zaakje er éen te koopen.... Een knaapje, om op te leiden voor vrouwerol als de tweelingen te oud zouden zijn....Zij liepen naar de slavenmarkt. Het krioelde en joelde er en de stemmen woelden door elkaâr. Het was daar aan het einde van het Velabrum een soort baziliek, zuil-overdakt, waar de slavenkooplui hunne slaven ten toon stelden. Zij betaalden voor hunne standplaats, zooveel voor iederen slaaf. Dedominustrof er den slavenkoopman Autronius, die over den voller woonde, aan wien behoorde het huis, waar degrexinwoonde. Er was hoffelijke begroeting tusschen koopman endominus.—Ik kom eens kijken, zei Lavinius, met de twee jongens hem ieder aan een arm slingerslenterend.—Ik dacht, dat je Cecilius en Cecilianus verkoopen kwam, zei voor de grap Autronius; hij was dik, kaal, gewichtig-joviaal.—Dat kan je denken! zei Cecilius.—.... Kàn je denken; echode Cecilianus. „Hadt je me maar!”—.... „je me maar!!”—Misschien zie ik een slaafje op de markt, zei dedominus, keek rond.—Wat moet je met een nieuw slaafje? stelden de jongens belang.—Ik heb van daag niets dan Daciërs, zei Autronius. Dat is niets voor jou. Kijk, daar zijn ze!En hij toonde zijn Daciërs; drie had hij er reeds verkocht; negen zaten er nog op een bank; zij kwamen van den Ister, drie vrouwen, zes mannen; zij zwegen, zagen weemoedig;....—Ik dacht, zei dedominus, voor de grap; dat je niets dandacicihadt, de gouden muntjes, die onze genadige Keizer heeft laten slaan....—Ik had lieverdacicidan Daciërs,dominus, weet dat wel, grappigde Autronius; die Daciërs zijn alleen maar sterk, maar stèrk zijn ze en jong....—Nou, die eene meid....—Nog geen twintig jaar,dominus, dat verzeker ik je: een flinke deerne; wil je haar niet?? Voor tweehonderd-vijf-en-twintig sestertiën? Uitroeper, roep eens mijn Daciërs uit....De uitroeper riep, met galmende stem:—Daciërs, sterke Daciërs, sterke mannen, knappe vrouwen! Daciërs....—Ik heb nooit meiden noodig, zei dedominusgoedig; in mijncatervadoe ik het alles met mannen en jongens af....De beide jongens giechelden: zij kregen van dendominusieder een klap en een stomp.—Die blagen! zei dedominus; ik meen....—Blonde blagen! prees dikke Autronius; verkoop ze me maar,dominus!—Voor meer dan Sextilianus....?—.... Sextilianus woû geven?? blageerden de tweelingen.Het gegil, gegalm, uitgeroep was oorverdoovend: dedominusvroeg:—Autronius, heb je al je „kostbare” verkocht?—Neen, nog niet,dominus: die hoû ik in eere. Ik laat haar hier niet zitten, weet je; ze is te fijn daar voor. Ze is een Grieksche, uit Lydië en ze gaat op de muziekschool. Ze leert fluit spelen, zingen, dansen.... Als je haar gebruiken kunt....—Dedominusdoet het alles met.... begonnen de tweelingen te plagen.Maar dedominussloeg ze voor hun brutale monden.—Kom, nog eens rond kijken, meende hij.Een uitroeper riep een neger uit. De neger stond, breede borst, spande zijn biceps, zijn dij en de koopers voelden. De uitroeper beval den neger zijn mond te openen en toonde zijn witte tanden.—Gaaf allemaal, gaaf allemaal! riep hij uit. Geen éen tand er in gezet! Twintig-duizend sestertiën....—Hm! bromde dedominus; allemaal krachtpatsers vandaag; iets fijns is er niet bij.... Heb je niet een heel jong ventje, dat ik drillen kan voor mijncaterva?—Hoe oud? vroeg de koopman.—Zoo jong mogelijk; dan leert die goed....—Dominus, riepen de jongens. Wat moet je nou met een jong ventje?—Je hebt immers òns!!De koopman had niets op dit oogenblik. Sterke slaven werden het meest gevraagd; jonge slavinnen....—Ja, beaâmde dedominus; het moet altijd een buitenkansje zijn voor mij....—Een gestolen jochie, hè? fluisterde de koopman, met een blik naar de tweelingen: zij voelden den neger de armen, de dijen en, vol belang, schudden zij aan zijn tanden, terwijl de neger roerloos bleef.Dedominushaalde de schouders op, minachtend; al kletste hij er nooit over, hij wist maar al te goed, dat hij de tweelingen van Manlius en Crispina nièt had gestolen.... En hij grinnikte nu, blij om zijn goede kans, dankbaar aan Fors Fortuna, en verteederd: was hij niet altijd als een vader voor hen geweest?—Kom jongens; kom meê! riep dedominus. Jullie willen toch niet dien neger koopen....—Waarom niet?—.... niet? blageerden de jongens en hingen weêr aan, aan Lavinius’ armen.—We moeten voort maken, spoorde dedominusaan.Zij liepen het Forum Boarium over, tusschen den drek der runderen: dien morgen was het veemarkt geweest.—Abah! klaagde Cecilianus. Zoo vuil! Tusschen die groote hoopen! Het is vuìl, hier in Rome, hoor. Vergelijk dat nu eens met Alexandrië! Daar wordt alles schoon gehouden door de ibissen, die er van den reinigingsdienst zijn.—Ja, de ibissen, zei Cecilius.—Die eten toch geen koeiendrek! wierp Lavinius tegen. Kom toch, vlugger vooruit, dondersche slenteraars....Maar was het nog modderige, bevuilde Forum Boarium vlug over te steken, er wàs niet zoo heel vlug te gaan, onderlangs den Capitolinus en langs het Theater van Marcellus. De Portiek van Octavia krioelde stampvol tusschen hare driehonderd zuilen: vele advocaten, pleitbezorgers, processe-jagers....—Ik word zoo moê, zei Cecilianus; hij keek naar zijn gele schoentjes, of ze niet èrg vuil waren geworden.—Dan zullen we maar de Menæchmi repeteeren en niet de Bacchides.... plaagde dedominus.Maar de jongens lachten, waren heelemaal niet meer bang.—Daar zijn we er! zei dedominus.De jongens zagen op. Gisteren nacht hadden zij het Theater van Pompeïus slechts vaag, donkerend, gezien in de nachtschaduw of doorvloeid van telkens verschemerenden maneschijn. Nu zagen zij het, in stralenden zonneschijn. Het halfrondde zijn statigen boog omhoog, onder den glorenden, blauwen ether. Het verrees hoog zijn drie verdiepingen op de eerst Dorische, dan Jonische, ten hoogst Corinthische zuilen. Marmeren beelden, glanzende blank, bekroonden den hoogsten ommegang, gebarend tegen het transparante azuur. In de nissen der muren rijden zich eveneens de beelden. De deur van hetpostscæniumstond open; decaterva, een voor een, slipte, slenterde er door heen, toen dedominusen de jongens naderden.Ze keken alle drie op.—Toch een móoi Theater! bewonderde dedominus.—Ik heb het gisteren nacht nièt goed kunnen zien, zei Cecilius.—Het is móoier dan het Theater te Alexandrië! gaf Cecilianus toch wel toe.Zij bleven, een oogenblik, toeven, heel ernstig nu, kijken, òp kijken. En zij waren trotsch, alle drie. Dedominus, omdat hij dit maal, in den vijftienden jare der genadige regeering des Keizers Domitianus, den goddelijken Flaviër, de Megalezische Scenische Spelen zoû inwijden in dit prachtige Theater, te Rome; de jongens omdat zij er zouden optreden, morgen, voor duizenden en duizenden, in de Bacchides.... de Bàcchides!!Maar voor zij binnen traden, zei Cecilius aan broêrtjes oor:—Cecilianus, nóoit zeggen, dat we gisteren avond....—Wàt?—Dien dief en dien slaaf hebben gezien, toen zij denkelijk....—Ik zal zoo gek zijn! zei Cecilianus.
IV.Het was donker van vallende nacht, toen de draagstoel door de Porta Ostiensis en langs de Zuidzijde van den Circus Maximus Rome bereikt had: de dragers, hijgende, repten zich langs het Pædagogium der keizerlijke slaven en hielden stil bij een kleine achterpoort, waarbij een wachthuis van Prætorianen; de soldaten, op een bank schrijlings gezeten, dobbelden, om een kruik wijn bij het licht der walmende muurlamp.Martialis wekte op uit zijne peinzing.—Jongens, zeide hij. Hier stap ik uit. Dit is de poort, waardoor ik den Keizer bereik. Waar gaan jullie heen?—Heer, zeide Cecilius. Wij moeten dendominuszoeken....—....dominuszoeken, herhaalde Cecilianus.—Hij zal vermoedelijk in het Theater zijn....—.... in het Theater zijn van Pompeïus....—.... van Pompeïus, natuurlijk....—Kunnen jullie het vinden, jongens? vroeg Martialis. Want jullie mogen alleen niet verder in den draagstoel....Ikheb zelfs al betwijfelbaar recht in een draagstoel te zitten!—Natuurlijk, heer; wij zullen wel loopen....—.... Zullen loopen, echode Cecilianus.Zij stegen alle drie uit; Martialis gaf drinkpenning den voorloopers. De nacht, na den schitterenden Aprildag, was vochtig: een zilveren waas hing in de lucht, als een immens, doorzichtig spinnerag.... De jongens, in hun lichte tuniekjes, rilden.—Hier, zeide Martialis—hij greep een wittelacerna, die lag in den draagstoel; doet dezen mantel aan; ik ben overtuigd, dat de edele Plinius hem in den draagstoel heeft doen leggen voor wie van ons drieën het koud zoû hebben.—Gelooft gij, heer? weifelde Cecilius.—Ik wel, zei Cecilianus; want de edele Plinius is een bizonder edel heer.Martialis sloeg de wijdelacernaden beiden jongens om en glimlachte....—Jullie zien er uit net twee kleine Dioscuurtjes, zeide hij; in dien eenen witten mantel. Ik zal eens een epigram op jullie maken. Maar nu zit ik nog met mijn vijfde in de maag, voor den Keizer.... Vier kan ik er hem niet toe dienen, dàt is geen eerbiedig getal en drie is te weinig. Goede nacht, mijn Prætorianen.... Ik ben bij den Keizer ontboden.—Ga binnen, Martialis, noodden de Prætorianen, die op stonden; de draagstoel wiegelde al weg....—Ik haast mij, zei Martialis; hij streelde Cecilius vlug over zijn hoofd, tikte Cecilianus op de wang en slipte het poortje binnen, om den Keizer vooral niet langer te doen wachten dan noodzakelijk was.—En jullie, jochies? vroegen de Prætorianen, die zich weêr zetten bij de kruik en de dobbelsteenen, schrijlings over hun bank.—Wij moeten, lichtte Cecilius in; naar het Theater van Pompeïus.... Wij zijn komedianten....—Kom maar wat bij ons zitten, jochies, noodden de Prætorianen;zij zaten in hun leêren soldatentunieken, de zwarecaligægesnoerd om de voeten, de breede riemen om de kuiten; helmen hadden zij afgezet; zwaarden hingen aan den muur. En zij verveelden zich. Zouden nog lang niet worden afgelost en jonge komediantjes waren altijd aardig.—Neen, zeide Cecilius; dat „zal niet gaan”! Wij moeten naar onzendominus....—„Zal niet gaan”.... kwam Cecilianus na.—En ik hóop, dat die in het Theater is.... We moeten heùsch naar het Theater.... Waar is het?—Ga dan maar langs het Septizonium.—Die hooge toren daar?—Ja, die hooge wachttoren daar.... En dan den Circus Maximus heelemaal langs....—En dan?—Het Forum Boarium over....—Ecàstor! En dan?—Tusschen den Capitolinus en het Theater van Marcellus....—Is het dan vèrder dan het Marcellus-Theater?—Bij Herkles, ja, een goed eind verder.—En dàn?—De Portiek van Octavia door en langs het Theater van Balbus....—Ecàstor, vloekte Cecilius met zijn meisjesvloek en de Prætorianen lachten omdat hij zoo aardig, als een meisje, vloekte. Moeten we twée Theaters langs, voor dat we....?—Aan jou Theater komen, ja, komediantje!—Ecère!vloekte Cecilianus bij Ceres, nog fijner dan Cecilius, omdat hij ook de Prætorianen wilde doen lachen, en ze lachten om hem en deden hen na:EcèreenEcàstor!—Vloek eens bij Hèrklès!!! donderde een Prætoriaan voor de grap.—Bij Hèrklès!!! vloekten de jongens met plotse basstemmen van kerels, en de Prætorianen brulden om ze van het lachen en noodden weêr:—Niet een kroes wijn, hier, een oogenblik, op de bank??Maar zij hadden beiden beteren wijn gedronken in den draagstoel en haastten zich weg, dicht tegen elkaâr in de wittelacerna, de blonde koppen vlak bij elkaâr....—Dàt zijn me je jochies! prezen de Prætorianen, met een oogje na en dobbelden voort, wie de kruik wijn zoû betalen....De jongens gingen langs het Septizonium, en keken op....—Hoog, hè? zei Cecilianus.—Zeven zônen, zei Cecilius.—Zeven? Tellen.... Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.... ja zèven, waaràchtig....—Niet zoo hoog als....—.... Neen, als de Faros van Alexandrië....—Toch hoog....—Héel hoog.... Om uit te kijken over de Via Appia....?—De Via Appia.... Wie weet....Plotseling zagen zij een paar, in de schaduw, op zij van den toren. Een man en een vrouw, in omhelzing en éen mantel, liepen langzaam; de nachtschemering doezelde om hen, maar Cecilius herkende hen.—Ecàstor!riep giechelend Cecilius.—Ecère!!giechelde, hen herkennend, Cecilianus en kietelde van pret broêrtje in het middel:—Zie je wel?—Of ik zie....—Die patricische....—Van gisteren....—Ja, die ònze rollen wil spelen.... Laat ze liever.... ik weet niet wàt doen....!—En Colosseros....—Die ons hossen deed, op zijn knie....—St.... stil.... niet ze laten merken, dat we hebben gezien.... Luisteren....—Ja.... luisteren....De beide jongens slopen het Septizonium om. De maan rees; door het vochte, zilveren spinnerag, dat geheel de lucht doorweefde, zeefde de vage gloor.... En zij gluurden om.... Ja, het was Colosseros en het was Fabulla.... Zij liepen tegen elkaâr, de kussen klonken....—Hoè!!! deden de beide jongens plotseling schrikken het paar. Fabulla gilde, Colosseros vloekte. En hij stond een oogenblik breed, wijdbeens, vuisten gebald, gereed, zag toen de knapen: zij vluchtten weg in hun fladdermantel: hij herkende ze; liep ze na, haalde ze in met een paar wijde stappen, greep ze ieder in den nek.... Zij lachten, zij gilden....—Niet doen! Niet doen! Colosseros! Wij zijn Cecilius en Cecilianus!—Kwâjongens! Waar moet dat heen?—Naar het Theater!Dominuswacht ons! Colosseros, zit hij bij Nilus soms?—Weet ik het?—Heb jij dan niet bij Nilus ge-avondmaald?—Ik gá avondmalen....—Bij Fabulla?—Ja, bij Fabulla....Colosseros hield nog steeds een vuist om ieders nek. Hij liet ze nu los, lachte om ze, goedmoediglijk, streelde ze om de kinnen ten teeken, dat hij ze vergaf: iedereen mòcht ze wel, al waren ze èchte bengels.—Den heelen middag zijn we zoèt geweest.... zei Cecilius.—Het zal me wat zoets geweest zijn, betwijfelde Colosseros.—Nou, wat dènk je.... Bij den edelen Plinius!!—Het is overal éen pot nat, was Colosseros’ ondervinding.Valetedan, lievertjes!—Vale, Colosseros.—Vale....—Eet lekker....—.... lekker, bij Fabulla....De jongens repten zich nu, keken om. Degladiatoren de patricische verwijderden zich, haastiger, Fabulla zeker bang voor meerdere ontmoeting....Maar in Rome’s avondstraten, in deze wijk tusschen Palatinusheuvel en Tiber liep niemand. Het was de verlatenheid in de groote stad. Rechts, in de rijzende maan, zuilden de keizerlijke paleizen, vaag blank in den nachtkleurigen hemel, waarin het zilveren spinnerag gespannen scheen. Links verschoot de lange muur van het Circus, met, regelmatig, pilasters, nissen, waarin standbeelden, die als spookten....De jongens waren bang. Zij liepen heel dicht tegen elkander aan geperst, in die eene, wittelacerna. Zij kwamen niemand tegen....—Verbeeldt je, dat we een spóok zouden zien....? griezelde Cecilianus.—Néen, stelde Cecilius gerust, maar zelve bang.—Dan wordt je bezeten, als je een spook ziet!—Néen....—Ja, gèk!—Schei toch uit, Cecilianus....Nu kwamen den hoek van het Circus om twee donkere mannen.—Cecilius, kreunde Cecilianus.—Ben je zót, bang te zijn....??Maar zij waren beiden bang. Tot zij de mannen herkenden. Het waren die twee, die met elkaâr, gisteren, zoo hadden zitten smoezen, blikkend naar Fabulla en Nigrina. De jongens waren,plotseling, niet meer zoo bang voor de sinistere boeven, toen zij ze hadden herkend....—Goed geluk! riep Cecilius hun toe.—.... gelùk! bauwde Cecilianus na, benauwder.De mannen hielden hen staande.—Waar gaan jullie heen, komediantjes?—Naar het Theater....—.... van Pompeïus....—Wij zoeken dendominus!—At hij bij Nilus?—Weet ik het? zei de weggeloopen slaaf. Wij waren niet bij Nilus. Niet zeggen, hoor, dat je ons hebt gezien?—Nóoit, verzekerde Cecilius plechtig.—Nooit, echode Cecilianus.—Valete....—Valete....Zij gingen elkander voorbij.—Zij gaan hun slag slaan....—.... slag slaan? Inbrekers dan?—Natuurlijk....—Verbeeldt je, dat ze in ònze villa....—Inbraken??De jongens giechelden. Wat was het wijd om hen rond en eenzaam. Het Forum Boarium, die verlaten vlakte zeker, met paaltjes.... Zie je, om een gróoten bronzen stier....—Daar is soms veemarkt....—Geloof je....—Kijk, daar boven; die tempel met vergulde pannen: hoe dat opschittert in de maan!—Dat is zeker de tempel van Jupiter Capitolinus. Al die gebouwen daar, in de lucht, met al die beelden, dat moet de Capitolinus zijn.—Ja, de Arx. Kijk, die herken je, de Citadel....—En, hier, links, is een halfronde muur: een Theater....—Dat is het eerste, dat we voorbij moeten; dat van Marcellus....—De Portiek.... Kijk! bewonderde Cecilianus.De Portiek van Octavia zuilde verlaten wijd, wit, weelderig op. De talrijke zuilen—driehonderd—verschoten achter elkaâr als een bosch blanke stammen, schachten van sneeuw, met breede, blauwige schaduwkanten. Er verwijderde zich door heen een verlaatte voetganger, strompelend....—Hij is dronken, fluisterde Cecilianus.—Dronkenlàp!! gilde Cecilius hem scheldend na, maar toen de dronkaard zich omdraaide, een donkere aap gelijk in het zuilenwoud van blanke stammen, renden de beide jongens, bang, weg; delacernawaaide om hen rond, en Cecilius verloor bijna de maskers, die hij van Plinius gekregen had....—Dronkenlàp! schold Cecilianus, van heel ver, nog na.Maar de Portiek voorbij, keken de jongens om zich rond, giechelend van de pret, en toch bang. Witte wolken trokken over de maan en de wijde, witte verlatene nachtstad strekte zich om hen rond. De straten waren smal, met de groeven der wagensporen, altijd sinds eeuwen de zelfde, en de schuilsteenen tusschen die sporen.... Soms openbaarde plotseling zich tusschen de gebouwen een vergezicht: een blik op den glanzigen Tiber links; rechts, over een verlatene vlakte, onbebouwd, de plotse pracht der keizerlijkefora: dat van Cæzar, dat van Augustus, het modernst dat van Vespazianus en het waren in die vaag zilverende verte zuilen, zuilen, zuilen.... Niemand ging hier; het nachtleven riep niet de Romeinen, die op dit uur thuis niet toefden, in deze wijk en het was beangstigend wijd en wit, voornaam en leêg, en de standbeelden in de nissen der muren of tusschen de portiekzuilen spookten.... Des morgens slechts, na de eerste en tweedeure, vulde zich deze verlatenheid met de menigte der bezigen, der zakenmenschen, der advokaten en procesbezorgers, der loerende verklikkers, met al het bezige leven, dat niet alleen het Forum Romanum besluiten kon.... Nu spookten slechts de witte beelden en donkere schaduwen....De jongens liepen verder en plots wees Cecilius, klemmend de maskers onder zijn arm, in de mantelplooien:—Dáar moet het zijn....