V.

V.In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:—Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,—Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin deveroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.Aldus wilde de Paus van Rome.De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. ’s Nachts en ook ’s daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. ’t Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!En Uilenspiegel zong:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!En allen dronken en riepen:—Leve de Geus!En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.—Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.—Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dire dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

V.In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:—Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,—Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin deveroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.Aldus wilde de Paus van Rome.De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. ’s Nachts en ook ’s daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. ’t Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!En Uilenspiegel zong:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!En allen dronken en riepen:—Leve de Geus!En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.—Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.—Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dire dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

V.In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:—Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,—Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin deveroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.Aldus wilde de Paus van Rome.De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. ’s Nachts en ook ’s daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. ’t Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!En Uilenspiegel zong:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!En allen dronken en riepen:—Leve de Geus!En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.—Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.—Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dire dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

V.

In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:—Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,—Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin deveroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.Aldus wilde de Paus van Rome.De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. ’s Nachts en ook ’s daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. ’t Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!En Uilenspiegel zong:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!En allen dronken en riepen:—Leve de Geus!En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.—Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.—Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dire dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.

En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:

—Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.

Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,—Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.

De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.

Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin deveroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.

Aldus wilde de Paus van Rome.

De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.

Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. ’s Nachts en ook ’s daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!

Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. ’t Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!

En Uilenspiegel zong:

Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dirre dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

Slaat op den trommel van dirre dom deijne,

Slaat op den trommel van dirre dom dom.

Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

Rukt den hertog Zijn ingewand uit!Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!Slaat op den trommel, de holle trom,Vloek zij den hertog, dood den beul!

Rukt den hertog Zijn ingewand uit!

Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!

Slaat op den trommel, de holle trom,

Vloek zij den hertog, dood den beul!

Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,Bij de tong, die het vonnis velt,Bij den arm, die ’t onderschrijft.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!

Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,

Bij de tong, die het vonnis velt,

Bij den arm, die ’t onderschrijft.

Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Levend bij lijken van slachtoffers!Delft den hertog in een kuil,Dat hij, in goren stank,Sterve om de pest der dooden!Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Levend bij lijken van slachtoffers!

Delft den hertog in een kuil,

Dat hij, in goren stank,

Sterve om de pest der dooden!

Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,Al om Uw woord.Redden willen wij ’t vaderland.Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,

Dapper vóór ’t vuur, vóór strik en zweerd,

Al om Uw woord.

Redden willen wij ’t vaderland.

Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!

En allen dronken en riepen:

—Leve de Geus!

En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.

—Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.

—Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:

Slaat op den trommel van dirre dom deijne,Slaat op den trommel van dire dom dom.Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!

Slaat op den trommel van dirre dom deijne,

Slaat op den trommel van dire dom dom.

Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!


Back to IndexNext