Vijfde Boek.

Vijfde Boek.I.Als Lamme’s monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.—Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....—Met hondenvet? vroegen de Geuzen.—Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.II.De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.En die van het volk zeiden tot elkander: „Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve”.Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. „De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan”.Maar de omzichtigen spraken: „De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brusselwapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.„En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van ’t gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid”.En de omzichtigen prevelden tot elkaar:„In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten”.En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.En zij zeiden tot elkander: „Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo „heilig verbond”, als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, degramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België’s heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad”.En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds—dat maakt twee millioen gulden—boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van ’s Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.—Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?... ’t Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.Uilenspiegel was droomerig.En hij zong:De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.III.Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:—Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van ’s morgens tot ’s avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:—Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!En dra brachten zij alles in gereedheid.Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:—Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, ’t is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: ’t was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:—Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:—Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:—Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: ’t was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.—Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.—Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.—Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:—Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!—Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.—Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.—Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.—Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.—Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....—Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?—Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.—Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken,neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.—Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.—Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.IV.Doch hij scheen aan de beterhand.Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.Den eersten Zaterdag zeide hij:—Vier voet.Daarna mat hij zich zelven en sprak:—Vier voet en half.En hij scheen weemoedig.Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:—Vier voet en drij kwart.En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:—Wat wilt ge van mij, dikzak?Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:—Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.Bij het tweede maal, zeide hij:—Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.—Ik heb geen eetlust, zei de monnik.—Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? ’t Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, ’t is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!—Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.Lamme, die grammoedig werd antwoordde:—Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:—Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:—Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.—Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: „Weest rechtveerdig jegens elkeen”. Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen—die oesters der armen—zooals gij er nooit kreegt in ’t convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zijgekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.—Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.—Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!En Lamme trok naar zijn bed.En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:—Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?—Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.V.Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!VI.In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen ’s nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme’s wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.En de monnik zei:—Gij beleedigt mij, dikzak.—Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:—Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:—Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:—De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.—Waar is hij? Vet hij aan?En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:—Het groote werk wordt voltooid.Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:—Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!VII.In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:—Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:—Waarom roept gij? ik zie niets.—Zij is ’t, antwoordde Lamme, zij is ’t, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.Nele was ook op het dek geklommen.—Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.—Hij heeft nog koorts, sprak zij.—Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.—Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.—Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:—Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.Lamme antwoordde met horten en stooten:—Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon,de heure antwoordt: „Vrienden”. Vervolgens grovere stem: „Vive le Geus: bevelhebber van vliebootJohannamoet Lamme Goedzak spreken”. Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend—vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat—zij zelve zeide mij: „Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!” Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:—Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:—Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!Nele riep:—’t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!—Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!En zij zette een jammerlijk gezicht.—Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?—Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:—Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! ’t was die gemeene schavuit!Kalleken sprak:—Laster den man Gods niet!—De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:—Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.—Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.—Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?—Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.—Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!—Luister, zeide zij.—Spreek of zwijg, sprak Lamme, ’t is mij eender.—Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen inhet hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....—Behalve door hem ... zei Lamme weenend.—Zwijg toch, zeide zij grammoedig.—Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.—’t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.—De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:—Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.—Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!—Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.—„’t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee”. Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.—Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!—Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!—Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.Kalleken antwoordde:—Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.—Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....—Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.—Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?Nele sprak:—Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.—Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?—Ja, zeide zij.—Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.—Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.—Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?—Nooit! zeide zij.—Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.—Gij weent, zeide zij.—Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.Toen zei Nele:—Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.—Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.—Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.En Lamme zei tot den monnik:—Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?En, zijne rede vervolgend:—Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.—Zwijg, dikzak, zeide de monnik.—Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:—Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....—Dat is Geuzenwoord zeiden zij.—Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.—Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.—En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:—Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:—Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armenmartelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: „Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!”En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:—Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!Doch zij, weenend en sidderend, zeide:—O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!—Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.—Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.En Lamme zei tot den monnik:—Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.—Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.—Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!En hij zweeg, blazend en zweetend.Plotseling riep Lamme uit:—Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God,Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:—Kom, het is het uur van onze wettige liefde.Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:—Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:—Gij zijt droef, mijn vriend?—Hij was goed, zeide hij.—Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?—Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij ’t gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.En hij stierf als prior van zijn convent.VIII.Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te ’s-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.En de griffier sprak als volgt:—Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig ofonrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?—Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.—Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.—Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.—Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.—Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.De griffier vervolgde:—Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.—Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.—Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aanzekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.—Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.—Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.—Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.—Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.—Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.En de zegels des konings werden gebroken.En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: „Rustig onder de wreede baren”.Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.IX.Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,—want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,—leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.’s Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:—Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.Uilenspiegel antwoordde:—Als ’t die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.—Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.’s Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, opde begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.—Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:—Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; ’t is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.—Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.—Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:—Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.Nele zeide hem:—Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:—Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?—Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?Maar zonder naar hem te luisteren;—Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.—Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.—’t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele’s en Uilenspiegel’s dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Kolen vormen diamant,Dwaze doctoren, leerlingen vroed.Is zeven slecht, zeven is goed.En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:Kijkt toe wie de macht hier torst,Der pausen paus, der vorsten vorst;Wie Caesar aan den leiband houdt,Kijkt toe, hij is van hout!Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:—Ik ben God!En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdatzij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.En de dwaallichtjes dansten rondom hen.En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:—Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.En men hoorde eene stem zeggen:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;Om asch te krijgen en tevens koolWat doet een vlooken op den dool?En de dwaallichtjes zeiden:—Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.En eene stem zeide:—Uilenspiegel, verbrand het hout.En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:—Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.En het bloed vloeide bij stroomen.En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:—Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:Als over land en waterenDie Zeven, hervormd, zullen heerschen,Menschen, hoofden hoog!’t Is het heil der wereld.En Uilenspiegel zeide:—Nele, die geesten spotten met ons.Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.En de geesten zongen:Raakt het Noorden,Kussend het Westen,Rampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.En grinnikend zongen zij:’t Noorden is Nederland,België ’t Westen.Gordel is vriendschap,Gordel verbond.—Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.En grinnikend zongen zij nog:De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.—Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van ’t menschdom en spotternij van ’t lot.Grinnikend hernamen de geesten:VerbondMet bloedEn dood,Was de Schelde daar niet!En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.X.Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.—Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf?Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.Nele knielde neder.—Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:—Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!De parochiepaap blies van genoegen en zei:—God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.—Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.—Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.—Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:—De groote Geus is dood, God zij geloofd!De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het grafde gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:—Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?De parochiepaap riep:—De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.Nele kwam bij Uilenspiegel.—Kus mij, liefste, zeide hij.Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op ’t gras.Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.—Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....EINDE.

