XIV.Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn laag bed, stond Earinus.Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricischegens: hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn gordel en schoengespen.—Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.—Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.—Ja....—Was je moê....?—Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer gedanst....—Parthenius, de opperste dercubicularii, heeft mij gezegd je op te gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.—De zon heeft mij gewekt, heer....—Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij zullen van daag dan zamen zijn....—Ja, heer....—Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed geslapen....—Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr, heer....—Zeg Earinus.—Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar een komediantje.—De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.Cecilius keek verlegen....—Ik weet niet....—Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd, dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie, lange, blonde haren, Cecilius.—Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.—Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd bereikt, dat het voegzaam was....—En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?—Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je, Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf, die hem hielp met zijn lange, goudglanzendehistrio-tuniek, met de lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans om zijn lange, blonde haar.—Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.—Op jou ook.—En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen, Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziumstonstrixzoû me anders niet kunnen kappen.—Wat was je mooi, Cecilius, in de „Bacchides!” Wat zag je er mooi uit en wat speelde je goed!!—Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....—Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat hij ziek was.—Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.—Hoeveel nachten al....—De vijf nachten, dat ik hier ben....—Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je het goed maakt. Je maakt het immers goed?—Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo làng voor den Keizer moeten dansen....—Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje, die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe vroolijk, dat uitzicht over het Forum....—Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn toch vrij. Ik ben hier gevangen....—Je mag het Palatium niet uit?—Neen, Earinus.—Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl door de parken gaan. Kom nu meê.Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.—Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles, dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig als hij....—Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.—Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....—Waar....?—Bij de Septizonische poort....—Ik nooit....—Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar dearea palatina: het groote paleisplein....—Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door het volk, dat schold ons uit—het was juistsalutatiobij den Keizer geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden was....—Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis laten zien....Cecilius,schuchter, nam Earinus’ arm. Zij daalden de trappen af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wierhelmenen schilden en speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis, ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie’s niet meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....—Overal staan de wachten?—Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet,ikmag door. En jij ook, met mij.En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.—Neen.—En de parken niet in....—Neen....De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan Earinus’ zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren alsonmetelijkheden van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal, als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.—Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in Alexandrië.—Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeftCœnatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....—Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de vier Prætorianen, die er hielden de wacht.Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne gunstelingen, bloeiden twee rondenymfæavan lotus, myrt, oleander om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.—Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van Pompeïus!—Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.—Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen: hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.—Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.—Ja, in een van zijn Epigrammen....—Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....—Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....—Boven een uitnoodiging van Jupiter....—In den Olympus!O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het wasbijna net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet ziek worden....—Laat ons hier zitten, zei Earinus.Zij zetten zich in een dernymfæa, tusschen de rozen, op den rand van hetvasculum.—Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat alles voorbij....—Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?—Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten blijken. Toen het heet in hetnymfæumwerd van de hooger rijzende zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met hem zoû middagmalen.—Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en fijne fresco op rooden wand. Er was eensigma, een aanligbed in den vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes, die zij zetten in de kronkels van de S....Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.—Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar toch kwijnend, in de kussens en sliep door.Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen en las....Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd Cecilius wakker....—Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek, hing in Earinus’ arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op Earinus’ knie en schreide, stil en geluideloos....Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op de deur aan.Hij verscheen.—Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer ontbiedt Cecilius.—Hij gehoorzaamt, zei Earinus.De slaaf vertrok.—Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....—Ja, zei Cecilius flauw.Hij stond op.—Ik breng je, zei Earinus.En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch overal bewaakt werd. Plotseling, in eenvestibulum, zagen de knapen vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla, Crispina, Fabulla.—Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.—Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....—Om te dansen?—Om te dansen, Augusta.Crispina naderde haar zoon.—Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt van je....Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.—En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....—Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet ziek ben. En het ook niet word.Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor ’s Keizers vertrekken.—Kom, zeide hij.Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder Priscus en Verus, degladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die eerstzijnrollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.—Kom, beval weder Parthenius.Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén poort opende Parthenius....Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden langs, waren hooge, breedefengiet-steenen geplaatst, plakkaten van Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als dechoragize plaatsten op eenproscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de lange galerij zigzagden de hooge, breedefengiet-spiegels. En Cecilius, dadelijk, zag zich links,rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende malen weêrspiegeld.En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de Keizer, Domitianus.Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn zetel en in defengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang, zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst, daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van overspanning, water toe en meende hij „Narcissus” wel te kunnen dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was, die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich zag weêrkaatst....En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus en de Prætorianen verijld voor Cecilius’ blik, waren zij niet meer dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingenachter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk, en roerde niet.... En staarde slechts....En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde, terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich, voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als een witte bloem....Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht aan dendominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die kwijnde aan een waterboord.Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijlhij naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:—Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling, die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij in het spiegelsteen zelve verdwenen.Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.—Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid, aan Cecilianus’ ziekbed. En hij zeide:—Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed maakt.Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks, hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn matte stem:—Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij heeft gedanst tusschen te veel geschitter....—Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; datje sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....—Ja, zeide mat de knaap.—En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.—Neen, kreunde Cecilianus en weende.Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijkeatrium, waar de dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief, zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens, altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract vermeld....XV.Dedominuskwam iederen dag. Er was nu een gelaten moêheid in den knaap en hij scheen niet ongewillig. Als dedominusof Crispina hem aan spoorde op te staan, poogde hij het te doen, slaagde er in, maar in de verstikkende zomerwarmte viel hij dadelijk moê neêr op een panthervel bij den drempel en lag daar. Of zij droegen hem in het park en legden hem in het bloembespikkelde gras, tusschen de laurieren.... Uren lang lag hij daar. Hij kwijnde zichtbaar weg....Plinius en Martialis kwamen hem dikwijls zien en Crispina toonde haar zoon en er was geen poging te verbergen, dat detweelingen hare zonen waren, hoewel noch Plinius, noch Martialis toespeling maakte.—Hij kan hier niet blijven, edele Crispina, zei Plinius. De knaap zal hier sterven. Vergun mij hem naar mijn villa bij Laurentum te voeren....Maar Cecilianus hoorde hem. Hij begon hevig te kreunen, te snikken, te smeeken, dat hij niet weg woû. Dat hij dicht bij zijn broêrtje woû blijven....—Hij is niet zoo ver weg bij mij, zeide Martialis; in mijn landhuisje bij Nomentum. Maar ik ben het met mijn vriend eens. Het kind sterft hier.... Wat dunkt je,dominus? vroeg de dichter aan Lavinius Gabinius, die binnen kwam.Er werd toe besloten. Martialis, alleen, aan het ziekbed van den knaap, bepraatte hem.... Dat hij hier geen lucht had, in die benauwde tuinen van het Palatium. Dat hij hier niet genezen zoû, dat hij hier sterven zoû vóor Cecilius terug kwam....De dichter praatte overredend, gemoedelijk, maakte er grapjes door. En Plinius, die toen naderde, zeide:—Cecilius, als je met Martialis meê gaat naar Nomentum om te genezen in de frissche buitenlucht, zal ik je geven wàt je me vraagt, als ik aan je verzoek kan voldoen....Als een kind antwoordde de knaap:—Mijn broêrtje.—Dat is me onmogelijk, zei Plinius; vraag mij iets anders.... Verzin iets, dat je gaarne zoû hebben.—Ik weet niet....—Verzin iets, drong Plinius aan.De knaap bedacht zich. En zeide toen:—Carpoforus....—Wil je Carpoforus nu en dan eens bij je hebben?—Ja, zeide de knaap.—Hij zal bij je komen, Cecilianus, beloofde Plinius.En Cecilianus liet zich vervoeren naar het landhuisje van Martialis, de Via Nomentana langs.... Hij lag in een kleinen draagstoel, die Plinius ter beschikking gesteld had. Ginds blauwden de Sabijnsche bergen.... De diepe zomerlucht was warm maar wijd. De bergen over, voerde de bries aan.Het huisje was klein maar geriefelijk, wingerd-omgroeid. Het waren tweecubiculaom een klein, laagtriclinium, eenatriumer voor. Het lag in een wijngaard, die beloofde weelderig te worden in herfstmaand. Er graasde een geit op een heuvelig grasveld. Het was alles omheind door een muurtje. Er stond een grijnzend Pansbeeldje, bewaker van het klein domein. Er was een moestuintje, en het slaafje van den dichter was bezig het te besproeien toen zij aan kwamen: Martialis, dedominus, beiden op muilezels en de draagstoel—door twee slaven gedragen—waarin de zieke knaap. Over de vlakte rondom weidden de herders de schapen....—Cecilianus—Martialis voerde den knaap naar binnen; kijk, het is hier niet zoo weelderig als bij je.... ik meen als bij de edele Crispina....—Het is hier niet zoo benauwd, glimlachte de zieke knaap, die wel merkte, dat Martialis zich bijna versproken had.—En het is hier héel dicht bij Rome....—Niet zoo ver als Laurentum.... zei dedominus.Cecilianus keek om zich rond.—Niet zóo ver, zeide hij twijfelend.Hij legde zich te ruste, uitgeput. Op de bank voor het huis zat mistroostig dedominus, handen tusschen de knieën, hoofd op de borst. Martialis kwam naast hem zitten.—Kom,dominus, troostte de dichter.—Ach, edele Martialis, klaagde dedominuseindelijk uit. Wat moeilijke tijden, voor eendominus-gregis, die zomermaanden, die zich slepen en dan met mijn tweelingen....—Joù tweelingen,dominus?—Mijntweelingen, Martialis, die misschien beiden dood gaan! Hoe lang is Cecilius nu al bij den Keizer? Hoe lang is Cecilianus al ziek! Ik weet het niet, de weken slepen zich voort. Mijn hart is vol van zorg en verdienen doe ik niets met mijngrex.... Jawel, ik kreeg van Crispina voor iederen dag driehonderd sestertiën, maar hoe het nu zit, dat Cecilianus niet meer bij haar is, terwijl Cecilius op het Palatium is, dat weet ik niet en dat is een ingewikkelde zaak, waarover ik eens met Labienus Posthumus, mijn rechtskundigen raadsman, moet spreken. Zie je, een proces heb ik liever nièt met de groote lui, maar toch, mòcht er iets bij den Keizer met Cecilius gebeuren, dan.... Ja, edele Martialis, en dan nog die lange zomermaanden, dat wij niet spelen.... Ik verhuur mijn komedianten wel zoo veel mogelijk, maar toch.... hoe kom ik dien tijd door tot Oktober, dat we naar Karthago moeten.... Dat ik misschien naar Karthago moet, en zònder mijn jongens, mijn tweelingen, die zijn, Martialis, mijn fortuin en mijn liefde, mijn alles.... Desenexheeft me verlaten; die is Christen geworden; Clarus is weg geloopen en ik ben, om mijn verdriet, niet flink genoeg geweest hem te doen achtervolgen: ach, dat is allemaal verlies en zorg, verlies en zorg, edele Martialis, voor een armendominus-gregis....De avond zonk, starre-bezaaid, over de velden. Dedominusvertrok op zijn muilezel, loomstaps, langs den bleeken weg verdwijnend naar Rome toe en Martialis, bij zijn lampje, zette zich aan het schrijven in zijn kamertje. Het deurtje open, zag hij Cecilianus, op zijn smal bedje, die sliep....Dien volgenden morgen vroeg kwam er een ruiter te paard in een wolk van stof aan draven. Hij rees reuzig op zijn groot ros en Martialis, die naar zijn boonen zag in het moestuintje, herkende Carpoforus. De Jager wierp zich af en naderde, de teugels van het paard in de vuist.—Zoo, beroemde Jager! groette de dichter; op wien ik zoo vele epigrammen schreef om je dapperheid en kracht te vereeuwigen, als op niemand anders, geloof ik! Ben je daar!—De edele Plinius, heer....—Juist, heeft je doen zeggen, dat Cecilianus naar zijn grooten vriend verlangt.... Daar ligt hij en slaapt....Martialis wees het open kamertje.De Jager bond zijn paard vast aan de heining. Hij naderde het kamertje. Juist opende de knaap de oogen.—O lief kind! Zoete jongen! mompelde de Jager tusschen zijn bekroesde lippen. Mijn gelukaanbrenger, mijn tálisman! Hij maakte, dat ik den Numidischen Leeuw overwon en het beest den muil door midden scheurde! Ik léef nog door hem! Ik zal altijd overwinnen, zoo lang hij leeft en mij nabij blijft....—Carpoforus! riep Cecilianus.—Hier ben ik, zei de Jager en hij knielde neêr voor het bed. Hij was monsterlijk zwaar, rood belitteekend en gebruind de gespierbundelde armen, de vierkante knieën, die zijn leêrengladiatoren-tuniek bloot liet en in zijn kleinen, donkerruig omkroesden kop waren zijn oogen donker en goed als van een lief beest. Zijn geweldige handen, die een leeuw den muil konden open scheuren, gingen uit naar het blonde hoofd van den knaap, die hem zijn talisman was en hij omhelsde hem met den liefde-verteederden eerbied van zijn bijgeloof.—Heb je om me gevraagd? vroeg de Jager.—Ja, Carpoforus, zeide Cecilianus. Plinius verzocht me te vragen wat ik wilde hebben en Cecilius kon hij me niet geven. En toen heb ik maar om jou gevraagd. Hij is een machtig heer, hè, Plinius; hij kan bijna zoo veel als de Keizer. Hij zeide, dat hij zoû verzoeken aan de Viermannen, dat je naar Nomentum mocht komen....—Heb je koorts, kind?—Neen, ik heb lang en goed geslapen: de lucht is zoo frisch en het is hier zoo mooi en zoo wijd en ik zal opstaan en we zullen de heuvels opgaan; ik wil de heuvels opgaan, daar, daar, ginds: kan je van daar Rome zien, Carpoforus en de parken van den Palatinus en het Palatium....?—Niet van zoo ver, mijn zoete jongen.... Maar laat ons gaan, als je wilt.Zij gingen. Zij gingen op het groote paard, Cecilianus vóor tegen Carpoforus aan, de heuvelen op. Cecilianus keek uit naar het Westen.—Ik zie Rome niet, zeide hij mat.... Ik zie den Palatinus niet.—Het is te ver weg, zei de Jager. Kom, laat ons hier rusten. Laat ons afstappen, kind....Zij stapten af. De Jager bond het paard vast aan een struik. En zij legerden zich in het gras. Het was, in den vroegen morgen, nu de zon nog zoo laag stond, nog frisch van overvloedigen dauw. Het geurde omrond naar menth en mariolein. Er gleden en glipten zwaluwen om, tegen de nog teêr zilveren blauwe lucht. Cecilianus lag met zijn hoofd tegen Carpoforus’ borst. De knaap weende.—Wat is er, mijn jongen? vroeg de jager.—Ik ben ziek....—Neen, neen....—Ik zal sterven.—Neen....—Ja, Carpoforus.... Ik voèl het nu.... Het is in me gescheurd.... Het doet hièr altijd pijn, in mijn hart.... Wij zijn éen, Cecilius en ik. Hij ook.... hij is ziek en hij sterft daar.... daar ver weg.... in het Palatium.... Ik zoû wel gezond willen worden maar ik voel, dat het niet kan.... Ik kan niet.... Ik ben zoo moê.... Ik ben zoo zwak.... Ik word hier duizelig, van al die lucht en dat licht....—Neen, je bent een sterke, gezonde jongen, mijn zoete jongen, die genezen zal, die genezen moèt!Cecilianus lag half flauw tegen den Jager aan, de oogleden als verwelkt over zijn brekende oogen. Het hijgde als benauwde een zwaar gewicht hem de borst.