Vierde Boek.I.Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:—Waarom moet gij dien hond plagen?—Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?—Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,—Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.—Wie zijt gij? vroeg de heer.—Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.—Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.—Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.—Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.—Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong’s ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van ’t Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door ’t ijs.Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op ’t ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in ’t rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleinetaveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.—Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?—Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?—U, sprak hij.De vrouw antwoordde:—Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:—Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?—Lamme? vroeg hij.—Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?Maar zij maakte het teeken des kruises.—Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.—Bemint gij niemand? vroeg hij.—Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?Uilenspiegel antwoordde:—Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?—Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.—Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.—Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.—Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.Zuchtend antwoordde zij:Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; ’t is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.—Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!—Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.En hij toog henen.Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:—Arme Lamme! arme Uilenspiegel!—Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.—Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:—Is ’t de sneeuw niet, die gij hoort vallen?—Neen, sprak zij.—Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?—Neen, sprak zij nogmaals.—Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?—De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.—De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.—Daar zijn ze, sprak zij.—Wie?—Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?—Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!—Verraad mij niet, sprak zij.Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:—De Spanjool komt!Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?—’t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:—Wilt gij ons volgen?—Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....—Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.—Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.Vervolgens het schip naderend, sprak zij:—Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.En henen gaande, riep zij:—Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!En zij liet heur gezicht zien.—Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.En hij wilde op het ijs springen.—Uw trouwe vrouw! zeide zij.En zij liep heen.Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:—Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:—De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:—Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!—Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.—’t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?—Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!—Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.—Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: ’t zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!—Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreektvoor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.—Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.—Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.En de beide vrienden proestten van ’t lachen.Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
Vierde Boek.I.Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:—Waarom moet gij dien hond plagen?—Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?—Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,—Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.—Wie zijt gij? vroeg de heer.—Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.—Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.—Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.—Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.—Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong’s ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van ’t Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door ’t ijs.Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op ’t ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in ’t rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleinetaveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.—Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?—Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?—U, sprak hij.De vrouw antwoordde:—Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:—Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?—Lamme? vroeg hij.—Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?Maar zij maakte het teeken des kruises.—Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.—Bemint gij niemand? vroeg hij.—Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?Uilenspiegel antwoordde:—Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?—Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.—Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.—Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.—Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.Zuchtend antwoordde zij:Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; ’t is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.—Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!—Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.En hij toog henen.Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:—Arme Lamme! arme Uilenspiegel!—Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.—Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:—Is ’t de sneeuw niet, die gij hoort vallen?—Neen, sprak zij.—Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?—Neen, sprak zij nogmaals.—Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?—De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.—De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.—Daar zijn ze, sprak zij.—Wie?—Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?—Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!—Verraad mij niet, sprak zij.Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:—De Spanjool komt!Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?—’t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:—Wilt gij ons volgen?—Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....—Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.—Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.Vervolgens het schip naderend, sprak zij:—Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.En henen gaande, riep zij:—Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!En zij liet heur gezicht zien.—Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.En hij wilde op het ijs springen.—Uw trouwe vrouw! zeide zij.En zij liep heen.Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:—Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:—De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:—Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!—Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.—’t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?—Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!—Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.—Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: ’t zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!—Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreektvoor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.—Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.—Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.En de beide vrienden proestten van ’t lachen.Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
I.Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:—Waarom moet gij dien hond plagen?—Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?—Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,—Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.—Wie zijt gij? vroeg de heer.—Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.—Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.—Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.—Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.—Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong’s ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van ’t Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door ’t ijs.Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op ’t ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in ’t rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleinetaveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.—Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?—Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?—U, sprak hij.De vrouw antwoordde:—Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:—Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?—Lamme? vroeg hij.—Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?Maar zij maakte het teeken des kruises.—Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.—Bemint gij niemand? vroeg hij.—Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?Uilenspiegel antwoordde:—Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?—Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.—Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.—Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.—Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.Zuchtend antwoordde zij:Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; ’t is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.—Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!—Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.En hij toog henen.Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:—Arme Lamme! arme Uilenspiegel!—Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.—Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:—Is ’t de sneeuw niet, die gij hoort vallen?—Neen, sprak zij.—Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?—Neen, sprak zij nogmaals.—Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?—De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.—De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.—Daar zijn ze, sprak zij.—Wie?—Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?—Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!—Verraad mij niet, sprak zij.Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:—De Spanjool komt!Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?—’t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:—Wilt gij ons volgen?—Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....—Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.—Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.Vervolgens het schip naderend, sprak zij:—Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.En henen gaande, riep zij:—Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!En zij liet heur gezicht zien.—Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.En hij wilde op het ijs springen.—Uw trouwe vrouw! zeide zij.En zij liep heen.Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:—Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:—De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:—Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!—Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.—’t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?—Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!—Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.—Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: ’t zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!—Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreektvoor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.—Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.—Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.En de beide vrienden proestten van ’t lachen.Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
I.
Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:—Waarom moet gij dien hond plagen?—Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?—Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,—Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.—Wie zijt gij? vroeg de heer.—Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.—Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.—Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.—Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.—Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong’s ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van ’t Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door ’t ijs.Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op ’t ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in ’t rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleinetaveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.—Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?—Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?—U, sprak hij.De vrouw antwoordde:—Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:—Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?—Lamme? vroeg hij.—Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.Uilenspiegel antwoordde:—Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?Maar zij maakte het teeken des kruises.—Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.—Bemint gij niemand? vroeg hij.—Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?Uilenspiegel antwoordde:—Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?—Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.—Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.—Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.—Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.Zuchtend antwoordde zij:Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; ’t is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.—Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!—Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.En hij toog henen.Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:—Arme Lamme! arme Uilenspiegel!—Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.—Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:—Is ’t de sneeuw niet, die gij hoort vallen?—Neen, sprak zij.—Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?—Neen, sprak zij nogmaals.—Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?—De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.—De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.—Daar zijn ze, sprak zij.—Wie?—Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?—Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!—Verraad mij niet, sprak zij.Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:—De Spanjool komt!Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.Uilenspiegel zeide tot Lamme:—Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?—’t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:—Wilt gij ons volgen?—Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....—Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.—Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.Vervolgens het schip naderend, sprak zij:—Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.En henen gaande, riep zij:—Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!En zij liet heur gezicht zien.—Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.En hij wilde op het ijs springen.—Uw trouwe vrouw! zeide zij.En zij liep heen.Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:—Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:—De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:—Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!—Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.—’t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?—Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!—Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.—Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: ’t zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!—Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreektvoor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.—Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.—Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.En de beide vrienden proestten van ’t lachen.Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.
Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.
De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.
Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.
Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.
Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.
Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.
De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:
—Waarom moet gij dien hond plagen?
—Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?
—Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,
—Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.
Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.
—Wie zijt gij? vroeg de heer.
—Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.
En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.
—Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?
Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.
—Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.
—Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.
—Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.
Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong’s ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van ’t Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door ’t ijs.
Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op ’t ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.
Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in ’t rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.
Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleinetaveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.
Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.
—Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?
—Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?
—U, sprak hij.
De vrouw antwoordde:
—Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?
Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:
—Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?
—Lamme? vroeg hij.
—Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.
Uilenspiegel antwoordde:
—Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?
Maar zij maakte het teeken des kruises.
—Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.
—Bemint gij niemand? vroeg hij.
—Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?
Uilenspiegel antwoordde:
—Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?
—Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.
—Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.
—Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.
—Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.
Zuchtend antwoordde zij:
Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; ’t is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.
—Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.
—Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!
—Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.
En hij toog henen.
Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.
Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:
—Arme Lamme! arme Uilenspiegel!
—Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.
—Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.
Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:
—Is ’t de sneeuw niet, die gij hoort vallen?
—Neen, sprak zij.
—Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?
—Neen, sprak zij nogmaals.
—Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?
—De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.
—De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.
—Daar zijn ze, sprak zij.
—Wie?
—Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?
—Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!
—Verraad mij niet, sprak zij.
Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:
—De Spanjool komt!
Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
—Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?
—’t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.
En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.
Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:
—Wilt gij ons volgen?
—Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....
—Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.
—Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.
Vervolgens het schip naderend, sprak zij:
—Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.
En henen gaande, riep zij:
—Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!
En zij liet heur gezicht zien.
—Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.
En hij wilde op het ijs springen.
—Uw trouwe vrouw! zeide zij.
En zij liep heen.
Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:
—Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.
Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:
—De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.
En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:
—Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!
—Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.
—’t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?
—Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!
—Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!
En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.
Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.
Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.
De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.
Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.
—Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: ’t zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!
—Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreektvoor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.
—Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.
—Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.
En de beide vrienden proestten van ’t lachen.
Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.
Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.
En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.
En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.