LXXXII.

LXXXII.Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne ’t gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij ’s nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.—Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?—Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in ’t ronde gestrooid.Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:—Waar zijn de karolussen?—Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:—Sla niet, Uilenspiegel!Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.Soetkin werd doodsbleek en sprak:—Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:—Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.—Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.—Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?—Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.—Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.—Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.—Niettegenstaande de verbeurte?—Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.—Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ’t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. „Of in den kelder?” Ik knikte van neen. „Of in de lochting?” Ik antwoordde niet.—Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.—Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.—Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijneziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.—Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.—Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: „Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven.”—En hij zal woord houden.—Arme zinnelooze! sprak Soetkin.Het was heur laatste verwijt.

LXXXII.Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne ’t gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij ’s nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.—Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?—Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in ’t ronde gestrooid.Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:—Waar zijn de karolussen?—Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:—Sla niet, Uilenspiegel!Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.Soetkin werd doodsbleek en sprak:—Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:—Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.—Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.—Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?—Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.—Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.—Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.—Niettegenstaande de verbeurte?—Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.—Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ’t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. „Of in den kelder?” Ik knikte van neen. „Of in de lochting?” Ik antwoordde niet.—Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.—Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.—Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijneziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.—Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.—Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: „Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven.”—En hij zal woord houden.—Arme zinnelooze! sprak Soetkin.Het was heur laatste verwijt.

LXXXII.Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne ’t gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij ’s nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.—Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?—Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in ’t ronde gestrooid.Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:—Waar zijn de karolussen?—Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:—Sla niet, Uilenspiegel!Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.Soetkin werd doodsbleek en sprak:—Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:—Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.—Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.—Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?—Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.—Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.—Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.—Niettegenstaande de verbeurte?—Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.—Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ’t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. „Of in den kelder?” Ik knikte van neen. „Of in de lochting?” Ik antwoordde niet.—Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.—Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.—Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijneziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.—Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.—Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: „Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven.”—En hij zal woord houden.—Arme zinnelooze! sprak Soetkin.Het was heur laatste verwijt.

LXXXII.

Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne ’t gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij ’s nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.—Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?—Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in ’t ronde gestrooid.Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:—Waar zijn de karolussen?—Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:—Sla niet, Uilenspiegel!Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.Soetkin werd doodsbleek en sprak:—Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:—Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.—Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.—Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?—Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.—Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.—Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.—Niettegenstaande de verbeurte?—Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.—Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ’t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. „Of in den kelder?” Ik knikte van neen. „Of in de lochting?” Ik antwoordde niet.—Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.—Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.—Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijneziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.—Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.—Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: „Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven.”—En hij zal woord houden.—Arme zinnelooze! sprak Soetkin.Het was heur laatste verwijt.

Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne ’t gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij ’s nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.

Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.

Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos, dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.

Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht dat het niets was, en sliep weder in.

Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad, opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.

—Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?

—Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!

En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.

Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in ’t ronde gestrooid.

Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:

—Waar zijn de karolussen?

—Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.

Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:

—Sla niet, Uilenspiegel!

Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.

Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.

Soetkin werd doodsbleek en sprak:

—Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!

En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:

—Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng ik duizend gouden florijnen.—Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.—Maar is hier niemand, in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?—Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.—Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.—Zij leven zonder iemands hulpe, antwoordde ik.—Niettegenstaande de verbeurte?—Daarop antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have te laten ontnemen.—Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ’t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen.... Ik lachte. „Of in den kelder?” Ik knikte van neen. „Of in de lochting?” Ik antwoordde niet.—Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig.—Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.

—Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijneziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om u te onderhouden.

—Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij tegelijk, zegde Soetkin.

—Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: „Vergeet nimmer mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven.”—En hij zal woord houden.

—Arme zinnelooze! sprak Soetkin.

Het was heur laatste verwijt.


Back to IndexNext