—.... Moèt het zijn, beweerde Cecilianus met nadruk. Want een hooge half-cirkel muurde omhoog, met beelden bekroond.—Het Pompeïus-Theater....—Met zijn portiek....De maan was achter de wolken. Tusschen de zuilen van den immensenporticusvan het Theater donkerde het. Het was of de jongens stemmen hoorden achter den ronden muur met pilasters, nissen, beelden. Zij liepen de zuilen langs, zochten een ingang. Een poort stond open. De stemmen verduidelijkten.—Hier is het, zei Cecilianus beslist.—.... Natuurlijk is het hier, zei Cecilius.—Wàblief? baste een diepe stem in het donker.—Pompeïus....? vroeg Cecilius.—Zijn Theater ten minste, zei de portier.—Is dedominushier....?—Ja, en jullie zullen er van làngs krijgen, hoor! Kom maar gauw binnen, noodde dejanitorvan het Theater; een gewichtig persoon; slaaf, maar van den Stáat. En ga dan rechts....Maar de beide jongens wipten binnen, liepen dadelijk een trappenvlucht op. Plotseling, als een half ronde put, donkerde het ontzaglijke Theater vóor hen; terwijl dejanitorachter hen vloekte. De half ronde muur steeg tot de wolken, scheen het: de beelden, die de ommegang bekroonden, gebaarden tegen de maan, die door brak. Zij helde twijfelachtig schemerig naar binnen, verschootweêr, liet alles dan weêr in het duister met een grillig, zich telkens verbergen achter meer en meer wolkgevaarte. De jongens zagen, dat zij door de keizerlijke ingang waren binnen gekomen. Zij gingen weêr een vlucht van trappen op, bevonden zich in het Tribunaal, de keizerlijke loge. Op het tooneel, met enkele roode lampjes verlicht, op het wijdeproscænium, liepen, praatten, gebaarden tal van donkere wezens, als schimmen en schaduwen.... De jongens, in den schemer, herkenden hen. Het was decaterva....—Dominus! riep Cecilius.—Dominus!! riep Cecilianus, scheller.Uit de schimmen en schaduwen, die op keken, en daar op hetproscæniumhun vreemde nachtspel mimeerden, trad er eene driftig voor. Het was Lavinius Gabinius.—Zijn jullie daar, eindelijk? riep hij woedend.—Ja,dominus....—Waar zijn jullie geweest, dondersche jongens?! Moet je den heelen dag weg loopen? Moet je me in ongerustheid laten, als mijn hoofd tòch me al omloopt? Moeten jullie me heelemaal gek maken? Wáar zijn jullie geweest? bulderde Lavinius Gabinius van af het tooneel naar de keizerlijke loge, waar in hun wittelacernade tweelingen waren verschenen.—Bij den edelen Plinius,dominus.... Is de cliënt dat dan niet komen zeggen?—Wiè is de edele Plinius?! riep razend Lavinius Gabinius. Ik ken geen edelen Plinius, en ik heb niets met zijn cliënten te maken! Jullie behooren bij mij te zijn en ransel krijg je als je weg loopt. Kom dadelijk hier, op hetproscænium! Zijn jullie gek!! Wat moèt dat, in het Tribunaal? In de Keizersloge?? Moeten jullie gekruisigd worden voor heiligschennis??De jongens merkten, dat het mis was. Dedominuswas geen kwaad meester, tot aan den vooravond der voorstellingen. Naderdeechter het gewichtige oogenblik, dan ontpopte zich uit zijn van nature gemoedelijke, door artisticiteit verzachte, door omgang met vele gewichtige autoriteiten beleefd toegevende persoonlijkheid een zèlf autoritaire, andere persoonlijkheid, die de komedianten kenden en waarmede rekening was te houden. Dorsten zij ook eens van te voren een grapje zich veroorloven met hundominus, hem plagen over zijn angst om zijn „tweelingen” te verliezen, naderde de dag der eerste voorstelling, dan dorst zelfs desenexniets meer en de „paraziet”, fijntjes, hield zich koest. Terwijl dedominusraasde, zwegen zij allen stil. Zij waren daar, in den maneschijn, in den rooden lampeschijn, in de schaduw van het immense Theater nog verzameld na de repetitie, die dien geheelen middag geduurd had. Zij hadden de Menæchmi gerepeteerd, toen dedominus, terug van deædilen, met wie alles was afgesproken geworden, hen in het Theater verzameld vond. Alleen de „tweelingen” hadden weêr ontbroken.... En de „paraziet” had weten gedaan te krijgen, gesteund door densenex, dat in plaats van de Bacchides de Menæchmi was gerepeteerd, omdat de jongens, die de hoofdrollen in de Bacchides zouden vervullen, toch bij een zekeren edelen Plinius toefden, als een cliënt was komen melden.... Desenexhield eigenlijk meer van zijn grijsaardsrol in de Bacchides, maar uit nijdigheid tegen de jongens, uit jaloezie, bijna uit haat, had hij zich met den „paraziet” vereenigd en aangedrongen bij dendominus, dat de Menæchmi werden gerepeteerd en de vrouwerollen door andere jongens gespeeld. Toen was Gymnazium gekomen, met haretonstrix: er was over de kapsels te doen geweest in de kleine kleedkamertjes achter hetproscænium; toen was Cosmus gekomen, de beroemde geurwerker, die zorgen zoû voor de zalven, blanketsels en poeiers; van alles werd nota genomen....Gèen Bacchides, gèen Bacchides! had dedominus, wiens hoofd omliep, geraasd. Nóoit meer de Bacchides, als die donderschejongens met iederen edelen Plinius weg liepen! Ketenen zoû hij ze, onder in het gewelf van hetproscænium, waar demimus-decoratiën werden bewaard; uithongeren zoû hij ze; geeselen zoû hij ze laten, als ze ooit terug kwamen, die dondersche jongens, die dòndersche jongens.... De komedianten, om dendominus, lachten niet meer; hunne gezichten stonden strak: dit was Lavinius Gabinius, als, de contracten geteekend, àlles met deædilengeregeld, hij zeker was van zijn zaak, als tact en hoffelijkheid met de autoriteiten uit hadden gediend, als hij het klaar had gespeeld, als hij geld wist te verdienen.... De komedianten wisten het: hij máakte een potje. Nu ontpopte hij als de èchtedominus; zijn eerst gemoedelijk, wel eens pijnlijk gezicht van rijperen man verstevigde, verjeugdigde trots zijn rimpels, in kracht, in energie; zijn anders zich verontschuldigende blik vervastte, verfèlde; zijn vuisten balden, als het niet goed ging. Nu washijmeester van het Theater van Pompeïus, weet je, meester van de Megalezia, die hij in zijn macht hàd om mooi gevierd te worden of nièt mooi; nu was hij meester van Rome! Ja wel, degladiatoren-spelen, in het Flavische Amfitheater, dat immense Colosseum.... De wedrennen in het Circus Maximus.... Hij lapte ze aan zijn laars! Naar hèm zouden ze komen: Plautus zoû hij ze laten slikken, den eeuwigen Plautus, de hóoge komedie, de onovertrefbarepalliataen dàn demimus, maar de artistiekemimus, demimus, niet met al te grove grappen maar het onvergelijkbareexodium-spel, dat zoû zijn als een muzikaal-choregrafische navoorstelling met decoratie-verwisselingen en licht-effecten, met edel fluitspel en Attischen dans....Zijnsmaak van kunstenaar zoû hij nu doen zegevieren en ze zouden, bij Herklès! eens zien allemaal, en het allereerst zijn komedianten, zijn slàven, wat voor een kerel hij kon zijn, als het moest....En Lavinius Gabinius’ oogen flonkerden als die van een leeuw, zijn grauwe haar fladderde als manen om zijn herschapendominus-gezicht toen hij Cecilius en Cecilianus met den vinger wees op hetproscæniumte komen.De jongens wisten er alles van: dreigen zoû het zijn en dan.... tòch niet met de zweep. Maar zij gehoorzaamden; zij keerden zich kleintjes om, verlieten het Tribunaal en werden, boven aan de trappenvlucht, gescholden door denjanitor, dat zij zoo op een drafje, éer hij het verhinderen kon, de keizerlijke trappen òp, de keizerlijke loge waren in geloopen!! En door de ronde gang, depræcinctio, kwamen zij langs deparascæna—bewaarplaats van requizieten—door een zijpoort op hetproscænium. Daar stonden zij bij het poortje, half in de schaduw, half in den rooden lampeschijn als misdadigers, naast elkaâr, even groot, even blond, met de zelfde schuldige gezichten. En dedominus, woedend, gaf ze een klap links, een klap rechts en brulde, dat ze flink op de billen zouden krijgen. Zij twijfelden nog, waren wel gewoon aan die bedreigingen, twee dagen vóor de voorstelling, als dedominusvan allerlei bemoeiïng buiten zichzelven was en bleef.Maar dit maal scheen het èrnst te worden. Dedominusriep om zijn machinisten, twee, en om de zweepen. En de kerels kwamen, ruwe gasten, ieder met een stok, waaraan smalle lederen riemen.—Kleedt ze uit! riep dedominus. En geeft ze er van làngs!Nu gilden de jongens, smeekten genade.—Van wie heb je dielacerna? riep dedominus, den witten mantel in de handen. Altijd hèbben jullie wat en nooit weet iemand, hoe je aan de dingen komt!!—Van den edelen Plinius,dominus! smeekte Cecilianus en huilde en vouwde de handen: allen drongen op hetproscæniumte zamen, alle de komedianten, en ook Thymele, de groote danseres, die in hetmimus-spel zoû optreden, en Cosmus, de beroemde geurwerker en Gymnazium met haartonstrix.... Allen wilden kijken....—Wiè is toch de edele Plinius?! riep woedend nòg eens dedominus; de jongens stonden in hun gele tuniekjes, die de knechten hen open knoopten.—Die weet ik óok al niet, hoe je die gekregen hebt! raasde dedominusvoort. Uìt met die dingen....!En de knechten deden den jongens, steeds schreeuwend, steeds huilend, de tuniekjes uit. Ginds, op de ommerijen en gangen van den donkeren, nu en dan maan-doorvloeiden, half ronden, immensen theaterput, zaten er te kijken: dat was volk, binnen gedrongen, om de repetitie te zien en nu te zien hoe de komediantjes zouden gegeeseld worden.—Wat is dàt? riep dedominus: uit Cecilius’ gordel viel een boekje; de dominus raapte het op....—Dat zijn de laatste Epigrammen,dominus, van den edelen Martialis: hij heeft ze me zelve gegeven!!—Wiè is de edele Martialis? raasde dedominus.—Martialis’ Epigrammen? riep Cosmus, de geurwerker, uit. Staan er epigrammen op mij in? Martialis maakt altijd epigrammen op mij, wàt aardige!—Op mij ook! blufte Gymnazium, de voormalige.—Op mij ook, natúurlijk!! meende zelfbewust Thymele, de danseres, te moeten zeggen en Latinus, de beroemdemimus-speler, die als gast in hetmimus-spel zoû optreden, kwam aan en vroeg wat er toch aan de hand was.—Hij zal er op òns ook maken! blufte hoog-gillerig Cecilianus benauwd, angstig omziende naar de geeselzweep, die nog slap hing in den knuist van den knecht.—En wat is dat, onder je àrm? bulderde dedominus, want Cecilius, bang voor den ànderen tooneelknecht, die stond te wachten met zijn nog slap hangende riemenroê, knelde, onbewust van angst, een pakje vàst onder zijn oksel. Dedominusrukte het weg.—Pas òp! schreeuwde Cecilius. Het zijn móoie Grieksche vrouwemaskers, kostbare antieke dingen: we hebben ze van den edelen Plinius gekregen....! Endominus, in mijn gordel, die daar ligt, zijn driè goudstukken verborgen, voor jou, alle drie, van den edelen Plinius, voor jou, omdat we „Hero en Leandros” gespeeld hebben van middag na zijn feestmaal!!Dedominusraapte haastig den gordel op en de jongens, uitgekleed, stonden nu naakt, hoogriemig geschoeid, bibberig, blanke efeebjes met knikkende knieën en krimpende ruggetjes in den maneschijn, op dat zelfdeproscænium, waar ze overmorgen zouden moeten optreden voor veertig-duizend toeschouwers. Zij stonden naast elkaâr, angstig steeds omziende en de geheelecatervalachte, omdat ze zoo grappigjes stonden; desenexalleen grinnikte werkelijk van voorpleizier; de „paraziet” niet; hij kòn zelfs niet tegen geeselen-zien, ook al intrigeerde hij wel eens tegen de tweelingen....Bij het roode lichtje van descæna—den achtermuur met hooge zuilen, waartusschen nissen met beelden, vaag zichtbaar in de twijfelachtige schijnsels van flauw glimmende lampen, door flauw glorenden maanschemer heen, met de donker gestapelde schaduwen in de hoeken—pakte dedominushet pakje uit. Hij zag de twee maskers. Latinus en Thymele kwamen ook kijken.—Mooie dingen, zèldzaam! zei Thymele, de beroemde.—Of ze zeldzaam zijn! zei Latinus, eveneens een beroemde.—Cecilius, fluisterde Cecilianus tegen zijn broêrtje, beide knapen, bibberend van angst, naakt tusschen de toekijkendecaterva; twée goudstukken zijn er voor òns bij!—Laat maar, fluisterde Cecilius. Ik gap ze hem later weêr alle drie af. Silus—tot den tooneelknecht—zal je niet hard slaan?—Jij ook niet, Afer? smeekte Cecilianus. Zal je niet hard slaan? Dan krijg je....—Ja, dan krijg je van me....—Tweeas, Afer....—Tweeas, lieve Silus, als je niet hard slaat.Decatervalachte; de tooneelknechten lachten: zij hieven zelfs lachend de zweepen op.—Au....!! gilde Cecilianus en trok zijn onderrug in. Maar de knecht hàd nog niet geraakt.—Ach! riep dedominus, haastig toe tredend; sla de jongens toch niet! Het zijn bengels, maar als ze nu bij den edelen Plinius geweest zijn....—Ziè je wel? nijdaste desenextot den „paraziet”. Hèb ik het je niet gezegd? De jongens wòrden niet gegeeseld....—Maar wij spelen de Menæchmi! triomfeerde fluisterend de „paraziet”, blij om de mooie rol, die hij had in dat stuk.Desenexbromde wat: eigenlijk gaf hij de voorkeur aan zijn rol in de Bacchides.—.... En, pochte Cecilius, herademend, tot dendominus; we hebben in de villa bij Laurentum den edelen Quintilianus ontmoet en die heeft ons ondervraagd in de rhetorica....—Ja, in de rhetorica, riep Cecilianus.—Omdat die niet geloofde....—.... niet gelooven wìlde....—.... dat we wisten wat eensolœcismus....—.... eensolœcismuswas....—Wie is de edele Quintilianus? vroeg, brauwefronsend, dedominus.Nu praatten allen door elkaâr. Latinus en Thymele legden om strijd dendominusuit wie Quintilianus en Plinius wel waren; alle de komedianten, omdat dedominusverzoend scheen door de drie goudstukken en de maskers, ademden ruimer, maakten weêr grapjes, durfden weêr, bauwden na wat demimusen de danseres hem zeiden....—Wie de edele Plinius is? Wie de edele Quintilianus en Martialis? Maar,dominus, weet je dan niet....—Dat die de modèrne Latijnsche schrijvers zijn....—En...., sneden heftig de jongens door elkaâr op; we hebben er ook ontmoet den edelen Tacitus! Verginius Rufus!—Suetonius!—Frontinus, den proconsul!—Juvenalis!!!—Dominus, zeide, glunderend, Latinus—hij was lang, mager, geestig, vlug, met scherpe, ondeugende oogen—; je tweelingen hebben voor de bloèm van onze moderne Latijnsche schrijvers en dichters „Hero en Leandros” mogen opvoeren....—Bloem? viel dedominusuit. Wàt bloem? Ik geef nièts om modèrne schrijvers! Wat kunnen mij moderne schrijvers schelen! Erzijngeen moderne tooneelschrijvers en àls ze er waren, zouden ze nog nièts waard zijn! Er zijn nièmand dan Terentius en Plautus; dat zijn genieën; die hebben de Grieksche modellen zuiver weten na te bootsen....—Je moet origineel zijn, om iets te beduiden, zegt de edele Quintilianus! schreeuwde, brutaal, Cecilianus tusschen allen door, en gilde toen van angst na, want de tooneelknechten, voor de grap, klakten met de zweepen; allen lachten.—Afer en Silus, fluisterde Cecilius den kerels toe; donder nou op; we wòrden niet meer gegeeseld....Dedominusverstond hem echter.—Neen, ik zal je niet doen geeselen, ik ben àltijd tegen geeselen, dat weten jullie wel.... Als ik het met zachtheid en overreding van jullie gedaan kan krijgen, geesel ik niet....De knapen, oogenblikkelijk, bukten haastig en grepen snel hun tuniekjes... hun gordels....—Maar, bij Herklès, jongens, we geven overmorgen de Menæchmi en zonder jùllie! Begrijp je?—Wat!!? spitsten de beide jongens razende op, blonde addertjes gelijk. De Menæchmi? En zònder ons? En waarom niet de Bacchides? Ja, waarom niet de Bacchides? Hoe gemeen! Hè, hoe gemeen!! Dat zal ik.... ja, dat zal ik....Zij dachten precies het zelfde....—Aan den edelen Plinius zeggen!—En aan den edelen Martialis!!—En aan den edelen Quintilianus!!!En zij dreigden met opgestokene adderkopjes, met flonkerende oogen. Zij waren beiden razend, en, half gekleed nog, wierpen zij zich beiden, plots, als met éene ingeving hunner tweelingzielen, op den „paraziet.” Er was éen helsch geschreeuw, een tumult; ginds, in den donkeren theaterput, immensen halfcirkel vol schaduw, vaag maan-doorvloeid, zat dichter en dichter het binnen gedrongen volk te kijken. De een na den ander drong binnen; het was reeds als een voorstelling. Maar de tweelingen hadden den „paraziet” op de planken gegooid en hamerden er met hunne ronde meisjesvuisten op los. Ze speelden de vrouwerollen, maar ze waren sterk genoeg om dien „paraziet” op zijn donder te geven, schreeuwden ze. Hunne hooge stemmen galmden al het gejoel en lawaai bòven uit en ze hamerden, ze hamerden.... Lavinius Gabinius, Latinus, de anderen, trokken hen weg, hielpen den „paraziet” op; de „paraziet” stond razend, vuisten gebald; de twee jongens over hem, vuisten gebald; alle drie weêrhouden door al de joelende en lawaaiende anderen.Op depræcinctionesjoeg dejanitor, met zijn slaven, het volk weg. Door welke poort waren zij binnen gedrongen? Er was geen orde te houden, als het zoo donker was. Kom, de repetitie was uit! Weg met iedereen, wèg ook met de komedianten; toe,dominus, dejanitormoest sluiten....Boven, in den hemel, straalde de maan fèl uit. De nacht was blauw. De zilveren vloed stroomde den half ronden theaterputbinnen. Langs de schaduwlijnen der zitrijen en ommegangen dreef dejanitorde donkere schimmen der binnen-gedrongenen. De komedianten verlieten achter elkaâr hetproscænium. Er was nog vloeken, razen, dreigen, lachen, schertsen en ophitsen; er klonken gemeene uitroepen.—Cecilius, riep dedominus. Waar zijn nu de drie goudstukken van dien edelen Plinius?—Maardominus, die heb ik je in de hand gedrukt.... alle drie voor jou....—Me in de hand gedrukt....??—Ja.... Je hebt ze in je gordel gestoken....—Je liegt, ik geloof er niets van. Je hebt ze nog, jij kwâjongen. Maar weet je, die antieke maskers.... hoû ik. Hoû jij dan maar je goudstukjes....—Zeg,dominus?—Wat, bengel?—Spelen we overmorgen niet.... de Bacchides??—En wanneer repeteeren?—Morgen.... Toe,dominus; je hebt òns toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden....?—Dominus.... vleide Cecilianus met zijn liefste stemmetje. Je hebt ons toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden??—We zullen zien, mompelde, brauwefronsend, dedominus.Buiten, in de manenacht, druk pratend, lachend, dreigend, met een vloek er nog tusschen door van den „paraziet”, vervloeide decaterva, in de richting van de Suburra. Zij ging naar Nilus, avondmalen.