—O, goddelijke Herkules! riep Carpoforus. Red hem mij!Hij nam Cecilianus als een kind in zijn armen. Het paard, aan den struik, hinnikte zachtjes.... Van den weg, die, beneden de grazige heuvelen, zijn stoffigen slinger tusschen de helling verloor, klonk een gezang aan van naderende stemmen. Het was een zacht sereene hymne, die in den jeugdigen morgen als naderde uit het Oosten, waar de nog vochtig omfloerste zon rees. Het waren stemmen, stemmen, stemmen, die harmonieerden met den jeugdigen morgen in een vreemde belofte van nooit nog vermoede zaligheid. De Jager richtte zich hooger en keek uit, den knaap vast tegen zijn leêren tuniek, waaronder bonsde zijn hart. Hij zag over de heuvelen, aan de andere zijde des wegs, naderen een menigte. Het waren mannen en vrouwen en kinderen en dan waren het herders met hunne kudden schapen. Door het gezang der stemmen, der vele stemmen blaatten zacht de schapen der herders, die meê met de menigte waren geloopen. En het was als ééne groote kudde van menschen en dieren, die zacht zingende, zachter nog blatende, aan naderde over die heuvelen, naar den weg toe, die van de Sabijnsche bergen geleidde tot Rome toe.De Jager keek steeds uit, terwijl hij, angstig, meende, dat Cecilianus aan zijn borst bezwijmd was. En hij zag, dat in het midden der menschenmenigte, waarom heen de blatende schapen der herders drongen, een Grijsaard liep.... Hij was lang en rank en scheen een Ziener. Hij was heel oud en zijn lange haar hing zilvergrijs om zijn bleekzachte gelaat. Hij droeg een lange, witte pij, grijs bestoven, die sleepte met den zoom door het stof. Hij had als een vrouwelijke teederheid in zijn langzaam bewegentusschen de menigte, die hem omringde. Hij scheen de Herder dier herders.... Zijn oogen waren heel groot maar heel zacht en jeugdig vrouwelijk in zijn nauwelijks gerimpeld gelaat gebleven. En zij schitterden soms vreemd, vreemd heilig, als blauwe vlammen, terwijl rondom hem de stemmen zongen, de schapen blaatten, de lammeren dringend tegen de moederen aan....Zij naderden. Van waar kwamen zij, waar heen gingen zij? De Jager wist het niet. Hij zag ze nu af dalen den heuvel, daar over, om den weg te bereiken. Zeker gingen zij naar Rome; zeker begeleidden de herders een eind die menigte om dien ouden, witten, heiligen Man naar Rome terug. Menschen en schapen daalden den heuvel af, den weg in tusschen de heuvelen. En gingen voorbij den Jager, die daar in het gras zat, met een bezwijmden knaap aan het hart.Ook de heilige Man daalde. Hij stond nu op den weg en de Jager zag hem zijn blauwen, vreemd heiligen vlamblik wenden naar hem. De blauwe blik van den Ziener ontmoette den bezorgden blik, dien van een lief, sterk beest, des Jagers. En hij talmde een oogenblik. Rondom hem zongen zij, blaatten zij....—Wenscht ge, dat ik kom....? vroeg de heilige Man, zijn stem even verheffend en die stem was bijna vrouwelijk teêr en zoo klaar als van een jongeling.—Ja, heilige Man! zei de Jager.Toen klom Johannes den heuvel op, waarop de Jager zat. De menigte toefde op den weg en zong....—Wat wenscht ge? vroeg Johannes.—Misschien zijt ge wel een dokter, heilige Man, zei de Jager Carpoforus. Deze knaap is al lang heel ziek en ik woû u vragen; kunt ge hem niet genezen?Johannes stond nu voor den Jager en keek opCecilianusneêr.—Wat scheelt hem? vroeg de Apostel.—Hij kwijnt weg, omdat zijn tweelingbroêrtje bij den Keizer moet blijven en hij hem mist....De blauwe oogen werden onuitsprekelijk zacht van blik. En de oude, geaderde hand ging uit naar het voorhoofd van Cecilianus. De knaap sloeg de oogleden op en staarde als verblind in twee blauwe glanzen.—Wie zijt ge, heer? vroeg hij, als vervoerd.—Ik ben, zei de Apostel; een, die aan je gelijk was, mijn kind. Ik verloor mijn grooten Broêr, wiens boezemvriend ik was, al was Hij grooter dan ik. En ik kwijnde weg, tot ik niet meer kwijnde, omdat ik genas....—Genaast ge, heer, terwijl ge tòch uw broêr, wiens boezemvriend ge waart, verloort? vroeg Cecilianus.—Ja....—Stierf hij, heer?—Ja, Hij stierf....—Is Cecilius ook dood? kreunde de knaap.De heilige Man hield steeds zijn hand op het hoofd van den knaap.—Vrees je daar voor, lief kind?—Ja, heer....De glimlach van den Apostel werd onuitsprekelijk zacht.—Hij leeft, zeide hij.—Léeft hij? riep Cecilianus.—Hij leeft, herhaalde de Apostel. Hij leeft nog. Hij zal leven zoo lang je leeft. Wees niet bang en bezorgd. Mijn Broêr leeft óok al is Hij menschelijken dood gestorven in dit leven maar jou broêrtje, mijn kind, leeft zelfs nog met het sterfelijke leven, dat je lief is.... Begrijp je me, kind?—Ja, heer.... Ik begrijp u wel. Ge spreekt héel mooie woorden, maar ik begrijp u wel, omdat ik een komediantje ben en geleerd heb woorden van dichters te begrijpen.... Ge moetwel heel mooie dingen zeggen, dat er zoo veel menschen u volgen. Ze willen zeker hooren wat ge zegt en ze zullen u ook wel moeten begrijpen, al zullen ze niet allen geleerd hebben, want ge zegt de dingen zoo heerlijk mooi: het klinkt heel zacht als met gouden klokjes al wat ge zegt. O, als ge naar Rome gaat, zoû ik u gaarne willen volgen! Ik ben nu bij Martialis en die is heel lief en goed voor mij maar ik zoû u gaarne willen volgen! Naar Rome weêr toe, naar mijn broêrtje!! O, heer, o heilige heer, zeg, mag ik u volgen?De hand bleef steeds op het voorhoofd van den knaap.—Kind, zeide Johannes. Volg mij niet, noch naar Rome, noch naar welk oord, waarheen de Keizer mij bant. Blijf samen, hier, met den sterken vriend. En genees eerst. En hoop op de dingen van het leven, die aan je jeugd nog dierbaar zijn. Wie nog ziek is om een verloren broeder, moet eerst—hoe het ook zij—dien broeder weder vinden en wiens jeugd de dingen van het aardsche leven nog hoopt, heeft nog den tijd te rijpen tot het hemelsche leven hem heerlijker blijkt. Wiens hart nog slaat voor Rome, diens ziel is niet gereed, o mijn zoet kind, te verlangen naar het Hemelsch Jeruzalem, waarheen wij allen opgaan. Wie nog lief heeft de Schoonheid om haar eigen wil, kan de Waarheid met mij niet te moet gaan.... Blijf. En genees. Ik zeg het je, knaap: je broêrtje.... leeft. Je zal hem terug zien.Cecilianus, half opgerezen, was op zijn knieën neêr gevallen.—Dank u, heilige heer, zeide hij; om de verzekering, die ge mij geeft. Ik geloof u wel! Ik geloof wel, dat Cecilius leeft....De Apostel had een gebaar met de hand of hij den knaap en den man, het komediantje en dengladiator, zegende.Toen ging hij, den heuvel af, den weg naar Rome op en hem volgden de menschen, zingende, en de dieren blatende.En Cecilianus, staande naast Carpoforus, zag Fabulla: zij liep met de vrouwen mede en zij droegen takken groen.—Fabulla! kreet Cecilianus. Fabulla! Heb je Cecilius gezien??—Ja! riep Fabulla den knaap toe. Hij had voor den Keizer gedanst.... Hij was bezwijmd.... En werd naar zijn kamer vervoerd....—Maar niet dood? Niet dóod?? De heilige Man verzekerde....—Neen, niet dood! zei Fabulla. Want ik zàg hem, levend....—Dan geloof ik het zéker, dat Cecilius leeft....!!—.... Je moest, zei desenexnijdig—hij kwam met de mannen zingende na—liever den heiligen Johannes gelooven, die het je verzekerde omdat hij het in den geest gezien had dan Fabulla, die het maar met haar oogen zag.—Ik zag het zèlf, in den geest! riep Cecilianus boos tot densenex. En ik gelóofde ook wel den Apostel. Hij is een lieve man, een lieve, heilige man, veel liever dan jij ooit worden zal! Jij zult niet eens begrijpen wat hij zegt: hij praat met véel te mooie, dichterlijke woorden dan dat jij hem begrijpen kunt! Maar ik begrijp hem wèl!Desenexwilde nijdig antwoorden. Maar het scheen, dat hij zich bedacht. En hij liep den heuvel op, en zeide:—Cecilianus, ik ga met Johannes meê, op het schip, dat hem van Ostia naar Patmos zal brengen. Ik zal je nooit meer terug zien. Vaarwel, en groet Cecilius voor me....En hij naderde den verbaasden knaap en kuste hem op het voorhoofd. Toen verwijderde hij zich.... Allen verwijderden zich, den weg langs, en het zingen, met het blaten, verstierf.Cecilianus keek Carpoforus aan.—Wat deed diesenexin eens raar!? zei Cecilianus.—Die Christenen doen zoo, zei de Jager.Maar de knaap was heel opgewonden.—Laat ons op stijgen! vroeg hij.Zij stegen op. De morgen zonnigde goudener in het diepere azuur. En op het paard draafden zij de heuvelen over....—Het is zoo heerlijk! juichte Cecilianus. Zoo tegen je aan, samen op éen paard, over de heuvels, op en neêr, op en neêr!! Het is net of we den hemel in gaan!!De Jager spoorde het paard met de hielen. Hun vlucht teekende zich af tegen de lucht als die van een ruigen Centaur, die een blonden knaap schaakte, voor zich aan zijn borst....—Ben je nu moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen hij zag, dat de knaap de oogen sloot.Hij keerde langzaam om, terug. Over de heuvelen reed hij langzaam terug. Het ging naar het midden des dags.... Zij spraken niet meer en Cecilianus had een vreemden blik, telkens als hij de oogen opende.... Dan sloot hij ze weêr.Toen zij terug waren, vonden zij den dichter tusschen zijne vrienden. In twee draagstoelen waren zij gekomen: Verginius Rufus met Frontinus en Juvenalis; Plinius met Quintilianus, Tacitus en Suetonius. Hij ontving ze juist bij den ingang van het tuintje, waar de Priapus de wacht hield, met zijn grijnslach en het naïef strevende gebaar van zijnfallus.De Jager en de knaap stegen af. En Plinius ging Cecilianus te gemoet.—Hoe gaat het, mijn jongen?—Goed, edele heer, met uw verlof! zei Cecilianus en kuste zijn beschermer den zoom van zijn toga. Ik heb met Carpoforus door de heuvels gereden en wij hebben den heiligen Man van de Christenen ontmoet....—Aanliggen, vrienden, aanliggen! noodde joviaal Martialis en klapte in de handen.Zij lagen aan. In hettricliniumwas plaats voor zeven, ja, ook wel voor acht. Er diende het slaafje en uit de keuken bracht Marcella de spijzen op.—Het gaat maar zoo als het gaat! verontschuldigde zich Martialis. Dit tafellaken is gebleekt op de velden. Deze Nomentaneris van mijn eigen wingerd maar jaren ligt hij reeds in den kelder. En hier, mijne gasten, is de voorspijs.... Verginius Rufus, gij, die tweemaal het keizerpurper weigerdet maar niet weigerdet aan te liggen bij een armen dichter, vergun mij u te zeggen mijn dankbaren trots en bedien u, gij het eerst, van deze gerechten.En Marcella, de jonge vrouw—zij gedroeg zich zeer voegzaam, Martialis’ vriendin, tusschen deze voorname gasten—diende malve, latuwe en prei en menth op. Paling volgde met sneedjes harde eieren.... Tusschen de festoenen groen, die hingen langs de vier gepleisterde pilaren en door welke velden en verre bergen een landelijk vergezicht verzichtbaarden, zagen de gasten dengladiatoren het komediantje: zij zaten op de trede van de put en praatten als goede vrienden glimlachend met elkaâr.—Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat dat ventje me zoo even zeide.... Dat hij den „heiligen man van de Christenen” had ontmoet.... Hoe zich dat bijgeloof al meer en meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die „heilige man van de Christenen”?—Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes; de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie gedompeld werd.—Gebeurde dat? vroeg Suetonius.—Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.—Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder; die Johannes kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeiden hem toe.—Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke sekte; zij moesten gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is, maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.—Waarom ze niet te zenden alslegionariïin deauxilia-troepen naar Mœzië of Pannonië, meende Frontinus.—Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer....—Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker....—Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik, een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte, wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met enkel brood en water.—Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd inlaserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit.... de Suburra! Verontschuldigt ge mij dat? Ik at ze er eens, bij dien Nilus—de komedianten weten er van meê te praten en ik vond ze, ten minste dáar, heerlijk en Marcella bereidde ze als Nilus’ moeder het haar leerde. Suetonius, ge zijt te jong om zoo matig te zijn. Weet wel, dat ge niets meer krijgt hierna dan de beroemde ham, dien ge reeds tweemaal zaagt voor gezet! Maar zoû onze Cecilianus—hij ziet er reeds werkelijk beter uit!—ons niet iets kunnen zingen of dansen? Cecilianus!!De dichter riep naar den jongen. Hij naderde:—Wat wenscht ge, Martialis?—Je wangen blozen al, jongen, van de buitenlucht....—Men zegt, fluisterde Quintilianus tot Plinius; dat mijn twee vorstelijke leerlingen, de achterneven van Domitianus, Christelijke neigingen hebben....—Dat hoorde ik reeds, zei Plinius.—En Fabulla dan? zei Juvenalis.—Cecilianus, ging Martialis door; kom, je moest ons wat zingen en dansen. Wat zal het zijn?De jongen glimlachte, verlegen en moê.—Kom, kom, anders genoeg stoutmoedigecomœdusvan de hoogerepalliata! schertste Martialis. Waarom zoo beschroomd? Je bent meestal voor geen kleintje vervaard. Zeg ons eens, met een enkel gebaar vansaltatioer bij, eeneclogavan Vergilius: zijn tweede Herderskout op den schoonen Alexis, bij voorbeeld.De andere gasten moedigen het komediantje aan.Hij kènde, ja zeker, zijn Vergilius; hij kende het beroemde gedicht. En hij begon te zeggen de smachting van Korydon, die zoo vurig naar zijn Alexis verlangt....Maar plotseling barstte hij in snikken uit....—Wat is er, mijn jongen! riep Martialis en stond op, terwijl de gasten meêlijdende mede riepen. Deed ik geen goede keuze! Dom, dom ben ik, Cecilianus, juist te kiezen die tweedeecloga!—Ik kàn niet, heer.... snikte Cecilianus.—Je hoeft niet, je hoèft niet, jongen! riepen Verginius Rufus en Plinius, de anderen.—Ik kan niet, snikte Cecilianus; zonder mijn broêrtje!—Naar wien je, wenkte hem Martialis tot zich; verlangt bijna als Korydon naar Alexis! Kom kind, zit hier neêr, als de hooge gasten vergunnen....—Dank u, heer, weigerde Cecilianus weenende; ik mag niet met u mede aan zitten....—Neem dan van deze pastei, neem van dit geconfijte ooft en hier, neem dezen grooten beker vol Nomentaner, die uit mijn druiven geperst werd tijdens het tweede Consulaat van den edelen Frontinus! Jàren her, hoor, niet waar, Frontinus?Marcella hielp den knaap met de lekkernijen en bracht ze bij den put, waar Carpoforus wachtte.—De arme jongen, zei Marcella.Cecilianus was weenende weder op de put-treê gaan zitten en de Jager koesterde hem tegen zich aan.—Je hebt niet „Alexis”, plaagde Marcella, wel als dichter-vriendin op de hoogte van Vergilius; maar je hebt toch Carpoforus!—Ik tèl niet, niet waar? vroeg de Jager schertsend en deed den knaap drinken.Cecilianus dronk even, weerde toen af. En lag, plotseling uitgeput, geloken-oogen, tegen zijn vriend aan. Het was of hij een oogenblik door de zilveren morgenlucht, den rit op het ros tegen Carpoforus’ borst, het woord van den heiligen Ziener der Christenen, was òpgeleefd; de herinnering aan zijn kunst had hem nu zijn gemis weêr heftiger verlevendigd en hij lag als ziek, terwijl de breede, dierentemmende hand van den Jager over zijn krullen streek met een gebaar zoo teeder, dat daar ginds de gasten er om ontroerden.—Wat heb ik gedáan! verweet Martialis zich. Wie kon ook denken, dat die jongen werkelijk zoo ziek is!—Hij stèrft, zei Verginius Rufus; als het langer duurt....—Hij is jòng, meende Juvenalis.—Hij is jòng en een gezond, sterk ventje, als zijn broêrtje is, zei Frontinus; maar die knapen zijn éen omdat ze tweelingen zijn en altijd samen geweest zijn. Verginius Rufus, of gij Plinius, moest aan Crispinus vragen....—Ik? zei Plinius. Het zoû een reden zijn voor den Keizer Cecilius nog langer te houden.—Hij danst zelfs niet meer voor den Keizer, hoorde ik, zei Martialis. Hij is óok ziek. En Crispinus....Hij vertelde van het contract, dat Crispina geteekend had. Hijvertelde van de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, die Crispina zoû te betalen hebben aan dendominus, als....—Een moederlijke gril, zei Tacitus.—Wat een afschuwelijk Hof! zei Juvenalis.—Onze tijden kòmen misschien, fluisterde Tacitus.—Vooral als we bedenken.... zei Frontinus.Zij bogen voorover, fluisterden.... Die terechtstellingen, telkens plotseling, onverwachts, van Consulaire persoonlijkheden, die niets dan eere verdienden.... Die tyrannieke dòmheden, als die verbanning van de wijsgeeren geweest was.... Die krankzinnige decreten, ingegeven door vervolgingswaanzin....—Benikveilig? vroeg ironiesch Verginius Rufus; al ben ik meer dan tachtig jaren oud? Al heb ik twee malen geweigerd Keizer te zijn!—Benikhet? vroeg Plinius.En zij dachten allen het zelfde: dat hun vriend te rijk was om veilig te zijn.—Een gril van hem kan mij ook treffen, zei Quintilianus.—Ons allen! fluisterden zij.—Aan het Hof schijnt te broeien.... fluisterde Frontinus.—Een samenzwering?? vroegen zij, zich buigende.Frontinus knikte.—De Keizerin, fluisterde hij, met de lippen, nauwelijks hoorbaar. Past op....—en hij keek even schuin naar den Jager.—Een spion? vroeg Suetonius.—Neen, zei Frontinus; een brave kerel, de groote, sterke vriend van dien knaap daar. Maar de geliefkoosdegladiator,bestiariusenlanistavan den Keizer. Zij haten hem niet, degladiatoren....—Hij wist hoe ze aan zich te hechten, zei Martialis; hij stond ze, in de arena, dikwijls beiden na een tweekamp het leven toe.En gaf ze derudisdaarna, hun afscheidsstaf en eerbewijs.... Ze houden allen van hem....—De Prætorianen zijn verdeeld, fluisterde Frontinus.—Dus? vroegen Tacitus en Juvenalis, begeerig.Frontinus schetste een gebaar van niet weten. Marcella diende de geconfijte vruchten rond.—De tijden, zeide Martialis, een weinig somber; zijn niet geschikt tot gezellig tafelen. Vergeeft mij, mijn vrienden. De prei was te bitter, de eieren te hard, de paling te zacht; het geitebokje een geitebok, vader van twintig bokjes en de kooltjes waren bij Nilus veel meer doorgeurd vanlaserpicium. Marcella, je hebt ze te lang gestoofd! En die Nomentaner wàs niet de amfoor, die ik klaar had gezet en dagteekent niet van Frontinus’ tweede Consulaat. En dat kind daar, heb ik nog zièker gemaakt door hem te vragen juist Vergilius’ tweedeeclogate willen zeggen.... Vrienden, vrienden, vergeeft mij en laat ons alleen hopen, dat deze dag gunstiger verloope dan hij verliep boven de allertreurigste oventjes van uw vriend Martialis. Dit is alleen éen goed ding: de ham is op en een nieuwe kan worden op het Velabrum aangekocht. En dan: hópen moet men altijd en misschien brengt de naaste minuut ons allergunstigste tijding....Er klonk paardengedraaf over den weg. De gasten schrikten op. Alleen, bij de put, waar Carpoforus en Cecilianus zaten, bleef de knaap, oogen-geloken, liggen. Maar de Jager riep naar binnen:—Edele Martialis! Een boodschapper van het Palatium!Aan den disch stonden zij, allen, in éen ruk op. De vreeslijke verwachting was nóoit uit hun geest.Bij Priapus, die waakte aan de tuindeur, was de wit bestofte boodschapper afgestegen. Martialis ging hem te gemoet.—Wat wenscht de Keizer? vroeg de dichter, bleek.—Dat Marcus Valerius Martialis onverwijld ten Hove verschijne.—Hij gehoorzaamt, zei de dichter. Marcella, bied verfrissching den boodschapper.Martialis kwam glimlachend bij zijn gasten terug.—Het is weêr niet anders dan wat het reeds was! schertste hij en vol ontroering omhelsde hij Plinius. Maar.... zijn stem werd heel ernstig en hij fluisterde aan Plinius’ oor.—Vlùcht, vriend, eer het te laat is. Wij vreezen te veel voor u!—Ja, drongen zij allen.—Waarheen? lachte Plinius. Waarom? Zoo lang hij heerscht, zal hij mij in zijn rijk weten te vinden. En zoo het moèt, welnu, welnu vrienden, dan moèt het. Neen,Martialis, ik vlucht niet. En—vreemd is het—een gevoel heb ik, dat ik lànger zal leven dan hij.... Maar ga, beste Martialis en neem mijn draagstoel. Marcella, waarschuw mijn dragers....Achter het huisje waren de draagstoelen opgesteld en had Marcella met spijs en drank de dragers verzorgd. Plinius’ stoel kwam weldra voor. En Martialis sloeg zijn toga-tje om. Hij nam afscheid van zijne gasten. Hij ging weg naar de put, waar de Jager zat met den knaap.—Hoe gaat het met hem? vroeg hij den Jager.De Jager streelde Cecilianus steeds zacht over zijn krullen.—Niet beter, heer, geloof ik. Hoewel dezen morgen, vooral toen de heilige Man van de Christenen hem gezegd had....—.... hij beter scheen??—Ja, heer....Martialis bracht de hand aan zijn voorhoofd. Hij dacht na. En zeide toen, in zichzelven:—Ja, ik zal het vragen.... Ik zal het vragen....Hij boog zich tot Cecilianus.—Cecilianus.... Cecilianus....—Cecilianus, zei de Jager.De als verwelkende oogleden openden zich....—Cecilianus, zei Martialis. Ik ga den Keizer vragen....—Wat, heer? vroeg de knaap mat.—Of Cecilius terug mag komen.De knaap gaf een snik van geluk. Hij greep Martialis de handen.—O, Martialis!! riep hij, vergetende zijn eerbied.De dichter steeg in. De vrienden, in den tuin, wuifden hem afscheid. De zonnig blauwe namiddag begon te verpurperen naar het Westen toe en over de Sabijnsche bergen schemerde het met een violette omfloersing van ommelijnen, waartegen de laatste kudden schapen, huiswaarts geleid, bewogen als een wittige nevel....
