VIII.Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw—een oud wijf met een bitsige tronie—de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunnewoning ging, zag hij het meideken aan ’t venster en hoorde hij heur neuren:Oogst, oogst,Zeg mij, zoete maand,Wie neemt er mij als vrouw;Zeg mij, zoete maand?—Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.—Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.Doch Uilenspiegel vroeg:—Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?—Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en ’t is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.—De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: „Verlossing!”Het meideken bloosde en sprak:—Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.—Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.—Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.—Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.Glimlachend herhaalde zij:—Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.—Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? ’t Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo’n ronden hals, zoo’n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.—Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!—Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:—Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?—Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.Zij antwoordde:—Dat is ’t niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!—Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.—Waarom weent gij? vroeg hij.—Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.—Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.—Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.—Met een kus zal ik ze geerne sluiten.—Gekke vriend, luister toch als ik spreek.—Waarom? wat hebt gij te zeggen?—Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:—Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.—God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.—Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor ’t minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:—Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich ’t onvoorzichtigst hadden uitgelaten.En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend „’t brandt! ’t brandt!” totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: „’t brandt! ’t brandt!”En met den vinger wees hij naar ’t huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: ’t brandt! ’t brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.Uilenspiegel hield ze van verre in ’t oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.—Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?—Neen, neen,antwoordde Uilenspiegel.—Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?—Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.—En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?—Ons Heer moet zijn getal hebben.—Waar brandt het dan toch? vroeg zij.—In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.En hij vloog naar heuren mond.—Gij bijt mij, sprak zij.—Ik eet geerne kersen, zegde hij.Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:—Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.—Uwe moeder? sprak hij.—Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!—Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.—Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?—Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: „Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk”, een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot inden Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
VIII.Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw—een oud wijf met een bitsige tronie—de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunnewoning ging, zag hij het meideken aan ’t venster en hoorde hij heur neuren:Oogst, oogst,Zeg mij, zoete maand,Wie neemt er mij als vrouw;Zeg mij, zoete maand?—Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.—Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.Doch Uilenspiegel vroeg:—Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?—Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en ’t is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.—De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: „Verlossing!”Het meideken bloosde en sprak:—Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.—Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.—Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.—Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.Glimlachend herhaalde zij:—Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.—Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? ’t Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo’n ronden hals, zoo’n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.—Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!—Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:—Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?—Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.Zij antwoordde:—Dat is ’t niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!—Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.—Waarom weent gij? vroeg hij.—Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.—Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.—Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.—Met een kus zal ik ze geerne sluiten.—Gekke vriend, luister toch als ik spreek.—Waarom? wat hebt gij te zeggen?—Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:—Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.—God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.—Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor ’t minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:—Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich ’t onvoorzichtigst hadden uitgelaten.En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend „’t brandt! ’t brandt!” totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: „’t brandt! ’t brandt!”En met den vinger wees hij naar ’t huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: ’t brandt! ’t brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.Uilenspiegel hield ze van verre in ’t oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.—Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?—Neen, neen,antwoordde Uilenspiegel.—Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?—Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.—En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?—Ons Heer moet zijn getal hebben.—Waar brandt het dan toch? vroeg zij.—In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.En hij vloog naar heuren mond.—Gij bijt mij, sprak zij.—Ik eet geerne kersen, zegde hij.Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:—Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.—Uwe moeder? sprak hij.—Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!—Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.—Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?—Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: „Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk”, een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot inden Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
VIII.Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw—een oud wijf met een bitsige tronie—de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunnewoning ging, zag hij het meideken aan ’t venster en hoorde hij heur neuren:Oogst, oogst,Zeg mij, zoete maand,Wie neemt er mij als vrouw;Zeg mij, zoete maand?—Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.—Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.Doch Uilenspiegel vroeg:—Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?—Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en ’t is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.—De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: „Verlossing!”Het meideken bloosde en sprak:—Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.—Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.—Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.—Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.Glimlachend herhaalde zij:—Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.—Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? ’t Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo’n ronden hals, zoo’n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.—Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!—Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:—Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?—Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.Zij antwoordde:—Dat is ’t niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!—Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.—Waarom weent gij? vroeg hij.—Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.—Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.—Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.—Met een kus zal ik ze geerne sluiten.—Gekke vriend, luister toch als ik spreek.—Waarom? wat hebt gij te zeggen?—Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:—Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.—God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.—Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor ’t minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:—Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich ’t onvoorzichtigst hadden uitgelaten.En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend „’t brandt! ’t brandt!” totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: „’t brandt! ’t brandt!”En met den vinger wees hij naar ’t huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: ’t brandt! ’t brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.Uilenspiegel hield ze van verre in ’t oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.—Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?—Neen, neen,antwoordde Uilenspiegel.—Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?—Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.—En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?—Ons Heer moet zijn getal hebben.—Waar brandt het dan toch? vroeg zij.—In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.En hij vloog naar heuren mond.—Gij bijt mij, sprak zij.—Ik eet geerne kersen, zegde hij.Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:—Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.—Uwe moeder? sprak hij.—Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!—Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.—Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?—Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: „Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk”, een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot inden Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
VIII.
Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw—een oud wijf met een bitsige tronie—de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunnewoning ging, zag hij het meideken aan ’t venster en hoorde hij heur neuren:Oogst, oogst,Zeg mij, zoete maand,Wie neemt er mij als vrouw;Zeg mij, zoete maand?—Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.—Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.Doch Uilenspiegel vroeg:—Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?—Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en ’t is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.—De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: „Verlossing!”Het meideken bloosde en sprak:—Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.—Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.—Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.—Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.Glimlachend herhaalde zij:—Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.—Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? ’t Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo’n ronden hals, zoo’n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.—Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!—Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:—Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?—Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.Zij antwoordde:—Dat is ’t niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!—Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.—Waarom weent gij? vroeg hij.—Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.—Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.—Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.—Met een kus zal ik ze geerne sluiten.—Gekke vriend, luister toch als ik spreek.—Waarom? wat hebt gij te zeggen?—Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:—Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.—God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.—Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor ’t minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:—Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?Uilenspiegel antwoordde niet.—De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich ’t onvoorzichtigst hadden uitgelaten.En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend „’t brandt! ’t brandt!” totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: „’t brandt! ’t brandt!”En met den vinger wees hij naar ’t huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: ’t brandt! ’t brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.Uilenspiegel hield ze van verre in ’t oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.—Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?—Neen, neen,antwoordde Uilenspiegel.—Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?—Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.—En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?—Ons Heer moet zijn getal hebben.—Waar brandt het dan toch? vroeg zij.—In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.En hij vloog naar heuren mond.—Gij bijt mij, sprak zij.—Ik eet geerne kersen, zegde hij.Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:—Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.—Uwe moeder? sprak hij.—Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!—Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.—Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?—Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: „Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk”, een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot inden Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg, te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw—een oud wijf met een bitsige tronie—de kleederen, wambuizen, mantels en schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in dien goedbetaalden arbeid.
Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunnewoning ging, zag hij het meideken aan ’t venster en hoorde hij heur neuren:
Oogst, oogst,Zeg mij, zoete maand,Wie neemt er mij als vrouw;Zeg mij, zoete maand?
Oogst, oogst,
Zeg mij, zoete maand,
Wie neemt er mij als vrouw;
Zeg mij, zoete maand?
—Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.
—Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.
Doch Uilenspiegel vroeg:
—Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?
—Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht, doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken; vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts, en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en ’t is niet van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de dertiende, zoo gij lust hebt.
—De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook roept: „Verlossing!”
Het meideken bloosde en sprak:
—Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.
—Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.
—Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure schoone tanden zien.
Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen, de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten; neen, wachten doe ik niet.
—Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.
Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche meidekens naar een man riepen.
Glimlachend herhaalde zij:
—Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.
—Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? ’t Ware jammer! Nog nooit zag ik zoo’n ronden hals, zoo’n blanken boezem, een Vlaamschen boezem vol goede melk, die kloeke mannen maakt.
—Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!
—Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!
Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:
—Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een bedelaar, of zijt gij rijk?
—Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij toehoort, liefste.
Zij antwoordde:
—Dat is ’t niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar, een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en tegen de inquisitie?
De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
—Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting, de oorlog en de val van de beulen!
—Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend; maar zwijg toch.
—Waarom weent gij? vroeg hij.
—Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.
—Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.
—Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.
—Met een kus zal ik ze geerne sluiten.
—Gekke vriend, luister toch als ik spreek.
—Waarom? wat hebt gij te zeggen?
—Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg, zwijg vooral in heur bijzijn....
De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak in zich zelven:
—Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.
—God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.
—Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.
—Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?
Uilenspiegel antwoordde niet.
—Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange, hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor ’t minst vijftien. Als de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.
Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:
—Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk, niet waar, heer?
Uilenspiegel antwoordde niet.
—De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.
Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.
Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld, die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak; hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen, die zich ’t onvoorzichtigst hadden uitgelaten.
En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of een oortje.
Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).
Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien. (Blz. 203).
In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.
Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.
Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op, al roepend „’t brandt! ’t brandt!” totdat hij kwam vóór het huis van Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort, al roepend: „’t brandt! ’t brandt!”En met den vinger wees hij naar ’t huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: ’t brandt! ’t brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.
Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude Sapermillemente er eindelijk ook henen.
Uilenspiegel hield ze van verre in ’t oog. Toen zij weg was, ging hij binnen.
—Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?
—Neen, neen,antwoordde Uilenspiegel.
—Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?
—Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.
—En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?
—Ons Heer moet zijn getal hebben.
—Waar brandt het dan toch? vroeg zij.
—In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
En hij vloog naar heuren mond.
—Gij bijt mij, sprak zij.
—Ik eet geerne kersen, zegde hij.
Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:
—Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des Pausen, zet hier geen voet meer.
—Uwe moeder? sprak hij.
—Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt, om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht, Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug; nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!
—Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.
—Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.
Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?
—Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken, als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij, en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk, waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: „Steenen kruisbeeld, Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk”, een onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht, daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....
Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot inden Ouden Haan, en daar vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.
En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.