Vijfde Boek.I.Als Lamme’s monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.—Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....—Met hondenvet? vroegen de Geuzen.—Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.II.De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.En die van het volk zeiden tot elkander: „Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve”.Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. „De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan”.Maar de omzichtigen spraken: „De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brusselwapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.„En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van ’t gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid”.En de omzichtigen prevelden tot elkaar:„In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten”.En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.En zij zeiden tot elkander: „Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo „heilig verbond”, als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, degramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België’s heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad”.En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds—dat maakt twee millioen gulden—boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van ’s Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.—Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?... ’t Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.Uilenspiegel was droomerig.En hij zong:De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.III.Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:—Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van ’s morgens tot ’s avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:—Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!En dra brachten zij alles in gereedheid.Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:—Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, ’t is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: ’t was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:—Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:—Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:—Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: ’t was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.—Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.—Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.—Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:—Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!—Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.—Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.—Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.—Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.—Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....—Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?—Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.—Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken,neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.—Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.—Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.IV.Doch hij scheen aan de beterhand.Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.Den eersten Zaterdag zeide hij:—Vier voet.Daarna mat hij zich zelven en sprak:—Vier voet en half.En hij scheen weemoedig.Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:—Vier voet en drij kwart.En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:—Wat wilt ge van mij, dikzak?Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:—Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.Bij het tweede maal, zeide hij:—Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.—Ik heb geen eetlust, zei de monnik.—Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? ’t Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, ’t is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!—Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.Lamme, die grammoedig werd antwoordde:—Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:—Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:—Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.—Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: „Weest rechtveerdig jegens elkeen”. Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen—die oesters der armen—zooals gij er nooit kreegt in ’t convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zijgekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.—Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.—Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!En Lamme trok naar zijn bed.En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:—Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?—Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.V.Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!VI.In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen ’s nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme’s wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.En de monnik zei:—Gij beleedigt mij, dikzak.—Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:—Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:—Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:—De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.—Waar is hij? Vet hij aan?En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:—Het groote werk wordt voltooid.Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:—Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!VII.In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:—Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:—Waarom roept gij? ik zie niets.—Zij is ’t, antwoordde Lamme, zij is ’t, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.Nele was ook op het dek geklommen.—Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.—Hij heeft nog koorts, sprak zij.—Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.—Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.—Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:—Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.Lamme antwoordde met horten en stooten:—Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon,de heure antwoordt: „Vrienden”. Vervolgens grovere stem: „Vive le Geus: bevelhebber van vliebootJohannamoet Lamme Goedzak spreken”. Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend—vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat—zij zelve zeide mij: „Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!” Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:—Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:—Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!Nele riep:—’t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!—Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!En zij zette een jammerlijk gezicht.—Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?—Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:—Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! ’t was die gemeene schavuit!Kalleken sprak:—Laster den man Gods niet!—De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:—Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.—Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.—Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?—Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.—Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!—Luister, zeide zij.—Spreek of zwijg, sprak Lamme, ’t is mij eender.—Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen inhet hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....—Behalve door hem ... zei Lamme weenend.—Zwijg toch, zeide zij grammoedig.—Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.—’t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.—De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:—Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.—Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!—Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.—„’t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee”. Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.—Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!—Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!—Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.Kalleken antwoordde:—Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.—Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....—Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.—Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?Nele sprak:—Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.—Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?—Ja, zeide zij.—Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.—Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.—Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?—Nooit! zeide zij.—Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.—Gij weent, zeide zij.—Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.Toen zei Nele:—Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.—Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.—Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.En Lamme zei tot den monnik:—Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?En, zijne rede vervolgend:—Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.—Zwijg, dikzak, zeide de monnik.—Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:—Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....—Dat is Geuzenwoord zeiden zij.—Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.—Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.—En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:—Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:—Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armenmartelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: „Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!”En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:—Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!Doch zij, weenend en sidderend, zeide:—O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!—Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.—Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.En Lamme zei tot den monnik:—Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.—Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.—Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!En hij zweeg, blazend en zweetend.Plotseling riep Lamme uit:—Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God,Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:—Kom, het is het uur van onze wettige liefde.Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:—Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:—Gij zijt droef, mijn vriend?—Hij was goed, zeide hij.—Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?—Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij ’t gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.En hij stierf als prior van zijn convent.VIII.Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te ’s-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.En de griffier sprak als volgt:—Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig ofonrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?—Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.—Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.—Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.—Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.—Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.De griffier vervolgde:—Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.—Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.—Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aanzekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.—Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.—Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.—Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.—Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.—Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.En de zegels des konings werden gebroken.En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: „Rustig onder de wreede baren”.Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.IX.Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,—want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,—leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.’s Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:—Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.Uilenspiegel antwoordde:—Als ’t die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.—Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.’s Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, opde begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.—Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:—Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; ’t is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.—Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.—Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:—Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.Nele zeide hem:—Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:—Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?—Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?Maar zonder naar hem te luisteren;—Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.—Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.—’t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele’s en Uilenspiegel’s dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Kolen vormen diamant,Dwaze doctoren, leerlingen vroed.Is zeven slecht, zeven is goed.En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:Kijkt toe wie de macht hier torst,Der pausen paus, der vorsten vorst;Wie Caesar aan den leiband houdt,Kijkt toe, hij is van hout!Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:—Ik ben God!En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdatzij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.En de dwaallichtjes dansten rondom hen.En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:—Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.En men hoorde eene stem zeggen:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;Om asch te krijgen en tevens koolWat doet een vlooken op den dool?En de dwaallichtjes zeiden:—Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.En eene stem zeide:—Uilenspiegel, verbrand het hout.En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:—Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.En het bloed vloeide bij stroomen.En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:—Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:Als over land en waterenDie Zeven, hervormd, zullen heerschen,Menschen, hoofden hoog!’t Is het heil der wereld.En Uilenspiegel zeide:—Nele, die geesten spotten met ons.Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.En de geesten zongen:Raakt het Noorden,Kussend het Westen,Rampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.En grinnikend zongen zij:’t Noorden is Nederland,België ’t Westen.Gordel is vriendschap,Gordel verbond.—Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.En grinnikend zongen zij nog:De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.—Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van ’t menschdom en spotternij van ’t lot.Grinnikend hernamen de geesten:VerbondMet bloedEn dood,Was de Schelde daar niet!En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.X.Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.—Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf?Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.Nele knielde neder.—Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:—Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!De parochiepaap blies van genoegen en zei:—God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.—Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.—Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.—Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:—De groote Geus is dood, God zij geloofd!De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het grafde gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:—Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?De parochiepaap riep:—De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.Nele kwam bij Uilenspiegel.—Kus mij, liefste, zeide hij.Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op ’t gras.Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.—Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....EINDE.