Het was donker van vallende nacht, toen de draagstoel door de Porta Ostiensis en langs de Zuidzijde van den Circus Maximus Rome bereikt had: de dragers, hijgende, repten zich langs het Pædagogium der keizerlijke slaven en hielden stil bij een kleine achterpoort, waarbij een wachthuis van Prætorianen; de soldaten, op een bank schrijlings gezeten, dobbelden, om een kruik wijn bij het licht der walmende muurlamp.
Martialis wekte op uit zijne peinzing.
—Jongens, zeide hij. Hier stap ik uit. Dit is de poort, waardoor ik den Keizer bereik. Waar gaan jullie heen?
—Heer, zeide Cecilius. Wij moeten dendominuszoeken....
—....dominuszoeken, herhaalde Cecilianus.
—Hij zal vermoedelijk in het Theater zijn....
—.... in het Theater zijn van Pompeïus....
—.... van Pompeïus, natuurlijk....
—Kunnen jullie het vinden, jongens? vroeg Martialis. Want jullie mogen alleen niet verder in den draagstoel....Ikheb zelfs al betwijfelbaar recht in een draagstoel te zitten!
—Natuurlijk, heer; wij zullen wel loopen....
—.... Zullen loopen, echode Cecilianus.
Zij stegen alle drie uit; Martialis gaf drinkpenning den voorloopers. De nacht, na den schitterenden Aprildag, was vochtig: een zilveren waas hing in de lucht, als een immens, doorzichtig spinnerag.... De jongens, in hun lichte tuniekjes, rilden.
—Hier, zeide Martialis—hij greep een wittelacerna, die lag in den draagstoel; doet dezen mantel aan; ik ben overtuigd, dat de edele Plinius hem in den draagstoel heeft doen leggen voor wie van ons drieën het koud zoû hebben.
—Gelooft gij, heer? weifelde Cecilius.
—Ik wel, zei Cecilianus; want de edele Plinius is een bizonder edel heer.
Martialis sloeg de wijdelacernaden beiden jongens om en glimlachte....
—Jullie zien er uit net twee kleine Dioscuurtjes, zeide hij; in dien eenen witten mantel. Ik zal eens een epigram op jullie maken. Maar nu zit ik nog met mijn vijfde in de maag, voor den Keizer.... Vier kan ik er hem niet toe dienen, dàt is geen eerbiedig getal en drie is te weinig. Goede nacht, mijn Prætorianen.... Ik ben bij den Keizer ontboden.
—Ga binnen, Martialis, noodden de Prætorianen, die op stonden; de draagstoel wiegelde al weg....
—Ik haast mij, zei Martialis; hij streelde Cecilius vlug over zijn hoofd, tikte Cecilianus op de wang en slipte het poortje binnen, om den Keizer vooral niet langer te doen wachten dan noodzakelijk was.
—En jullie, jochies? vroegen de Prætorianen, die zich weêr zetten bij de kruik en de dobbelsteenen, schrijlings over hun bank.
—Wij moeten, lichtte Cecilius in; naar het Theater van Pompeïus.... Wij zijn komedianten....
—Kom maar wat bij ons zitten, jochies, noodden de Prætorianen;zij zaten in hun leêren soldatentunieken, de zwarecaligægesnoerd om de voeten, de breede riemen om de kuiten; helmen hadden zij afgezet; zwaarden hingen aan den muur. En zij verveelden zich. Zouden nog lang niet worden afgelost en jonge komediantjes waren altijd aardig.
—Neen, zeide Cecilius; dat „zal niet gaan”! Wij moeten naar onzendominus....
—„Zal niet gaan”.... kwam Cecilianus na.
—En ik hóop, dat die in het Theater is.... We moeten heùsch naar het Theater.... Waar is het?
—Ga dan maar langs het Septizonium.
—Die hooge toren daar?
—Ja, die hooge wachttoren daar.... En dan den Circus Maximus heelemaal langs....
—En dan?
—Het Forum Boarium over....
—Ecàstor! En dan?
—Tusschen den Capitolinus en het Theater van Marcellus....
—Is het dan vèrder dan het Marcellus-Theater?
—Bij Herkles, ja, een goed eind verder.
—En dàn?
—De Portiek van Octavia door en langs het Theater van Balbus....
—Ecàstor, vloekte Cecilius met zijn meisjesvloek en de Prætorianen lachten omdat hij zoo aardig, als een meisje, vloekte. Moeten we twée Theaters langs, voor dat we....?
—Aan jou Theater komen, ja, komediantje!
—Ecère!vloekte Cecilianus bij Ceres, nog fijner dan Cecilius, omdat hij ook de Prætorianen wilde doen lachen, en ze lachten om hem en deden hen na:EcèreenEcàstor!
—Vloek eens bij Hèrklès!!! donderde een Prætoriaan voor de grap.
—Bij Hèrklès!!! vloekten de jongens met plotse basstemmen van kerels, en de Prætorianen brulden om ze van het lachen en noodden weêr:
—Niet een kroes wijn, hier, een oogenblik, op de bank??
Maar zij hadden beiden beteren wijn gedronken in den draagstoel en haastten zich weg, dicht tegen elkaâr in de wittelacerna, de blonde koppen vlak bij elkaâr....
—Dàt zijn me je jochies! prezen de Prætorianen, met een oogje na en dobbelden voort, wie de kruik wijn zoû betalen....
De jongens gingen langs het Septizonium, en keken op....
—Hoog, hè? zei Cecilianus.
—Zeven zônen, zei Cecilius.
—Zeven? Tellen.... Eén, twee, drie, vier, vijf, zes.... ja zèven, waaràchtig....
—Niet zoo hoog als....
—.... Neen, als de Faros van Alexandrië....
—Toch hoog....
—Héel hoog.... Om uit te kijken over de Via Appia....?
—De Via Appia.... Wie weet....
Plotseling zagen zij een paar, in de schaduw, op zij van den toren. Een man en een vrouw, in omhelzing en éen mantel, liepen langzaam; de nachtschemering doezelde om hen, maar Cecilius herkende hen.
—Ecàstor!riep giechelend Cecilius.
—Ecère!!giechelde, hen herkennend, Cecilianus en kietelde van pret broêrtje in het middel:
—Zie je wel?
—Of ik zie....
—Die patricische....
—Van gisteren....
—Ja, die ònze rollen wil spelen.... Laat ze liever.... ik weet niet wàt doen....!
—En Colosseros....
—Die ons hossen deed, op zijn knie....
—St.... stil.... niet ze laten merken, dat we hebben gezien.... Luisteren....
—Ja.... luisteren....
De beide jongens slopen het Septizonium om. De maan rees; door het vochte, zilveren spinnerag, dat geheel de lucht doorweefde, zeefde de vage gloor.... En zij gluurden om.... Ja, het was Colosseros en het was Fabulla.... Zij liepen tegen elkaâr, de kussen klonken....
—Hoè!!! deden de beide jongens plotseling schrikken het paar. Fabulla gilde, Colosseros vloekte. En hij stond een oogenblik breed, wijdbeens, vuisten gebald, gereed, zag toen de knapen: zij vluchtten weg in hun fladdermantel: hij herkende ze; liep ze na, haalde ze in met een paar wijde stappen, greep ze ieder in den nek.... Zij lachten, zij gilden....
—Niet doen! Niet doen! Colosseros! Wij zijn Cecilius en Cecilianus!
—Kwâjongens! Waar moet dat heen?
—Naar het Theater!Dominuswacht ons! Colosseros, zit hij bij Nilus soms?
—Weet ik het?
—Heb jij dan niet bij Nilus ge-avondmaald?
—Ik gá avondmalen....
—Bij Fabulla?
—Ja, bij Fabulla....
Colosseros hield nog steeds een vuist om ieders nek. Hij liet ze nu los, lachte om ze, goedmoediglijk, streelde ze om de kinnen ten teeken, dat hij ze vergaf: iedereen mòcht ze wel, al waren ze èchte bengels.
—Den heelen middag zijn we zoèt geweest.... zei Cecilius.
—Het zal me wat zoets geweest zijn, betwijfelde Colosseros.
—Nou, wat dènk je.... Bij den edelen Plinius!!
—Het is overal éen pot nat, was Colosseros’ ondervinding.Valetedan, lievertjes!
—Vale, Colosseros.
—Vale....
—Eet lekker....
—.... lekker, bij Fabulla....
De jongens repten zich nu, keken om. Degladiatoren de patricische verwijderden zich, haastiger, Fabulla zeker bang voor meerdere ontmoeting....
Maar in Rome’s avondstraten, in deze wijk tusschen Palatinusheuvel en Tiber liep niemand. Het was de verlatenheid in de groote stad. Rechts, in de rijzende maan, zuilden de keizerlijke paleizen, vaag blank in den nachtkleurigen hemel, waarin het zilveren spinnerag gespannen scheen. Links verschoot de lange muur van het Circus, met, regelmatig, pilasters, nissen, waarin standbeelden, die als spookten....
De jongens waren bang. Zij liepen heel dicht tegen elkander aan geperst, in die eene, wittelacerna. Zij kwamen niemand tegen....
—Verbeeldt je, dat we een spóok zouden zien....? griezelde Cecilianus.
—Néen, stelde Cecilius gerust, maar zelve bang.
—Dan wordt je bezeten, als je een spook ziet!
—Néen....
—Ja, gèk!
—Schei toch uit, Cecilianus....
Nu kwamen den hoek van het Circus om twee donkere mannen.
—Cecilius, kreunde Cecilianus.
—Ben je zót, bang te zijn....??
Maar zij waren beiden bang. Tot zij de mannen herkenden. Het waren die twee, die met elkaâr, gisteren, zoo hadden zitten smoezen, blikkend naar Fabulla en Nigrina. De jongens waren,plotseling, niet meer zoo bang voor de sinistere boeven, toen zij ze hadden herkend....
—Goed geluk! riep Cecilius hun toe.
—.... gelùk! bauwde Cecilianus na, benauwder.
De mannen hielden hen staande.
—Waar gaan jullie heen, komediantjes?
—Naar het Theater....
—.... van Pompeïus....
—Wij zoeken dendominus!
—At hij bij Nilus?
—Weet ik het? zei de weggeloopen slaaf. Wij waren niet bij Nilus. Niet zeggen, hoor, dat je ons hebt gezien?
—Nóoit, verzekerde Cecilius plechtig.
—Nooit, echode Cecilianus.
—Valete....
—Valete....
Zij gingen elkander voorbij.
—Zij gaan hun slag slaan....
—.... slag slaan? Inbrekers dan?
—Natuurlijk....
—Verbeeldt je, dat ze in ònze villa....
—Inbraken??
De jongens giechelden. Wat was het wijd om hen rond en eenzaam. Het Forum Boarium, die verlaten vlakte zeker, met paaltjes.... Zie je, om een gróoten bronzen stier....
—Daar is soms veemarkt....
—Geloof je....
—Kijk, daar boven; die tempel met vergulde pannen: hoe dat opschittert in de maan!
—Dat is zeker de tempel van Jupiter Capitolinus. Al die gebouwen daar, in de lucht, met al die beelden, dat moet de Capitolinus zijn.
—Ja, de Arx. Kijk, die herken je, de Citadel....
—En, hier, links, is een halfronde muur: een Theater....
—Dat is het eerste, dat we voorbij moeten; dat van Marcellus....
—De Portiek.... Kijk! bewonderde Cecilianus.
De Portiek van Octavia zuilde verlaten wijd, wit, weelderig op. De talrijke zuilen—driehonderd—verschoten achter elkaâr als een bosch blanke stammen, schachten van sneeuw, met breede, blauwige schaduwkanten. Er verwijderde zich door heen een verlaatte voetganger, strompelend....
—Hij is dronken, fluisterde Cecilianus.
—Dronkenlàp!! gilde Cecilius hem scheldend na, maar toen de dronkaard zich omdraaide, een donkere aap gelijk in het zuilenwoud van blanke stammen, renden de beide jongens, bang, weg; delacernawaaide om hen rond, en Cecilius verloor bijna de maskers, die hij van Plinius gekregen had....
—Dronkenlàp! schold Cecilianus, van heel ver, nog na.
Maar de Portiek voorbij, keken de jongens om zich rond, giechelend van de pret, en toch bang. Witte wolken trokken over de maan en de wijde, witte verlatene nachtstad strekte zich om hen rond. De straten waren smal, met de groeven der wagensporen, altijd sinds eeuwen de zelfde, en de schuilsteenen tusschen die sporen.... Soms openbaarde plotseling zich tusschen de gebouwen een vergezicht: een blik op den glanzigen Tiber links; rechts, over een verlatene vlakte, onbebouwd, de plotse pracht der keizerlijkefora: dat van Cæzar, dat van Augustus, het modernst dat van Vespazianus en het waren in die vaag zilverende verte zuilen, zuilen, zuilen.... Niemand ging hier; het nachtleven riep niet de Romeinen, die op dit uur thuis niet toefden, in deze wijk en het was beangstigend wijd en wit, voornaam en leêg, en de standbeelden in de nissen der muren of tusschen de portiekzuilen spookten.... Des morgens slechts, na de eerste en tweedeure, vulde zich deze verlatenheid met de menigte der bezigen, der zakenmenschen, der advokaten en procesbezorgers, der loerende verklikkers, met al het bezige leven, dat niet alleen het Forum Romanum besluiten kon.... Nu spookten slechts de witte beelden en donkere schaduwen....
De jongens liepen verder en plots wees Cecilius, klemmend de maskers onder zijn arm, in de mantelplooien:
—Dáar moet het zijn....
—.... Moèt het zijn, beweerde Cecilianus met nadruk. Want een hooge half-cirkel muurde omhoog, met beelden bekroond.
—Het Pompeïus-Theater....
—Met zijn portiek....
De maan was achter de wolken. Tusschen de zuilen van den immensenporticusvan het Theater donkerde het. Het was of de jongens stemmen hoorden achter den ronden muur met pilasters, nissen, beelden. Zij liepen de zuilen langs, zochten een ingang. Een poort stond open. De stemmen verduidelijkten.
—Hier is het, zei Cecilianus beslist.
—.... Natuurlijk is het hier, zei Cecilius.
—Wàblief? baste een diepe stem in het donker.
—Pompeïus....? vroeg Cecilius.
—Zijn Theater ten minste, zei de portier.
—Is dedominushier....?
—Ja, en jullie zullen er van làngs krijgen, hoor! Kom maar gauw binnen, noodde dejanitorvan het Theater; een gewichtig persoon; slaaf, maar van den Stáat. En ga dan rechts....
Maar de beide jongens wipten binnen, liepen dadelijk een trappenvlucht op. Plotseling, als een half ronde put, donkerde het ontzaglijke Theater vóor hen; terwijl dejanitorachter hen vloekte. De half ronde muur steeg tot de wolken, scheen het: de beelden, die de ommegang bekroonden, gebaarden tegen de maan, die door brak. Zij helde twijfelachtig schemerig naar binnen, verschootweêr, liet alles dan weêr in het duister met een grillig, zich telkens verbergen achter meer en meer wolkgevaarte. De jongens zagen, dat zij door de keizerlijke ingang waren binnen gekomen. Zij gingen weêr een vlucht van trappen op, bevonden zich in het Tribunaal, de keizerlijke loge. Op het tooneel, met enkele roode lampjes verlicht, op het wijdeproscænium, liepen, praatten, gebaarden tal van donkere wezens, als schimmen en schaduwen.... De jongens, in den schemer, herkenden hen. Het was decaterva....
—Dominus! riep Cecilius.
—Dominus!! riep Cecilianus, scheller.
Uit de schimmen en schaduwen, die op keken, en daar op hetproscæniumhun vreemde nachtspel mimeerden, trad er eene driftig voor. Het was Lavinius Gabinius.
—Zijn jullie daar, eindelijk? riep hij woedend.
—Ja,dominus....
—Waar zijn jullie geweest, dondersche jongens?! Moet je den heelen dag weg loopen? Moet je me in ongerustheid laten, als mijn hoofd tòch me al omloopt? Moeten jullie me heelemaal gek maken? Wáar zijn jullie geweest? bulderde Lavinius Gabinius van af het tooneel naar de keizerlijke loge, waar in hun wittelacernade tweelingen waren verschenen.
—Bij den edelen Plinius,dominus.... Is de cliënt dat dan niet komen zeggen?
—Wiè is de edele Plinius?! riep razend Lavinius Gabinius. Ik ken geen edelen Plinius, en ik heb niets met zijn cliënten te maken! Jullie behooren bij mij te zijn en ransel krijg je als je weg loopt. Kom dadelijk hier, op hetproscænium! Zijn jullie gek!! Wat moèt dat, in het Tribunaal? In de Keizersloge?? Moeten jullie gekruisigd worden voor heiligschennis??
