LXI.Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:—Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?—Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!—Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan ’t zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.—’t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.—Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.Soetkin lachte en zei:—Van waar, liefste, die boosheid?Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:—Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?—Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is ’t waar, liefste, hebt gij er zin in?—Geloof er niets van, sprak Nele.—Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:—Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?—Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
LXI.Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:—Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?—Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!—Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan ’t zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.—’t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.—Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.Soetkin lachte en zei:—Van waar, liefste, die boosheid?Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:—Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?—Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is ’t waar, liefste, hebt gij er zin in?—Geloof er niets van, sprak Nele.—Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:—Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?—Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
LXI.Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:—Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?—Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!—Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan ’t zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.—’t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.—Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.Soetkin lachte en zei:—Van waar, liefste, die boosheid?Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:—Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?—Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is ’t waar, liefste, hebt gij er zin in?—Geloof er niets van, sprak Nele.—Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:—Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?—Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
LXI.
Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:—Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?—Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!—Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan ’t zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.—’t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.—Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.Soetkin lachte en zei:—Van waar, liefste, die boosheid?Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:—Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?—Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is ’t waar, liefste, hebt gij er zin in?—Geloof er niets van, sprak Nele.—Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:—Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?—Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar de straat. En Soetkin sprak tot Nele:
—Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?
—Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer terug.
Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!
—Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van hier, een huis, rijker dan ’t zijne, waar hij zeker door een schoone dame getroeteld wordt.
—’t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien ortolanen.
—Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn de slokker.
Soetkin lachte en zei:
—Van waar, liefste, die boosheid?
Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:
—Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?
—Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een woord over sprak. Is ’t waar, liefste, hebt gij er zin in?
—Geloof er niets van, sprak Nele.
—Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en een nietdeug.
Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:
—Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?
—Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.