I.Als Lamme’s monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.—Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....—Met hondenvet? vroegen de Geuzen.—Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.

I.

Als Lamme’s monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.—Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....—Met hondenvet? vroegen de Geuzen.—Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.

Als Lamme’s monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op te steken.

—Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....

—Met hondenvet? vroegen de Geuzen.

—Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend, ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen, die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer, Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u, uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude, de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien, paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!

De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten, met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde hij zijn gelaat tegen die kogels.

II.De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.En die van het volk zeiden tot elkander: „Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve”.Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. „De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan”.Maar de omzichtigen spraken: „De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brusselwapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.„En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van ’t gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid”.En de omzichtigen prevelden tot elkaar:„In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten”.En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.En zij zeiden tot elkander: „Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo „heilig verbond”, als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, degramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België’s heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad”.En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds—dat maakt twee millioen gulden—boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van ’s Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.—Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?... ’t Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.Uilenspiegel was droomerig.En hij zong:De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.

II.

De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.En die van het volk zeiden tot elkander: „Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve”.Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. „De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan”.Maar de omzichtigen spraken: „De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brusselwapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.„En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van ’t gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid”.En de omzichtigen prevelden tot elkaar:„In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten”.En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.En zij zeiden tot elkander: „Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo „heilig verbond”, als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, degramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België’s heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad”.En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds—dat maakt twee millioen gulden—boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van ’s Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.—Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?... ’t Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.Uilenspiegel was droomerig.En hij zong:De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.

De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden de Staten-Generaal, in naam van den koning.

Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken, die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen, aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van een stadhouderlijk en koninklijk huis.

Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne, in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen, en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.

En die van het volk zeiden tot elkander: „Don Juan gaat komen met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland, Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning kunne worden van hetzelve”.

Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. „De heeren der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen, met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche soldaten wederstaan”.

Maar de omzichtigen spraken: „De Heeren der Staten hebben twintig duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en Brusselwapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.

„En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij, poorters en die van ’t gemeen, zijn treurig in ons hert als wij zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege, met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden der vrijheid”.

En de omzichtigen prevelden tot elkaar:

„In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken, welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is in al de herten”.

En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht voor de vrijheid.

En zij zeiden tot elkander: „Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo „heilig verbond”, als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich met zooveel gezwets vereenigen, degramschap des konings verwekken, om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België’s heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.

... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken plegen verraad”.

En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden: die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing, stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol, afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy, den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen, die drie tonnen gouds—dat maakt twee millioen gulden—boden aan de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van ’s Hertogenbosch stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede aan don Juan over te leveren.

Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.

En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken hier kwamen plunderen.

—Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken neus, een gele tronie, een spottenden mond?

... ’t Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen; het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.

Uilenspiegel was droomerig.

En hij zong:

De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.

De lucht is blauw, de lucht is klaar,Rouwfloers over de vanen!Rouw om ’t gevest der degens!Verbergt uw juweelen,Uw spiegels gekeerd:Ik zing het lied van den Dood,Het lied der verraders.

De lucht is blauw, de lucht is klaar,

Rouwfloers over de vanen!

Rouw om ’t gevest der degens!

Verbergt uw juweelen,

Uw spiegels gekeerd:

Ik zing het lied van den Dood,

Het lied der verraders.

Ze hebben de fiere landenOp den buik en de keel getrapt,Brabant, Vlaanderen, Henegouw,Antwerpen, Artoois, Luxemburg.Adel en clerus verraden.Vuig loon verlokt, verleidt.Ik zing het lied der verraders.

Ze hebben de fiere landen

Op den buik en de keel getrapt,

Brabant, Vlaanderen, Henegouw,

Antwerpen, Artoois, Luxemburg.

Adel en clerus verraden.

Vuig loon verlokt, verleidt.

Ik zing het lied der verraders.

Als de vijand overal plundert,Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,Trekken priesters, prelaten, legerhoofdenDe straten der stede door,Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,En tronies blinkend van goeden wijn,Stellend hun schande ten toon.

