LVI.Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme’s lamlendigheid.Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerneden Blauwen Torenverbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; ’t was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche inden Blauwen Torenzat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan ’t drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:—’t Is zonde Gods van zoo te drinken!Klaas antwoordde:—Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En ’k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?Allen riepen:—Hoeveel vraagt gij er voor?—Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch ’t was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.—Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.—Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.
LVI.Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme’s lamlendigheid.Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerneden Blauwen Torenverbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; ’t was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche inden Blauwen Torenzat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan ’t drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:—’t Is zonde Gods van zoo te drinken!Klaas antwoordde:—Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En ’k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?Allen riepen:—Hoeveel vraagt gij er voor?—Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch ’t was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.—Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.—Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.
LVI.Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme’s lamlendigheid.Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerneden Blauwen Torenverbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; ’t was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche inden Blauwen Torenzat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan ’t drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:—’t Is zonde Gods van zoo te drinken!Klaas antwoordde:—Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En ’k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?Allen riepen:—Hoeveel vraagt gij er voor?—Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch ’t was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.—Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.—Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.
LVI.
Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme’s lamlendigheid.Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerneden Blauwen Torenverbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; ’t was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche inden Blauwen Torenzat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan ’t drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:—’t Is zonde Gods van zoo te drinken!Klaas antwoordde:—Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En ’k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?Allen riepen:—Hoeveel vraagt gij er voor?—Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch ’t was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.—Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.—Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.
Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme’s lamlendigheid.
Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerneden Blauwen Torenverbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; ’t was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.
Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche inden Blauwen Torenzat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan ’t drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:
—’t Is zonde Gods van zoo te drinken!
Klaas antwoordde:
—Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En ’k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?
Allen riepen:
—Hoeveel vraagt gij er voor?
—Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.
En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch ’t was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.
Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.
—Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.
—Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.
Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.
Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.