V.

V.Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovendewespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.

V.Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovendewespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.

V.Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovendewespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.

V.

Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovendewespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.

Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.

Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.

—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.

—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.

—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!

—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.

—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.

Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:

—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovendewespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.

Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.


Back to IndexNext