Als de vijand overal plundert,

Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,

Trekken priesters, prelaten, legerhoofden

De straten der stede door,

Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,

En tronies blinkend van goeden wijn,

Stellend hun schande ten toon.

Door hen zal InquisitieHerrijzen in triomf;En nieuwe titellui,Zullen doofstommen vastzettenVoor ketterij.Ik zing het lied der verraders.

Door hen zal Inquisitie

Herrijzen in triomf;

En nieuwe titellui,

Zullen doofstommen vastzetten

Voor ketterij.

Ik zing het lied der verraders.

Onderteekenaren van ’t Eedverbond,Lafhartige onderteekenaren,Wezen uw namen gevloekt.Waar blijft gij in ’t uur des strijds?Als raven volgt gijDen drijf der Spanjaards.Slaat op de rouwtrom.

Onderteekenaren van ’t Eedverbond,

Lafhartige onderteekenaren,

Wezen uw namen gevloekt.

Waar blijft gij in ’t uur des strijds?

Als raven volgt gij

Den drijf der Spanjaards.

Slaat op de rouwtrom.

Belgenland, eenmaalVeroordeelt u de toekomst,Daar ge, gewapend, u plunderen liet.Doch, toekomst, draal;Zie de verraders aan ’t werk:Met twintig, met duizend,Bekleeden ze alle posten,De grooten stellen de kleinen aan.

Belgenland, eenmaal

Veroordeelt u de toekomst,

Daar ge, gewapend, u plunderen liet.

Doch, toekomst, draal;

Zie de verraders aan ’t werk:

Met twintig, met duizend,

Bekleeden ze alle posten,

De grooten stellen de kleinen aan.

Het eens zijn ze ’tOm den weerstand te verhindren,Door verdeeldheid en traagheid:Hun verradersleus!Rouwfloers over de spiegels,Rouw om ’t gevest der degens.’t Is het lied der verraders.

Het eens zijn ze ’t

Om den weerstand te verhindren,

Door verdeeldheid en traagheid:

Hun verradersleus!

Rouwfloers over de spiegels,

Rouw om ’t gevest der degens.

’t Is het lied der verraders.

Rebellen verklaren zijSpanjolen en malcontenten,Verbiedend hun bij te staanMet brood en bed,Met lood en kruit.En wordt er een gevangen,Om te hangen,Dadelijk laten zij hem los.

Rebellen verklaren zij

Spanjolen en malcontenten,

Verbiedend hun bij te staan

Met brood en bed,

Met lood en kruit.

En wordt er een gevangen,

Om te hangen,

Dadelijk laten zij hem los.

Staat op! roepen die van Brussel;Staat op! roepen die van GentEn het Belgische volk.Arme lui, men wil u verpletteren,Tusschen den koning en den paus,Die tegen VlaanderenEen kruistocht predikt.

Staat op! roepen die van Brussel;

Staat op! roepen die van Gent

En het Belgische volk.

Arme lui, men wil u verpletteren,

Tusschen den koning en den paus,

Die tegen Vlaanderen

Een kruistocht predikt.

Ze komen, de veile knechten,Af op den reuk van het bloed;Benden honden,Slangen en hyena’s,Hongerig, dorstig.Arme vadergrond,Rijp voor verval en dood!

Ze komen, de veile knechten,

Af op den reuk van het bloed;

Benden honden,

Slangen en hyena’s,

Hongerig, dorstig.

Arme vadergrond,

Rijp voor verval en dood!

Niet don Juan maakt het Farnese,Des pausen lieveling,Makkelijk in ’t land,Maar wie gij overlaaddetMet goed en eere,Wie uw vrouwen de biecht afnamen,Uw dochters en uw kinderen!

Niet don Juan maakt het Farnese,

Des pausen lieveling,

Makkelijk in ’t land,

Maar wie gij overlaaddet

Met goed en eere,

Wie uw vrouwen de biecht afnamen,

Uw dochters en uw kinderen!

Die wierpen u ter aarde,En de Spanjaard zet uHet mes op de keel.Een snoode spot was ’tDat ze te BrusselDe komst van Oranje vierden!

Die wierpen u ter aarde,

En de Spanjaard zet u

Het mes op de keel.

Een snoode spot was ’t

Dat ze te Brussel

De komst van Oranje vierden!