XIV.Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn laag bed, stond Earinus.Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricischegens: hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn gordel en schoengespen.—Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.—Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.—Ja....—Was je moê....?—Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer gedanst....—Parthenius, de opperste dercubicularii, heeft mij gezegd je op te gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.—De zon heeft mij gewekt, heer....—Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij zullen van daag dan zamen zijn....—Ja, heer....—Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed geslapen....—Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr, heer....—Zeg Earinus.—Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar een komediantje.—De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.Cecilius keek verlegen....—Ik weet niet....—Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd, dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie, lange, blonde haren, Cecilius.—Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.—Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd bereikt, dat het voegzaam was....—En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?—Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je, Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf, die hem hielp met zijn lange, goudglanzendehistrio-tuniek, met de lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans om zijn lange, blonde haar.—Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.—Op jou ook.—En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen, Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziumstonstrixzoû me anders niet kunnen kappen.—Wat was je mooi, Cecilius, in de „Bacchides!” Wat zag je er mooi uit en wat speelde je goed!!—Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....—Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat hij ziek was.—Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.—Hoeveel nachten al....—De vijf nachten, dat ik hier ben....—Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je het goed maakt. Je maakt het immers goed?—Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo làng voor den Keizer moeten dansen....—Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje, die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe vroolijk, dat uitzicht over het Forum....—Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn toch vrij. Ik ben hier gevangen....—Je mag het Palatium niet uit?—Neen, Earinus.—Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl door de parken gaan. Kom nu meê.Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.—Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles, dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig als hij....—Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.—Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....—Waar....?—Bij de Septizonische poort....—Ik nooit....—Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar dearea palatina: het groote paleisplein....—Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door het volk, dat schold ons uit—het was juistsalutatiobij den Keizer geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden was....—Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis laten zien....Cecilius,schuchter, nam Earinus’ arm. Zij daalden de trappen af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wierhelmenen schilden en speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis, ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie’s niet meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....—Overal staan de wachten?—Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet,ikmag door. En jij ook, met mij.En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.—Neen.—En de parken niet in....—Neen....De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan Earinus’ zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren alsonmetelijkheden van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal, als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.—Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in Alexandrië.—Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeftCœnatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....—Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de vier Prætorianen, die er hielden de wacht.Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne gunstelingen, bloeiden twee rondenymfæavan lotus, myrt, oleander om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.—Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van Pompeïus!—Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.—Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen: hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.—Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.—Ja, in een van zijn Epigrammen....—Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....—Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....—Boven een uitnoodiging van Jupiter....—In den Olympus!O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het wasbijna net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet ziek worden....—Laat ons hier zitten, zei Earinus.Zij zetten zich in een dernymfæa, tusschen de rozen, op den rand van hetvasculum.—Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat alles voorbij....—Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?—Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten blijken. Toen het heet in hetnymfæumwerd van de hooger rijzende zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met hem zoû middagmalen.—Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en fijne fresco op rooden wand. Er was eensigma, een aanligbed in den vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes, die zij zetten in de kronkels van de S....Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.—Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar toch kwijnend, in de kussens en sliep door.Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen en las....Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd Cecilius wakker....—Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek, hing in Earinus’ arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op Earinus’ knie en schreide, stil en geluideloos....Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op de deur aan.Hij verscheen.—Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer ontbiedt Cecilius.—Hij gehoorzaamt, zei Earinus.De slaaf vertrok.—Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....—Ja, zei Cecilius flauw.Hij stond op.—Ik breng je, zei Earinus.En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch overal bewaakt werd. Plotseling, in eenvestibulum, zagen de knapen vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla, Crispina, Fabulla.—Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.—Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....—Om te dansen?—Om te dansen, Augusta.Crispina naderde haar zoon.—Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt van je....Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.—En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....—Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet ziek ben. En het ook niet word.Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor ’s Keizers vertrekken.—Kom, zeide hij.Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder Priscus en Verus, degladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die eerstzijnrollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.—Kom, beval weder Parthenius.Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén poort opende Parthenius....Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden langs, waren hooge, breedefengiet-steenen geplaatst, plakkaten van Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als dechoragize plaatsten op eenproscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de lange galerij zigzagden de hooge, breedefengiet-spiegels. En Cecilius, dadelijk, zag zich links,rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende malen weêrspiegeld.En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de Keizer, Domitianus.Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn zetel en in defengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang, zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst, daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van overspanning, water toe en meende hij „Narcissus” wel te kunnen dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was, die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich zag weêrkaatst....En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus en de Prætorianen verijld voor Cecilius’ blik, waren zij niet meer dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingenachter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk, en roerde niet.... En staarde slechts....En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde, terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich, voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als een witte bloem....Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht aan dendominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die kwijnde aan een waterboord.Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijlhij naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:—Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling, die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij in het spiegelsteen zelve verdwenen.Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.—Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid, aan Cecilianus’ ziekbed. En hij zeide:—Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed maakt.Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks, hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn matte stem:—Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij heeft gedanst tusschen te veel geschitter....—Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; datje sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....—Ja, zeide mat de knaap.—En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.—Neen, kreunde Cecilianus en weende.Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijkeatrium, waar de dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief, zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens, altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract vermeld....
Toen Cecilius de oogen op sloeg, des morgens vroeg, bevond hij zich in een klein, sierlijk kamertje, dat met éen raam tusschen pilasters neêr zag op het Forum, in de diepte liggende als een van menigte krioelende vallei van marmer: de tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken, de beelden, alles drong dicht op elkaâr en tusschen alles door, als groote, bonte mieren, krioelde de menigte. De zon schuinde even het kamertje binnen en voor Cecilius, die lag op zijn laag bed, stond Earinus.
Earinus was de jonge gunsteling van den Keizer, nauwlijks enkele maanden ouder dan Cecilius. Hij was geboortig uit een patricischegens: hij was een zeer schoone knaap met kort bruin krulhaar en diep blauwe oogen; hij was gekleed in een licht blauwe, zijden, korte tuniek en er flonkerden saffieren in zijn haarband, aan zijn vingers, aan zijn gordel en schoengespen.
—Vergeef mij, edele Earinus! zei Cecilius en stond op.
—Sliep je nog? vroeg de jonge patriciër.
—Ja....
—Was je moê....?
—Een beetje.... Ik heb gisteren laát en lang voor den Keizer gedanst....
—Parthenius, de opperste dercubicularii, heeft mij gezegd je op te gaan zoeken, Cecilius. Ik heb je niet wakker willen maken.
—De zon heeft mij gewekt, heer....
—Voor van avond zal de Keizer je vermoedelijk niet ontbieden. Wij zullen van daag dan zamen zijn....
—Ja, heer....
—Zeg maar Earinus.... Je ziet bleek, Cecilius. Heb je niet goed geslapen....
—Ik heb gedroomd, zei Cecilius, zich de oogen wrijvende. Van mijn broêrtje. En dat hij ziek was. We kunnen niet zoo lang buiten elkaâr, heer....
—Zeg Earinus.
—Ik durf niet, heer. Gij zijt een voorname jongeling en ik ben maar een komediantje.
—De zoon van Crispina? glimlachte Earinus.
Cecilius keek verlegen....
—Ik weet niet....
—Het doet er niet toe, zei Earinus. Ik wil je vriend zijn, den tijd, dat je in het Palatium bent. Ik ben ook soms eenzaam. Wat heb je mooie, lange, blonde haren, Cecilius.
—Neen, lieve Earinus, gij zijt moòi, met dat korte bruine haar.
—Ik heb mijn haren juist af laten knippen: ik had juist den leeftijd bereikt, dat het voegzaam was....
—En wien hebt gij ze geofferd, Earinus?
—Den god Aesculapius, te Pergamos, in een gouden doos. En weet je, Cecilius, Martialis heeft er een epigram op gemaakt.
Cecilius lachte: hij waschte zich en kleedde zich en er kwam een slaaf, die hem hielp met zijn lange, goudglanzendehistrio-tuniek, met de lange linten zijner vergulde schoenen, met den vergulden rozenkrans om zijn lange, blonde haar.
—Martialis maakt maar op iedereen en alles epigrammen, zei Cecilius.
—Op jou ook.
—En op mijn broêrtje.... Maar ik mòet mijn haar lang blijven dragen, Earinus, omdat ik een komediant ben: Gymnaziumstonstrixzoû me anders niet kunnen kappen.
—Wat was je mooi, Cecilius, in de „Bacchides!” Wat zag je er mooi uit en wat speelde je goed!!
—Maar mijn broêrtje oòk, Earinus....
—Ja, Cecilianus ook.... Hoor eens, Cecilius. Ik heb gehoord, dat hij ziek was.
—Zoo als ik droomde.... Zoo als ik het iedere nacht droom.
—Hoeveel nachten al....
—De vijf nachten, dat ik hier ben....
—Ik heb bedacht, dat het goed zoû zijn hem te gaan zeggen, dat je het goed maakt. Je maakt het immers goed?
—Ja, Earinus.... Ik ben sterker dan mijn broêrtje.... Ik zàl niet ziek worden.... Al ben ik wat moê.... Want gisteren nacht heb ik zoo làng voor den Keizer moeten dansen....
—Het is toch wel een groote eer, zei Earinus; en het zal groot voordeel voor je zijn. En je hebt hier toch alles: dit mooie kamertje, die mooie kleêren; een slaaf, die je bedient.... Kijk eens, hoe vroolijk, dat uitzicht over het Forum....
—Ja, Earinus, maar ik ben zoo gewoon vrij te zijn en met mijn broêrtje samen.... Wij zijn wel komedianten en slaven maar wij zijn toch vrij. Ik ben hier gevangen....
—Je mag het Palatium niet uit?
—Neen, Earinus.
—Ik zal van daag je groeten aan Cecilianus over brengen. Ik mag wèl door de parken gaan. Kom nu meê.
Earinus strekte de hand uit. Hij glimlachte. Hij was schoon als een jonge Eros, maar er lag een onzegbare weemoed in zijn glimlach.
—Earinus, zei Cecilius. Je bent mooi als de Eros, die van Praxiteles, dien we gezien hebben in Hellas, en je glimlacht nèt zoo weemoedig als hij....
—Ik glimlach niet weemoedig, weerde Earinus af. Kom meê.
De knapen gingen samen het kamertje uit. Zij kwamen in een lange galerij, waarop de cellen der bevoorrechte slaven uit kwamen. De galerij eindigde in een portiek, die over het Huis van Vesta heen zag en die zuilde boven de paleiskazerne der Prætorianen: zij, die niet van dienst waren, dobbelden er, schrijlings gezeten over de banken.
—Wij, fluisterde Cecilius ondeugend; mijn broêrtje en ik, hebben oòk wel eens met ze gedobbeld en gedronken....
—Waar....?
—Bij de Septizonische poort....
—Ik nooit....
—Neen, maar gij, Earinus, zijt ook een patriciër....
Earinus had een minachtend lachje. De knapen wandelden voort langs een tweede galerij, van waar trappenvluchten, die geleidden naar dearea palatina: het groote paleisplein....
—Ja, zei Cecilius en wees naar beneden; daár werden we gedrongen door het volk, dat schold ons uit—het was juistsalutatiobij den Keizer geweest en ik was met mijn broêrtje en toen beschermde Martialis ons en we stegen in den draagstoel van den edelen Plinius....
En hij zei het als ware het eene herinnering, die lang, lang geleden was....
—Kom, zei Earinus; geef mij een arm; ik zal je het heele Paleis laten zien....
Cecilius,schuchter, nam Earinus’ arm. Zij daalden de trappen af. Overal aan de trappen, boven, beneden, aan de poorten bij in- en uitgang, stonden de Prætorianen. Het was als eene verlatene wijdte van marmermozaïek, met het goud, flitsende aan de Corinthische kapiteelen en architraven, aan de Zegegodinnen op zuilen van porfier, aan de gele en roode en blanke paleismuren van verschillende edele steen en geheel dit wijde plein gloeide verlaten in de stralende zon, met alleen hier, daar, overal de Prætorianen, wierhelmenen schilden en speren terug schoten de felle glansen. De Keizer was altijd ziek en zijn ziekte was als een vervolgingswaanzin; onzichtbaar in zijn paleis, ontving hij niemand meer, hadden de begroetingen en audiëntie’s niet meer plaats. Niets scheen om te gaan in het paleis, niemand scheen te worden verwacht en alle de Prætorianen, van alle poorten en trappen af, zagen naar de beide knapen, die, arm in arm, het plein overliepen.