De jongens merkten, dat het mis was. Dedominuswas geen kwaad meester, tot aan den vooravond der voorstellingen. Naderdeechter het gewichtige oogenblik, dan ontpopte zich uit zijn van nature gemoedelijke, door artisticiteit verzachte, door omgang met vele gewichtige autoriteiten beleefd toegevende persoonlijkheid een zèlf autoritaire, andere persoonlijkheid, die de komedianten kenden en waarmede rekening was te houden. Dorsten zij ook eens van te voren een grapje zich veroorloven met hundominus, hem plagen over zijn angst om zijn „tweelingen” te verliezen, naderde de dag der eerste voorstelling, dan dorst zelfs desenexniets meer en de „paraziet”, fijntjes, hield zich koest. Terwijl dedominusraasde, zwegen zij allen stil. Zij waren daar, in den maneschijn, in den rooden lampeschijn, in de schaduw van het immense Theater nog verzameld na de repetitie, die dien geheelen middag geduurd had. Zij hadden de Menæchmi gerepeteerd, toen dedominus, terug van deædilen, met wie alles was afgesproken geworden, hen in het Theater verzameld vond. Alleen de „tweelingen” hadden weêr ontbroken.... En de „paraziet” had weten gedaan te krijgen, gesteund door densenex, dat in plaats van de Bacchides de Menæchmi was gerepeteerd, omdat de jongens, die de hoofdrollen in de Bacchides zouden vervullen, toch bij een zekeren edelen Plinius toefden, als een cliënt was komen melden.... Desenexhield eigenlijk meer van zijn grijsaardsrol in de Bacchides, maar uit nijdigheid tegen de jongens, uit jaloezie, bijna uit haat, had hij zich met den „paraziet” vereenigd en aangedrongen bij dendominus, dat de Menæchmi werden gerepeteerd en de vrouwerollen door andere jongens gespeeld. Toen was Gymnazium gekomen, met haretonstrix: er was over de kapsels te doen geweest in de kleine kleedkamertjes achter hetproscænium; toen was Cosmus gekomen, de beroemde geurwerker, die zorgen zoû voor de zalven, blanketsels en poeiers; van alles werd nota genomen....
Gèen Bacchides, gèen Bacchides! had dedominus, wiens hoofd omliep, geraasd. Nóoit meer de Bacchides, als die donderschejongens met iederen edelen Plinius weg liepen! Ketenen zoû hij ze, onder in het gewelf van hetproscænium, waar demimus-decoratiën werden bewaard; uithongeren zoû hij ze; geeselen zoû hij ze laten, als ze ooit terug kwamen, die dondersche jongens, die dòndersche jongens.... De komedianten, om dendominus, lachten niet meer; hunne gezichten stonden strak: dit was Lavinius Gabinius, als, de contracten geteekend, àlles met deædilengeregeld, hij zeker was van zijn zaak, als tact en hoffelijkheid met de autoriteiten uit hadden gediend, als hij het klaar had gespeeld, als hij geld wist te verdienen.... De komedianten wisten het: hij máakte een potje. Nu ontpopte hij als de èchtedominus; zijn eerst gemoedelijk, wel eens pijnlijk gezicht van rijperen man verstevigde, verjeugdigde trots zijn rimpels, in kracht, in energie; zijn anders zich verontschuldigende blik vervastte, verfèlde; zijn vuisten balden, als het niet goed ging. Nu washijmeester van het Theater van Pompeïus, weet je, meester van de Megalezia, die hij in zijn macht hàd om mooi gevierd te worden of nièt mooi; nu was hij meester van Rome! Ja wel, degladiatoren-spelen, in het Flavische Amfitheater, dat immense Colosseum.... De wedrennen in het Circus Maximus.... Hij lapte ze aan zijn laars! Naar hèm zouden ze komen: Plautus zoû hij ze laten slikken, den eeuwigen Plautus, de hóoge komedie, de onovertrefbarepalliataen dàn demimus, maar de artistiekemimus, demimus, niet met al te grove grappen maar het onvergelijkbareexodium-spel, dat zoû zijn als een muzikaal-choregrafische navoorstelling met decoratie-verwisselingen en licht-effecten, met edel fluitspel en Attischen dans....Zijnsmaak van kunstenaar zoû hij nu doen zegevieren en ze zouden, bij Herklès! eens zien allemaal, en het allereerst zijn komedianten, zijn slàven, wat voor een kerel hij kon zijn, als het moest....
En Lavinius Gabinius’ oogen flonkerden als die van een leeuw, zijn grauwe haar fladderde als manen om zijn herschapendominus-gezicht toen hij Cecilius en Cecilianus met den vinger wees op hetproscæniumte komen.
De jongens wisten er alles van: dreigen zoû het zijn en dan.... tòch niet met de zweep. Maar zij gehoorzaamden; zij keerden zich kleintjes om, verlieten het Tribunaal en werden, boven aan de trappenvlucht, gescholden door denjanitor, dat zij zoo op een drafje, éer hij het verhinderen kon, de keizerlijke trappen òp, de keizerlijke loge waren in geloopen!! En door de ronde gang, depræcinctio, kwamen zij langs deparascæna—bewaarplaats van requizieten—door een zijpoort op hetproscænium. Daar stonden zij bij het poortje, half in de schaduw, half in den rooden lampeschijn als misdadigers, naast elkaâr, even groot, even blond, met de zelfde schuldige gezichten. En dedominus, woedend, gaf ze een klap links, een klap rechts en brulde, dat ze flink op de billen zouden krijgen. Zij twijfelden nog, waren wel gewoon aan die bedreigingen, twee dagen vóor de voorstelling, als dedominusvan allerlei bemoeiïng buiten zichzelven was en bleef.Maar dit maal scheen het èrnst te worden. Dedominusriep om zijn machinisten, twee, en om de zweepen. En de kerels kwamen, ruwe gasten, ieder met een stok, waaraan smalle lederen riemen.
—Kleedt ze uit! riep dedominus. En geeft ze er van làngs!
Nu gilden de jongens, smeekten genade.
—Van wie heb je dielacerna? riep dedominus, den witten mantel in de handen. Altijd hèbben jullie wat en nooit weet iemand, hoe je aan de dingen komt!!
—Van den edelen Plinius,dominus! smeekte Cecilianus en huilde en vouwde de handen: allen drongen op hetproscæniumte zamen, alle de komedianten, en ook Thymele, de groote danseres, die in hetmimus-spel zoû optreden, en Cosmus, de beroemde geurwerker en Gymnazium met haartonstrix.... Allen wilden kijken....
—Wiè is toch de edele Plinius?! riep woedend nòg eens dedominus; de jongens stonden in hun gele tuniekjes, die de knechten hen open knoopten.
—Die weet ik óok al niet, hoe je die gekregen hebt! raasde dedominusvoort. Uìt met die dingen....!
En de knechten deden den jongens, steeds schreeuwend, steeds huilend, de tuniekjes uit. Ginds, op de ommerijen en gangen van den donkeren, nu en dan maan-doorvloeiden, half ronden, immensen theaterput, zaten er te kijken: dat was volk, binnen gedrongen, om de repetitie te zien en nu te zien hoe de komediantjes zouden gegeeseld worden.
—Wat is dàt? riep dedominus: uit Cecilius’ gordel viel een boekje; de dominus raapte het op....
—Dat zijn de laatste Epigrammen,dominus, van den edelen Martialis: hij heeft ze me zelve gegeven!!
—Wiè is de edele Martialis? raasde dedominus.
—Martialis’ Epigrammen? riep Cosmus, de geurwerker, uit. Staan er epigrammen op mij in? Martialis maakt altijd epigrammen op mij, wàt aardige!
—Op mij ook! blufte Gymnazium, de voormalige.
—Op mij ook, natúurlijk!! meende zelfbewust Thymele, de danseres, te moeten zeggen en Latinus, de beroemdemimus-speler, die als gast in hetmimus-spel zoû optreden, kwam aan en vroeg wat er toch aan de hand was.
—Hij zal er op òns ook maken! blufte hoog-gillerig Cecilianus benauwd, angstig omziende naar de geeselzweep, die nog slap hing in den knuist van den knecht.
—En wat is dat, onder je àrm? bulderde dedominus, want Cecilius, bang voor den ànderen tooneelknecht, die stond te wachten met zijn nog slap hangende riemenroê, knelde, onbewust van angst, een pakje vàst onder zijn oksel. Dedominusrukte het weg.
—Pas òp! schreeuwde Cecilius. Het zijn móoie Grieksche vrouwemaskers, kostbare antieke dingen: we hebben ze van den edelen Plinius gekregen....! Endominus, in mijn gordel, die daar ligt, zijn driè goudstukken verborgen, voor jou, alle drie, van den edelen Plinius, voor jou, omdat we „Hero en Leandros” gespeeld hebben van middag na zijn feestmaal!!
Dedominusraapte haastig den gordel op en de jongens, uitgekleed, stonden nu naakt, hoogriemig geschoeid, bibberig, blanke efeebjes met knikkende knieën en krimpende ruggetjes in den maneschijn, op dat zelfdeproscænium, waar ze overmorgen zouden moeten optreden voor veertig-duizend toeschouwers. Zij stonden naast elkaâr, angstig steeds omziende en de geheelecatervalachte, omdat ze zoo grappigjes stonden; desenexalleen grinnikte werkelijk van voorpleizier; de „paraziet” niet; hij kòn zelfs niet tegen geeselen-zien, ook al intrigeerde hij wel eens tegen de tweelingen....
Bij het roode lichtje van descæna—den achtermuur met hooge zuilen, waartusschen nissen met beelden, vaag zichtbaar in de twijfelachtige schijnsels van flauw glimmende lampen, door flauw glorenden maanschemer heen, met de donker gestapelde schaduwen in de hoeken—pakte dedominushet pakje uit. Hij zag de twee maskers. Latinus en Thymele kwamen ook kijken.
—Mooie dingen, zèldzaam! zei Thymele, de beroemde.
—Of ze zeldzaam zijn! zei Latinus, eveneens een beroemde.
—Cecilius, fluisterde Cecilianus tegen zijn broêrtje, beide knapen, bibberend van angst, naakt tusschen de toekijkendecaterva; twée goudstukken zijn er voor òns bij!
—Laat maar, fluisterde Cecilius. Ik gap ze hem later weêr alle drie af. Silus—tot den tooneelknecht—zal je niet hard slaan?
—Jij ook niet, Afer? smeekte Cecilianus. Zal je niet hard slaan? Dan krijg je....
—Ja, dan krijg je van me....
—Tweeas, Afer....
—Tweeas, lieve Silus, als je niet hard slaat.
Decatervalachte; de tooneelknechten lachten: zij hieven zelfs lachend de zweepen op.
—Au....!! gilde Cecilianus en trok zijn onderrug in. Maar de knecht hàd nog niet geraakt.
—Ach! riep dedominus, haastig toe tredend; sla de jongens toch niet! Het zijn bengels, maar als ze nu bij den edelen Plinius geweest zijn....
—Ziè je wel? nijdaste desenextot den „paraziet”. Hèb ik het je niet gezegd? De jongens wòrden niet gegeeseld....
—Maar wij spelen de Menæchmi! triomfeerde fluisterend de „paraziet”, blij om de mooie rol, die hij had in dat stuk.
Desenexbromde wat: eigenlijk gaf hij de voorkeur aan zijn rol in de Bacchides.
—.... En, pochte Cecilius, herademend, tot dendominus; we hebben in de villa bij Laurentum den edelen Quintilianus ontmoet en die heeft ons ondervraagd in de rhetorica....
—Ja, in de rhetorica, riep Cecilianus.
—Omdat die niet geloofde....
—.... niet gelooven wìlde....
—.... dat we wisten wat eensolœcismus....
—.... eensolœcismuswas....
—Wie is de edele Quintilianus? vroeg, brauwefronsend, dedominus.
Nu praatten allen door elkaâr. Latinus en Thymele legden om strijd dendominusuit wie Quintilianus en Plinius wel waren; alle de komedianten, omdat dedominusverzoend scheen door de drie goudstukken en de maskers, ademden ruimer, maakten weêr grapjes, durfden weêr, bauwden na wat demimusen de danseres hem zeiden....
—Wie de edele Plinius is? Wie de edele Quintilianus en Martialis? Maar,dominus, weet je dan niet....
—Dat die de modèrne Latijnsche schrijvers zijn....
—En...., sneden heftig de jongens door elkaâr op; we hebben er ook ontmoet den edelen Tacitus! Verginius Rufus!
—Suetonius!
—Frontinus, den proconsul!
—Juvenalis!!!
—Dominus, zeide, glunderend, Latinus—hij was lang, mager, geestig, vlug, met scherpe, ondeugende oogen—; je tweelingen hebben voor de bloèm van onze moderne Latijnsche schrijvers en dichters „Hero en Leandros” mogen opvoeren....
—Bloem? viel dedominusuit. Wàt bloem? Ik geef nièts om modèrne schrijvers! Wat kunnen mij moderne schrijvers schelen! Erzijngeen moderne tooneelschrijvers en àls ze er waren, zouden ze nog nièts waard zijn! Er zijn nièmand dan Terentius en Plautus; dat zijn genieën; die hebben de Grieksche modellen zuiver weten na te bootsen....
—Je moet origineel zijn, om iets te beduiden, zegt de edele Quintilianus! schreeuwde, brutaal, Cecilianus tusschen allen door, en gilde toen van angst na, want de tooneelknechten, voor de grap, klakten met de zweepen; allen lachten.
—Afer en Silus, fluisterde Cecilius den kerels toe; donder nou op; we wòrden niet meer gegeeseld....
Dedominusverstond hem echter.
—Neen, ik zal je niet doen geeselen, ik ben àltijd tegen geeselen, dat weten jullie wel.... Als ik het met zachtheid en overreding van jullie gedaan kan krijgen, geesel ik niet....
De knapen, oogenblikkelijk, bukten haastig en grepen snel hun tuniekjes... hun gordels....
—Maar, bij Herklès, jongens, we geven overmorgen de Menæchmi en zonder jùllie! Begrijp je?
—Wat!!? spitsten de beide jongens razende op, blonde addertjes gelijk. De Menæchmi? En zònder ons? En waarom niet de Bacchides? Ja, waarom niet de Bacchides? Hoe gemeen! Hè, hoe gemeen!! Dat zal ik.... ja, dat zal ik....
Zij dachten precies het zelfde....
—Aan den edelen Plinius zeggen!
—En aan den edelen Martialis!!
—En aan den edelen Quintilianus!!!
En zij dreigden met opgestokene adderkopjes, met flonkerende oogen. Zij waren beiden razend, en, half gekleed nog, wierpen zij zich beiden, plots, als met éene ingeving hunner tweelingzielen, op den „paraziet.” Er was éen helsch geschreeuw, een tumult; ginds, in den donkeren theaterput, immensen halfcirkel vol schaduw, vaag maan-doorvloeid, zat dichter en dichter het binnen gedrongen volk te kijken. De een na den ander drong binnen; het was reeds als een voorstelling. Maar de tweelingen hadden den „paraziet” op de planken gegooid en hamerden er met hunne ronde meisjesvuisten op los. Ze speelden de vrouwerollen, maar ze waren sterk genoeg om dien „paraziet” op zijn donder te geven, schreeuwden ze. Hunne hooge stemmen galmden al het gejoel en lawaai bòven uit en ze hamerden, ze hamerden.... Lavinius Gabinius, Latinus, de anderen, trokken hen weg, hielpen den „paraziet” op; de „paraziet” stond razend, vuisten gebald; de twee jongens over hem, vuisten gebald; alle drie weêrhouden door al de joelende en lawaaiende anderen.
Op depræcinctionesjoeg dejanitor, met zijn slaven, het volk weg. Door welke poort waren zij binnen gedrongen? Er was geen orde te houden, als het zoo donker was. Kom, de repetitie was uit! Weg met iedereen, wèg ook met de komedianten; toe,dominus, dejanitormoest sluiten....
Boven, in den hemel, straalde de maan fèl uit. De nacht was blauw. De zilveren vloed stroomde den half ronden theaterputbinnen. Langs de schaduwlijnen der zitrijen en ommegangen dreef dejanitorde donkere schimmen der binnen-gedrongenen. De komedianten verlieten achter elkaâr hetproscænium. Er was nog vloeken, razen, dreigen, lachen, schertsen en ophitsen; er klonken gemeene uitroepen.
—Cecilius, riep dedominus. Waar zijn nu de drie goudstukken van dien edelen Plinius?
—Maardominus, die heb ik je in de hand gedrukt.... alle drie voor jou....
—Me in de hand gedrukt....??
—Ja.... Je hebt ze in je gordel gestoken....
—Je liegt, ik geloof er niets van. Je hebt ze nog, jij kwâjongen. Maar weet je, die antieke maskers.... hoû ik. Hoû jij dan maar je goudstukjes....
—Zeg,dominus?
—Wat, bengel?
—Spelen we overmorgen niet.... de Bacchides??
—En wanneer repeteeren?
—Morgen.... Toe,dominus; je hebt òns toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden....?
—Dominus.... vleide Cecilianus met zijn liefste stemmetje. Je hebt ons toch niet in jecatervaom ons achterbaks te houden??
—We zullen zien, mompelde, brauwefronsend, dedominus.
Buiten, in de manenacht, druk pratend, lachend, dreigend, met een vloek er nog tusschen door van den „paraziet”, vervloeide decaterva, in de richting van de Suburra. Zij ging naar Nilus, avondmalen.