Toen men op de vaartDie macht van vuurwerk zag,Waar de vreugd uit sprankte en knalde,En al die zegebooten,Tafreelen en tapijten,Arm België, dan vertoonde menEen oude historie:Joseph verkocht door zijn broeders.

Toen men op de vaart

Die macht van vuurwerk zag,

Waar de vreugd uit sprankte en knalde,

En al die zegebooten,

Tafreelen en tapijten,

Arm België, dan vertoonde men

Een oude historie:

Joseph verkocht door zijn broeders.

III.Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:—Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van ’s morgens tot ’s avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:—Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!En dra brachten zij alles in gereedheid.Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:—Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, ’t is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: ’t was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:—Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:—Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:—Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: ’t was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.—Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.—Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.—Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:—Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!—Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.—Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.—Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.—Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.—Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....—Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?—Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.—Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken,neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.—Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.—Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.

III.

Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:—Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van ’s morgens tot ’s avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:—Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!En dra brachten zij alles in gereedheid.Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:—Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, ’t is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: ’t was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:—Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:—Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:—Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: ’t was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.—Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.—Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.—Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:—Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!—Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.—Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.—Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.—Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.—Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....—Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?—Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.—Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken,neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.—Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.—Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.

Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.

En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:

—Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja, dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt, dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning, die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van ’s morgens tot ’s avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik, en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile, leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij, in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja, en ik spuw op ulieden.

Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:

—Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!

En dra brachten zij alles in gereedheid.

Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op jammerenden toon:

—Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, ’t is de duivel der grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld; genadige heeren, weest bermhertig: ’t was niet gemeend; sluit mijnen mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen, maar om Godswil, hangt mij niet op!

Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder, niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de keuken was om hem op te passen:

—Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!

Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar hem uitgestoken:

—Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven; messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen, die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne heeren, bidt voor mij.

Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:

—Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: ’t was maar de monnik, dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel, mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen, en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.

—Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en de Geuzen.

—Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.

—Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.

En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.

Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar en hoorde hem twisten met Nele:

—Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet; anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn bed niet liggen lijk een kalf!

—Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open, en gij sterft.

—Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.

—Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten genezen door ons.

—Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen, of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van ijzer zou zijn.

—Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij zijt ziek....

—Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen, moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij, uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor te dienen?

—Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.

—Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken,neen: arme vriend en kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben, ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik verdroog als een stok.

—Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.

—Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed als de Moeder Gods.

IV.Doch hij scheen aan de beterhand.Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.Den eersten Zaterdag zeide hij:—Vier voet.Daarna mat hij zich zelven en sprak:—Vier voet en half.En hij scheen weemoedig.Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:—Vier voet en drij kwart.En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:—Wat wilt ge van mij, dikzak?Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:—Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.Bij het tweede maal, zeide hij:—Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.—Ik heb geen eetlust, zei de monnik.—Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? ’t Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, ’t is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!—Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.Lamme, die grammoedig werd antwoordde:—Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:—Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:—Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.—Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: „Weest rechtveerdig jegens elkeen”. Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen—die oesters der armen—zooals gij er nooit kreegt in ’t convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zijgekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.—Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.—Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!En Lamme trok naar zijn bed.En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:—Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?—Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.

IV.

Doch hij scheen aan de beterhand.Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.Den eersten Zaterdag zeide hij:—Vier voet.Daarna mat hij zich zelven en sprak:—Vier voet en half.En hij scheen weemoedig.Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:—Vier voet en drij kwart.En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:—Wat wilt ge van mij, dikzak?Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:—Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.Bij het tweede maal, zeide hij:—Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.—Ik heb geen eetlust, zei de monnik.—Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? ’t Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, ’t is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!—Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.Lamme, die grammoedig werd antwoordde:—Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:—Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:—Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.—Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: „Weest rechtveerdig jegens elkeen”. Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen—die oesters der armen—zooals gij er nooit kreegt in ’t convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zijgekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.—Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.—Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!En Lamme trok naar zijn bed.En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:—Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?—Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.

Doch hij scheen aan de beterhand.

Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten, met een langen lederen riem.

Den eersten Zaterdag zeide hij:

—Vier voet.

Daarna mat hij zich zelven en sprak:

—Vier voet en half.

En hij scheen weemoedig.

Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol blijdschap:

—Vier voet en drij kwart.

En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:

—Wat wilt ge van mij, dikzak?

Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.