Want zij kenden allen Earinus en nu ook Cecilius, lieten hen overal door gaan en groetten met den speer Earinus of knipoogden tegen Cecilius. De drie monumentale poorten van het paleis waren gesloten onder de immens hooge portiek, maar Earinus voerde Cecilius naar een zijpoortje links en ging met hem tusschen de Prætorianen door....
—Overal staan de wachten?
—Ja, zei Earinus; overal. Maar je ziet,ikmag door. En jij ook, met mij.
En toch mag ik al die trappen, naar het Forum, niet af.
—Neen.
—En de parken niet in....
—Neen....
De knapen waren nu binnen het Flavische Paleis. En Cecilius, aan Earinus’ zijde, zag de nooit elders geziene Bazilieken der Keizerlijke Rechtspleging. Hij dempte zijn stem. Het waren alsonmetelijkheden van marmer van Numidië en Caristos: wouden van zuilen, en overal, als het scheen in de verte, bij alle poorten, stonden de Prætorianen.
—Wat is het pràchtig, fluisterde Cecilius. En leêg. En zoo drukkend. Je kan niet ademen, zoû Cecilianus zeggen. Maar het is jammer, dat hij het niet ziet. Want het is mooier dan wat ook in Alexandrië.
—Kijk, wees Earinus, toen zij de Bazilieken waren door gegaan; dit is het Triclinium, de groote Eetzaal, die Martialis genoemd heeftCœnatio Iovis: de Eetzaal van Jupiter....
—Oh! bewonderde Cecilius en stond stil, op den drempel, tusschen de vier Prætorianen, die er hielden de wacht.
Leêg breidde de onafzienbare zaal zich onder zijn reuzigen dom. Bij iederen pas van de langzaam voort tredende knapen verwisselde het verschiet tusschen de tallooze, tallooze zuilen.... Ter zijde van den nisvormigen troon, waarop bij feestmaal de Keizer aan lag met zijne gunstelingen, bloeiden twee rondenymfæavan lotus, myrt, oleander om de waterstralen heen, die de marmeren dolfijnen bliezen.
—Oh! herhaalde Cecilius. Het is nèt zoo groot als het Theater van Pompeïus!
—Ik geloof nièt, meende Earinus, glimlachend.
—Ik geloof het ook niet, herhaalde Cecilius, blij te kunnen herhalen: hij was zoo gewènd, dat hij of Cecilianus elkanders woorden herhaalden.
—Maar Martialis heeft wel gezegd.... zei Earinus.
—Ja, in een van zijn Epigrammen....
—Dat hij aan een uitnoodiging van den Keizer....
—Ja, van den Keizer, den voorkeur geven zoû....
—Boven een uitnoodiging van Jupiter....
—In den Olympus!
O, wat vond Cecilius Earinus een lieven vriend! Want het wasbijna net of hij met zijn broêrtje het paleis zag! Maar Earinus was toch zijn broêrtje niet.... En zijn broêrtje was ziek. Hij, hij wìlde niet ziek worden....
—Laat ons hier zitten, zei Earinus.
Zij zetten zich in een dernymfæa, tusschen de rozen, op den rand van hetvasculum.
—Ja, droomde Earinus luid-op. Ik heb hier de prachtigste feesten gezien. Nog een jaar geleden.... Dan sprenkelde er geur van boven en vielen de rozen uit de zoldering, die open draaide.... Nu is dat alles voorbij....
—Ontbiedt de Keizer je dikwijls, Earinus?
—Neen. Nooit meer. Hij weet niet meer, geloof ik, dat ik besta. Ik ga wel meê in zijn gevolg, maar hij ziet niet meer naar mij om. En ik kan toch ook niet weg uit het Palatium. Ik mag niet weg. En het is beter, dat ik blijf, want mijn ouders zijn arm....
En Earinus werd heel weemoedig, maar hij wilde het niet laten blijken. Toen het heet in hetnymfæumwerd van de hooger rijzende zon, bracht Earinus Cecilius naar zijn eigen vertrek, waar hij met hem zoû middagmalen.
—Earinus, zei Cecilius; wat ben je lief voor een armen komediant als ik, die zijn broêrtje niet bij zich heeft....
Earinus glimlachte maar en hij noodde Cecilius te liggen. Het was een klein, rond pavillioen met geheel zwart marmeren zuiltjes en fijne fresco op rooden wand. Er was eensigma, een aanligbed in den vorm van een S, voor twee genoten. Slaven brachten twee tafeltjes, die zij zetten in de kronkels van de S....
Er waren bloemen en vruchten en lichte, topaaskleurige wijn.
—Als Cecilianus er maar bij was, zei Cecilius.
En zij aten, de jonge patriciër en het komediantje. Zij bleven toen alleen en Cecilius, moê, viel in slaap. Hij lag, als getroost, maar toch kwijnend, in de kussens en sliep door.
Earinus, over hem, had uit een bronzen koker een boekrol genomen en las....
Het was of Cecilius niet wakker werd. Earinus zag, nu en dan, naar hem op. Hij sliep voort. De middag sleepte voorbij.... Eindelijk werd Cecilius wakker....
—Ik heb gedroomd, zei hij dadelijk.
Zijn slaap scheen hem niet uit te doen rusten. Hij zag moê, bleek, hing in Earinus’ arm, gleed aan zijn voeten, legde zijn hoofd op Earinus’ knie en schreide, stil en geluideloos....
Het duisterde. Een slaaf kondde zich buiten met een bronzen klop op de deur aan.
Hij verscheen.
—Edele Earinus, zeide hij. Parthenius zendt mij.... De Keizer ontbiedt Cecilius.
—Hij gehoorzaamt, zei Earinus.
De slaaf vertrok.
—Cecilius, zei Earinus. Heb je gehoord? De Keizer ontbiedt je....
—Ja, zei Cecilius flauw.
Hij stond op.
—Ik breng je, zei Earinus.
En hij ging met het komediantje het paleis door. Overal, door de eindelooze gangen, hallen, zalen, portieken duisterde het in schaduw gestapeld verschiet met slechts de glimglansen over de helmen en speren der wacht hebbende Prætorianen. Het was als een verlaten spookpaleis, reusachtig wijd, voor een vorst, die er niet was en toch overal bewaakt werd. Plotseling, in eenvestibulum, zagen de knapen vrouwen, die fluisterden. Het was de Keizerin en het waren Domitilla, Crispina, Fabulla.
—Wat is er? vroeg de Keizerin, angstig.
—Niets, Augusta, zei Earinus; de Keizer heeft Cecilius ontboden....
—Om te dansen?
—Om te dansen, Augusta.
Crispina naderde haar zoon.
—Cecilius, zeide zij; Cecilianus laat je zeggen, dat hij droomt van je....
Zij schikte zijn vergulde rozenkrans recht.
—En hij ziet je dansen, tusschen heel veel geschitter....
—Zeg, edele Crispina, antwoordde Cecilius; aan Cecilianus, dat ik droom van hem en dat ik hem ziek in mijn droom zag, maar dat ik niet ziek ben. En het ook niet word.
Parthenius trad nader uit de wachtzaal voor ’s Keizers vertrekken.
—Kom, zeide hij.
Cecilius groette de Keizerin, de vrouwen. Jawel, dacht hij: de Keizerin, die met Pâris.... En die magere Domitilla, van wier moeder Priscus en Verus, degladiatoren, hadden verteld, en Fabulla, die eerstzijnrollen had willen.... en nu Christin woû.... En dan die moeder van Cecilianus en van hem: Crispina.... en Earinus....
Hij naderde Earinus, knielde, kuste Earinus de handen.
—Kom, beval weder Parthenius.
Hij rees, ging met Parthenius meê. Trappen af. Vele trappen af, die hij al kende. Droom, die zich herhaalde. Prætorianen onder aan de trappen. En bij de lage poorten der onderaardsche gewelven.... Eén poort opende Parthenius....
Cecilius trad binnen. Hij wist het al, deze nachtmerrie en dit spooksel. Hij bevond zich in een lange, lange galerij. De wanden langs, waren hooge, breedefengiet-steenen geplaatst, plakkaten van Cappadocischen spiegelsteen, als tooneelschermen. Net als dechoragize plaatsten op eenproscænium. Maar dan in een zigzag. Langs heel de lange galerij zigzagden de hooge, breedefengiet-spiegels. En Cecilius, dadelijk, zag zich links,rechts, voor, achter, weêrspiegeld, duizende malen weêrspiegeld.
En heél achter in de galerij, zat, in een zetel, een man. Het was de Keizer, Domitianus.
Hij zat, in een gezonken, ziekelijk en staarde recht voor zich uit naar Cecilius. Achter hem waren Prætorianen en Crispinus stond achter zijn zetel en in defengiet-steenen, daar aan het einde van de spiegelgang, zag Cecilius hun aller ruggen spiegelen....
Toen begon de knaap te dansen. Het was of hij reeds dadelijk zich doodmoê gevoelde, geslagen in zijne anders zoo lenige en jong sterke ledematen. Maar hij bedacht: wàt zal ik dansen....? Het moest iederen keer iets nieuws zijn, om den Keizer te behagen.... En toen hij zich in de schuin gestelde steenen plakkaten hier zag weêrkaatst, daàr zag weêrkaatst, schenen deze hem, in een vreemd vizioen van overspanning, water toe en meende hij „Narcissus” wel te kunnen dansen, die zich in het water had weêrspiegeld gezien en verliefd op zichzelven geweest was.... En daarom danste hij de verliefdheid op zichzelven en verbeeldde zich tevens, dat het Cecilianus was, die hij daar in de spiegelsteenen naar zich toe zag komen en wijken en àltijd met zijne eigene broedergebaren.... Maar het was Cecilianus niet, hij was het zèlf en een hevig verlangen naar zijn broêrtje werd hij zich bewust.... Onderwijl danste hij, mimeerde hij, dat hij Echo verliefd hoorde roepen, maar versmaadde haar en glimlachte zich toe in de spiegelsteenen, die om heen stonden als vreemde, loodrechte wateren, als zigzaggende mere-oppervlakten, waarin Narcissus zich zag weêrkaatst....
En hij danste. Hij wist nooit wanneer hij mocht uit scheiden, want de Keizer maakte nooit een gebaar, zat roerloos, sprak niet. In het verschiet van de galerij, die met de schuine spiegels weg verschoot naar het einde toe, waar de Keizer zat, waren Crispinus en de Prætorianen verijld voor Cecilius’ blik, waren zij niet meer dan vreemd geschim en geschaduw, werkelijkheidslooze afspiegelingenachter die éene werkelijkheid: den Keizer. Die zàt daar, duidelijk, en roerde niet.... En staarde slechts....
En de knaap danste. De zweetparels ontsprongen aan zijn voorhoofd en druppelden af. Hij herhaalde in steeds wisselende arabesken van melodieus beweeg, op het rhythme, dat slechts hij in deze muzieklooze stilte hoorde, zijne zelfde motieven, van Echo-versmading en zelfverliefdheid. En dacht onderwijl aan Cecilianus en zag hem liggen, met groote, holle oogen en ziek. Koorts van moêheid doortrilde zijn lichaam, dat zich maar bewoog, maar bewoog. Tot het hem eindelijk duizelde. En hij voelde, dat hij zweefde, in zijn eigen dans. Het was louter lichte schoonheid, zooals hij zweefde en de Keizer, daar ginds, staarde. Toen bedacht Cecilius, dat hij sterven kon, als Narcissus en dat dit het einde zoû zijn. En dat hij als een narcis dan herbloeide.... En hij mimeerde zijn sterven en zijne moêheid kwam hem te hulp. Hij zonk in éen tegen een der spiegels en voelde, terwijl zijn laatste gebaren verkwijnden, de koude spiegelsteenen gloeien tegen zijn zelf rillende, natte lichaam. En brak toen tusschen zijne weêrspiegeling, die zijn breken verveelvoudigde achter zich, voor zich, over zich. En look zijne oogen.... En bleef liggen, als een witte bloem....
Van ver was Crispinus genaderd, de lange spiegelgalerij af. Hij naderde langzaam, beducht, dat de knaap dood zoû zijn. Hij dacht aan dendominus, het contract, de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën.... Hij roerde het dansertje aan met zijn voet: het bewoog niet. Het lag daar, flauw, tegen den spiegel, als een narcis, die kwijnde aan een waterboord.
Crispinus boog zich. Zijn hand voelde den zoon van zijn zuster met angstigen zelfzorg aan. De knaap lag, flauw, in kilkoud zweet....
Daar ginds was de Keizer opgestaan; hij naderde op zijn beurt de lange galerij af. Hij zag links en rechts in de spiegels, terwijlhij naderde, langzaam zich slepende, in durende achterdocht, in zwijgende vervolgingswaanzin. Toen hij Cecilius genaderd was, zeide Crispinus:
—Goddelijke Augustus, de knaap is bezwijmd....
De Keizer antwoordde niet. Hij, op zijn beurt, roerde met den voet het dansertje aan; het bewoog niet. Toen, zwijgend, maar met een grijns van minachting tegen Crispinus, ging de Keizer voorbij.... In de spiegels vóor zich loerde, loenschte hij naar zijn gunsteling, die eenmaal den Tarbot.... Toen verdween Domitianus, tusschen twee der spiegels, waar een geheime deur was. Hij verdween als ware hij in het spiegelsteen zelve verdwenen.
Crispinus wenkte de Prætorianen, die waren blijven staan bij den zetel.
—Neemt den jongen op, zeide hij. Voert hem naar zijn kamer....
Hij dekte met zijn eigen mantel Cecilius toe. De Prætorianen lichtten den bezwijmden knaap op en droegen hem de spiegelsteenen langs. Het was of er in hunne weêrspiegeling een ijl beweeg was blijven hangen van melodieuze dansing en bloemeteêre kwijning....
Ongeveer ten zelfden tijd verscheen Earinus, door Crispina geleid, aan Cecilianus’ ziekbed. En hij zeide:
—Cecilianus, Cecilius laat je groeten en zeggen, dat hij het goed maakt.
Cecilianus, bleek, de groote oogen omkringd, lag als steeds op zijn bedde of een niet wijkende koorts hem verteerde. Hij sliep nauwelijks, hij at nauwelijks, hij bewoog niet. Hij zeide nu alleen, met zijn matte stem:
—Cecilius is, als hij niet dood is, ziek. Ja, Cecilius is ziek.... Hij heeft gedanst tusschen te veel geschitter....
—Cecilius laat je zeggen, Cecilianus, ging Earinus voort; datje sterk moet zijn en gezond moet pogen te worden. En opstaan. En eten....
—Ja, zeide mat de knaap.
—En dat je niet ziek meer bent, als hij terug komt.
—Neen, kreunde Cecilianus en weende.
Earinus vertrok. Crispina verzorgde haar zoon. Zij verzorgde hem met hare slaven, slavinnen, als ware hij een zieken prins geweest. Hij lag in zijn kamertje, dat uit zag op het sierlijkeatrium, waar de dolfijn den Amor in zijn staart hield gekronkeld en de fonteinstralen blies, in de water-doormurmelde, geurige, zongetemperde weelde van een verfijnden patriciër. Als Crispina hem daar liggen zag, meestal zwijgende, roerloos, bleek en starend, terwijl een fluitspeelster op den drempel heel zacht floot, terwijl ooft en gebak en sneeuw-gekoelde sorbet op een drievoet naast hem stond, terwijl zij zelve zijn blonde haren borstelde, borstelde en geurde, had zij haar zoon wel lief, zoo als een meisje haar pop had lief gehad, maar dacht zij tevens, altijd, aan de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, in het contract vermeld....
