LXXI.In Katelijne’s hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:—Mijn man! mijn arme man!Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:—Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:Maak open: mijne ziel wil er uit!En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.—Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.—De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.Toen zong hij:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee....Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: „Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen”, noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:—Mijn man! mijne arme man!Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
LXXI.In Katelijne’s hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:—Mijn man! mijn arme man!Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:—Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:Maak open: mijne ziel wil er uit!En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.—Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.—De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.Toen zong hij:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee....Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: „Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen”, noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:—Mijn man! mijne arme man!Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
LXXI.In Katelijne’s hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:—Mijn man! mijn arme man!Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:—Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:Maak open: mijne ziel wil er uit!En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.—Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.—De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.Toen zong hij:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee....Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: „Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen”, noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:—Mijn man! mijne arme man!Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
LXXI.
In Katelijne’s hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:—Mijn man! mijn arme man!Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:—Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:Maak open: mijne ziel wil er uit!En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.—Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.—De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.Toen zong hij:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee....Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: „Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen”, noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:—Mijn man! mijne arme man!Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
In Katelijne’s hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:
—Mijn man! mijn arme man!
Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:
—Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.
En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:
Maak open: mijne ziel wil er uit!
En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.
De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.
Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.
—Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.
Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.
—De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?
Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.
Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.
De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.
De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.
Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.
Toen zong hij:
Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee....
Komt in ’t blauw heer Maneschijn
’s Avonds bij vrouw Zee....
Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:
Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.
Komt in ’t blauw heer Maneschijn’s Avonds bij vrouw Zee,Vrouwe Zee dan biedt hem aanHeet haar grooten roemer wijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.
Komt in ’t blauw heer Maneschijn
’s Avonds bij vrouw Zee,
Vrouwe Zee dan biedt hem aan
Heet haar grooten roemer wijn,
Komt in ’t blauw heer Maneschijn.
Met hem zal ze aan tafel gaan,Om zijn hals haar armen slaan,En is ’t rijke maal gedaan,In haar bed hem liggen gaan,Komt in ’t blauw de heere Maan.
Met hem zal ze aan tafel gaan,
Om zijn hals haar armen slaan,
En is ’t rijke maal gedaan,
In haar bed hem liggen gaan,
Komt in ’t blauw de heere Maan.
Dien’ me zoo mijn lievekijn,Lekker eten, heeten wijn,Dien’ me zoo mijn lievekijn,Komt in ’t blauw heer Maneschijn.
Dien’ me zoo mijn lievekijn,
Lekker eten, heeten wijn,
Dien’ me zoo mijn lievekijn,
Komt in ’t blauw heer Maneschijn.
Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: „Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen”, noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.
Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:
—Mijn man! mijne arme man!
Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.