En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:

—Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te liggen.

Bij het tweede maal, zeide hij:

—Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.

—Ik heb geen eetlust, zei de monnik.

—Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het heetekoeken van boekweitbloem zijn? ’t Is zuivere tarwe, eerweerde vader, dikke, vette vader, ’t is bloem van tarwemeel, vader met vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is verblijd. Eet!

—Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.

Lamme, die grammoedig werd antwoordde:

—Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk eene zal brengen?

En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:

—Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet, hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene hesp, die zoo dik is?

Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:

—Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe; dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!

Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.

—Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u; meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja, ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten, want de Heer heeft gezeid: „Weest rechtveerdig jegens elkeen”. Waarin zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen—die oesters der armen—zooals gij er nooit kreegt in ’t convent; dommeriken laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der stoverije: als zijgekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen, heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun: maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.

... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme, die ze u liefdevol zal geven.

—Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.

—Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork: bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!

En Lamme trok naar zijn bed.

En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:

—Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil, zoo rijkelijk spijzen?

—Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.

V.Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!

V.

Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!

Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong Uilenspiegel:

Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!

Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Rukt zijn mom af,Willend heerschen over België.De verspaanschte staten,Doch niet verangevijnscht,Beschikken over de belastingen.Slaat op de trommelDer angevijnsche davering!

Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,

Rukt zijn mom af,

Willend heerschen over België.

De verspaanschte staten,

Doch niet verangevijnscht,

Beschikken over de belastingen.

Slaat op de trommel

Der angevijnsche davering!

In hunne handen houden zeDomeinen, accijns en renten,’t Benoemen der magistratenEn de ambten meteen.Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.O, de angevijnsche davering!

In hunne handen houden ze

Domeinen, accijns en renten,

’t Benoemen der magistraten

En de ambten meteen.

Op de hervormden heeft hij ’t gemunt,

Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,

Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.

O, de angevijnsche davering!

Want koning wil hij wordenDoor het zwaard en ’t geweld,Alleenheerschend koning voorgoed,Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.Innemen wil hij door verraad,Menig schoone stad en Antwerpen mee;Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,O, de angevijnsche davering!

Want koning wil hij worden

Door het zwaard en ’t geweld,

Alleenheerschend koning voorgoed,

Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.

Innemen wil hij door verraad,

Menig schoone stad en Antwerpen mee;

Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,

O, de angevijnsche davering!

Niet op u, Frankrijk,Werpt zich het volk, in blinde woede;Niet uw edel lichaam treffenMoorddadige wapenen;Niet uw kinderen zijn het,Wier lijken, hoop op hoop,De Kipdorppoorte vullen.O, de angevijnsche davering!

Niet op u, Frankrijk,

Werpt zich het volk, in blinde woede;

Niet uw edel lichaam treffen

Moorddadige wapenen;

Niet uw kinderen zijn het,

Wier lijken, hoop op hoop,

De Kipdorppoorte vullen.

O, de angevijnsche davering!

Neen, niet uw kinderen zijn hetDie het volk van de schansen neergooit,Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,En het onze wil drinken.Maar tusschen beker en lippen....O, de angevijnsche davering!

Neen, niet uw kinderen zijn het

Die het volk van de schansen neergooit,

Anjou is ’t, Zijn Doorluchtige Hoogheid,

Anjou is ’t, de lijdelijke wufteling,

Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,

En het onze wil drinken.

Maar tusschen beker en lippen....

O, de angevijnsche davering!

Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,Schreeuwt in een weerlooze stad:Tue, tue, vive la messe!Met zijn mooie lievelingen,Wier oogen blinkenVan ’t schandevuur, schaamteloos schuw,Der ontucht zonder liefde.O, de angevijnsche davering!

Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,

Schreeuwt in een weerlooze stad:

Tue, tue, vive la messe!

Met zijn mooie lievelingen,

Wier oogen blinken

Van ’t schandevuur, schaamteloos schuw,

Der ontucht zonder liefde.

O, de angevijnsche davering!

Hen velt men, niet u, arm volk,Op wien ze drukken met belasting,Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,U misprijzend, daar ze u afpersenKoorn, paarden, wagens,Gij, die hun een vader zijt,O, de angevijnsche davering!

