LIX.Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troepSmadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne—Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat deSmadelijke Broederstot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:—’t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer danduizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.—Amen, zegden de anderen.Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij deSmadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden ’t gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:—’t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel’s tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden deSmadelijke Broederstot Uilenspiegel:—Laat ons opkramen en ’t gelag betalen.Uilenspiegel antwoordde:—Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?—Neen, spraken zij.—En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar ’t water van de grachten die vol echelen steken?—Neen, spraken zij.—Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:—Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.—Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:—Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.—Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak deSmadelijke Broeder.—Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:—Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.Als deSmadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:—Zou hij weg zijn? Wie zal dan ’t gelag betalen?De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.Toen voer hij heftig uit tegen deSmadelijke Broeders.—Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.En zij hadden in ’t gelijk maar ééne hooze.Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.
LIX.Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troepSmadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne—Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat deSmadelijke Broederstot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:—’t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer danduizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.—Amen, zegden de anderen.Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij deSmadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden ’t gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:—’t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel’s tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden deSmadelijke Broederstot Uilenspiegel:—Laat ons opkramen en ’t gelag betalen.Uilenspiegel antwoordde:—Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?—Neen, spraken zij.—En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar ’t water van de grachten die vol echelen steken?—Neen, spraken zij.—Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:—Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.—Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:—Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.—Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak deSmadelijke Broeder.—Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:—Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.Als deSmadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:—Zou hij weg zijn? Wie zal dan ’t gelag betalen?De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.Toen voer hij heftig uit tegen deSmadelijke Broeders.—Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.En zij hadden in ’t gelijk maar ééne hooze.Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.
LIX.Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troepSmadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne—Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat deSmadelijke Broederstot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:—’t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer danduizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.—Amen, zegden de anderen.Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij deSmadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden ’t gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:—’t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel’s tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden deSmadelijke Broederstot Uilenspiegel:—Laat ons opkramen en ’t gelag betalen.Uilenspiegel antwoordde:—Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?—Neen, spraken zij.—En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar ’t water van de grachten die vol echelen steken?—Neen, spraken zij.—Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:—Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.—Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:—Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.—Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak deSmadelijke Broeder.—Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:—Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.Als deSmadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:—Zou hij weg zijn? Wie zal dan ’t gelag betalen?De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.Toen voer hij heftig uit tegen deSmadelijke Broeders.—Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.En zij hadden in ’t gelijk maar ééne hooze.Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.
LIX.
Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troepSmadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne—Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat deSmadelijke Broederstot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:—’t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer danduizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.—Amen, zegden de anderen.Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij deSmadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden ’t gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:—’t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel’s tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden deSmadelijke Broederstot Uilenspiegel:—Laat ons opkramen en ’t gelag betalen.Uilenspiegel antwoordde:—Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?—Neen, spraken zij.—En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar ’t water van de grachten die vol echelen steken?—Neen, spraken zij.—Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:—Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.—Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:—Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.—Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak deSmadelijke Broeder.—Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:—Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.Als deSmadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:—Zou hij weg zijn? Wie zal dan ’t gelag betalen?De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.Toen voer hij heftig uit tegen deSmadelijke Broeders.—Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.En zij hadden in ’t gelijk maar ééne hooze.Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.
Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.
Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en ontmoette daar een troepSmadelijke Broeders, lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.
Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne—Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.
Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat deSmadelijke Broederstot elkaar knipoogden en heimelijk lachten, terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:
—’t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer danduizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.
—Amen, zegden de anderen.
Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder, bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer bij deSmadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken hem in en betaalden ’t gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.
De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:
—’t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.
Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel’s tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen nacht geduurd had, zeiden deSmadelijke Broederstot Uilenspiegel:
—Laat ons opkramen en ’t gelag betalen.
Uilenspiegel antwoordde:
—Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?
—Neen, spraken zij.
—En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen of naar ’t water van de grachten die vol echelen steken?
—Neen, spraken zij.
—Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.
En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.
Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:
—Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.
—Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.
En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed moest afnemen, zeggende:
—Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.
—Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak deSmadelijke Broeder.
—Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.
En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:
—Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.
Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.
Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Emden.
Als deSmadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij tot elkander:
—Zou hij weg zijn? Wie zal dan ’t gelag betalen?
De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.
Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.
Toen voer hij heftig uit tegen deSmadelijke Broeders.
—Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.
En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.
En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.
En zij hadden in ’t gelijk maar ééne hooze.
Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en op den rommelpot spelend.