LXXIX.

LXXIX.In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:„Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.—Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,—Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?—Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komtgij, wat doet gij op de wereld?—Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.—Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?—Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.De engel sloeg den keizer de krone van ’t hoofd:—Christus alleen is keizer, sprak hij.Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want ’k heb honger van die lange luchtvaart?—Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.Als hij gedaan had, vroeg Christus:—Komt gij met zuivere ziele naar ’t oordeel?—Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.—En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.—Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.—Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.—Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhoudingvan de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.—Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.—En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.Doch de engel stond recht en sprak:—Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.Maria sprak toen:—Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op ’t hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.Hij naderde den troon en zeide tot Christus:—Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.—Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.—Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:—Wat moet ik hiermee doen?Christus antwoordde:—Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijnedes waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.—Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.—Geene genade, sprak Christus.—Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.—Kom, sprak Satan, ’t is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan ’t gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich.”—Hij is in den hemel, sprak de weduwe.—De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.

LXXIX.In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:„Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.—Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,—Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?—Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komtgij, wat doet gij op de wereld?—Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.—Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?—Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.De engel sloeg den keizer de krone van ’t hoofd:—Christus alleen is keizer, sprak hij.Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want ’k heb honger van die lange luchtvaart?—Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.Als hij gedaan had, vroeg Christus:—Komt gij met zuivere ziele naar ’t oordeel?—Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.—En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.—Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.—Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.—Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhoudingvan de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.—Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.—En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.Doch de engel stond recht en sprak:—Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.Maria sprak toen:—Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op ’t hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.Hij naderde den troon en zeide tot Christus:—Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.—Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.—Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:—Wat moet ik hiermee doen?Christus antwoordde:—Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijnedes waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.—Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.—Geene genade, sprak Christus.—Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.—Kom, sprak Satan, ’t is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan ’t gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich.”—Hij is in den hemel, sprak de weduwe.—De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.

LXXIX.In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:„Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.—Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,—Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?—Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komtgij, wat doet gij op de wereld?—Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.—Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?—Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.De engel sloeg den keizer de krone van ’t hoofd:—Christus alleen is keizer, sprak hij.Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want ’k heb honger van die lange luchtvaart?—Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.Als hij gedaan had, vroeg Christus:—Komt gij met zuivere ziele naar ’t oordeel?—Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.—En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.—Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.—Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.—Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhoudingvan de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.—Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.—En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.Doch de engel stond recht en sprak:—Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.Maria sprak toen:—Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op ’t hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.Hij naderde den troon en zeide tot Christus:—Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.—Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.—Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:—Wat moet ik hiermee doen?Christus antwoordde:—Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijnedes waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.—Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.—Geene genade, sprak Christus.—Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.—Kom, sprak Satan, ’t is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan ’t gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich.”—Hij is in den hemel, sprak de weduwe.—De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.

LXXIX.

In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:„Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.—Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,—Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?—Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komtgij, wat doet gij op de wereld?—Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.—Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?—Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.De engel sloeg den keizer de krone van ’t hoofd:—Christus alleen is keizer, sprak hij.Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want ’k heb honger van die lange luchtvaart?—Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.Als hij gedaan had, vroeg Christus:—Komt gij met zuivere ziele naar ’t oordeel?—Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.—En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.—Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.—Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.—Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhoudingvan de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.—Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.—En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.Doch de engel stond recht en sprak:—Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.Maria sprak toen:—Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op ’t hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.Hij naderde den troon en zeide tot Christus:—Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.—Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.—Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:—Wat moet ik hiermee doen?Christus antwoordde:—Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijnedes waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.—Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.—Geene genade, sprak Christus.—Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.—Kom, sprak Satan, ’t is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan ’t gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich.”—Hij is in den hemel, sprak de weduwe.—De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.

In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:

„Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.—Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,—Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?—Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.

En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.

Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komtgij, wat doet gij op de wereld?—Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.—Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?—Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.

Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.

Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.

De engel sloeg den keizer de krone van ’t hoofd:—Christus alleen is keizer, sprak hij.

Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want ’k heb honger van die lange luchtvaart?—Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.

Als hij gedaan had, vroeg Christus:

—Komt gij met zuivere ziele naar ’t oordeel?

—Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.

—En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.

—Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.

—Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.

—Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhoudingvan de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.

—Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.

—En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.

Doch de engel stond recht en sprak:

—Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.

Maria sprak toen:—Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.

Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op ’t hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.

Hij naderde den troon en zeide tot Christus:

—Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.

—Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.

—Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.

En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:

—Wat moet ik hiermee doen?

Christus antwoordde:

—Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijnedes waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie; telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland; hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.

—Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want macht doet het herte versteenen.

—Geene genade, sprak Christus.

—Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van Andalusië.

—Kom, sprak Satan, ’t is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.

En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer, die nog van zijn stukje ansjovis at.

Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd, die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan ’t gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel sloot zich.”

—Hij is in den hemel, sprak de weduwe.

—De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.


Back to IndexNext