XV.Dedominuskwam iederen dag. Er was nu een gelaten moêheid in den knaap en hij scheen niet ongewillig. Als dedominusof Crispina hem aan spoorde op te staan, poogde hij het te doen, slaagde er in, maar in de verstikkende zomerwarmte viel hij dadelijk moê neêr op een panthervel bij den drempel en lag daar. Of zij droegen hem in het park en legden hem in het bloembespikkelde gras, tusschen de laurieren.... Uren lang lag hij daar. Hij kwijnde zichtbaar weg....Plinius en Martialis kwamen hem dikwijls zien en Crispina toonde haar zoon en er was geen poging te verbergen, dat detweelingen hare zonen waren, hoewel noch Plinius, noch Martialis toespeling maakte.—Hij kan hier niet blijven, edele Crispina, zei Plinius. De knaap zal hier sterven. Vergun mij hem naar mijn villa bij Laurentum te voeren....Maar Cecilianus hoorde hem. Hij begon hevig te kreunen, te snikken, te smeeken, dat hij niet weg woû. Dat hij dicht bij zijn broêrtje woû blijven....—Hij is niet zoo ver weg bij mij, zeide Martialis; in mijn landhuisje bij Nomentum. Maar ik ben het met mijn vriend eens. Het kind sterft hier.... Wat dunkt je,dominus? vroeg de dichter aan Lavinius Gabinius, die binnen kwam.Er werd toe besloten. Martialis, alleen, aan het ziekbed van den knaap, bepraatte hem.... Dat hij hier geen lucht had, in die benauwde tuinen van het Palatium. Dat hij hier niet genezen zoû, dat hij hier sterven zoû vóor Cecilius terug kwam....De dichter praatte overredend, gemoedelijk, maakte er grapjes door. En Plinius, die toen naderde, zeide:—Cecilius, als je met Martialis meê gaat naar Nomentum om te genezen in de frissche buitenlucht, zal ik je geven wàt je me vraagt, als ik aan je verzoek kan voldoen....Als een kind antwoordde de knaap:—Mijn broêrtje.—Dat is me onmogelijk, zei Plinius; vraag mij iets anders.... Verzin iets, dat je gaarne zoû hebben.—Ik weet niet....—Verzin iets, drong Plinius aan.De knaap bedacht zich. En zeide toen:—Carpoforus....—Wil je Carpoforus nu en dan eens bij je hebben?—Ja, zeide de knaap.—Hij zal bij je komen, Cecilianus, beloofde Plinius.En Cecilianus liet zich vervoeren naar het landhuisje van Martialis, de Via Nomentana langs.... Hij lag in een kleinen draagstoel, die Plinius ter beschikking gesteld had. Ginds blauwden de Sabijnsche bergen.... De diepe zomerlucht was warm maar wijd. De bergen over, voerde de bries aan.Het huisje was klein maar geriefelijk, wingerd-omgroeid. Het waren tweecubiculaom een klein, laagtriclinium, eenatriumer voor. Het lag in een wijngaard, die beloofde weelderig te worden in herfstmaand. Er graasde een geit op een heuvelig grasveld. Het was alles omheind door een muurtje. Er stond een grijnzend Pansbeeldje, bewaker van het klein domein. Er was een moestuintje, en het slaafje van den dichter was bezig het te besproeien toen zij aan kwamen: Martialis, dedominus, beiden op muilezels en de draagstoel—door twee slaven gedragen—waarin de zieke knaap. Over de vlakte rondom weidden de herders de schapen....—Cecilianus—Martialis voerde den knaap naar binnen; kijk, het is hier niet zoo weelderig als bij je.... ik meen als bij de edele Crispina....—Het is hier niet zoo benauwd, glimlachte de zieke knaap, die wel merkte, dat Martialis zich bijna versproken had.—En het is hier héel dicht bij Rome....—Niet zoo ver als Laurentum.... zei dedominus.Cecilianus keek om zich rond.—Niet zóo ver, zeide hij twijfelend.Hij legde zich te ruste, uitgeput. Op de bank voor het huis zat mistroostig dedominus, handen tusschen de knieën, hoofd op de borst. Martialis kwam naast hem zitten.—Kom,dominus, troostte de dichter.—Ach, edele Martialis, klaagde dedominuseindelijk uit. Wat moeilijke tijden, voor eendominus-gregis, die zomermaanden, die zich slepen en dan met mijn tweelingen....—Joù tweelingen,dominus?—Mijntweelingen, Martialis, die misschien beiden dood gaan! Hoe lang is Cecilius nu al bij den Keizer? Hoe lang is Cecilianus al ziek! Ik weet het niet, de weken slepen zich voort. Mijn hart is vol van zorg en verdienen doe ik niets met mijngrex.... Jawel, ik kreeg van Crispina voor iederen dag driehonderd sestertiën, maar hoe het nu zit, dat Cecilianus niet meer bij haar is, terwijl Cecilius op het Palatium is, dat weet ik niet en dat is een ingewikkelde zaak, waarover ik eens met Labienus Posthumus, mijn rechtskundigen raadsman, moet spreken. Zie je, een proces heb ik liever nièt met de groote lui, maar toch, mòcht er iets bij den Keizer met Cecilius gebeuren, dan.... Ja, edele Martialis, en dan nog die lange zomermaanden, dat wij niet spelen.... Ik verhuur mijn komedianten wel zoo veel mogelijk, maar toch.... hoe kom ik dien tijd door tot Oktober, dat we naar Karthago moeten.... Dat ik misschien naar Karthago moet, en zònder mijn jongens, mijn tweelingen, die zijn, Martialis, mijn fortuin en mijn liefde, mijn alles.... Desenexheeft me verlaten; die is Christen geworden; Clarus is weg geloopen en ik ben, om mijn verdriet, niet flink genoeg geweest hem te doen achtervolgen: ach, dat is allemaal verlies en zorg, verlies en zorg, edele Martialis, voor een armendominus-gregis....De avond zonk, starre-bezaaid, over de velden. Dedominusvertrok op zijn muilezel, loomstaps, langs den bleeken weg verdwijnend naar Rome toe en Martialis, bij zijn lampje, zette zich aan het schrijven in zijn kamertje. Het deurtje open, zag hij Cecilianus, op zijn smal bedje, die sliep....Dien volgenden morgen vroeg kwam er een ruiter te paard in een wolk van stof aan draven. Hij rees reuzig op zijn groot ros en Martialis, die naar zijn boonen zag in het moestuintje, herkende Carpoforus. De Jager wierp zich af en naderde, de teugels van het paard in de vuist.—Zoo, beroemde Jager! groette de dichter; op wien ik zoo vele epigrammen schreef om je dapperheid en kracht te vereeuwigen, als op niemand anders, geloof ik! Ben je daar!—De edele Plinius, heer....—Juist, heeft je doen zeggen, dat Cecilianus naar zijn grooten vriend verlangt.... Daar ligt hij en slaapt....Martialis wees het open kamertje.De Jager bond zijn paard vast aan de heining. Hij naderde het kamertje. Juist opende de knaap de oogen.—O lief kind! Zoete jongen! mompelde de Jager tusschen zijn bekroesde lippen. Mijn gelukaanbrenger, mijn tálisman! Hij maakte, dat ik den Numidischen Leeuw overwon en het beest den muil door midden scheurde! Ik léef nog door hem! Ik zal altijd overwinnen, zoo lang hij leeft en mij nabij blijft....—Carpoforus! riep Cecilianus.—Hier ben ik, zei de Jager en hij knielde neêr voor het bed. Hij was monsterlijk zwaar, rood belitteekend en gebruind de gespierbundelde armen, de vierkante knieën, die zijn leêrengladiatoren-tuniek bloot liet en in zijn kleinen, donkerruig omkroesden kop waren zijn oogen donker en goed als van een lief beest. Zijn geweldige handen, die een leeuw den muil konden open scheuren, gingen uit naar het blonde hoofd van den knaap, die hem zijn talisman was en hij omhelsde hem met den liefde-verteederden eerbied van zijn bijgeloof.—Heb je om me gevraagd? vroeg de Jager.—Ja, Carpoforus, zeide Cecilianus. Plinius verzocht me te vragen wat ik wilde hebben en Cecilius kon hij me niet geven. En toen heb ik maar om jou gevraagd. Hij is een machtig heer, hè, Plinius; hij kan bijna zoo veel als de Keizer. Hij zeide, dat hij zoû verzoeken aan de Viermannen, dat je naar Nomentum mocht komen....—Heb je koorts, kind?—Neen, ik heb lang en goed geslapen: de lucht is zoo frisch en het is hier zoo mooi en zoo wijd en ik zal opstaan en we zullen de heuvels opgaan; ik wil de heuvels opgaan, daar, daar, ginds: kan je van daar Rome zien, Carpoforus en de parken van den Palatinus en het Palatium....?—Niet van zoo ver, mijn zoete jongen.... Maar laat ons gaan, als je wilt.Zij gingen. Zij gingen op het groote paard, Cecilianus vóor tegen Carpoforus aan, de heuvelen op. Cecilianus keek uit naar het Westen.—Ik zie Rome niet, zeide hij mat.... Ik zie den Palatinus niet.—Het is te ver weg, zei de Jager. Kom, laat ons hier rusten. Laat ons afstappen, kind....Zij stapten af. De Jager bond het paard vast aan een struik. En zij legerden zich in het gras. Het was, in den vroegen morgen, nu de zon nog zoo laag stond, nog frisch van overvloedigen dauw. Het geurde omrond naar menth en mariolein. Er gleden en glipten zwaluwen om, tegen de nog teêr zilveren blauwe lucht. Cecilianus lag met zijn hoofd tegen Carpoforus’ borst. De knaap weende.—Wat is er, mijn jongen? vroeg de jager.—Ik ben ziek....—Neen, neen....—Ik zal sterven.—Neen....—Ja, Carpoforus.... Ik voèl het nu.... Het is in me gescheurd.... Het doet hièr altijd pijn, in mijn hart.... Wij zijn éen, Cecilius en ik. Hij ook.... hij is ziek en hij sterft daar.... daar ver weg.... in het Palatium.... Ik zoû wel gezond willen worden maar ik voel, dat het niet kan.... Ik kan niet.... Ik ben zoo moê.... Ik ben zoo zwak.... Ik word hier duizelig, van al die lucht en dat licht....—Neen, je bent een sterke, gezonde jongen, mijn zoete jongen, die genezen zal, die genezen moèt!Cecilianus lag half flauw tegen den Jager aan, de oogleden als verwelkt over zijn brekende oogen. Het hijgde als benauwde een zwaar gewicht hem de borst.—O, goddelijke Herkules! riep Carpoforus. Red hem mij!Hij nam Cecilianus als een kind in zijn armen. Het paard, aan den struik, hinnikte zachtjes.... Van den weg, die, beneden de grazige heuvelen, zijn stoffigen slinger tusschen de helling verloor, klonk een gezang aan van naderende stemmen. Het was een zacht sereene hymne, die in den jeugdigen morgen als naderde uit het Oosten, waar de nog vochtig omfloerste zon rees. Het waren stemmen, stemmen, stemmen, die harmonieerden met den jeugdigen morgen in een vreemde belofte van nooit nog vermoede zaligheid. De Jager richtte zich hooger en keek uit, den knaap vast tegen zijn leêren tuniek, waaronder bonsde zijn hart. Hij zag over de heuvelen, aan de andere zijde des wegs, naderen een menigte. Het waren mannen en vrouwen en kinderen en dan waren het herders met hunne kudden schapen. Door het gezang der stemmen, der vele stemmen blaatten zacht de schapen der herders, die meê met de menigte waren geloopen. En het was als ééne groote kudde van menschen en dieren, die zacht zingende, zachter nog blatende, aan naderde over die heuvelen, naar den weg toe, die van de Sabijnsche bergen geleidde tot Rome toe.De Jager keek steeds uit, terwijl hij, angstig, meende, dat Cecilianus aan zijn borst bezwijmd was. En hij zag, dat in het midden der menschenmenigte, waarom heen de blatende schapen der herders drongen, een Grijsaard liep.... Hij was lang en rank en scheen een Ziener. Hij was heel oud en zijn lange haar hing zilvergrijs om zijn bleekzachte gelaat. Hij droeg een lange, witte pij, grijs bestoven, die sleepte met den zoom door het stof. Hij had als een vrouwelijke teederheid in zijn langzaam bewegentusschen de menigte, die hem omringde. Hij scheen de Herder dier herders.... Zijn oogen waren heel groot maar heel zacht en jeugdig vrouwelijk in zijn nauwelijks gerimpeld gelaat gebleven. En zij schitterden soms vreemd, vreemd heilig, als blauwe vlammen, terwijl rondom hem de stemmen zongen, de schapen blaatten, de lammeren dringend tegen de moederen aan....Zij naderden. Van waar kwamen zij, waar heen gingen zij? De Jager wist het niet. Hij zag ze nu af dalen den heuvel, daar over, om den weg te bereiken. Zeker gingen zij naar Rome; zeker begeleidden de herders een eind die menigte om dien ouden, witten, heiligen Man naar Rome terug. Menschen en schapen daalden den heuvel af, den weg in tusschen de heuvelen. En gingen voorbij den Jager, die daar in het gras zat, met een bezwijmden knaap aan het hart.Ook de heilige Man daalde. Hij stond nu op den weg en de Jager zag hem zijn blauwen, vreemd heiligen vlamblik wenden naar hem. De blauwe blik van den Ziener ontmoette den bezorgden blik, dien van een lief, sterk beest, des Jagers. En hij talmde een oogenblik. Rondom hem zongen zij, blaatten zij....—Wenscht ge, dat ik kom....? vroeg de heilige Man, zijn stem even verheffend en die stem was bijna vrouwelijk teêr en zoo klaar als van een jongeling.—Ja, heilige Man! zei de Jager.Toen klom Johannes den heuvel op, waarop de Jager zat. De menigte toefde op den weg en zong....—Wat wenscht ge? vroeg Johannes.—Misschien zijt ge wel een dokter, heilige Man, zei de Jager Carpoforus. Deze knaap is al lang heel ziek en ik woû u vragen; kunt ge hem niet genezen?Johannes stond nu voor den Jager en keek opCecilianusneêr.—Wat scheelt hem? vroeg de Apostel.—Hij kwijnt weg, omdat zijn tweelingbroêrtje bij den Keizer moet blijven en hij hem mist....De blauwe oogen werden onuitsprekelijk zacht van blik. En de oude, geaderde hand ging uit naar het voorhoofd van Cecilianus. De knaap sloeg de oogleden op en staarde als verblind in twee blauwe glanzen.—Wie zijt ge, heer? vroeg hij, als vervoerd.—Ik ben, zei de Apostel; een, die aan je gelijk was, mijn kind. Ik verloor mijn grooten Broêr, wiens boezemvriend ik was, al was Hij grooter dan ik. En ik kwijnde weg, tot ik niet meer kwijnde, omdat ik genas....—Genaast ge, heer, terwijl ge tòch uw broêr, wiens boezemvriend ge waart, verloort? vroeg Cecilianus.—Ja....—Stierf hij, heer?—Ja, Hij stierf....—Is Cecilius ook dood? kreunde de knaap.De heilige Man hield steeds zijn hand op het hoofd van den knaap.—Vrees je daar voor, lief kind?—Ja, heer....De glimlach van den Apostel werd onuitsprekelijk zacht.—Hij leeft, zeide hij.—Léeft hij? riep Cecilianus.—Hij leeft, herhaalde de Apostel. Hij leeft nog. Hij zal leven zoo lang je leeft. Wees niet bang en bezorgd. Mijn Broêr leeft óok al is Hij menschelijken dood gestorven in dit leven maar jou broêrtje, mijn kind, leeft zelfs nog met het sterfelijke leven, dat je lief is.... Begrijp je me, kind?—Ja, heer.... Ik begrijp u wel. Ge spreekt héel mooie woorden, maar ik begrijp u wel, omdat ik een komediantje ben en geleerd heb woorden van dichters te begrijpen.... Ge moetwel heel mooie dingen zeggen, dat er zoo veel menschen u volgen. Ze willen zeker hooren wat ge zegt en ze zullen u ook wel moeten begrijpen, al zullen ze niet allen geleerd hebben, want ge zegt de dingen zoo heerlijk mooi: het klinkt heel zacht als met gouden klokjes al wat ge zegt. O, als ge naar Rome gaat, zoû ik u gaarne willen volgen! Ik ben nu bij Martialis en die is heel lief en goed voor mij maar ik zoû u gaarne willen volgen! Naar Rome weêr toe, naar mijn broêrtje!! O, heer, o heilige heer, zeg, mag ik u volgen?De hand bleef steeds op het voorhoofd van den knaap.—Kind, zeide Johannes. Volg mij niet, noch naar Rome, noch naar welk oord, waarheen de Keizer mij bant. Blijf samen, hier, met den sterken vriend. En genees eerst. En hoop op de dingen van het leven, die aan je jeugd nog dierbaar zijn. Wie nog ziek is om een verloren broeder, moet eerst—hoe het ook zij—dien broeder weder vinden en wiens jeugd de dingen van het aardsche leven nog hoopt, heeft nog den tijd te rijpen tot het hemelsche leven hem heerlijker blijkt. Wiens hart nog slaat voor Rome, diens ziel is niet gereed, o mijn zoet kind, te verlangen naar het Hemelsch Jeruzalem, waarheen wij allen opgaan. Wie nog lief heeft de Schoonheid om haar eigen wil, kan de Waarheid met mij niet te moet gaan.... Blijf. En genees. Ik zeg het je, knaap: je broêrtje.... leeft. Je zal hem terug zien.Cecilianus, half opgerezen, was op zijn knieën neêr gevallen.—Dank u, heilige heer, zeide hij; om de verzekering, die ge mij geeft. Ik geloof u wel! Ik geloof wel, dat Cecilius leeft....De Apostel had een gebaar met de hand of hij den knaap en den man, het komediantje en dengladiator, zegende.Toen ging hij, den heuvel af, den weg naar Rome op en hem volgden de menschen, zingende, en de dieren blatende.En Cecilianus, staande naast Carpoforus, zag Fabulla: zij liep met de vrouwen mede en zij droegen takken groen.—Fabulla! kreet Cecilianus. Fabulla! Heb je Cecilius gezien??—Ja! riep Fabulla den knaap toe. Hij had voor den Keizer gedanst.... Hij was bezwijmd.... En werd naar zijn kamer vervoerd....—Maar niet dood? Niet dóod?? De heilige Man verzekerde....—Neen, niet dood! zei Fabulla. Want ik zàg hem, levend....—Dan geloof ik het zéker, dat Cecilius leeft....!!