V.Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat, voor het huis van voller en slavenkoopman, toen decaterva,mèt Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen, om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een; zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in decatervazelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de Bacchides èn de Menæchmi beiden, had dedominusmet gezag verklaard, terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene toga’s op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius te begroeten. Intusschen trok de „paraziet” dendominuster zijde, en tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken, onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de „paraziet” zijndominusfijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk niet beter zijn, meende de „paraziet”, àls de Menæchmi dan werden opgevoerd, géen tweede stuk van Plautus te nemen maar, ter afwisseling, een stuk van Terentius: de Formio of de Heautontimorùmenos? Woedend, in stilte, nog steeds op de tweelingen, stelde hij van alles in het werk hun dat successtuk der Bacchides te ontnemen. In die Bacchides speelden zij de tweelingzusjes, de twee courtizanen-tweelingen en hadden zij steeds, maskerloos, meer dan gewonen bijval.... Hij trok densenexer bij en beiden zeurden nu aan desdominus’ ooren; uit nijd en afgunst desenex, die, jong, altijd gemaskerd moest spelen; uit wraakzucht de „paraziet”, al zoû hij zijn mooie rol in de Menæchmi toch misschien kunnen luchten.... Neen, zeide dedominus: Terentius hadden zij in Neapolis heelemaal niet gespeeld; Plautus zat er beter in bij heel den troep.... Terentius was zoo fijn, meende de „paraziet”, zoobeschaafd, zoo Attiesch, zoo welluidend van titels: Heautontimorùmenos.... Jawel, jawel, meende dedominus.... Terentius èn Plautus beiden waren de genieën, de klassieken—modern was er niets. Maar toch, er wàs geen tijd Terentius op nieuw heelemaal in te studeeren en de voorstellingen, zie je, moesten puik zijn; denk toch, voor de Megalezia, te Rome....! Achter hun drietal stieten de tweelingen elkander aan, hadden de samenzwering wel in de gaten, maar waren reeds zeker van hun Bacchides. Koesterden niet de minste vrees meer.... Dien middag werden de Bacchides gerepeteerd en ze zouden nu niet meer er van door gaan, zelfs al riep de genadige Domitianus zelve hen in zijn keizerlijken draagstoel.... Zij bleven vlàk achter hundominusen zouden hun zaak niet meer bederven: zij zouden nu oppassen, hoor! En zoodra zij kans zagensenexen „paraziet” weg te duwen, voegden zij zich aan weêrszijden van dendominusvol zoete woordjes, gevlei, flikkeflooiden zij hun meester, beloofden héel mooi te spelen en te zeggen, en Cecilius vroeg en Cecilianus vroeg na, of het niet aardig zoû zijn hun koppen te maken, hun gezichten te schilderen naar de antieke maskers van den edelen Plinius? Dedominusbewonderde hun inval: toch wel aardige, knappe jongens; ze hadden talent meer dan gewoon, zèker geërfd van hun vader Manlius, die eenhistriowas geweest.... En hij zei van ja, altijd ingepalmd door die twee. En zoo bleven zij den geheelen tijd om hundominus: „dominus” hier en „dominus” daar; in de Thermen verlieten zij hem niet, maakten grapjes en iedereen keek naar hen, omdat zij zoo mooi naakt in het water waren en dedominuswas trotsch op hen en verheerlijkte tusschen hen beiden. Een oude bader, half kaal, met grijzen ring haren en een dikken buik boven zijn altijd afvallenden badmantel bombeerend, wenkte dendominusen decapsariïzeiden, hij was de schatrijke Sextilianus en daarom ging dedominusnaar den dikbuik toe. En Sextilianus bood dendominustweehonderd-vijftigduizendsestertiën voor de beide tweelingen, als hij ze verkoopen wilde. Het zal niet gaan! riepen Cecilius en Cecilianus na, overtuigd van hun onverkoopbaarheid. Het was toch een goèd bod; een gewone slaaf-van-waarde kostte zoo ongeveer honderdduizend sestertiën. Maar dedominus, vlug, berekende toch, dat de tweelingen hem in decatervaniet minder opbrachten en hij zeide Sextilianus, dat hij ze niet missen kon, nu vooral niet, in de Megalezia.... Of ze dan niet eens konden komen voordragen, tijdens een banket.... Neen, neen, fluisterden de tweelingen tot dendominus, lievedominus, en dat ze niet konden: ze moesten immers de Bacchides repeteeren, en morgen spelen? Dag aan dag spelen.... Misschien niet dàg-aan-dàg, meende dedominus, als de Menæchmi.... Dus toch de Menæchmi? fluistervroegen de jongens en duwden dikken, schatrijken Sextilianus, die tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor hen geven wilde, met den elleboog weg. Om de beurt: Menæchmi en Bacchides? Om af te wisselen? Nu goed dan, maar dan ook de rol van Erotium, aardige deerne-rol, nu eens door Cecilius, dan eens door Cecilianus laten spelen, hè? Clarus, die hem gisteren gerepeteerd had, was toch eigenlijk beter in eenmatrona-rol, had niet de intonatie van demeretrix. Vond dedominusniet? En ze vleiden en ze flikkeflooiden en dedominus, hoewel steeds met een autoritairen frons tusschen de brauwen, gaf toe, gaf alles toe, op éen voorwaarde; dat ze nooit meer zoo een heelen dag weg liepen en hem in ongerustheid lieten.... Een moord, ja een moord en een diefstal.... In de Carinæ.... Het was een ontroering: Rome was niet veilig; de Viermannen zorgden heelemaal niet voor de nachtelijke veiligheid; schorrie-morrie dwarrelde ’s nachts altijd rond tusschen de zuilen der portieken; dat waren decolumnariï, zoo als de Romeinen hen reeds noemden: dieven en moordenaars en ’s nachts krioelden ze in de Suburra, in al de kroegen, taveernen, bordeelen. Ja, zeiden de jongens ensneden op: gisteren nacht, toen zij langs de Portiek van Octavia waren gegaan, had het er gekrioeld vancolumnariï, allemaal moordenaars en dieven. En de eene dronkelap, dien zij hadden gezien en uitgescholden, werd in hunne verbeelding een bende boeven en roovers en zij vertelden ervan hoe zij waren nagezeten, hoe zij hadden gevochten en de baders verzamelden om hen. Zij stelden zich aan, hingen ieder aan een arm van hundominusom toch goed te laten zien, hoe goede vriendjes zij met hem waren en dedominusliep er in, geloofde, dat zij gevaar hadden geloopen, vloekte, dat zij zoo onvoorzichtig waren, drukte hun op het hart voortaan niet alleen door die groote stad te dwalen. Een man vermoord....? Ja, een man.... neen, tòch een vrouw.... En plotseling, op den drempel van de Thermen, die zij verlieten, om vlak bij, staande, in een taveerne, gestremde melk en honigkoek te eten, hoorden zij wie er die nacht vermoord was in de Carinæ.... Het was Nigrina....! Wie, Nigrina? Wel, de zwaardvechtster, je weet wel; ze trad in het Colosseum op tegen een beer of een tijger, soms tegen een anderen zwaardvechter of -vechtster en zelfs kerels hadden ontzag voor haar; ze was een patricische en de vrouw van een senator, die was al lang om het een of ander door den Keizer verbannen en zij was nu vermoord.... Nigrina, die met Fabulla....? vroegen de jongens. Ja, die natuurlijk, diè, en de jongens beweerden wereldwijs, dat zulke hooge vrouwen ook niet onder het volk moesten komen; dat liep altijd slecht af.... En onder elkaâr smoesden zij, toch even beïndrukt, als het wèrkelijk Nigrina zoû zijn, dat zij het er altijd goed hadden afgebracht, van hun nachtelijke avontuurtjes en onverwachte uitnoodigingen.... En, voor de taveerne bij de Thermen, bestormd door de baders, die er de roode kommetjes gestremde melk uitslurpten, besprak decaterva, bespraken alle de ontbijters het geval.... Neen, het wàs nièt Nigrina, hoorden zij nu weêr.... Wie het dan wel was....? Crispina, de Egyptische, de zuster vanCrispinus, den gunsteling van den Keizer. En dedominusschrikte wel, toen hij hoorde, dat het Crispina was! Crispina, de moeder van de tweelingen, die met Manlius, denhistrio, in der tijd.... Maar het was niet Crispina.... Er was heelemaal geen moord gepleegd.... Jawel, jawel.... Dus toch de Bacchides? Die verdomde jongens, ze kregen toch altijd hun zin. En de komedianten overluisterden ook een twist van Clarus en Cecilianus:—Jij bent maar eenmatrona-jongen, zei Cecilianus hoog; alleen mijn broêrtje of ik kan Erotium spelen....—Zoo, ben ik maar....? begon Clarus woedend; hij was al in de twintig, zijn stem werd al te mannelijk; hij moest die forceeren naar de hoogte toe.—Ja, en jij hebt de stem van een vènt, minachtte Cecilianus en Clarus werd rood van boosheid maar desenexwenkte hem en zij smoesden, terwijl allen nu, langzaam, slenterend, op weg gingen naar het Pompeïus-theater, voor de repetitie.De tweelingen lieten niet af van dendominus. Zij lieten zich niet meer afleiden door al het geklets en gekakel over den moord, hier, vlak bij de Carinæ, wier rijke huizen zich daar ginds verloren, weg verschoten in een fijn geschaduw van tuinen, van sycomorengeschemer en platanengeblaârte, doorzond door de nog jonge, gouden zon. Voorname draagstoelen wiegelden aan, aangekondigd door geklikkak van zweepen. Bevalligecarpenta, met een of twee paarden, deden de voetgangers haastig schuil zoeken op de nauwe vluchtrichels; zwarte slaven, laatdunkend, stieten hun schreeuw van aankondiging uit. Decaterva, vaak na gekeken, herkend soms toe geroepen:histriones!, slenterde onverschillig voor de algemeene minachting, langzaam een eind de Sacra Via op, door den Titusboog....—De Joodsche Kandelaar! wezen de tweelingen dendominus.—Hebben jullie dan àlles al weêr in Rome gezien? vroeg dedominus, steeds tusschen hen beiden in, langs de trappenvluchten van het Flavische Paleis....—Daar woont de Keizer, wezen de jongens; en hier heeft de edele Plinius ons in zijn draagstoel meê genomen....Dedominuswist wel, dat de Keizer daar woonde, maar sommige komedianten, die nooit in Rome waren geweest, stonden stil, gaapten naar die prachtige, Olympische woning, zuilende op den Palatinus, tegen de doorzichtigheid van blauw kristallijnen Aprillucht.... En de jongens wezen, pedant, omdat ze het wel wisten, meér hadden gezien, aanservusen andere bemindecaterva-leden....—Het paleis van den goddelijken Domitianus....Zonder dien beroerden „paraziet” ensenexmet een blik te verwaardigen....En zij slenterden door de drukte verder. Nu was het zoo druk, voor het Huis van Vesta, en den ronden Vesta-tempel, bij den Tempel van Castor en Pollux, dat zelfs hun groote troep niet meer in het oog viel. Zij werden niet meer opgemerkt; zij zagen er bijna uit als iedereen; zij werden niet meer nagejouwd; hier verdrong zich en woelde de menigte. Steeds schreeuwden de voorloopers van draagstoelen encarpenta, klakten de zweepen, en de drukke stemmen lawaaiden luider, lachende, twistende, schertsende tegen elkaâr in. De tweelingen lieten dendominusniet meer los, hielden hem ieder aan een slip van zijn tuniek.... Zij genoten van de volte, de drukte. Zij wezen dendominusde Basilica Julia; zij wisten dadelijk in iedere vreemde stad den weg. Waarlijk, Rome herinnerden zij zich weêr, van drie jaren her, toen ze nog ukjes waren geweest.—De Basilica Julia weet ik ook wel, bromde dedominus.In de Baziliek verdrongen zich de wandelaars, schuilende voor de al warme zon. De schaduw koelde blauw tusschen de zuilen. Straatjongens speelden damspelletje op de, in de marmeren tredendoor hen gegroefde, vierkante lijntjes.... Meiden met kleurige toga’s om—want de deerne droeg de „toga” en niet als dematronastolaenpalla—wandelden daar, wapperden met hare franjes, buitensporig gekapt, lonkten met geschilderde oogen.... Pleitbezorgers stonden met hunne slachtoffers te redetwisten, druk over hun hangende processen, met de duimen stavende hun bewijsredenen. Senatoren, in rood omzoomdelaticlavia, begroetten elkander, deftig. En het was als kleur een even bont, maar zacht bont getinte, grauwige blankheid, om de weêrschijningen van al het marmer van het dicht op elkander bebouwde Forum: de tempels, de bazilieken, de zuilen, de trappetreden, de tallooze beelden, die alle de blauwige schaduwen sloegen.—Hoe nu? vroeg dedominus, een oogenblik de kluts kwijt.—Den Vicus Tuscus door, natuurlijk! oriënteerden zich de jongens dadelijk.—Den Vicus Tuscus, natuurlijk! herstelde zich spoedig dedominus.De jongens hìngen aan hem, lieten hem niet meer los, na de les van gisteren avond. Zij zouden hun Bacchides niet meer verliezen. Zij zouden zich vast klampen aan hun Bacchides èn aan hundominusen zij liepen met hem vooruit: decaterva, slenterend, volgde, vol commentaar.Langs den Vicus Tuscus, die van het Forum naar het Circus Maximus leidde, rijden zich de winkels. Hier stond het beeld van den god Vertumnus, god van alle wisselvalligheid, god van goed en slecht weêr, god ook van koop en verkoop. Hier waren de voorname zijdehandelaars, en op hun toonbanken plooiden zij voor de koopende vrouwen de kleurige, ritselende lappen uit, juist geschikt voorstola,palla,toga. De matronen verdrongen zich met de deernen, deden de stoffen knisteren in hare vingers. De goud- en zilversmeden stalden hun goudsmeêwerk, hun zilveren vaatwerk uit; de geurwerkers, in tal van kleine vaasjes van onyx,albast of goedkooper steen hadden in zeer kleine winkeltjes op planken hun koopwaar sierlijk uit gestald. Een barbier voor aanzienlijke klanten er naast. Open waren alle de winkels; het was alles klein, druk, vol, rumoerig en roezemoezig op elkaâr. Lavinius liep even bij Cosmus in. Het winkeltje, hoewel open, geurde een nardus-potje gelijk.—Ik breng alles van daag in gereedheid,dominus! verzekerde Cosmus. Al je zalven, verven en poeiers....—Maar dènk, vriend Cosmus, dat ik een arme drommel ben, die zijn geld moet verdienen!—Kom, kom, je zit er goed in! meende Cosmus.Dedominussloeg de armen op en uit, de tweelingen dicht naast zich. Er goed in?! Hij, een vrijgelatene, die vroeger, zelf slaaf, komediant, nu ja een beetje van alles gespeeld had, vrouwerol, „paraziet,”senex, tot hij zich had vrij gekocht en eengrex, o een kleine maar, had kunnen verzamelen....—Wees maar niet bang,dominus; Cosmus zet je niet af, verzekerde de geurwerker; ik ben ook vrijgelatene, maar ik ben ook cliënt van een aanzienlijken patroon, van den schatrijken Sextilianus....—Die ons woû koopen...?—.... Ja, woû koopen....—.... Voor tweehonderd....—.... vijftigduizend sestertiën!! vielen de tweelingen samen in.Cosmus lachte; Lavinius nam afscheid. Hij liep nu het Argiletum op, waar de boekenwinkels waren en den winkel van Tryfo binnen. Reeds had hij afgesproken met Tryfo, dat hij hem zijntitulïleveren zoû, om aan te plakken op de hoeken der straten en Thermen. En hij woû nog eens gaan hooren, want de tijd vloog om....—Dag Martialis! Dàg Martialis! begroetten de tweelingen den dichter, die juist bij den boekhandelaar was om te hooren of zijnlaatste epigrammenbundel goed werd verkocht.Dominus, dit is Martialis....!Dedominuswist nu wel wie Martialis was. Een moderne epigrammendichter, wiens epigrammen dóoden konden.... Verbeeldt je, als hij eens epigrammen, venijnige, dichten ging op hèm, op zijngrex, op de voorstellingen, die hij zoû geven! En hij dacht, dat het goed zoû zijn, zeer hoffelijk Martialis te groeten.—Edele Martialis!! groette dedominus. Wat ben ik verheugd u te mogen begroeten, u, den geestigsten Romein onzer dagen! Wat zal ik het waardeeren, zoo niets u verhinderen zal onze voorstellingen bij te wonen! Vooral de eerste, waar alles wat Rome voornaam, aanzienlijk, geletterd, geleerd bezit, zal samen stroomen!—Ik zal komen, ik zal komen, Lavinius, verzekerde Martialis; en wij zullen allen komen: Plinius, Quintilianus, Tacitus, Frontinus, Suetonius....—Hooge eer doen de groote schrijvers mij aan en de edele proconsul en de alleredelste Plinius, verzekerde Lavinius Gabinius; en wij zullen de Bacchides, hoop ik, tot hun aller genoegen opvoeren.—De Menæchmi.... Las ik ten minste op deacta diurnain het Forum, Lavinius....?—De nieuwsberichten, meende, hoffelijk glimlachend, dedominus; zijn nooit héelemaal juist ingelicht. Wij zullen spelen, edele Martialis, misschien een enkelen keer de Menæchmi, maar vooral de Bacchides, vooràl de Bacchides....—Daar spelen wij....—.... Ja, wij....—De hoofdrollen in! riepen de jongens.Maar Tryfo rolde-uit een groot perkament.—Zie hier,dominus....—Mooi zoo! riep dedominus, dadelijk getroffen.En zij lazen allen, Martialis,dominus, knapen het groote perkament van dentitulus, dedidascalia, het programma:Acta Ludis Megalensibus.—Vindt je die roode en zwarte letters mooi,dominus? vroeg de boekhandelaar, te gelijk uitgever en vrijgelatene, éen der cliënten van Plinius. Hij was meester van zeer knappe copiïsten: die zaten achter in een zaaltje over te schrijven en keken nieuwsgierig op, hunne stiften in de hand.... Martialis vroeg even, ter loops....—Uw epigrammen, edele Martialis? Zeker, ik verkoop ze, ik verkoop ze.... De laatste bundeltjes zelfs voor drie-en-een-halveas. Iedereen wil ze hebben, grif gaan ze weg. Dus mooi, niet waardominus; die roode en zwarte letters en mooi groot, niet waar, dat treft dadelijk:Acta Ludis Megalensibus.Lucio Sosibiano et Marco SofronioÆdilibusCurulibus.—Zoudt ge niet de namen van deædilen, beste Tryfo, meende dedominus, met iets grootere letters laten schrijven?! Dat doet altijd pleizier, weet ge.... Wat vindt gij, edele Martialis??—De namen van deædilenzoo groot mogelijk, Tryfo, zoo groot mogelijk!—Goed dan,dominus; zeker, Martialis; de eigennamen iets grooter dan, met iets meer rood er tusschen? Maarædilibuscurulibus?—Zoo laten, zoo laten, meende Martialis.—Ja, zoo laten, meende dedominus, en de jongens bauwden na:—Zoo laten! Niet met grootere letters:ædilibus curulibus!Tryfo wees en las verder:Door den beroemden Troep—Neen, zei dedominus: niet „beroemd”. Ik wil niet: „beroemd”.—Je hebt een beroemden troep, Lavinius, verzekerde Martialis. Je bent zelf beroemd.