II.De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om ’t land zijner vaderen gelukkig te maken.En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.En gedurig herhaalde hij in zich zelven:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?Uilenspiegel klopte op Lamme’s buik en zei:—Houd uwen adem in, dikzak.—Laas, antwoordde Lamme, ’t is lastig voor iemand, die zoo dik is.Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:Uw vriend en vrijer zag ik welOp een kar van ’t oud model,Met een papzak voor gezel,Zag ik hem wel!—Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.—Nele, herkent gij mij? riep hij.Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:—Ik zie u, leelijke deugniet!—Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.—Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?Ja, antwoordde Uilenspiegel.Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:—Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:—Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is ’t uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.—Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.’t Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.—Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.De heldere zon drukte loodzwaar op Nele’s hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:—Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?—Ja, zei Lamme.—Herkent gij ze niet?—Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.—Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.—En als zij het niet was?—Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.Uilenspiegel vroeg tot Nele:—Waarom komt ge niet bij mij?Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:—Waar gingt ge heen, liefste?Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:—Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan ’t uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?Zij wilde opstaan.Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in ’t goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; ’t is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.—Mooispreker! zegde zij.De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
II.De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om ’t land zijner vaderen gelukkig te maken.En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.En gedurig herhaalde hij in zich zelven:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?Uilenspiegel klopte op Lamme’s buik en zei:—Houd uwen adem in, dikzak.—Laas, antwoordde Lamme, ’t is lastig voor iemand, die zoo dik is.Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:Uw vriend en vrijer zag ik welOp een kar van ’t oud model,Met een papzak voor gezel,Zag ik hem wel!—Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.—Nele, herkent gij mij? riep hij.Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:—Ik zie u, leelijke deugniet!—Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.—Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?Ja, antwoordde Uilenspiegel.Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:—Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:—Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is ’t uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.—Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.’t Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.—Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.De heldere zon drukte loodzwaar op Nele’s hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:—Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?—Ja, zei Lamme.—Herkent gij ze niet?—Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.—Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.—En als zij het niet was?—Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.Uilenspiegel vroeg tot Nele:—Waarom komt ge niet bij mij?Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:—Waar gingt ge heen, liefste?Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:—Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan ’t uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?Zij wilde opstaan.Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in ’t goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; ’t is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.—Mooispreker! zegde zij.De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
II.De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om ’t land zijner vaderen gelukkig te maken.En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.En gedurig herhaalde hij in zich zelven:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?Uilenspiegel klopte op Lamme’s buik en zei:—Houd uwen adem in, dikzak.—Laas, antwoordde Lamme, ’t is lastig voor iemand, die zoo dik is.Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:Uw vriend en vrijer zag ik welOp een kar van ’t oud model,Met een papzak voor gezel,Zag ik hem wel!—Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.—Nele, herkent gij mij? riep hij.Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:—Ik zie u, leelijke deugniet!—Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.—Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?Ja, antwoordde Uilenspiegel.Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:—Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:—Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is ’t uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.—Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.’t Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.—Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.De heldere zon drukte loodzwaar op Nele’s hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:—Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?—Ja, zei Lamme.—Herkent gij ze niet?—Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.—Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.—En als zij het niet was?—Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.Uilenspiegel vroeg tot Nele:—Waarom komt ge niet bij mij?Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:—Waar gingt ge heen, liefste?Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:—Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan ’t uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?Zij wilde opstaan.Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in ’t goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; ’t is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.—Mooispreker! zegde zij.De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
II.
De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om ’t land zijner vaderen gelukkig te maken.En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.En gedurig herhaalde hij in zich zelven:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?Uilenspiegel klopte op Lamme’s buik en zei:—Houd uwen adem in, dikzak.—Laas, antwoordde Lamme, ’t is lastig voor iemand, die zoo dik is.Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:Uw vriend en vrijer zag ik welOp een kar van ’t oud model,Met een papzak voor gezel,Zag ik hem wel!—Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.—Nele, herkent gij mij? riep hij.Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:—Ik zie u, leelijke deugniet!—Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.—Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?Ja, antwoordde Uilenspiegel.Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:—Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:—Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is ’t uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.—Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.’t Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.—Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.De heldere zon drukte loodzwaar op Nele’s hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:—Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?—Ja, zei Lamme.—Herkent gij ze niet?—Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.—Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.—En als zij het niet was?—Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.Uilenspiegel vroeg tot Nele:—Waarom komt ge niet bij mij?Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:—Waar gingt ge heen, liefste?Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:—Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan ’t uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?Zij wilde opstaan.Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in ’t goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; ’t is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.—Mooispreker! zegde zij.De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om ’t land zijner vaderen gelukkig te maken.
En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel bediedden.
Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was, dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.
En gedurig herhaalde hij in zich zelven:
Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.
Raakt het Noorden
Kussend het Westen
Rampspoed is uit.
Vind de Zeven
En den Gordel.
—Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?
De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme, die zong:
Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?
Gij, die voorbij trekt, zaagt ge welMijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?Hij zwerft nu hierent en darent.Zaagt ge hem wel?
Gij, die voorbij trekt, zaagt ge wel
Mijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?
Hij zwerft nu hierent en darent.
Zaagt ge hem wel?
Gelijk op een lam een arent,Viel hij op een hartken fel.Baardloos, een man als niemendel.Zaagt ge hem wel?
Gelijk op een lam een arent,
Viel hij op een hartken fel.
Baardloos, een man als niemendel.
Zaagt ge hem wel?
Ontmoet gij hem, zeg dat NeleVermoeid is van te gaan zoo snel.Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:Zaagt ge hem wel?
Ontmoet gij hem, zeg dat Nele
Vermoeid is van te gaan zoo snel.
Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:
Zaagt ge hem wel?
Een tortel in den abeeleTreurt om haar verloren gezel.Alzoo menig trouwe gespele.Zaagt ge hem wel?
Een tortel in den abeele
Treurt om haar verloren gezel.
Alzoo menig trouwe gespele.
Zaagt ge hem wel?
Uilenspiegel klopte op Lamme’s buik en zei:
—Houd uwen adem in, dikzak.
—Laas, antwoordde Lamme, ’t is lastig voor iemand, die zoo dik is.
Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:
Uw vriend en vrijer zag ik welOp een kar van ’t oud model,Met een papzak voor gezel,Zag ik hem wel!
Uw vriend en vrijer zag ik wel
Op een kar van ’t oud model,
Met een papzak voor gezel,
Zag ik hem wel!
—Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.
Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een gat van de huif.
—Nele, herkent gij mij? riep hij.
Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:
—Ik zie u, leelijke deugniet!
—Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is zwaar en knoestig.
—Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?
Ja, antwoordde Uilenspiegel.
Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:
—Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.
Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:
—Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is ’t uit verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.
—Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.
’t Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.
—Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.
De heldere zon drukte loodzwaar op Nele’s hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei hij tot Lamme:
—Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?
—Ja, zei Lamme.
—Herkent gij ze niet?
—Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als een poorteresse.
—Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.
—En als zij het niet was?
—Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.
Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in de meersch.
Uilenspiegel vroeg tot Nele:
—Waarom komt ge niet bij mij?
Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten; hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:
—Waar gingt ge heen, liefste?
Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:
—Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier, maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert ginder aan ’t uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele, ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?
Zij wilde opstaan.
Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons schijnt en u teenenmale in ’t goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne; ’t is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.
—Mooispreker! zegde zij.
De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.