—.... Je moest, zei desenexnijdig—hij kwam met de mannen zingende na—liever den heiligen Johannes gelooven, die het je verzekerde omdat hij het in den geest gezien had dan Fabulla, die het maar met haar oogen zag.—Ik zag het zèlf, in den geest! riep Cecilianus boos tot densenex. En ik gelóofde ook wel den Apostel. Hij is een lieve man, een lieve, heilige man, veel liever dan jij ooit worden zal! Jij zult niet eens begrijpen wat hij zegt: hij praat met véel te mooie, dichterlijke woorden dan dat jij hem begrijpen kunt! Maar ik begrijp hem wèl!Desenexwilde nijdig antwoorden. Maar het scheen, dat hij zich bedacht. En hij liep den heuvel op, en zeide:—Cecilianus, ik ga met Johannes meê, op het schip, dat hem van Ostia naar Patmos zal brengen. Ik zal je nooit meer terug zien. Vaarwel, en groet Cecilius voor me....En hij naderde den verbaasden knaap en kuste hem op het voorhoofd. Toen verwijderde hij zich.... Allen verwijderden zich, den weg langs, en het zingen, met het blaten, verstierf.Cecilianus keek Carpoforus aan.—Wat deed diesenexin eens raar!? zei Cecilianus.—Die Christenen doen zoo, zei de Jager.Maar de knaap was heel opgewonden.—Laat ons op stijgen! vroeg hij.Zij stegen op. De morgen zonnigde goudener in het diepere azuur. En op het paard draafden zij de heuvelen over....—Het is zoo heerlijk! juichte Cecilianus. Zoo tegen je aan, samen op éen paard, over de heuvels, op en neêr, op en neêr!! Het is net of we den hemel in gaan!!De Jager spoorde het paard met de hielen. Hun vlucht teekende zich af tegen de lucht als die van een ruigen Centaur, die een blonden knaap schaakte, voor zich aan zijn borst....—Ben je nu moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen hij zag, dat de knaap de oogen sloot.Hij keerde langzaam om, terug. Over de heuvelen reed hij langzaam terug. Het ging naar het midden des dags.... Zij spraken niet meer en Cecilianus had een vreemden blik, telkens als hij de oogen opende.... Dan sloot hij ze weêr.Toen zij terug waren, vonden zij den dichter tusschen zijne vrienden. In twee draagstoelen waren zij gekomen: Verginius Rufus met Frontinus en Juvenalis; Plinius met Quintilianus, Tacitus en Suetonius. Hij ontving ze juist bij den ingang van het tuintje, waar de Priapus de wacht hield, met zijn grijnslach en het naïef strevende gebaar van zijnfallus.De Jager en de knaap stegen af. En Plinius ging Cecilianus te gemoet.—Hoe gaat het, mijn jongen?—Goed, edele heer, met uw verlof! zei Cecilianus en kuste zijn beschermer den zoom van zijn toga. Ik heb met Carpoforus door de heuvels gereden en wij hebben den heiligen Man van de Christenen ontmoet....—Aanliggen, vrienden, aanliggen! noodde joviaal Martialis en klapte in de handen.Zij lagen aan. In hettricliniumwas plaats voor zeven, ja, ook wel voor acht. Er diende het slaafje en uit de keuken bracht Marcella de spijzen op.—Het gaat maar zoo als het gaat! verontschuldigde zich Martialis. Dit tafellaken is gebleekt op de velden. Deze Nomentaneris van mijn eigen wingerd maar jaren ligt hij reeds in den kelder. En hier, mijne gasten, is de voorspijs.... Verginius Rufus, gij, die tweemaal het keizerpurper weigerdet maar niet weigerdet aan te liggen bij een armen dichter, vergun mij u te zeggen mijn dankbaren trots en bedien u, gij het eerst, van deze gerechten.En Marcella, de jonge vrouw—zij gedroeg zich zeer voegzaam, Martialis’ vriendin, tusschen deze voorname gasten—diende malve, latuwe en prei en menth op. Paling volgde met sneedjes harde eieren.... Tusschen de festoenen groen, die hingen langs de vier gepleisterde pilaren en door welke velden en verre bergen een landelijk vergezicht verzichtbaarden, zagen de gasten dengladiatoren het komediantje: zij zaten op de trede van de put en praatten als goede vrienden glimlachend met elkaâr.—Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat dat ventje me zoo even zeide.... Dat hij den „heiligen man van de Christenen” had ontmoet.... Hoe zich dat bijgeloof al meer en meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die „heilige man van de Christenen”?—Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes; de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie gedompeld werd.—Gebeurde dat? vroeg Suetonius.—Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.—Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder; die Johannes kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeiden hem toe.—Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke sekte; zij moesten gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is, maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.—Waarom ze niet te zenden alslegionariïin deauxilia-troepen naar Mœzië of Pannonië, meende Frontinus.—Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer....—Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker....—Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik, een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte, wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met enkel brood en water.—Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd inlaserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit.... de Suburra! Verontschuldigt ge mij dat? Ik at ze er eens, bij dien Nilus—de komedianten weten er van meê te praten en ik vond ze, ten minste dáar, heerlijk en Marcella bereidde ze als Nilus’ moeder het haar leerde. Suetonius, ge zijt te jong om zoo matig te zijn. Weet wel, dat ge niets meer krijgt hierna dan de beroemde ham, dien ge reeds tweemaal zaagt voor gezet! Maar zoû onze Cecilianus—hij ziet er reeds werkelijk beter uit!—ons niet iets kunnen zingen of dansen? Cecilianus!!De dichter riep naar den jongen. Hij naderde:—Wat wenscht ge, Martialis?—Je wangen blozen al, jongen, van de buitenlucht....—Men zegt, fluisterde Quintilianus tot Plinius; dat mijn twee vorstelijke leerlingen, de achterneven van Domitianus, Christelijke neigingen hebben....—Dat hoorde ik reeds, zei Plinius.—En Fabulla dan? zei Juvenalis.—Cecilianus, ging Martialis door; kom, je moest ons wat zingen en dansen. Wat zal het zijn?De jongen glimlachte, verlegen en moê.—Kom, kom, anders genoeg stoutmoedigecomœdusvan de hoogerepalliata! schertste Martialis. Waarom zoo beschroomd? Je bent meestal voor geen kleintje vervaard. Zeg ons eens, met een enkel gebaar vansaltatioer bij, eeneclogavan Vergilius: zijn tweede Herderskout op den schoonen Alexis, bij voorbeeld.De andere gasten moedigen het komediantje aan.Hij kènde, ja zeker, zijn Vergilius; hij kende het beroemde gedicht. En hij begon te zeggen de smachting van Korydon, die zoo vurig naar zijn Alexis verlangt....Maar plotseling barstte hij in snikken uit....—Wat is er, mijn jongen! riep Martialis en stond op, terwijl de gasten meêlijdende mede riepen. Deed ik geen goede keuze! Dom, dom ben ik, Cecilianus, juist te kiezen die tweedeecloga!—Ik kàn niet, heer.... snikte Cecilianus.—Je hoeft niet, je hoèft niet, jongen! riepen Verginius Rufus en Plinius, de anderen.—Ik kan niet, snikte Cecilianus; zonder mijn broêrtje!—Naar wien je, wenkte hem Martialis tot zich; verlangt bijna als Korydon naar Alexis! Kom kind, zit hier neêr, als de hooge gasten vergunnen....—Dank u, heer, weigerde Cecilianus weenende; ik mag niet met u mede aan zitten....—Neem dan van deze pastei, neem van dit geconfijte ooft en hier, neem dezen grooten beker vol Nomentaner, die uit mijn druiven geperst werd tijdens het tweede Consulaat van den edelen Frontinus! Jàren her, hoor, niet waar, Frontinus?Marcella hielp den knaap met de lekkernijen en bracht ze bij den put, waar Carpoforus wachtte.—De arme jongen, zei Marcella.Cecilianus was weenende weder op de put-treê gaan zitten en de Jager koesterde hem tegen zich aan.—Je hebt niet „Alexis”, plaagde Marcella, wel als dichter-vriendin op de hoogte van Vergilius; maar je hebt toch Carpoforus!—Ik tèl niet, niet waar? vroeg de Jager schertsend en deed den knaap drinken.Cecilianus dronk even, weerde toen af. En lag, plotseling uitgeput, geloken-oogen, tegen zijn vriend aan. Het was of hij een oogenblik door de zilveren morgenlucht, den rit op het ros tegen Carpoforus’ borst, het woord van den heiligen Ziener der Christenen, was òpgeleefd; de herinnering aan zijn kunst had hem nu zijn gemis weêr heftiger verlevendigd en hij lag als ziek, terwijl de breede, dierentemmende hand van den Jager over zijn krullen streek met een gebaar zoo teeder, dat daar ginds de gasten er om ontroerden.—Wat heb ik gedáan! verweet Martialis zich. Wie kon ook denken, dat die jongen werkelijk zoo ziek is!—Hij stèrft, zei Verginius Rufus; als het langer duurt....—Hij is jòng, meende Juvenalis.—Hij is jòng en een gezond, sterk ventje, als zijn broêrtje is, zei Frontinus; maar die knapen zijn éen omdat ze tweelingen zijn en altijd samen geweest zijn. Verginius Rufus, of gij Plinius, moest aan Crispinus vragen....—Ik? zei Plinius. Het zoû een reden zijn voor den Keizer Cecilius nog langer te houden.—Hij danst zelfs niet meer voor den Keizer, hoorde ik, zei Martialis. Hij is óok ziek. En Crispinus....Hij vertelde van het contract, dat Crispina geteekend had. Hijvertelde van de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, die Crispina zoû te betalen hebben aan dendominus, als....—Een moederlijke gril, zei Tacitus.—Wat een afschuwelijk Hof! zei Juvenalis.—Onze tijden kòmen misschien, fluisterde Tacitus.—Vooral als we bedenken.... zei Frontinus.Zij bogen voorover, fluisterden.... Die terechtstellingen, telkens plotseling, onverwachts, van Consulaire persoonlijkheden, die niets dan eere verdienden.... Die tyrannieke dòmheden, als die verbanning van de wijsgeeren geweest was.... Die krankzinnige decreten, ingegeven door vervolgingswaanzin....—Benikveilig? vroeg ironiesch Verginius Rufus; al ben ik meer dan tachtig jaren oud? Al heb ik twee malen geweigerd Keizer te zijn!—Benikhet? vroeg Plinius.En zij dachten allen het zelfde: dat hun vriend te rijk was om veilig te zijn.—Een gril van hem kan mij ook treffen, zei Quintilianus.—Ons allen! fluisterden zij.—Aan het Hof schijnt te broeien.... fluisterde Frontinus.—Een samenzwering?? vroegen zij, zich buigende.Frontinus knikte.—De Keizerin, fluisterde hij, met de lippen, nauwelijks hoorbaar. Past op....—en hij keek even schuin naar den Jager.—Een spion? vroeg Suetonius.—Neen, zei Frontinus; een brave kerel, de groote, sterke vriend van dien knaap daar. Maar de geliefkoosdegladiator,bestiariusenlanistavan den Keizer. Zij haten hem niet, degladiatoren....—Hij wist hoe ze aan zich te hechten, zei Martialis; hij stond ze, in de arena, dikwijls beiden na een tweekamp het leven toe.En gaf ze derudisdaarna, hun afscheidsstaf en eerbewijs.... Ze houden allen van hem....—De Prætorianen zijn verdeeld, fluisterde Frontinus.—Dus? vroegen Tacitus en Juvenalis, begeerig.Frontinus schetste een gebaar van niet weten. Marcella diende de geconfijte vruchten rond.—De tijden, zeide Martialis, een weinig somber; zijn niet geschikt tot gezellig tafelen. Vergeeft mij, mijn vrienden. De prei was te bitter, de eieren te hard, de paling te zacht; het geitebokje een geitebok, vader van twintig bokjes en de kooltjes waren bij Nilus veel meer doorgeurd vanlaserpicium. Marcella, je hebt ze te lang gestoofd! En die Nomentaner wàs niet de amfoor, die ik klaar had gezet en dagteekent niet van Frontinus’ tweede Consulaat. En dat kind daar, heb ik nog zièker gemaakt door hem te vragen juist Vergilius’ tweedeeclogate willen zeggen.... Vrienden, vrienden, vergeeft mij en laat ons alleen hopen, dat deze dag gunstiger verloope dan hij verliep boven de allertreurigste oventjes van uw vriend Martialis. Dit is alleen éen goed ding: de ham is op en een nieuwe kan worden op het Velabrum aangekocht. En dan: hópen moet men altijd en misschien brengt de naaste minuut ons allergunstigste tijding....Er klonk paardengedraaf over den weg. De gasten schrikten op. Alleen, bij de put, waar Carpoforus en Cecilianus zaten, bleef de knaap, oogen-geloken, liggen. Maar de Jager riep naar binnen:—Edele Martialis! Een boodschapper van het Palatium!Aan den disch stonden zij, allen, in éen ruk op. De vreeslijke verwachting was nóoit uit hun geest.Bij Priapus, die waakte aan de tuindeur, was de wit bestofte boodschapper afgestegen. Martialis ging hem te gemoet.—Wat wenscht de Keizer? vroeg de dichter, bleek.—Dat Marcus Valerius Martialis onverwijld ten Hove verschijne.—Hij gehoorzaamt, zei de dichter. Marcella, bied verfrissching den boodschapper.Martialis kwam glimlachend bij zijn gasten terug.—Het is weêr niet anders dan wat het reeds was! schertste hij en vol ontroering omhelsde hij Plinius. Maar.... zijn stem werd heel ernstig en hij fluisterde aan Plinius’ oor.—Vlùcht, vriend, eer het te laat is. Wij vreezen te veel voor u!—Ja, drongen zij allen.—Waarheen? lachte Plinius. Waarom? Zoo lang hij heerscht, zal hij mij in zijn rijk weten te vinden. En zoo het moèt, welnu, welnu vrienden, dan moèt het. Neen,Martialis, ik vlucht niet. En—vreemd is het—een gevoel heb ik, dat ik lànger zal leven dan hij.... Maar ga, beste Martialis en neem mijn draagstoel. Marcella, waarschuw mijn dragers....Achter het huisje waren de draagstoelen opgesteld en had Marcella met spijs en drank de dragers verzorgd. Plinius’ stoel kwam weldra voor. En Martialis sloeg zijn toga-tje om. Hij nam afscheid van zijne gasten. Hij ging weg naar de put, waar de Jager zat met den knaap.—Hoe gaat het met hem? vroeg hij den Jager.De Jager streelde Cecilianus steeds zacht over zijn krullen.—Niet beter, heer, geloof ik. Hoewel dezen morgen, vooral toen de heilige Man van de Christenen hem gezegd had....—.... hij beter scheen??—Ja, heer....Martialis bracht de hand aan zijn voorhoofd. Hij dacht na. En zeide toen, in zichzelven:—Ja, ik zal het vragen.... Ik zal het vragen....Hij boog zich tot Cecilianus.—Cecilianus.... Cecilianus....—Cecilianus, zei de Jager.De als verwelkende oogleden openden zich....—Cecilianus, zei Martialis. Ik ga den Keizer vragen....—Wat, heer? vroeg de knaap mat.—Of Cecilius terug mag komen.De knaap gaf een snik van geluk. Hij greep Martialis de handen.—O, Martialis!! riep hij, vergetende zijn eerbied.De dichter steeg in. De vrienden, in den tuin, wuifden hem afscheid. De zonnig blauwe namiddag begon te verpurperen naar het Westen toe en over de Sabijnsche bergen schemerde het met een violette omfloersing van ommelijnen, waartegen de laatste kudden schapen, huiswaarts geleid, bewogen als een wittige nevel....
Dedominuskwam iederen dag. Er was nu een gelaten moêheid in den knaap en hij scheen niet ongewillig. Als dedominusof Crispina hem aan spoorde op te staan, poogde hij het te doen, slaagde er in, maar in de verstikkende zomerwarmte viel hij dadelijk moê neêr op een panthervel bij den drempel en lag daar. Of zij droegen hem in het park en legden hem in het bloembespikkelde gras, tusschen de laurieren.... Uren lang lag hij daar. Hij kwijnde zichtbaar weg....
Plinius en Martialis kwamen hem dikwijls zien en Crispina toonde haar zoon en er was geen poging te verbergen, dat detweelingen hare zonen waren, hoewel noch Plinius, noch Martialis toespeling maakte.
—Hij kan hier niet blijven, edele Crispina, zei Plinius. De knaap zal hier sterven. Vergun mij hem naar mijn villa bij Laurentum te voeren....
Maar Cecilianus hoorde hem. Hij begon hevig te kreunen, te snikken, te smeeken, dat hij niet weg woû. Dat hij dicht bij zijn broêrtje woû blijven....
—Hij is niet zoo ver weg bij mij, zeide Martialis; in mijn landhuisje bij Nomentum. Maar ik ben het met mijn vriend eens. Het kind sterft hier.... Wat dunkt je,dominus? vroeg de dichter aan Lavinius Gabinius, die binnen kwam.
Er werd toe besloten. Martialis, alleen, aan het ziekbed van den knaap, bepraatte hem.... Dat hij hier geen lucht had, in die benauwde tuinen van het Palatium. Dat hij hier niet genezen zoû, dat hij hier sterven zoû vóor Cecilius terug kwam....
De dichter praatte overredend, gemoedelijk, maakte er grapjes door. En Plinius, die toen naderde, zeide:
—Cecilius, als je met Martialis meê gaat naar Nomentum om te genezen in de frissche buitenlucht, zal ik je geven wàt je me vraagt, als ik aan je verzoek kan voldoen....
Als een kind antwoordde de knaap:
—Mijn broêrtje.