—Ik bèn het, zeide dedominus, met kalme eigenwaarde; maar het staàt niet.... het staat niet waardig. Het staat zoo weinig letterkundig, artistiek: het doet zoo aan als een opschrift voor koordedansers en berenleiders. Neen, Tryfo, ik wil niet „beroemd”....—We zullen dan niet „beroemd” zetten,dominus. Dus:Door den Troep....—Ja;door den troep....—Met roode letters:troep....?—Ja,troeprood: rood en zwart samen doen mooi.Tryfo ging voort:Door den Troep van Lavinius Gabinius.—Goed zoo, meende dedominus, nu „beroemd” was door geschrapt, en las nu zelve:Hymne en Voorspel met Dans, Zang en Fluitspel.Muziek van Atillius Burrhus voor Rechter- en Linkerfluiten.—Je copiïsten zijn kunstenaars, Tryfo, meende Martialis.—Het is heùsch nog al mooi geschreven, bracht Cecilius in het midden, met jeugdige, wereldwijze waardeering.—In Alexandrië schreven ze dedidascaliamet gouden letters, fluisterde Cecilianus echter minachtend.Maar voor de deur van het winkeltje verdrongen zich nu de komedianten en iedereen las op zijn beurt, hard op:—Acta.... Acta Ludis.... Acta Ludis Megalensibus....Daarnalazen dedominusen Tryfo te gelijker tijd:De Bacchides van Plautus.—De Bacchides! De Bacchides!! klapten de tweelingen zegevierend in de handen. De Bacchides!!!En zij zagen om naar de deur: daar verschenen de gezichten van densenexen den „paraziet”. Nu, dacht desenex, hij had toch een aardige rol in de Bacchides. Maar de „paraziet” was bleek van woede en beloofde zich zijn lamme, kleine rol slècht te spelen, zelfs al zoû dedominushem een kwaad ding doen....—Staan onze namen er nu niet eens onder?? vroegen te gelijker tijd de tweelingen. Waarom staan onze namen er nu niet eens onder?—Dat is geen gewoonte! zei dedominusbeslist.—Heelemaal niet! zei Tryfo.—Wijk maar eens van de gewoonte af, ried Martialis aan. Mooi zoo: daar valt mij een epigram op „De Gewoonte” in! Dat heb ik ten minste al weêr!Maar Lavinius en Tryfo beiden waren het met elkaâr eens, dat een strenge traditie gehandhaafd moest worden in dentitulus.—Didascalia, verbeterde eigenwijs Cecilius, die het Grieksche woord mooier vond.—....Didascalia, bauwde Cecilianus, klein mondje, na.—Ziet u, edele Martialis; detitulusmàg niet afwijken van de antieketutulï, zooals Plautus en Terentius ze gaven.—Jullie tooneelvolk groeit vast in je „traditie” en gewoonte, meende Martialis.En hij zelve herhaalde nu:De Bacchides van Plautus.De geheel Grieksche handeling valt voorte Athene.Daarna:VerschillendeATELLANÆmet Zang, Dans en Fluitspel.Muziek van....—De namen van die muziekmakers worden wèl genoemd, viel Cecilianus Martialis in de rede.—.... Wèl genoemd, kwam ouder broêrtje nijdig na.Daarna,lazen zij alle drie, dichter,dominus, boekhandelaar:DE KOFFER,Mimusspel van Publilius.Gespeeld door den beroemden Latinus....—Latinus wordt oòk al genoemd! siste nijdig Cecilius; broêrtje siste dadelijk na....En....ging Martialis voort, met een ondeugenden blik naar de tweelingen:Door de zeer beroemde Danseres.....—Oooh!! verontwaardigden zich de tweelingen.„THYMELE”voltooide Martialis.—Een vrouw!! krijschten de tweelingen te zamen, de vuisten ballend. Alleen maar een danseres! Nièts dan een danseres! Thymele, verbeeldt je! Wordt die oòk al genoemd! En nog wel geschreven met zulke groote letters, heelemaal rood! Heelemaal rood!—Dat is de gewoonte, zei Tryfo. Thymele en Latinus worden altijd genoemd.Mimusen Danseres....—En waarom niet decomœdi?? protesteerden de tweelingen.—Om de „traditie”, komediantjes! plaagde Martialis.—Wij mimeeren ook, wij dansen immers ook....—.... Zijn ookmimusen danser....Ten slotte:viel dedominusin met autoritaire verheffing van stem om die dondersche tweelingen toch te doen zwijgen: de heelecatervanu gluurde binnen, kop na kop en las, hard-op, een voor een:—.... De Bacchides.... Dus de Bacchides?....Daarna....De Koffer....? Latinus en Thymele?LAUREOLUSGroot Exodium-Spel.Gespeeld door den allerberoemdstenarchimimusLentulus, ving Martialis het van dendominusop.—Allerberoemdst! Allerberoemdst!! raasden de beide jongens: de blonde koppen naast elkaâr hadden nijdige adderbewegingen rond dendominusen ze fluisterden na, ze flikkeflooiden....; mochten hun namen oòk niet....??—Kom, pleitte Martialis;dominus! Laat nu maar schrijven door de copiïsten met véel rooden inkt:De Bacchides van Plautus,Waarin de hoofdrollen zullen gespeeld worden door mijn twee onvergelijkelijke tweeling-comœdi, Cecilius en Cecilianus....Tryfo lachte. Dedominuswerd zenuwachtig.—Edele Martialis, waarlijk! En jùllie jongens, hoor nu even toch.... Gaan jùllie toch dóór, naar het Theater?! donderde hij decatervatoe, die bleef kijken: de koppen, plots, verdwenen: het daglicht viel helderder neêr over den, door Tryfo steeds opgehouden, uitgespreidentitulus:—Je weet, ik doe voor jullie wàt ik kan! Jullie zijn ook lieve, aardige jongens....—Blonde schàtten! prees Martialis.—Jullie spelen goed, zeggen móoi; ik geef het àlles toe, jullie spelen de Bacchides....—Als èchte Bacchides! viel Martialis in.—Maar....—Maar.... echode Martialis.—De traditie, zie je, de traditie....—Ja, de „traditie”, knikte Martialis den jongens toe.—.... Wil niet, ging Lavinius door; wil niet....—.... dat jullie namen worden vermeld, viel Tryfo in en rolde dentitulusop....—Neen! herwon zich Lavinius. De traditie wil het niet. En dat is heel goed.... Kijk, hetmimus-spel blijft altijd een kijkspel, zonder zèggingskunst, nu ja, mimiek, dans,saltatio, dat kan alles heel mooi worden en we zullen ook pogen het zoo mooi mogelijk te doen, maar het evenaart nóoit de èrnstige, hoogere komedie, depalliata, het Grieksche blijspel, verlatinizeerd, maar tòch Grieksch, onherroepelijk Grieksch en daarom alléen al, naast de tragedie, het hoogst staand van alles wat op de planken vertoond wordt, vertoond kàn worden.... En, zie je, jongens, ziet ge, edele Martialis, we kùnnen niet, we mògen niet, in iets van depalliata mimus-manieren aannemen, zèlfs niet in dentitulus, waarin noch de Grieken, noch Plautus, noch Terentius de namen van de spelers ooit hebben vermeld; we moeten trouw aan de traditie blijven, de hooge traditie en jullie mogen niet, neen Martialis, ge moògt niet aandringen op die vermelding van de namen der hoofdrolspelers, en dat nog wel met rooden inkt, veel rooden inkt: neen, Martialis, ge moògt niet!!Op eens schrikte Lavinius.—Tryfo!! riep hij. Tryfo! De namen van de Consuls zijn toch niet vergeten onder aan dentitulus?—Heb geen vrees, Lavinius, zei Tryfo; voor de autoriteit heb ik minstens even veel eerbied als jij.... Ze stáan er op: onderhet Consulaat van.... Zie je wel?—plooiende de rol nog even open. Dus alles in orde, Lavinius? Edele Martialis, vindt ge het dan goed, dat de copiïsten het schrijven van uw laatste bundeltjes staken voor van daag en morgen? En met detitulïbeginnen? Er is zoo veel aan te doen! Om aan te plakken in het Forum, de Baden, bij het Velabrum, het Theater.... Ja, druk, drùk is het leven, edele Martialis, voor een boekhandelaar in Rome!—Druk is het, beste Tryfo, voor een armen dichter, die van epigrammen leeft!—Maar druk ook, met uw verlof, edele Martialis, zei Lavinius; voor eendominusgregistijdens de Megalezia. Ik moet weg: repeteeren moeten we, den heelen middag....—De Bacchides! verzekerden de jongens trotsch.Het stond nu op dentitulus; zij waren nu zeker van hun zaak. En zij namen alle drie afscheid van Martialis, die terug moest naar zijn huisje, heelemaal bij de Porta Nomentana, en te voet....—Heb je je vijfde epigram voor den Keizer gisteren avond nog gevonden? vroeg Cecilius, al gemeenzaam met den jovialen dichter.—Hèb je? riep Cecilianus na.—Ik heb, ik heb, ocomœdider hoogerepalliata, arme roode inktlooze slachtoffers van de traditie, blonde Bacchides-spelertjes met je aardige bakkesen! declameerde Martialis en wuifde ze toe, glimlachte ze toe met zijn Silenus-glimlach.Zij wuifden, lachten terug; dedominusdrong ze vooruit. Decatervawas reeds een eind voort geslenterd; ja, de tweelingen bleven altijd de lievelingen. Wat wil je, hè; er waren er àltijd een paar, die....De jongens, alleen met dendominus, verzekerden hem sentimenteel, dat zij èrg veel van hem hielden.... Dat zij hem nooit zouden willen verlaten, zelfs al werden ze rijk.... Ze hingen hemieder aan een arm, gezellig slenterend met hun drieën, terwijl zij het Velabrum overstaken.... Daar was de markt nog in vollen gang; in Rome begon het huishouden laat. Daar waren de slagers, poeliers, warmoeziers, de banketbakkers, ooftverkoopers.... Daar waren de sneeuwverkoopers.... Onder bonten zeiltjes, kraampjes met afdakken, onder groote zonneschermen krioelde en woelde het marktgedoe. Vrijgelatenen, intendanten van rijke burgers, bevalen hun slaven de inkoopen in manden te bergen; vrouwen dongen, venters scholden terug, gaven toch toè, riepen dan weêr aanprijzende. Op den weg gingen onder oorverdoovend geschreeuw, geklak, gevloek, de karren elkander voorbij, reden op muilezels en ezels, ter weêrszijden beladen, de koopers met hunne korven provizies.—Goed geluk! riep Nilus plots van zijn ezel hun toe: hij had zijn inkoopen gedaan; ter weêrszijden van zijn lastdier hingen de korven vol geladen met den voorraad voor decena.—Goed geluk! riepen Lavinius, de knapen: basroep tusschen soprane-gilletjes.—.... Heb al decatervadaar ginds gezien! riep Nilus van af den ezel. Heb jij van den moord gehoord?—Ja.... Nigrina....? Maar nièt Crispina, hè?—Nigrina.... Vermoord!! Keèl afgesneden!.... Is de moèite waard zwaardvechtster te zijn om vermoord te worden door een dièf! Of een weggeloopen slaaf!!—Door wiè? Een dièf?.... Weggeloopen slaàf??—Klanten van mij.... Maar niet zeker: dief òf slaaf....De jongens keken elkander aan, zeiden niets van hun ontmoeting van gisteren avond, bang voor het gerecht in Rome.—Beiden? vroeg Lavinius.—Wie weet! Kom je van avond?—Ja! Avondmalen.... Nà de repetitie!—Zal de lange tàfel voor je open houden, hoor!—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd?? gilde Cecilius.—Picenum-broodjes? gilde Cecilianus hooger.—Op je lieve snoètjes!! riep Nilus.De ezel sloeg de achterpooten naar boven. Wie volgde, vloekte. Nilus vloekte terug, reed toch voort, spoorde met de hielen het beest. De jongens schaterden, zoo maar, om de vroolijkheid....—Vlug toch, jongens; we hebben nog zoó veel te doen....—Ja ja, de Bacchides! De Bàcchides!! triumfeerden de jongens, vroolijk.Zij liepen nu haastiger, duwden zich brutaal een weg door de markt.—Bijna zoo aardig als in Alexandrië.... glunderde Cecilianus, wereldwijs, hàd de wereld gezièn. Maar aan het einde van het Velabrum was de slavenmarkt en zij hoorden de uitroepers prijzen.—Even kijken? vroeg Cecilius dendominus.—Ja, even kijken? kwam Cecilianus na.—Waarom niet.... meende dedominus.Je wist nooit.... Geld had hij nu, voorschot van deædilen, in bewaring gegeven bij een bekenden wisselaar en àls hij op de markt eens een goed slaafje aantrof, dan was het in Rome, waar de groote slavenmarkten waren, geen kwaad zaakje er éen te koopen.... Een knaapje, om op te leiden voor vrouwerol als de tweelingen te oud zouden zijn....Zij liepen naar de slavenmarkt. Het krioelde en joelde er en de stemmen woelden door elkaâr. Het was daar aan het einde van het Velabrum een soort baziliek, zuil-overdakt, waar de slavenkooplui hunne slaven ten toon stelden. Zij betaalden voor hunne standplaats, zooveel voor iederen slaaf. Dedominustrof er den slavenkoopman Autronius, die over den voller woonde, aan wien behoorde het huis, waar degrexinwoonde. Er was hoffelijke begroeting tusschen koopman endominus.—Ik kom eens kijken, zei Lavinius, met de twee jongens hem ieder aan een arm slingerslenterend.—Ik dacht, dat je Cecilius en Cecilianus verkoopen kwam, zei voor de grap Autronius; hij was dik, kaal, gewichtig-joviaal.—Dat kan je denken! zei Cecilius.—.... Kàn je denken; echode Cecilianus. „Hadt je me maar!”—.... „je me maar!!”—Misschien zie ik een slaafje op de markt, zei dedominus, keek rond.—Wat moet je met een nieuw slaafje? stelden de jongens belang.—Ik heb van daag niets dan Daciërs, zei Autronius. Dat is niets voor jou. Kijk, daar zijn ze!En hij toonde zijn Daciërs; drie had hij er reeds verkocht; negen zaten er nog op een bank; zij kwamen van den Ister, drie vrouwen, zes mannen; zij zwegen, zagen weemoedig;....—Ik dacht, zei dedominus, voor de grap; dat je niets dandacicihadt, de gouden muntjes, die onze genadige Keizer heeft laten slaan....—Ik had lieverdacicidan Daciërs,dominus, weet dat wel, grappigde Autronius; die Daciërs zijn alleen maar sterk, maar stèrk zijn ze en jong....—Nou, die eene meid....—Nog geen twintig jaar,dominus, dat verzeker ik je: een flinke deerne; wil je haar niet?? Voor tweehonderd-vijf-en-twintig sestertiën? Uitroeper, roep eens mijn Daciërs uit....De uitroeper riep, met galmende stem:—Daciërs, sterke Daciërs, sterke mannen, knappe vrouwen! Daciërs....—Ik heb nooit meiden noodig, zei dedominusgoedig; in mijncatervadoe ik het alles met mannen en jongens af....De beide jongens giechelden: zij kregen van dendominusieder een klap en een stomp.—Die blagen! zei dedominus; ik meen....—Blonde blagen! prees dikke Autronius; verkoop ze me maar,dominus!—Voor meer dan Sextilianus....?—.... Sextilianus woû geven?? blageerden de tweelingen.Het gegil, gegalm, uitgeroep was oorverdoovend: dedominusvroeg:—Autronius, heb je al je „kostbare” verkocht?—Neen, nog niet,dominus: die hoû ik in eere. Ik laat haar hier niet zitten, weet je; ze is te fijn daar voor. Ze is een Grieksche, uit Lydië en ze gaat op de muziekschool. Ze leert fluit spelen, zingen, dansen.... Als je haar gebruiken kunt....—Dedominusdoet het alles met.... begonnen de tweelingen te plagen.Maar dedominussloeg ze voor hun brutale monden.—Kom, nog eens rond kijken, meende hij.Een uitroeper riep een neger uit. De neger stond, breede borst, spande zijn biceps, zijn dij en de koopers voelden. De uitroeper beval den neger zijn mond te openen en toonde zijn witte tanden.—Gaaf allemaal, gaaf allemaal! riep hij uit. Geen éen tand er in gezet! Twintig-duizend sestertiën....—Hm! bromde dedominus; allemaal krachtpatsers vandaag; iets fijns is er niet bij.... Heb je niet een heel jong ventje, dat ik drillen kan voor mijncaterva?—Hoe oud? vroeg de koopman.—Zoo jong mogelijk; dan leert die goed....—Dominus, riepen de jongens. Wat moet je nou met een jong ventje?—Je hebt immers òns!!De koopman had niets op dit oogenblik. Sterke slaven werden het meest gevraagd; jonge slavinnen....—Ja, beaâmde dedominus; het moet altijd een buitenkansje zijn voor mij....—Een gestolen jochie, hè? fluisterde de koopman, met een blik naar de tweelingen: zij voelden den neger de armen, de dijen en, vol belang, schudden zij aan zijn tanden, terwijl de neger roerloos bleef.Dedominushaalde de schouders op, minachtend; al kletste hij er nooit over, hij wist maar al te goed, dat hij de tweelingen van Manlius en Crispina nièt had gestolen.... En hij grinnikte nu, blij om zijn goede kans, dankbaar aan Fors Fortuna, en verteederd: was hij niet altijd als een vader voor hen geweest?—Kom jongens; kom meê! riep dedominus. Jullie willen toch niet dien neger koopen....—Waarom niet?—.... niet? blageerden de jongens en hingen weêr aan, aan Lavinius’ armen.—We moeten voort maken, spoorde dedominusaan.Zij liepen het Forum Boarium over, tusschen den drek der runderen: dien morgen was het veemarkt geweest.—Abah! klaagde Cecilianus. Zoo vuil! Tusschen die groote hoopen! Het is vuìl, hier in Rome, hoor. Vergelijk dat nu eens met Alexandrië! Daar wordt alles schoon gehouden door de ibissen, die er van den reinigingsdienst zijn.—Ja, de ibissen, zei Cecilius.—Die eten toch geen koeiendrek! wierp Lavinius tegen. Kom toch, vlugger vooruit, dondersche slenteraars....Maar was het nog modderige, bevuilde Forum Boarium vlug over te steken, er wàs niet zoo heel vlug te gaan, onderlangs den Capitolinus en langs het Theater van Marcellus. De Portiek van Octavia krioelde stampvol tusschen hare driehonderd zuilen: vele advocaten, pleitbezorgers, processe-jagers....—Ik word zoo moê, zei Cecilianus; hij keek naar zijn gele schoentjes, of ze niet èrg vuil waren geworden.—Dan zullen we maar de Menæchmi repeteeren en niet de Bacchides.... plaagde dedominus.Maar de jongens lachten, waren heelemaal niet meer bang.—Daar zijn we er! zei dedominus.De jongens zagen op. Gisteren nacht hadden zij het Theater van Pompeïus slechts vaag, donkerend, gezien in de nachtschaduw of doorvloeid van telkens verschemerenden maneschijn. Nu zagen zij het, in stralenden zonneschijn. Het halfrondde zijn statigen boog omhoog, onder den glorenden, blauwen ether. Het verrees hoog zijn drie verdiepingen op de eerst Dorische, dan Jonische, ten hoogst Corinthische zuilen. Marmeren beelden, glanzende blank, bekroonden den hoogsten ommegang, gebarend tegen het transparante azuur. In de nissen der muren rijden zich eveneens de beelden. De deur van hetpostscæniumstond open; decaterva, een voor een, slipte, slenterde er door heen, toen dedominusen de jongens naderden.Ze keken alle drie op.—Toch een móoi Theater! bewonderde dedominus.—Ik heb het gisteren nacht nièt goed kunnen zien, zei Cecilius.—Het is móoier dan het Theater te Alexandrië! gaf Cecilianus toch wel toe.Zij bleven, een oogenblik, toeven, heel ernstig nu, kijken, òp kijken. En zij waren trotsch, alle drie. Dedominus, omdat hij dit maal, in den vijftienden jare der genadige regeering des Keizers Domitianus, den goddelijken Flaviër, de Megalezische Scenische Spelen zoû inwijden in dit prachtige Theater, te Rome; de jongens omdat zij er zouden optreden, morgen, voor duizenden en duizenden, in de Bacchides.... de Bàcchides!!Maar voor zij binnen traden, zei Cecilius aan broêrtjes oor:—Cecilianus, nóoit zeggen, dat we gisteren avond....—Wàt?—Dien dief en dien slaaf hebben gezien, toen zij denkelijk....—Ik zal zoo gek zijn! zei Cecilianus.
Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat, voor het huis van voller en slavenkoopman, toen decaterva,mèt Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen, om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een; zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in decatervazelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de Bacchides èn de Menæchmi beiden, had dedominusmet gezag verklaard, terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene toga’s op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius te begroeten. Intusschen trok de „paraziet” dendominuster zijde, en tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken, onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de „paraziet” zijndominusfijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk niet beter zijn, meende de „paraziet”, àls de Menæchmi dan werden opgevoerd, géen tweede stuk van Plautus te nemen maar, ter afwisseling, een stuk van Terentius: de Formio of de Heautontimorùmenos? Woedend, in stilte, nog steeds op de tweelingen, stelde hij van alles in het werk hun dat successtuk der Bacchides te ontnemen. In die Bacchides speelden zij de tweelingzusjes, de twee courtizanen-tweelingen en hadden zij steeds, maskerloos, meer dan gewonen bijval.... Hij trok densenexer bij en beiden zeurden nu aan desdominus’ ooren; uit nijd en afgunst desenex, die, jong, altijd gemaskerd moest spelen; uit wraakzucht de „paraziet”, al zoû hij zijn mooie rol in de Menæchmi toch misschien kunnen luchten.... Neen, zeide dedominus: Terentius hadden zij in Neapolis heelemaal niet gespeeld; Plautus zat er beter in bij heel den troep.... Terentius was zoo fijn, meende de „paraziet”, zoobeschaafd, zoo Attiesch, zoo welluidend van titels: Heautontimorùmenos.... Jawel, jawel, meende dedominus.... Terentius èn Plautus beiden waren de genieën, de klassieken—modern was er niets. Maar toch, er wàs geen tijd Terentius op nieuw heelemaal in te studeeren en de voorstellingen, zie je, moesten puik zijn; denk toch, voor de Megalezia, te Rome....! Achter hun drietal stieten de tweelingen elkander aan, hadden de samenzwering wel in de gaten, maar waren reeds zeker van hun Bacchides. Koesterden niet de minste vrees meer.... Dien middag werden de Bacchides gerepeteerd en ze zouden nu niet meer er van door gaan, zelfs al riep de genadige Domitianus zelve hen in zijn keizerlijken draagstoel.... Zij bleven vlàk achter hundominusen zouden hun zaak niet meer bederven: zij zouden nu oppassen, hoor! En zoodra zij kans zagensenexen „paraziet” weg te duwen, voegden zij zich aan weêrszijden van dendominusvol zoete woordjes, gevlei, flikkeflooiden zij hun meester, beloofden héel mooi te spelen en te zeggen, en Cecilius vroeg en Cecilianus vroeg na, of het niet aardig zoû zijn hun koppen te maken, hun gezichten te schilderen naar de antieke maskers van den edelen Plinius? Dedominusbewonderde hun inval: toch wel aardige, knappe jongens; ze hadden talent meer dan gewoon, zèker geërfd van hun vader Manlius, die eenhistriowas geweest.... En hij zei van ja, altijd ingepalmd door die twee. En zoo bleven zij den geheelen tijd om hundominus: „dominus” hier en „dominus” daar; in de Thermen verlieten zij hem niet, maakten grapjes en iedereen keek naar hen, omdat zij zoo mooi naakt in het water waren en dedominuswas trotsch op hen en verheerlijkte tusschen hen beiden. Een oude bader, half kaal, met grijzen ring haren en een dikken buik boven zijn altijd afvallenden badmantel bombeerend, wenkte dendominusen decapsariïzeiden, hij was de schatrijke Sextilianus en daarom ging dedominusnaar den dikbuik toe. En Sextilianus bood dendominustweehonderd-vijftigduizendsestertiën voor de beide tweelingen, als hij ze verkoopen wilde. Het zal niet gaan! riepen Cecilius en Cecilianus na, overtuigd van hun onverkoopbaarheid. Het was toch een goèd bod; een gewone slaaf-van-waarde kostte zoo ongeveer honderdduizend sestertiën. Maar dedominus, vlug, berekende toch, dat de tweelingen hem in decatervaniet minder opbrachten en hij zeide Sextilianus, dat hij ze niet missen kon, nu vooral niet, in de Megalezia.... Of ze dan niet eens konden komen voordragen, tijdens een banket.... Neen, neen, fluisterden de tweelingen tot dendominus, lievedominus, en dat ze niet konden: ze moesten immers de Bacchides repeteeren, en morgen spelen? Dag aan dag spelen.... Misschien niet dàg-aan-dàg, meende dedominus, als de Menæchmi.... Dus toch de Menæchmi? fluistervroegen de jongens en duwden dikken, schatrijken Sextilianus, die tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor hen geven wilde, met den elleboog weg. Om de beurt: Menæchmi en Bacchides? Om af te wisselen? Nu goed dan, maar dan ook de rol van Erotium, aardige deerne-rol, nu eens door Cecilius, dan eens door Cecilianus laten spelen, hè? Clarus, die hem gisteren gerepeteerd had, was toch eigenlijk beter in eenmatrona-rol, had niet de intonatie van demeretrix. Vond dedominusniet? En ze vleiden en ze flikkeflooiden en dedominus, hoewel steeds met een autoritairen frons tusschen de brauwen, gaf toe, gaf alles toe, op éen voorwaarde; dat ze nooit meer zoo een heelen dag weg liepen en hem in ongerustheid lieten.... Een moord, ja een moord en een diefstal.... In de Carinæ.... Het was een ontroering: Rome was niet veilig; de Viermannen zorgden heelemaal niet voor de nachtelijke veiligheid; schorrie-morrie dwarrelde ’s nachts altijd rond tusschen de zuilen der portieken; dat waren decolumnariï, zoo als de Romeinen hen reeds noemden: dieven en moordenaars en ’s nachts krioelden ze in de Suburra, in al de kroegen, taveernen, bordeelen. Ja, zeiden de jongens ensneden op: gisteren nacht, toen zij langs de Portiek van Octavia waren gegaan, had het er gekrioeld vancolumnariï, allemaal moordenaars en dieven. En de eene dronkelap, dien zij hadden gezien en uitgescholden, werd in hunne verbeelding een bende boeven en roovers en zij vertelden ervan hoe zij waren nagezeten, hoe zij hadden gevochten en de baders verzamelden om hen. Zij stelden zich aan, hingen ieder aan een arm van hundominusom toch goed te laten zien, hoe goede vriendjes zij met hem waren en dedominusliep er in, geloofde, dat zij gevaar hadden geloopen, vloekte, dat zij zoo onvoorzichtig waren, drukte hun op het hart voortaan niet alleen door die groote stad te dwalen. Een man vermoord....? Ja, een man.... neen, tòch een vrouw.... En plotseling, op den drempel van de Thermen, die zij verlieten, om vlak bij, staande, in een taveerne, gestremde melk en honigkoek te eten, hoorden zij wie er die nacht vermoord was in de Carinæ.... Het was Nigrina....! Wie, Nigrina? Wel, de zwaardvechtster, je weet wel; ze trad in het Colosseum op tegen een beer of een tijger, soms tegen een anderen zwaardvechter of -vechtster en zelfs kerels hadden ontzag voor haar; ze was een patricische en de vrouw van een senator, die was al lang om het een of ander door den Keizer verbannen en zij was nu vermoord.... Nigrina, die met Fabulla....? vroegen de jongens. Ja, die natuurlijk, diè, en de jongens beweerden wereldwijs, dat zulke hooge vrouwen ook niet onder het volk moesten komen; dat liep altijd slecht af.... En onder elkaâr smoesden zij, toch even beïndrukt, als het wèrkelijk Nigrina zoû zijn, dat zij het er altijd goed hadden afgebracht, van hun nachtelijke avontuurtjes en onverwachte uitnoodigingen.... En, voor de taveerne bij de Thermen, bestormd door de baders, die er de roode kommetjes gestremde melk uitslurpten, besprak decaterva, bespraken alle de ontbijters het geval.... Neen, het wàs nièt Nigrina, hoorden zij nu weêr.... Wie het dan wel was....? Crispina, de Egyptische, de zuster vanCrispinus, den gunsteling van den Keizer. En dedominusschrikte wel, toen hij hoorde, dat het Crispina was! Crispina, de moeder van de tweelingen, die met Manlius, denhistrio, in der tijd.... Maar het was niet Crispina.... Er was heelemaal geen moord gepleegd.... Jawel, jawel.... Dus toch de Bacchides? Die verdomde jongens, ze kregen toch altijd hun zin. En de komedianten overluisterden ook een twist van Clarus en Cecilianus:
—Jij bent maar eenmatrona-jongen, zei Cecilianus hoog; alleen mijn broêrtje of ik kan Erotium spelen....
—Zoo, ben ik maar....? begon Clarus woedend; hij was al in de twintig, zijn stem werd al te mannelijk; hij moest die forceeren naar de hoogte toe.
—Ja, en jij hebt de stem van een vènt, minachtte Cecilianus en Clarus werd rood van boosheid maar desenexwenkte hem en zij smoesden, terwijl allen nu, langzaam, slenterend, op weg gingen naar het Pompeïus-theater, voor de repetitie.
De tweelingen lieten niet af van dendominus. Zij lieten zich niet meer afleiden door al het geklets en gekakel over den moord, hier, vlak bij de Carinæ, wier rijke huizen zich daar ginds verloren, weg verschoten in een fijn geschaduw van tuinen, van sycomorengeschemer en platanengeblaârte, doorzond door de nog jonge, gouden zon. Voorname draagstoelen wiegelden aan, aangekondigd door geklikkak van zweepen. Bevalligecarpenta, met een of twee paarden, deden de voetgangers haastig schuil zoeken op de nauwe vluchtrichels; zwarte slaven, laatdunkend, stieten hun schreeuw van aankondiging uit. Decaterva, vaak na gekeken, herkend soms toe geroepen:histriones!, slenterde onverschillig voor de algemeene minachting, langzaam een eind de Sacra Via op, door den Titusboog....
—De Joodsche Kandelaar! wezen de tweelingen dendominus.
—Hebben jullie dan àlles al weêr in Rome gezien? vroeg dedominus, steeds tusschen hen beiden in, langs de trappenvluchten van het Flavische Paleis....
—Daar woont de Keizer, wezen de jongens; en hier heeft de edele Plinius ons in zijn draagstoel meê genomen....
Dedominuswist wel, dat de Keizer daar woonde, maar sommige komedianten, die nooit in Rome waren geweest, stonden stil, gaapten naar die prachtige, Olympische woning, zuilende op den Palatinus, tegen de doorzichtigheid van blauw kristallijnen Aprillucht.... En de jongens wezen, pedant, omdat ze het wel wisten, meér hadden gezien, aanservusen andere bemindecaterva-leden....
—Het paleis van den goddelijken Domitianus....
Zonder dien beroerden „paraziet” ensenexmet een blik te verwaardigen....
En zij slenterden door de drukte verder. Nu was het zoo druk, voor het Huis van Vesta, en den ronden Vesta-tempel, bij den Tempel van Castor en Pollux, dat zelfs hun groote troep niet meer in het oog viel. Zij werden niet meer opgemerkt; zij zagen er bijna uit als iedereen; zij werden niet meer nagejouwd; hier verdrong zich en woelde de menigte. Steeds schreeuwden de voorloopers van draagstoelen encarpenta, klakten de zweepen, en de drukke stemmen lawaaiden luider, lachende, twistende, schertsende tegen elkaâr in. De tweelingen lieten dendominusniet meer los, hielden hem ieder aan een slip van zijn tuniek.... Zij genoten van de volte, de drukte. Zij wezen dendominusde Basilica Julia; zij wisten dadelijk in iedere vreemde stad den weg. Waarlijk, Rome herinnerden zij zich weêr, van drie jaren her, toen ze nog ukjes waren geweest.
—De Basilica Julia weet ik ook wel, bromde dedominus.
In de Baziliek verdrongen zich de wandelaars, schuilende voor de al warme zon. De schaduw koelde blauw tusschen de zuilen. Straatjongens speelden damspelletje op de, in de marmeren tredendoor hen gegroefde, vierkante lijntjes.... Meiden met kleurige toga’s om—want de deerne droeg de „toga” en niet als dematronastolaenpalla—wandelden daar, wapperden met hare franjes, buitensporig gekapt, lonkten met geschilderde oogen.... Pleitbezorgers stonden met hunne slachtoffers te redetwisten, druk over hun hangende processen, met de duimen stavende hun bewijsredenen. Senatoren, in rood omzoomdelaticlavia, begroetten elkander, deftig. En het was als kleur een even bont, maar zacht bont getinte, grauwige blankheid, om de weêrschijningen van al het marmer van het dicht op elkander bebouwde Forum: de tempels, de bazilieken, de zuilen, de trappetreden, de tallooze beelden, die alle de blauwige schaduwen sloegen.
—Hoe nu? vroeg dedominus, een oogenblik de kluts kwijt.
—Den Vicus Tuscus door, natuurlijk! oriënteerden zich de jongens dadelijk.
—Den Vicus Tuscus, natuurlijk! herstelde zich spoedig dedominus.
De jongens hìngen aan hem, lieten hem niet meer los, na de les van gisteren avond. Zij zouden hun Bacchides niet meer verliezen. Zij zouden zich vast klampen aan hun Bacchides èn aan hundominusen zij liepen met hem vooruit: decaterva, slenterend, volgde, vol commentaar.
Langs den Vicus Tuscus, die van het Forum naar het Circus Maximus leidde, rijden zich de winkels. Hier stond het beeld van den god Vertumnus, god van alle wisselvalligheid, god van goed en slecht weêr, god ook van koop en verkoop. Hier waren de voorname zijdehandelaars, en op hun toonbanken plooiden zij voor de koopende vrouwen de kleurige, ritselende lappen uit, juist geschikt voorstola,palla,toga. De matronen verdrongen zich met de deernen, deden de stoffen knisteren in hare vingers. De goud- en zilversmeden stalden hun goudsmeêwerk, hun zilveren vaatwerk uit; de geurwerkers, in tal van kleine vaasjes van onyx,albast of goedkooper steen hadden in zeer kleine winkeltjes op planken hun koopwaar sierlijk uit gestald. Een barbier voor aanzienlijke klanten er naast. Open waren alle de winkels; het was alles klein, druk, vol, rumoerig en roezemoezig op elkaâr. Lavinius liep even bij Cosmus in. Het winkeltje, hoewel open, geurde een nardus-potje gelijk.
—Ik breng alles van daag in gereedheid,dominus! verzekerde Cosmus. Al je zalven, verven en poeiers....
—Maar dènk, vriend Cosmus, dat ik een arme drommel ben, die zijn geld moet verdienen!
—Kom, kom, je zit er goed in! meende Cosmus.
Dedominussloeg de armen op en uit, de tweelingen dicht naast zich. Er goed in?! Hij, een vrijgelatene, die vroeger, zelf slaaf, komediant, nu ja een beetje van alles gespeeld had, vrouwerol, „paraziet,”senex, tot hij zich had vrij gekocht en eengrex, o een kleine maar, had kunnen verzamelen....
—Wees maar niet bang,dominus; Cosmus zet je niet af, verzekerde de geurwerker; ik ben ook vrijgelatene, maar ik ben ook cliënt van een aanzienlijken patroon, van den schatrijken Sextilianus....
—Die ons woû koopen...?
—.... Ja, woû koopen....
—.... Voor tweehonderd....
—.... vijftigduizend sestertiën!! vielen de tweelingen samen in.
Cosmus lachte; Lavinius nam afscheid. Hij liep nu het Argiletum op, waar de boekenwinkels waren en den winkel van Tryfo binnen. Reeds had hij afgesproken met Tryfo, dat hij hem zijntitulïleveren zoû, om aan te plakken op de hoeken der straten en Thermen. En hij woû nog eens gaan hooren, want de tijd vloog om....
—Dag Martialis! Dàg Martialis! begroetten de tweelingen den dichter, die juist bij den boekhandelaar was om te hooren of zijnlaatste epigrammenbundel goed werd verkocht.Dominus, dit is Martialis....!
Dedominuswist nu wel wie Martialis was. Een moderne epigrammendichter, wiens epigrammen dóoden konden.... Verbeeldt je, als hij eens epigrammen, venijnige, dichten ging op hèm, op zijngrex, op de voorstellingen, die hij zoû geven! En hij dacht, dat het goed zoû zijn, zeer hoffelijk Martialis te groeten.
—Edele Martialis!! groette dedominus. Wat ben ik verheugd u te mogen begroeten, u, den geestigsten Romein onzer dagen! Wat zal ik het waardeeren, zoo niets u verhinderen zal onze voorstellingen bij te wonen! Vooral de eerste, waar alles wat Rome voornaam, aanzienlijk, geletterd, geleerd bezit, zal samen stroomen!
—Ik zal komen, ik zal komen, Lavinius, verzekerde Martialis; en wij zullen allen komen: Plinius, Quintilianus, Tacitus, Frontinus, Suetonius....
—Hooge eer doen de groote schrijvers mij aan en de edele proconsul en de alleredelste Plinius, verzekerde Lavinius Gabinius; en wij zullen de Bacchides, hoop ik, tot hun aller genoegen opvoeren.
—De Menæchmi.... Las ik ten minste op deacta diurnain het Forum, Lavinius....?
—De nieuwsberichten, meende, hoffelijk glimlachend, dedominus; zijn nooit héelemaal juist ingelicht. Wij zullen spelen, edele Martialis, misschien een enkelen keer de Menæchmi, maar vooral de Bacchides, vooràl de Bacchides....
—Daar spelen wij....
—.... Ja, wij....
—De hoofdrollen in! riepen de jongens.
Maar Tryfo rolde-uit een groot perkament.
—Zie hier,dominus....
—Mooi zoo! riep dedominus, dadelijk getroffen.
En zij lazen allen, Martialis,dominus, knapen het groote perkament van dentitulus, dedidascalia, het programma:
Acta Ludis Megalensibus.
Acta Ludis Megalensibus.
—Vindt je die roode en zwarte letters mooi,dominus? vroeg de boekhandelaar, te gelijk uitgever en vrijgelatene, éen der cliënten van Plinius. Hij was meester van zeer knappe copiïsten: die zaten achter in een zaaltje over te schrijven en keken nieuwsgierig op, hunne stiften in de hand.... Martialis vroeg even, ter loops....
—Uw epigrammen, edele Martialis? Zeker, ik verkoop ze, ik verkoop ze.... De laatste bundeltjes zelfs voor drie-en-een-halveas. Iedereen wil ze hebben, grif gaan ze weg. Dus mooi, niet waardominus; die roode en zwarte letters en mooi groot, niet waar, dat treft dadelijk:
Acta Ludis Megalensibus.Lucio Sosibiano et Marco SofronioÆdilibusCurulibus.
Acta Ludis Megalensibus.Lucio Sosibiano et Marco SofronioÆdilibusCurulibus.
—Zoudt ge niet de namen van deædilen, beste Tryfo, meende dedominus, met iets grootere letters laten schrijven?! Dat doet altijd pleizier, weet ge.... Wat vindt gij, edele Martialis??
—De namen van deædilenzoo groot mogelijk, Tryfo, zoo groot mogelijk!
—Goed dan,dominus; zeker, Martialis; de eigennamen iets grooter dan, met iets meer rood er tusschen? Maarædilibuscurulibus?
—Zoo laten, zoo laten, meende Martialis.
—Ja, zoo laten, meende dedominus, en de jongens bauwden na:
—Zoo laten! Niet met grootere letters:ædilibus curulibus!
Tryfo wees en las verder:
Door den beroemden Troep
Door den beroemden Troep
—Neen, zei dedominus: niet „beroemd”. Ik wil niet: „beroemd”.
—Je hebt een beroemden troep, Lavinius, verzekerde Martialis. Je bent zelf beroemd.
—Ik bèn het, zeide dedominus, met kalme eigenwaarde; maar het staàt niet.... het staat niet waardig. Het staat zoo weinig letterkundig, artistiek: het doet zoo aan als een opschrift voor koordedansers en berenleiders. Neen, Tryfo, ik wil niet „beroemd”....
—We zullen dan niet „beroemd” zetten,dominus. Dus:
Door den Troep....
Door den Troep....
—Ja;door den troep....
—Met roode letters:troep....?
—Ja,troeprood: rood en zwart samen doen mooi.
Tryfo ging voort:
Door den Troep van Lavinius Gabinius.
Door den Troep van Lavinius Gabinius.
—Goed zoo, meende dedominus, nu „beroemd” was door geschrapt, en las nu zelve:
Hymne en Voorspel met Dans, Zang en Fluitspel.Muziek van Atillius Burrhus voor Rechter- en Linkerfluiten.
Hymne en Voorspel met Dans, Zang en Fluitspel.Muziek van Atillius Burrhus voor Rechter- en Linkerfluiten.
—Je copiïsten zijn kunstenaars, Tryfo, meende Martialis.
—Het is heùsch nog al mooi geschreven, bracht Cecilius in het midden, met jeugdige, wereldwijze waardeering.
—In Alexandrië schreven ze dedidascaliamet gouden letters, fluisterde Cecilianus echter minachtend.
Maar voor de deur van het winkeltje verdrongen zich nu de komedianten en iedereen las op zijn beurt, hard op:
—Acta.... Acta Ludis.... Acta Ludis Megalensibus....
Daarna
Daarna
lazen dedominusen Tryfo te gelijker tijd:
De Bacchides van Plautus.
De Bacchides van Plautus.
—De Bacchides! De Bacchides!! klapten de tweelingen zegevierend in de handen. De Bacchides!!!
En zij zagen om naar de deur: daar verschenen de gezichten van densenexen den „paraziet”. Nu, dacht desenex, hij had toch een aardige rol in de Bacchides. Maar de „paraziet” was bleek van woede en beloofde zich zijn lamme, kleine rol slècht te spelen, zelfs al zoû dedominushem een kwaad ding doen....
