LXXIV.

LXXIV.Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne’s huis en sloten hen op.Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:—Maakt open: de ziel wil er uit!Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van ’t schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van ’t baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:—Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God nietaanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:—De rook!De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. ’t Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:—Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,—en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: ’t was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. ’t Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:—Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.—Verworg hem, riepen zij.En zij smeten steenen naar den provoost.—De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.—Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?En de doodklok klepte.Soetkinhoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:—Soetkin! Thijl!En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.En uit Katelijne’s woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: „De ziel wil er uit”.Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.En de doodklep klepte.

LXXIV.Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne’s huis en sloten hen op.Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:—Maakt open: de ziel wil er uit!Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van ’t schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van ’t baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:—Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God nietaanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:—De rook!De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. ’t Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:—Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,—en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: ’t was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. ’t Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:—Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.—Verworg hem, riepen zij.En zij smeten steenen naar den provoost.—De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.—Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?En de doodklok klepte.Soetkinhoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:—Soetkin! Thijl!En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.En uit Katelijne’s woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: „De ziel wil er uit”.Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.En de doodklep klepte.

LXXIV.Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne’s huis en sloten hen op.Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:—Maakt open: de ziel wil er uit!Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van ’t schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van ’t baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:—Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God nietaanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:—De rook!De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. ’t Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:—Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,—en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: ’t was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. ’t Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:—Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.—Verworg hem, riepen zij.En zij smeten steenen naar den provoost.—De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.—Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?En de doodklok klepte.Soetkinhoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:—Soetkin! Thijl!En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.En uit Katelijne’s woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: „De ziel wil er uit”.Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.En de doodklep klepte.

LXXIV.

Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne’s huis en sloten hen op.Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:—Maakt open: de ziel wil er uit!Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van ’t schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van ’t baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:—Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God nietaanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:—De rook!De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. ’t Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:—Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,—en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: ’t was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. ’t Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:—Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.—Verworg hem, riepen zij.En zij smeten steenen naar den provoost.—De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.—Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?En de doodklok klepte.Soetkinhoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:—Soetkin! Thijl!En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.En uit Katelijne’s woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: „De ziel wil er uit”.Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.En de doodklep klepte.

Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne’s huis en sloten hen op.

Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.

Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:

—Maakt open: de ziel wil er uit!

Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van ’t schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.

Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van ’t baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.

Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.

Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.

De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.

Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:

—Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.

Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God nietaanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.

Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:

—De rook!

De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. ’t Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.

Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:—Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,—en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.

Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.

Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: ’t was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.

Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. ’t Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:

—Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!

De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.

—Verworg hem, riepen zij.

En zij smeten steenen naar den provoost.

—De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.

Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.

—Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?

En de doodklok klepte.

Soetkinhoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:

—Soetkin! Thijl!

En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.

En uit Katelijne’s woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: „De ziel wil er uit”.

Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.

En de doodklep klepte.


Back to IndexNext