—Dat is me onmogelijk, zei Plinius; vraag mij iets anders.... Verzin iets, dat je gaarne zoû hebben.
—Ik weet niet....
—Verzin iets, drong Plinius aan.
De knaap bedacht zich. En zeide toen:
—Carpoforus....
—Wil je Carpoforus nu en dan eens bij je hebben?
—Ja, zeide de knaap.
—Hij zal bij je komen, Cecilianus, beloofde Plinius.
En Cecilianus liet zich vervoeren naar het landhuisje van Martialis, de Via Nomentana langs.... Hij lag in een kleinen draagstoel, die Plinius ter beschikking gesteld had. Ginds blauwden de Sabijnsche bergen.... De diepe zomerlucht was warm maar wijd. De bergen over, voerde de bries aan.
Het huisje was klein maar geriefelijk, wingerd-omgroeid. Het waren tweecubiculaom een klein, laagtriclinium, eenatriumer voor. Het lag in een wijngaard, die beloofde weelderig te worden in herfstmaand. Er graasde een geit op een heuvelig grasveld. Het was alles omheind door een muurtje. Er stond een grijnzend Pansbeeldje, bewaker van het klein domein. Er was een moestuintje, en het slaafje van den dichter was bezig het te besproeien toen zij aan kwamen: Martialis, dedominus, beiden op muilezels en de draagstoel—door twee slaven gedragen—waarin de zieke knaap. Over de vlakte rondom weidden de herders de schapen....
—Cecilianus—Martialis voerde den knaap naar binnen; kijk, het is hier niet zoo weelderig als bij je.... ik meen als bij de edele Crispina....
—Het is hier niet zoo benauwd, glimlachte de zieke knaap, die wel merkte, dat Martialis zich bijna versproken had.
—En het is hier héel dicht bij Rome....
—Niet zoo ver als Laurentum.... zei dedominus.
Cecilianus keek om zich rond.
—Niet zóo ver, zeide hij twijfelend.
Hij legde zich te ruste, uitgeput. Op de bank voor het huis zat mistroostig dedominus, handen tusschen de knieën, hoofd op de borst. Martialis kwam naast hem zitten.
—Kom,dominus, troostte de dichter.
—Ach, edele Martialis, klaagde dedominuseindelijk uit. Wat moeilijke tijden, voor eendominus-gregis, die zomermaanden, die zich slepen en dan met mijn tweelingen....
—Joù tweelingen,dominus?
—Mijntweelingen, Martialis, die misschien beiden dood gaan! Hoe lang is Cecilius nu al bij den Keizer? Hoe lang is Cecilianus al ziek! Ik weet het niet, de weken slepen zich voort. Mijn hart is vol van zorg en verdienen doe ik niets met mijngrex.... Jawel, ik kreeg van Crispina voor iederen dag driehonderd sestertiën, maar hoe het nu zit, dat Cecilianus niet meer bij haar is, terwijl Cecilius op het Palatium is, dat weet ik niet en dat is een ingewikkelde zaak, waarover ik eens met Labienus Posthumus, mijn rechtskundigen raadsman, moet spreken. Zie je, een proces heb ik liever nièt met de groote lui, maar toch, mòcht er iets bij den Keizer met Cecilius gebeuren, dan.... Ja, edele Martialis, en dan nog die lange zomermaanden, dat wij niet spelen.... Ik verhuur mijn komedianten wel zoo veel mogelijk, maar toch.... hoe kom ik dien tijd door tot Oktober, dat we naar Karthago moeten.... Dat ik misschien naar Karthago moet, en zònder mijn jongens, mijn tweelingen, die zijn, Martialis, mijn fortuin en mijn liefde, mijn alles.... Desenexheeft me verlaten; die is Christen geworden; Clarus is weg geloopen en ik ben, om mijn verdriet, niet flink genoeg geweest hem te doen achtervolgen: ach, dat is allemaal verlies en zorg, verlies en zorg, edele Martialis, voor een armendominus-gregis....
De avond zonk, starre-bezaaid, over de velden. Dedominusvertrok op zijn muilezel, loomstaps, langs den bleeken weg verdwijnend naar Rome toe en Martialis, bij zijn lampje, zette zich aan het schrijven in zijn kamertje. Het deurtje open, zag hij Cecilianus, op zijn smal bedje, die sliep....
Dien volgenden morgen vroeg kwam er een ruiter te paard in een wolk van stof aan draven. Hij rees reuzig op zijn groot ros en Martialis, die naar zijn boonen zag in het moestuintje, herkende Carpoforus. De Jager wierp zich af en naderde, de teugels van het paard in de vuist.
—Zoo, beroemde Jager! groette de dichter; op wien ik zoo vele epigrammen schreef om je dapperheid en kracht te vereeuwigen, als op niemand anders, geloof ik! Ben je daar!
—De edele Plinius, heer....
—Juist, heeft je doen zeggen, dat Cecilianus naar zijn grooten vriend verlangt.... Daar ligt hij en slaapt....
Martialis wees het open kamertje.
De Jager bond zijn paard vast aan de heining. Hij naderde het kamertje. Juist opende de knaap de oogen.
—O lief kind! Zoete jongen! mompelde de Jager tusschen zijn bekroesde lippen. Mijn gelukaanbrenger, mijn tálisman! Hij maakte, dat ik den Numidischen Leeuw overwon en het beest den muil door midden scheurde! Ik léef nog door hem! Ik zal altijd overwinnen, zoo lang hij leeft en mij nabij blijft....
—Carpoforus! riep Cecilianus.
—Hier ben ik, zei de Jager en hij knielde neêr voor het bed. Hij was monsterlijk zwaar, rood belitteekend en gebruind de gespierbundelde armen, de vierkante knieën, die zijn leêrengladiatoren-tuniek bloot liet en in zijn kleinen, donkerruig omkroesden kop waren zijn oogen donker en goed als van een lief beest. Zijn geweldige handen, die een leeuw den muil konden open scheuren, gingen uit naar het blonde hoofd van den knaap, die hem zijn talisman was en hij omhelsde hem met den liefde-verteederden eerbied van zijn bijgeloof.
—Heb je om me gevraagd? vroeg de Jager.
—Ja, Carpoforus, zeide Cecilianus. Plinius verzocht me te vragen wat ik wilde hebben en Cecilius kon hij me niet geven. En toen heb ik maar om jou gevraagd. Hij is een machtig heer, hè, Plinius; hij kan bijna zoo veel als de Keizer. Hij zeide, dat hij zoû verzoeken aan de Viermannen, dat je naar Nomentum mocht komen....
—Heb je koorts, kind?
—Neen, ik heb lang en goed geslapen: de lucht is zoo frisch en het is hier zoo mooi en zoo wijd en ik zal opstaan en we zullen de heuvels opgaan; ik wil de heuvels opgaan, daar, daar, ginds: kan je van daar Rome zien, Carpoforus en de parken van den Palatinus en het Palatium....?
—Niet van zoo ver, mijn zoete jongen.... Maar laat ons gaan, als je wilt.
Zij gingen. Zij gingen op het groote paard, Cecilianus vóor tegen Carpoforus aan, de heuvelen op. Cecilianus keek uit naar het Westen.
—Ik zie Rome niet, zeide hij mat.... Ik zie den Palatinus niet.
—Het is te ver weg, zei de Jager. Kom, laat ons hier rusten. Laat ons afstappen, kind....
Zij stapten af. De Jager bond het paard vast aan een struik. En zij legerden zich in het gras. Het was, in den vroegen morgen, nu de zon nog zoo laag stond, nog frisch van overvloedigen dauw. Het geurde omrond naar menth en mariolein. Er gleden en glipten zwaluwen om, tegen de nog teêr zilveren blauwe lucht. Cecilianus lag met zijn hoofd tegen Carpoforus’ borst. De knaap weende.
—Wat is er, mijn jongen? vroeg de jager.
—Ik ben ziek....
—Neen, neen....
—Ik zal sterven.
—Neen....
—Ja, Carpoforus.... Ik voèl het nu.... Het is in me gescheurd.... Het doet hièr altijd pijn, in mijn hart.... Wij zijn éen, Cecilius en ik. Hij ook.... hij is ziek en hij sterft daar.... daar ver weg.... in het Palatium.... Ik zoû wel gezond willen worden maar ik voel, dat het niet kan.... Ik kan niet.... Ik ben zoo moê.... Ik ben zoo zwak.... Ik word hier duizelig, van al die lucht en dat licht....
—Neen, je bent een sterke, gezonde jongen, mijn zoete jongen, die genezen zal, die genezen moèt!
Cecilianus lag half flauw tegen den Jager aan, de oogleden als verwelkt over zijn brekende oogen. Het hijgde als benauwde een zwaar gewicht hem de borst.
—O, goddelijke Herkules! riep Carpoforus. Red hem mij!
Hij nam Cecilianus als een kind in zijn armen. Het paard, aan den struik, hinnikte zachtjes.... Van den weg, die, beneden de grazige heuvelen, zijn stoffigen slinger tusschen de helling verloor, klonk een gezang aan van naderende stemmen. Het was een zacht sereene hymne, die in den jeugdigen morgen als naderde uit het Oosten, waar de nog vochtig omfloerste zon rees. Het waren stemmen, stemmen, stemmen, die harmonieerden met den jeugdigen morgen in een vreemde belofte van nooit nog vermoede zaligheid. De Jager richtte zich hooger en keek uit, den knaap vast tegen zijn leêren tuniek, waaronder bonsde zijn hart. Hij zag over de heuvelen, aan de andere zijde des wegs, naderen een menigte. Het waren mannen en vrouwen en kinderen en dan waren het herders met hunne kudden schapen. Door het gezang der stemmen, der vele stemmen blaatten zacht de schapen der herders, die meê met de menigte waren geloopen. En het was als ééne groote kudde van menschen en dieren, die zacht zingende, zachter nog blatende, aan naderde over die heuvelen, naar den weg toe, die van de Sabijnsche bergen geleidde tot Rome toe.
De Jager keek steeds uit, terwijl hij, angstig, meende, dat Cecilianus aan zijn borst bezwijmd was. En hij zag, dat in het midden der menschenmenigte, waarom heen de blatende schapen der herders drongen, een Grijsaard liep.... Hij was lang en rank en scheen een Ziener. Hij was heel oud en zijn lange haar hing zilvergrijs om zijn bleekzachte gelaat. Hij droeg een lange, witte pij, grijs bestoven, die sleepte met den zoom door het stof. Hij had als een vrouwelijke teederheid in zijn langzaam bewegentusschen de menigte, die hem omringde. Hij scheen de Herder dier herders.... Zijn oogen waren heel groot maar heel zacht en jeugdig vrouwelijk in zijn nauwelijks gerimpeld gelaat gebleven. En zij schitterden soms vreemd, vreemd heilig, als blauwe vlammen, terwijl rondom hem de stemmen zongen, de schapen blaatten, de lammeren dringend tegen de moederen aan....
Zij naderden. Van waar kwamen zij, waar heen gingen zij? De Jager wist het niet. Hij zag ze nu af dalen den heuvel, daar over, om den weg te bereiken. Zeker gingen zij naar Rome; zeker begeleidden de herders een eind die menigte om dien ouden, witten, heiligen Man naar Rome terug. Menschen en schapen daalden den heuvel af, den weg in tusschen de heuvelen. En gingen voorbij den Jager, die daar in het gras zat, met een bezwijmden knaap aan het hart.
Ook de heilige Man daalde. Hij stond nu op den weg en de Jager zag hem zijn blauwen, vreemd heiligen vlamblik wenden naar hem. De blauwe blik van den Ziener ontmoette den bezorgden blik, dien van een lief, sterk beest, des Jagers. En hij talmde een oogenblik. Rondom hem zongen zij, blaatten zij....
—Wenscht ge, dat ik kom....? vroeg de heilige Man, zijn stem even verheffend en die stem was bijna vrouwelijk teêr en zoo klaar als van een jongeling.
—Ja, heilige Man! zei de Jager.
Toen klom Johannes den heuvel op, waarop de Jager zat. De menigte toefde op den weg en zong....
—Wat wenscht ge? vroeg Johannes.
—Misschien zijt ge wel een dokter, heilige Man, zei de Jager Carpoforus. Deze knaap is al lang heel ziek en ik woû u vragen; kunt ge hem niet genezen?
Johannes stond nu voor den Jager en keek opCecilianusneêr.
—Wat scheelt hem? vroeg de Apostel.
—Hij kwijnt weg, omdat zijn tweelingbroêrtje bij den Keizer moet blijven en hij hem mist....
De blauwe oogen werden onuitsprekelijk zacht van blik. En de oude, geaderde hand ging uit naar het voorhoofd van Cecilianus. De knaap sloeg de oogleden op en staarde als verblind in twee blauwe glanzen.
—Wie zijt ge, heer? vroeg hij, als vervoerd.
—Ik ben, zei de Apostel; een, die aan je gelijk was, mijn kind. Ik verloor mijn grooten Broêr, wiens boezemvriend ik was, al was Hij grooter dan ik. En ik kwijnde weg, tot ik niet meer kwijnde, omdat ik genas....
—Genaast ge, heer, terwijl ge tòch uw broêr, wiens boezemvriend ge waart, verloort? vroeg Cecilianus.
—Ja....
—Stierf hij, heer?
—Ja, Hij stierf....
—Is Cecilius ook dood? kreunde de knaap.
De heilige Man hield steeds zijn hand op het hoofd van den knaap.
—Vrees je daar voor, lief kind?
—Ja, heer....
De glimlach van den Apostel werd onuitsprekelijk zacht.
—Hij leeft, zeide hij.
—Léeft hij? riep Cecilianus.
—Hij leeft, herhaalde de Apostel. Hij leeft nog. Hij zal leven zoo lang je leeft. Wees niet bang en bezorgd. Mijn Broêr leeft óok al is Hij menschelijken dood gestorven in dit leven maar jou broêrtje, mijn kind, leeft zelfs nog met het sterfelijke leven, dat je lief is.... Begrijp je me, kind?
—Ja, heer.... Ik begrijp u wel. Ge spreekt héel mooie woorden, maar ik begrijp u wel, omdat ik een komediantje ben en geleerd heb woorden van dichters te begrijpen.... Ge moetwel heel mooie dingen zeggen, dat er zoo veel menschen u volgen. Ze willen zeker hooren wat ge zegt en ze zullen u ook wel moeten begrijpen, al zullen ze niet allen geleerd hebben, want ge zegt de dingen zoo heerlijk mooi: het klinkt heel zacht als met gouden klokjes al wat ge zegt. O, als ge naar Rome gaat, zoû ik u gaarne willen volgen! Ik ben nu bij Martialis en die is heel lief en goed voor mij maar ik zoû u gaarne willen volgen! Naar Rome weêr toe, naar mijn broêrtje!! O, heer, o heilige heer, zeg, mag ik u volgen?
De hand bleef steeds op het voorhoofd van den knaap.
—Kind, zeide Johannes. Volg mij niet, noch naar Rome, noch naar welk oord, waarheen de Keizer mij bant. Blijf samen, hier, met den sterken vriend. En genees eerst. En hoop op de dingen van het leven, die aan je jeugd nog dierbaar zijn. Wie nog ziek is om een verloren broeder, moet eerst—hoe het ook zij—dien broeder weder vinden en wiens jeugd de dingen van het aardsche leven nog hoopt, heeft nog den tijd te rijpen tot het hemelsche leven hem heerlijker blijkt. Wiens hart nog slaat voor Rome, diens ziel is niet gereed, o mijn zoet kind, te verlangen naar het Hemelsch Jeruzalem, waarheen wij allen opgaan. Wie nog lief heeft de Schoonheid om haar eigen wil, kan de Waarheid met mij niet te moet gaan.... Blijf. En genees. Ik zeg het je, knaap: je broêrtje.... leeft. Je zal hem terug zien.
Cecilianus, half opgerezen, was op zijn knieën neêr gevallen.
—Dank u, heilige heer, zeide hij; om de verzekering, die ge mij geeft. Ik geloof u wel! Ik geloof wel, dat Cecilius leeft....
De Apostel had een gebaar met de hand of hij den knaap en den man, het komediantje en dengladiator, zegende.
Toen ging hij, den heuvel af, den weg naar Rome op en hem volgden de menschen, zingende, en de dieren blatende.
En Cecilianus, staande naast Carpoforus, zag Fabulla: zij liep met de vrouwen mede en zij droegen takken groen.
—Fabulla! kreet Cecilianus. Fabulla! Heb je Cecilius gezien??
—Ja! riep Fabulla den knaap toe. Hij had voor den Keizer gedanst.... Hij was bezwijmd.... En werd naar zijn kamer vervoerd....
—Maar niet dood? Niet dóod?? De heilige Man verzekerde....
—Neen, niet dood! zei Fabulla. Want ik zàg hem, levend....
—Dan geloof ik het zéker, dat Cecilius leeft....!!
—.... Je moest, zei desenexnijdig—hij kwam met de mannen zingende na—liever den heiligen Johannes gelooven, die het je verzekerde omdat hij het in den geest gezien had dan Fabulla, die het maar met haar oogen zag.