—Staan onze namen er nu niet eens onder?? vroegen te gelijker tijd de tweelingen. Waarom staan onze namen er nu niet eens onder?
—Dat is geen gewoonte! zei dedominusbeslist.
—Heelemaal niet! zei Tryfo.
—Wijk maar eens van de gewoonte af, ried Martialis aan. Mooi zoo: daar valt mij een epigram op „De Gewoonte” in! Dat heb ik ten minste al weêr!
Maar Lavinius en Tryfo beiden waren het met elkaâr eens, dat een strenge traditie gehandhaafd moest worden in dentitulus.
—Didascalia, verbeterde eigenwijs Cecilius, die het Grieksche woord mooier vond.
—....Didascalia, bauwde Cecilianus, klein mondje, na.
—Ziet u, edele Martialis; detitulusmàg niet afwijken van de antieketutulï, zooals Plautus en Terentius ze gaven.
—Jullie tooneelvolk groeit vast in je „traditie” en gewoonte, meende Martialis.
En hij zelve herhaalde nu:
De Bacchides van Plautus.De geheel Grieksche handeling valt voorte Athene.Daarna:VerschillendeATELLANÆmet Zang, Dans en Fluitspel.Muziek van....
De Bacchides van Plautus.De geheel Grieksche handeling valt voorte Athene.Daarna:VerschillendeATELLANÆmet Zang, Dans en Fluitspel.Muziek van....
—De namen van die muziekmakers worden wèl genoemd, viel Cecilianus Martialis in de rede.
—.... Wèl genoemd, kwam ouder broêrtje nijdig na.
Daarna,
Daarna,
lazen zij alle drie, dichter,dominus, boekhandelaar:
DE KOFFER,Mimusspel van Publilius.Gespeeld door den beroemden Latinus....
DE KOFFER,Mimusspel van Publilius.Gespeeld door den beroemden Latinus....
—Latinus wordt oòk al genoemd! siste nijdig Cecilius; broêrtje siste dadelijk na....
En....
En....
ging Martialis voort, met een ondeugenden blik naar de tweelingen:
Door de zeer beroemde Danseres.....
Door de zeer beroemde Danseres.....
—Oooh!! verontwaardigden zich de tweelingen.
„THYMELE”
„THYMELE”
voltooide Martialis.
—Een vrouw!! krijschten de tweelingen te zamen, de vuisten ballend. Alleen maar een danseres! Nièts dan een danseres! Thymele, verbeeldt je! Wordt die oòk al genoemd! En nog wel geschreven met zulke groote letters, heelemaal rood! Heelemaal rood!
—Dat is de gewoonte, zei Tryfo. Thymele en Latinus worden altijd genoemd.Mimusen Danseres....
—En waarom niet decomœdi?? protesteerden de tweelingen.
—Om de „traditie”, komediantjes! plaagde Martialis.
—Wij mimeeren ook, wij dansen immers ook....
—.... Zijn ookmimusen danser....
Ten slotte:
Ten slotte:
viel dedominusin met autoritaire verheffing van stem om die dondersche tweelingen toch te doen zwijgen: de heelecatervanu gluurde binnen, kop na kop en las, hard-op, een voor een:
—.... De Bacchides.... Dus de Bacchides?....Daarna....
De Koffer....? Latinus en Thymele?
LAUREOLUSGroot Exodium-Spel.
LAUREOLUSGroot Exodium-Spel.
Gespeeld door den allerberoemdstenarchimimusLentulus, ving Martialis het van dendominusop.
—Allerberoemdst! Allerberoemdst!! raasden de beide jongens: de blonde koppen naast elkaâr hadden nijdige adderbewegingen rond dendominusen ze fluisterden na, ze flikkeflooiden....; mochten hun namen oòk niet....??
—Kom, pleitte Martialis;dominus! Laat nu maar schrijven door de copiïsten met véel rooden inkt:
De Bacchides van Plautus,
De Bacchides van Plautus,
Waarin de hoofdrollen zullen gespeeld worden door mijn twee onvergelijkelijke tweeling-comœdi, Cecilius en Cecilianus....
Tryfo lachte. Dedominuswerd zenuwachtig.
—Edele Martialis, waarlijk! En jùllie jongens, hoor nu even toch.... Gaan jùllie toch dóór, naar het Theater?! donderde hij decatervatoe, die bleef kijken: de koppen, plots, verdwenen: het daglicht viel helderder neêr over den, door Tryfo steeds opgehouden, uitgespreidentitulus:
—Je weet, ik doe voor jullie wàt ik kan! Jullie zijn ook lieve, aardige jongens....
—Blonde schàtten! prees Martialis.
—Jullie spelen goed, zeggen móoi; ik geef het àlles toe, jullie spelen de Bacchides....
—Als èchte Bacchides! viel Martialis in.
—Maar....
—Maar.... echode Martialis.
—De traditie, zie je, de traditie....
—Ja, de „traditie”, knikte Martialis den jongens toe.
—.... Wil niet, ging Lavinius door; wil niet....
—.... dat jullie namen worden vermeld, viel Tryfo in en rolde dentitulusop....
—Neen! herwon zich Lavinius. De traditie wil het niet. En dat is heel goed.... Kijk, hetmimus-spel blijft altijd een kijkspel, zonder zèggingskunst, nu ja, mimiek, dans,saltatio, dat kan alles heel mooi worden en we zullen ook pogen het zoo mooi mogelijk te doen, maar het evenaart nóoit de èrnstige, hoogere komedie, depalliata, het Grieksche blijspel, verlatinizeerd, maar tòch Grieksch, onherroepelijk Grieksch en daarom alléen al, naast de tragedie, het hoogst staand van alles wat op de planken vertoond wordt, vertoond kàn worden.... En, zie je, jongens, ziet ge, edele Martialis, we kùnnen niet, we mògen niet, in iets van depalliata mimus-manieren aannemen, zèlfs niet in dentitulus, waarin noch de Grieken, noch Plautus, noch Terentius de namen van de spelers ooit hebben vermeld; we moeten trouw aan de traditie blijven, de hooge traditie en jullie mogen niet, neen Martialis, ge moògt niet aandringen op die vermelding van de namen der hoofdrolspelers, en dat nog wel met rooden inkt, veel rooden inkt: neen, Martialis, ge moògt niet!!
Op eens schrikte Lavinius.
—Tryfo!! riep hij. Tryfo! De namen van de Consuls zijn toch niet vergeten onder aan dentitulus?
—Heb geen vrees, Lavinius, zei Tryfo; voor de autoriteit heb ik minstens even veel eerbied als jij.... Ze stáan er op: onderhet Consulaat van.... Zie je wel?—plooiende de rol nog even open. Dus alles in orde, Lavinius? Edele Martialis, vindt ge het dan goed, dat de copiïsten het schrijven van uw laatste bundeltjes staken voor van daag en morgen? En met detitulïbeginnen? Er is zoo veel aan te doen! Om aan te plakken in het Forum, de Baden, bij het Velabrum, het Theater.... Ja, druk, drùk is het leven, edele Martialis, voor een boekhandelaar in Rome!
—Druk is het, beste Tryfo, voor een armen dichter, die van epigrammen leeft!
—Maar druk ook, met uw verlof, edele Martialis, zei Lavinius; voor eendominusgregistijdens de Megalezia. Ik moet weg: repeteeren moeten we, den heelen middag....
—De Bacchides! verzekerden de jongens trotsch.
Het stond nu op dentitulus; zij waren nu zeker van hun zaak. En zij namen alle drie afscheid van Martialis, die terug moest naar zijn huisje, heelemaal bij de Porta Nomentana, en te voet....
—Heb je je vijfde epigram voor den Keizer gisteren avond nog gevonden? vroeg Cecilius, al gemeenzaam met den jovialen dichter.
—Hèb je? riep Cecilianus na.
—Ik heb, ik heb, ocomœdider hoogerepalliata, arme roode inktlooze slachtoffers van de traditie, blonde Bacchides-spelertjes met je aardige bakkesen! declameerde Martialis en wuifde ze toe, glimlachte ze toe met zijn Silenus-glimlach.
Zij wuifden, lachten terug; dedominusdrong ze vooruit. Decatervawas reeds een eind voort geslenterd; ja, de tweelingen bleven altijd de lievelingen. Wat wil je, hè; er waren er àltijd een paar, die....
De jongens, alleen met dendominus, verzekerden hem sentimenteel, dat zij èrg veel van hem hielden.... Dat zij hem nooit zouden willen verlaten, zelfs al werden ze rijk.... Ze hingen hemieder aan een arm, gezellig slenterend met hun drieën, terwijl zij het Velabrum overstaken.... Daar was de markt nog in vollen gang; in Rome begon het huishouden laat. Daar waren de slagers, poeliers, warmoeziers, de banketbakkers, ooftverkoopers.... Daar waren de sneeuwverkoopers.... Onder bonten zeiltjes, kraampjes met afdakken, onder groote zonneschermen krioelde en woelde het marktgedoe. Vrijgelatenen, intendanten van rijke burgers, bevalen hun slaven de inkoopen in manden te bergen; vrouwen dongen, venters scholden terug, gaven toch toè, riepen dan weêr aanprijzende. Op den weg gingen onder oorverdoovend geschreeuw, geklak, gevloek, de karren elkander voorbij, reden op muilezels en ezels, ter weêrszijden beladen, de koopers met hunne korven provizies.
—Goed geluk! riep Nilus plots van zijn ezel hun toe: hij had zijn inkoopen gedaan; ter weêrszijden van zijn lastdier hingen de korven vol geladen met den voorraad voor decena.
—Goed geluk! riepen Lavinius, de knapen: basroep tusschen soprane-gilletjes.
—.... Heb al decatervadaar ginds gezien! riep Nilus van af den ezel. Heb jij van den moord gehoord?
—Ja.... Nigrina....? Maar nièt Crispina, hè?
—Nigrina.... Vermoord!! Keèl afgesneden!.... Is de moèite waard zwaardvechtster te zijn om vermoord te worden door een dièf! Of een weggeloopen slaaf!!
—Door wiè? Een dièf?.... Weggeloopen slaàf??
—Klanten van mij.... Maar niet zeker: dief òf slaaf....
De jongens keken elkander aan, zeiden niets van hun ontmoeting van gisteren avond, bang voor het gerecht in Rome.
—Beiden? vroeg Lavinius.
—Wie weet! Kom je van avond?
—Ja! Avondmalen.... Nà de repetitie!
—Zal de lange tàfel voor je open houden, hoor!
—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd?? gilde Cecilius.
—Picenum-broodjes? gilde Cecilianus hooger.
—Op je lieve snoètjes!! riep Nilus.
De ezel sloeg de achterpooten naar boven. Wie volgde, vloekte. Nilus vloekte terug, reed toch voort, spoorde met de hielen het beest. De jongens schaterden, zoo maar, om de vroolijkheid....
—Vlug toch, jongens; we hebben nog zoó veel te doen....
—Ja ja, de Bacchides! De Bàcchides!! triumfeerden de jongens, vroolijk.
Zij liepen nu haastiger, duwden zich brutaal een weg door de markt.
—Bijna zoo aardig als in Alexandrië.... glunderde Cecilianus, wereldwijs, hàd de wereld gezièn. Maar aan het einde van het Velabrum was de slavenmarkt en zij hoorden de uitroepers prijzen.
—Even kijken? vroeg Cecilius dendominus.
—Ja, even kijken? kwam Cecilianus na.
—Waarom niet.... meende dedominus.
Je wist nooit.... Geld had hij nu, voorschot van deædilen, in bewaring gegeven bij een bekenden wisselaar en àls hij op de markt eens een goed slaafje aantrof, dan was het in Rome, waar de groote slavenmarkten waren, geen kwaad zaakje er éen te koopen.... Een knaapje, om op te leiden voor vrouwerol als de tweelingen te oud zouden zijn....
Zij liepen naar de slavenmarkt. Het krioelde en joelde er en de stemmen woelden door elkaâr. Het was daar aan het einde van het Velabrum een soort baziliek, zuil-overdakt, waar de slavenkooplui hunne slaven ten toon stelden. Zij betaalden voor hunne standplaats, zooveel voor iederen slaaf. Dedominustrof er den slavenkoopman Autronius, die over den voller woonde, aan wien behoorde het huis, waar degrexinwoonde. Er was hoffelijke begroeting tusschen koopman endominus.
—Ik kom eens kijken, zei Lavinius, met de twee jongens hem ieder aan een arm slingerslenterend.
—Ik dacht, dat je Cecilius en Cecilianus verkoopen kwam, zei voor de grap Autronius; hij was dik, kaal, gewichtig-joviaal.
—Dat kan je denken! zei Cecilius.
—.... Kàn je denken; echode Cecilianus. „Hadt je me maar!”
—.... „je me maar!!”
—Misschien zie ik een slaafje op de markt, zei dedominus, keek rond.
—Wat moet je met een nieuw slaafje? stelden de jongens belang.
—Ik heb van daag niets dan Daciërs, zei Autronius. Dat is niets voor jou. Kijk, daar zijn ze!
En hij toonde zijn Daciërs; drie had hij er reeds verkocht; negen zaten er nog op een bank; zij kwamen van den Ister, drie vrouwen, zes mannen; zij zwegen, zagen weemoedig;....
—Ik dacht, zei dedominus, voor de grap; dat je niets dandacicihadt, de gouden muntjes, die onze genadige Keizer heeft laten slaan....
—Ik had lieverdacicidan Daciërs,dominus, weet dat wel, grappigde Autronius; die Daciërs zijn alleen maar sterk, maar stèrk zijn ze en jong....
—Nou, die eene meid....
—Nog geen twintig jaar,dominus, dat verzeker ik je: een flinke deerne; wil je haar niet?? Voor tweehonderd-vijf-en-twintig sestertiën? Uitroeper, roep eens mijn Daciërs uit....
De uitroeper riep, met galmende stem:
—Daciërs, sterke Daciërs, sterke mannen, knappe vrouwen! Daciërs....
—Ik heb nooit meiden noodig, zei dedominusgoedig; in mijncatervadoe ik het alles met mannen en jongens af....
De beide jongens giechelden: zij kregen van dendominusieder een klap en een stomp.
—Die blagen! zei dedominus; ik meen....
—Blonde blagen! prees dikke Autronius; verkoop ze me maar,dominus!
—Voor meer dan Sextilianus....?
—.... Sextilianus woû geven?? blageerden de tweelingen.
Het gegil, gegalm, uitgeroep was oorverdoovend: dedominusvroeg:
—Autronius, heb je al je „kostbare” verkocht?
—Neen, nog niet,dominus: die hoû ik in eere. Ik laat haar hier niet zitten, weet je; ze is te fijn daar voor. Ze is een Grieksche, uit Lydië en ze gaat op de muziekschool. Ze leert fluit spelen, zingen, dansen.... Als je haar gebruiken kunt....
—Dedominusdoet het alles met.... begonnen de tweelingen te plagen.
Maar dedominussloeg ze voor hun brutale monden.
—Kom, nog eens rond kijken, meende hij.
Een uitroeper riep een neger uit. De neger stond, breede borst, spande zijn biceps, zijn dij en de koopers voelden. De uitroeper beval den neger zijn mond te openen en toonde zijn witte tanden.
—Gaaf allemaal, gaaf allemaal! riep hij uit. Geen éen tand er in gezet! Twintig-duizend sestertiën....
—Hm! bromde dedominus; allemaal krachtpatsers vandaag; iets fijns is er niet bij.... Heb je niet een heel jong ventje, dat ik drillen kan voor mijncaterva?
—Hoe oud? vroeg de koopman.
—Zoo jong mogelijk; dan leert die goed....
—Dominus, riepen de jongens. Wat moet je nou met een jong ventje?
—Je hebt immers òns!!
De koopman had niets op dit oogenblik. Sterke slaven werden het meest gevraagd; jonge slavinnen....
—Ja, beaâmde dedominus; het moet altijd een buitenkansje zijn voor mij....
—Een gestolen jochie, hè? fluisterde de koopman, met een blik naar de tweelingen: zij voelden den neger de armen, de dijen en, vol belang, schudden zij aan zijn tanden, terwijl de neger roerloos bleef.
Dedominushaalde de schouders op, minachtend; al kletste hij er nooit over, hij wist maar al te goed, dat hij de tweelingen van Manlius en Crispina nièt had gestolen.... En hij grinnikte nu, blij om zijn goede kans, dankbaar aan Fors Fortuna, en verteederd: was hij niet altijd als een vader voor hen geweest?
—Kom jongens; kom meê! riep dedominus. Jullie willen toch niet dien neger koopen....
—Waarom niet?
—.... niet? blageerden de jongens en hingen weêr aan, aan Lavinius’ armen.
—We moeten voort maken, spoorde dedominusaan.
Zij liepen het Forum Boarium over, tusschen den drek der runderen: dien morgen was het veemarkt geweest.
—Abah! klaagde Cecilianus. Zoo vuil! Tusschen die groote hoopen! Het is vuìl, hier in Rome, hoor. Vergelijk dat nu eens met Alexandrië! Daar wordt alles schoon gehouden door de ibissen, die er van den reinigingsdienst zijn.
—Ja, de ibissen, zei Cecilius.
—Die eten toch geen koeiendrek! wierp Lavinius tegen. Kom toch, vlugger vooruit, dondersche slenteraars....
Maar was het nog modderige, bevuilde Forum Boarium vlug over te steken, er wàs niet zoo heel vlug te gaan, onderlangs den Capitolinus en langs het Theater van Marcellus. De Portiek van Octavia krioelde stampvol tusschen hare driehonderd zuilen: vele advocaten, pleitbezorgers, processe-jagers....
—Ik word zoo moê, zei Cecilianus; hij keek naar zijn gele schoentjes, of ze niet èrg vuil waren geworden.
—Dan zullen we maar de Menæchmi repeteeren en niet de Bacchides.... plaagde dedominus.
Maar de jongens lachten, waren heelemaal niet meer bang.
—Daar zijn we er! zei dedominus.
De jongens zagen op. Gisteren nacht hadden zij het Theater van Pompeïus slechts vaag, donkerend, gezien in de nachtschaduw of doorvloeid van telkens verschemerenden maneschijn. Nu zagen zij het, in stralenden zonneschijn. Het halfrondde zijn statigen boog omhoog, onder den glorenden, blauwen ether. Het verrees hoog zijn drie verdiepingen op de eerst Dorische, dan Jonische, ten hoogst Corinthische zuilen. Marmeren beelden, glanzende blank, bekroonden den hoogsten ommegang, gebarend tegen het transparante azuur. In de nissen der muren rijden zich eveneens de beelden. De deur van hetpostscæniumstond open; decaterva, een voor een, slipte, slenterde er door heen, toen dedominusen de jongens naderden.
Ze keken alle drie op.
—Toch een móoi Theater! bewonderde dedominus.
—Ik heb het gisteren nacht nièt goed kunnen zien, zei Cecilius.
—Het is móoier dan het Theater te Alexandrië! gaf Cecilianus toch wel toe.
Zij bleven, een oogenblik, toeven, heel ernstig nu, kijken, òp kijken. En zij waren trotsch, alle drie. Dedominus, omdat hij dit maal, in den vijftienden jare der genadige regeering des Keizers Domitianus, den goddelijken Flaviër, de Megalezische Scenische Spelen zoû inwijden in dit prachtige Theater, te Rome; de jongens omdat zij er zouden optreden, morgen, voor duizenden en duizenden, in de Bacchides.... de Bàcchides!!
Maar voor zij binnen traden, zei Cecilius aan broêrtjes oor:
—Cecilianus, nóoit zeggen, dat we gisteren avond....
—Wàt?
—Dien dief en dien slaaf hebben gezien, toen zij denkelijk....
—Ik zal zoo gek zijn! zei Cecilianus.