VIII.Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen ’s anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.Uilenspiegel keerde naar Luik terug.Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:—De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.—Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
VIII.Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen ’s anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.Uilenspiegel keerde naar Luik terug.Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:—De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.—Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
VIII.Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen ’s anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.Uilenspiegel keerde naar Luik terug.Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:—De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.—Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
VIII.
Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen ’s anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.Uilenspiegel keerde naar Luik terug.Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:—De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.—Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen ’s anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.
En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.
Uilenspiegel keerde naar Luik terug.
Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:
—De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.
Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.
—Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!
En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.