—Ik zag het zèlf, in den geest! riep Cecilianus boos tot densenex. En ik gelóofde ook wel den Apostel. Hij is een lieve man, een lieve, heilige man, veel liever dan jij ooit worden zal! Jij zult niet eens begrijpen wat hij zegt: hij praat met véel te mooie, dichterlijke woorden dan dat jij hem begrijpen kunt! Maar ik begrijp hem wèl!
Desenexwilde nijdig antwoorden. Maar het scheen, dat hij zich bedacht. En hij liep den heuvel op, en zeide:
—Cecilianus, ik ga met Johannes meê, op het schip, dat hem van Ostia naar Patmos zal brengen. Ik zal je nooit meer terug zien. Vaarwel, en groet Cecilius voor me....
En hij naderde den verbaasden knaap en kuste hem op het voorhoofd. Toen verwijderde hij zich.... Allen verwijderden zich, den weg langs, en het zingen, met het blaten, verstierf.
Cecilianus keek Carpoforus aan.
—Wat deed diesenexin eens raar!? zei Cecilianus.
—Die Christenen doen zoo, zei de Jager.
Maar de knaap was heel opgewonden.
—Laat ons op stijgen! vroeg hij.
Zij stegen op. De morgen zonnigde goudener in het diepere azuur. En op het paard draafden zij de heuvelen over....
—Het is zoo heerlijk! juichte Cecilianus. Zoo tegen je aan, samen op éen paard, over de heuvels, op en neêr, op en neêr!! Het is net of we den hemel in gaan!!
De Jager spoorde het paard met de hielen. Hun vlucht teekende zich af tegen de lucht als die van een ruigen Centaur, die een blonden knaap schaakte, voor zich aan zijn borst....
—Ben je nu moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen hij zag, dat de knaap de oogen sloot.
Hij keerde langzaam om, terug. Over de heuvelen reed hij langzaam terug. Het ging naar het midden des dags.... Zij spraken niet meer en Cecilianus had een vreemden blik, telkens als hij de oogen opende.... Dan sloot hij ze weêr.
Toen zij terug waren, vonden zij den dichter tusschen zijne vrienden. In twee draagstoelen waren zij gekomen: Verginius Rufus met Frontinus en Juvenalis; Plinius met Quintilianus, Tacitus en Suetonius. Hij ontving ze juist bij den ingang van het tuintje, waar de Priapus de wacht hield, met zijn grijnslach en het naïef strevende gebaar van zijnfallus.
De Jager en de knaap stegen af. En Plinius ging Cecilianus te gemoet.
—Hoe gaat het, mijn jongen?
—Goed, edele heer, met uw verlof! zei Cecilianus en kuste zijn beschermer den zoom van zijn toga. Ik heb met Carpoforus door de heuvels gereden en wij hebben den heiligen Man van de Christenen ontmoet....
—Aanliggen, vrienden, aanliggen! noodde joviaal Martialis en klapte in de handen.
Zij lagen aan. In hettricliniumwas plaats voor zeven, ja, ook wel voor acht. Er diende het slaafje en uit de keuken bracht Marcella de spijzen op.
—Het gaat maar zoo als het gaat! verontschuldigde zich Martialis. Dit tafellaken is gebleekt op de velden. Deze Nomentaneris van mijn eigen wingerd maar jaren ligt hij reeds in den kelder. En hier, mijne gasten, is de voorspijs.... Verginius Rufus, gij, die tweemaal het keizerpurper weigerdet maar niet weigerdet aan te liggen bij een armen dichter, vergun mij u te zeggen mijn dankbaren trots en bedien u, gij het eerst, van deze gerechten.
En Marcella, de jonge vrouw—zij gedroeg zich zeer voegzaam, Martialis’ vriendin, tusschen deze voorname gasten—diende malve, latuwe en prei en menth op. Paling volgde met sneedjes harde eieren.... Tusschen de festoenen groen, die hingen langs de vier gepleisterde pilaren en door welke velden en verre bergen een landelijk vergezicht verzichtbaarden, zagen de gasten dengladiatoren het komediantje: zij zaten op de trede van de put en praatten als goede vrienden glimlachend met elkaâr.
—Het is vreemd, zeide Plinius; en het heeft me getroffen wat dat ventje me zoo even zeide.... Dat hij den „heiligen man van de Christenen” had ontmoet.... Hoe zich dat bijgeloof al meer en meer uitbreidt, naar het schijnt. Wie is die „heilige man van de Christenen”?
—Dat is vermoedelijk, zeide Verginius Rufus; die zekere Johannes; de Keizer heeft in der tijd bevolen, dat hij in de kokende olie gedompeld werd.
—Gebeurde dat? vroeg Suetonius.
—Ik weet het niet, antwoordde de grijsaard.
—Ik herinner het mij, zei Juvenalis; men sprak toen van een wonder; die Johannes kwam ongedeerd uit de olie en vele volgelingen vloeiden hem toe.
—Zeer zeker zijn die Christenen, zeide Tacitus; een verwerpelijke sekte; zij moesten gestraft worden, zoo als ook dikwijls gebeurd is, maar toch, wat Nero bevolen heeft: ze met pik te bestrijken en ze vast te binden aan palen om ze als brandende fakkels in zijn tuinen te laten omkomen, wekt wel mijn medelijden op.
—Waarom ze niet te zenden alslegionariïin deauxilia-troepen naar Mœzië of Pannonië, meende Frontinus.
—Ik beken, zei Plinius; dat ik niet weten zoû hoe met ze te handelen als ik over ze te oordeelen had. Wat ik van hen weet, is, dat zij zich verzamelen en hun Christus aanbidden met goddelijke eer....
—Hij werd onder Tiberius gekruisigd, meende Tacitus. Hij had zich opgeworpen als koning van Nazareth. Een oproermaker....
—Een dweper daarbij, zei Plinius. Vooral een dweper, geloof ik, een dweper vooral. Maar onschadelijk, geloof ik wel, dat die dweperij is. Dat zal uitsterven, daar ben ik van overtuigd. Wat kan een sekte, wier grootste ceremonie is een eenvoudig avondmaal te gebruiken met enkel brood en water.
—Dan hoop ik, ten minste, zei Martialis; dat aan dit eenvoudige middagmaal u dit geitebokje beter smaken moge, en de kooltjes er om heen, geëerde vrienden, zijn heel lang gestoofd inlaserpicium, naar het recept van den Egyptischen waard uit.... de Suburra! Verontschuldigt ge mij dat? Ik at ze er eens, bij dien Nilus—de komedianten weten er van meê te praten en ik vond ze, ten minste dáar, heerlijk en Marcella bereidde ze als Nilus’ moeder het haar leerde. Suetonius, ge zijt te jong om zoo matig te zijn. Weet wel, dat ge niets meer krijgt hierna dan de beroemde ham, dien ge reeds tweemaal zaagt voor gezet! Maar zoû onze Cecilianus—hij ziet er reeds werkelijk beter uit!—ons niet iets kunnen zingen of dansen? Cecilianus!!
De dichter riep naar den jongen. Hij naderde:
—Wat wenscht ge, Martialis?
—Je wangen blozen al, jongen, van de buitenlucht....
—Men zegt, fluisterde Quintilianus tot Plinius; dat mijn twee vorstelijke leerlingen, de achterneven van Domitianus, Christelijke neigingen hebben....
—Dat hoorde ik reeds, zei Plinius.
—En Fabulla dan? zei Juvenalis.
—Cecilianus, ging Martialis door; kom, je moest ons wat zingen en dansen. Wat zal het zijn?
De jongen glimlachte, verlegen en moê.
—Kom, kom, anders genoeg stoutmoedigecomœdusvan de hoogerepalliata! schertste Martialis. Waarom zoo beschroomd? Je bent meestal voor geen kleintje vervaard. Zeg ons eens, met een enkel gebaar vansaltatioer bij, eeneclogavan Vergilius: zijn tweede Herderskout op den schoonen Alexis, bij voorbeeld.
De andere gasten moedigen het komediantje aan.
Hij kènde, ja zeker, zijn Vergilius; hij kende het beroemde gedicht. En hij begon te zeggen de smachting van Korydon, die zoo vurig naar zijn Alexis verlangt....
Maar plotseling barstte hij in snikken uit....
—Wat is er, mijn jongen! riep Martialis en stond op, terwijl de gasten meêlijdende mede riepen. Deed ik geen goede keuze! Dom, dom ben ik, Cecilianus, juist te kiezen die tweedeecloga!
—Ik kàn niet, heer.... snikte Cecilianus.
—Je hoeft niet, je hoèft niet, jongen! riepen Verginius Rufus en Plinius, de anderen.
—Ik kan niet, snikte Cecilianus; zonder mijn broêrtje!
—Naar wien je, wenkte hem Martialis tot zich; verlangt bijna als Korydon naar Alexis! Kom kind, zit hier neêr, als de hooge gasten vergunnen....
—Dank u, heer, weigerde Cecilianus weenende; ik mag niet met u mede aan zitten....
—Neem dan van deze pastei, neem van dit geconfijte ooft en hier, neem dezen grooten beker vol Nomentaner, die uit mijn druiven geperst werd tijdens het tweede Consulaat van den edelen Frontinus! Jàren her, hoor, niet waar, Frontinus?
Marcella hielp den knaap met de lekkernijen en bracht ze bij den put, waar Carpoforus wachtte.
—De arme jongen, zei Marcella.
Cecilianus was weenende weder op de put-treê gaan zitten en de Jager koesterde hem tegen zich aan.
—Je hebt niet „Alexis”, plaagde Marcella, wel als dichter-vriendin op de hoogte van Vergilius; maar je hebt toch Carpoforus!
—Ik tèl niet, niet waar? vroeg de Jager schertsend en deed den knaap drinken.
Cecilianus dronk even, weerde toen af. En lag, plotseling uitgeput, geloken-oogen, tegen zijn vriend aan. Het was of hij een oogenblik door de zilveren morgenlucht, den rit op het ros tegen Carpoforus’ borst, het woord van den heiligen Ziener der Christenen, was òpgeleefd; de herinnering aan zijn kunst had hem nu zijn gemis weêr heftiger verlevendigd en hij lag als ziek, terwijl de breede, dierentemmende hand van den Jager over zijn krullen streek met een gebaar zoo teeder, dat daar ginds de gasten er om ontroerden.
—Wat heb ik gedáan! verweet Martialis zich. Wie kon ook denken, dat die jongen werkelijk zoo ziek is!
—Hij stèrft, zei Verginius Rufus; als het langer duurt....
—Hij is jòng, meende Juvenalis.
—Hij is jòng en een gezond, sterk ventje, als zijn broêrtje is, zei Frontinus; maar die knapen zijn éen omdat ze tweelingen zijn en altijd samen geweest zijn. Verginius Rufus, of gij Plinius, moest aan Crispinus vragen....
—Ik? zei Plinius. Het zoû een reden zijn voor den Keizer Cecilius nog langer te houden.
—Hij danst zelfs niet meer voor den Keizer, hoorde ik, zei Martialis. Hij is óok ziek. En Crispinus....
Hij vertelde van het contract, dat Crispina geteekend had. Hijvertelde van de tweehonderd-vijftigduizend sestertiën, die Crispina zoû te betalen hebben aan dendominus, als....
—Een moederlijke gril, zei Tacitus.
—Wat een afschuwelijk Hof! zei Juvenalis.
—Onze tijden kòmen misschien, fluisterde Tacitus.
—Vooral als we bedenken.... zei Frontinus.
Zij bogen voorover, fluisterden.... Die terechtstellingen, telkens plotseling, onverwachts, van Consulaire persoonlijkheden, die niets dan eere verdienden.... Die tyrannieke dòmheden, als die verbanning van de wijsgeeren geweest was.... Die krankzinnige decreten, ingegeven door vervolgingswaanzin....
—Benikveilig? vroeg ironiesch Verginius Rufus; al ben ik meer dan tachtig jaren oud? Al heb ik twee malen geweigerd Keizer te zijn!
—Benikhet? vroeg Plinius.
En zij dachten allen het zelfde: dat hun vriend te rijk was om veilig te zijn.
—Een gril van hem kan mij ook treffen, zei Quintilianus.
—Ons allen! fluisterden zij.
—Aan het Hof schijnt te broeien.... fluisterde Frontinus.
—Een samenzwering?? vroegen zij, zich buigende.
Frontinus knikte.
—De Keizerin, fluisterde hij, met de lippen, nauwelijks hoorbaar. Past op....—en hij keek even schuin naar den Jager.
—Een spion? vroeg Suetonius.
—Neen, zei Frontinus; een brave kerel, de groote, sterke vriend van dien knaap daar. Maar de geliefkoosdegladiator,bestiariusenlanistavan den Keizer. Zij haten hem niet, degladiatoren....
—Hij wist hoe ze aan zich te hechten, zei Martialis; hij stond ze, in de arena, dikwijls beiden na een tweekamp het leven toe.En gaf ze derudisdaarna, hun afscheidsstaf en eerbewijs.... Ze houden allen van hem....
—De Prætorianen zijn verdeeld, fluisterde Frontinus.
—Dus? vroegen Tacitus en Juvenalis, begeerig.
Frontinus schetste een gebaar van niet weten. Marcella diende de geconfijte vruchten rond.
—De tijden, zeide Martialis, een weinig somber; zijn niet geschikt tot gezellig tafelen. Vergeeft mij, mijn vrienden. De prei was te bitter, de eieren te hard, de paling te zacht; het geitebokje een geitebok, vader van twintig bokjes en de kooltjes waren bij Nilus veel meer doorgeurd vanlaserpicium. Marcella, je hebt ze te lang gestoofd! En die Nomentaner wàs niet de amfoor, die ik klaar had gezet en dagteekent niet van Frontinus’ tweede Consulaat. En dat kind daar, heb ik nog zièker gemaakt door hem te vragen juist Vergilius’ tweedeeclogate willen zeggen.... Vrienden, vrienden, vergeeft mij en laat ons alleen hopen, dat deze dag gunstiger verloope dan hij verliep boven de allertreurigste oventjes van uw vriend Martialis. Dit is alleen éen goed ding: de ham is op en een nieuwe kan worden op het Velabrum aangekocht. En dan: hópen moet men altijd en misschien brengt de naaste minuut ons allergunstigste tijding....
Er klonk paardengedraaf over den weg. De gasten schrikten op. Alleen, bij de put, waar Carpoforus en Cecilianus zaten, bleef de knaap, oogen-geloken, liggen. Maar de Jager riep naar binnen:
—Edele Martialis! Een boodschapper van het Palatium!
Aan den disch stonden zij, allen, in éen ruk op. De vreeslijke verwachting was nóoit uit hun geest.
Bij Priapus, die waakte aan de tuindeur, was de wit bestofte boodschapper afgestegen. Martialis ging hem te gemoet.
—Wat wenscht de Keizer? vroeg de dichter, bleek.
—Dat Marcus Valerius Martialis onverwijld ten Hove verschijne.
—Hij gehoorzaamt, zei de dichter. Marcella, bied verfrissching den boodschapper.
Martialis kwam glimlachend bij zijn gasten terug.
—Het is weêr niet anders dan wat het reeds was! schertste hij en vol ontroering omhelsde hij Plinius. Maar.... zijn stem werd heel ernstig en hij fluisterde aan Plinius’ oor.
—Vlùcht, vriend, eer het te laat is. Wij vreezen te veel voor u!
—Ja, drongen zij allen.
—Waarheen? lachte Plinius. Waarom? Zoo lang hij heerscht, zal hij mij in zijn rijk weten te vinden. En zoo het moèt, welnu, welnu vrienden, dan moèt het. Neen,Martialis, ik vlucht niet. En—vreemd is het—een gevoel heb ik, dat ik lànger zal leven dan hij.... Maar ga, beste Martialis en neem mijn draagstoel. Marcella, waarschuw mijn dragers....
Achter het huisje waren de draagstoelen opgesteld en had Marcella met spijs en drank de dragers verzorgd. Plinius’ stoel kwam weldra voor. En Martialis sloeg zijn toga-tje om. Hij nam afscheid van zijne gasten. Hij ging weg naar de put, waar de Jager zat met den knaap.
—Hoe gaat het met hem? vroeg hij den Jager.
De Jager streelde Cecilianus steeds zacht over zijn krullen.
—Niet beter, heer, geloof ik. Hoewel dezen morgen, vooral toen de heilige Man van de Christenen hem gezegd had....
—.... hij beter scheen??
—Ja, heer....
Martialis bracht de hand aan zijn voorhoofd. Hij dacht na. En zeide toen, in zichzelven:
—Ja, ik zal het vragen.... Ik zal het vragen....
Hij boog zich tot Cecilianus.
—Cecilianus.... Cecilianus....
—Cecilianus, zei de Jager.
De als verwelkende oogleden openden zich....
—Cecilianus, zei Martialis. Ik ga den Keizer vragen....
—Wat, heer? vroeg de knaap mat.
—Of Cecilius terug mag komen.
De knaap gaf een snik van geluk. Hij greep Martialis de handen.
—O, Martialis!! riep hij, vergetende zijn eerbied.
De dichter steeg in. De vrienden, in den tuin, wuifden hem afscheid. De zonnig blauwe namiddag begon te verpurperen naar het Westen toe en over de Sabijnsche bergen schemerde het met een violette omfloersing van ommelijnen, waartegen de laatste kudden schapen, huiswaarts geleid, bewogen als een wittige nevel....