Hen velt men, niet u, arm volk,

Op wien ze drukken met belasting,

Zoutgeld, hoofdgeld, ’t eerstenachtrecht,

U misprijzend, daar ze u afpersen

Koorn, paarden, wagens,

Gij, die hun een vader zijt,

O, de angevijnsche davering!

Gij, die hun een moeder zijt,Zogend de brooddronkendheidDier moedermoorders, welke, in den vreemdeUw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaanMet den smook van hun glorie,Als ze hechtenDoor woeste wapenfeiten....O, de angevijnsche davering!

Gij, die hun een moeder zijt,

Zogend de brooddronkendheid

Dier moedermoorders, welke, in den vreemde

Uw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaan

Met den smook van hun glorie,

Als ze hechten

Door woeste wapenfeiten....

O, de angevijnsche davering!

Een bloempjen aan uw krijgskroon,Een provincie aan uw grondgebied.Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,Den voet op den strot,Fransch volk, manhaftig volk,Den voet die verplet!En al de volkeren krijgen u liefOm de angevijnsche davering!

Een bloempjen aan uw krijgskroon,

Een provincie aan uw grondgebied.

Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,

Den voet op den strot,

Fransch volk, manhaftig volk,

Den voet die verplet!

En al de volkeren krijgen u lief

Om de angevijnsche davering!

VI.In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen ’s nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme’s wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.En de monnik zei:—Gij beleedigt mij, dikzak.—Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:—Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:—Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:—De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.—Waar is hij? Vet hij aan?En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:—Het groote werk wordt voltooid.Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:—Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!

VI.

In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen ’s nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme’s wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.En de monnik zei:—Gij beleedigt mij, dikzak.—Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:—Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:—Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:—De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.—Waar is hij? Vet hij aan?En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:—Het groote werk wordt voltooid.Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:—Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!

In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen ’s nachts langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme’s wond weder open; de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.

Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig binden op zijn bed.

Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.

En de monnik zei:

—Gij beleedigt mij, dikzak.

—Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.

De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts, maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich nog in de keuken en zei:

—Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?

Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:

—Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!

Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde klotsen, sprak hij verder:

—De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan ik geen vuur krijgen.

Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.

—Waar is hij? Vet hij aan?

En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit, zeggende:

—Het groote werk wordt voltooid.

Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen, dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:

—Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En ik? Tweehonderd twintig!

VII.In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:—Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:—Waarom roept gij? ik zie niets.—Zij is ’t, antwoordde Lamme, zij is ’t, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.Nele was ook op het dek geklommen.—Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.—Hij heeft nog koorts, sprak zij.—Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.—Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.—Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:—Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.Lamme antwoordde met horten en stooten:—Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon,de heure antwoordt: „Vrienden”. Vervolgens grovere stem: „Vive le Geus: bevelhebber van vliebootJohannamoet Lamme Goedzak spreken”. Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend—vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat—zij zelve zeide mij: „Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!” Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:—Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:—Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!Nele riep:—’t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!—Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!En zij zette een jammerlijk gezicht.—Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?—Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:—Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! ’t was die gemeene schavuit!Kalleken sprak:—Laster den man Gods niet!—De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:—Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.—Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.—Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?—Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.—Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!—Luister, zeide zij.—Spreek of zwijg, sprak Lamme, ’t is mij eender.—Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen inhet hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....—Behalve door hem ... zei Lamme weenend.—Zwijg toch, zeide zij grammoedig.—Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.—’t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.—De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:—Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.—Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!—Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.—„’t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee”. Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.—Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!—Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!—Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.Kalleken antwoordde:—Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.—Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....—Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.—Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?Nele sprak:—Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.—Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?—Ja, zeide zij.—Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.—Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.—Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?—Nooit! zeide zij.—Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.—Gij weent, zeide zij.—Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.Toen zei Nele:—Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.—Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.—Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.En Lamme zei tot den monnik:—Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?En, zijne rede vervolgend:—Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.—Zwijg, dikzak, zeide de monnik.—Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:—Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....—Dat is Geuzenwoord zeiden zij.—Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.—Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.—En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:—Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:—Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armenmartelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: „Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!”En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:—Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!Doch zij, weenend en sidderend, zeide:—O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!—Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.—Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.En Lamme zei tot den monnik:—Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.—Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.—Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!En hij zweeg, blazend en zweetend.Plotseling riep Lamme uit:—Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God,Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:—Kom, het is het uur van onze wettige liefde.Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:—Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:—Gij zijt droef, mijn vriend?—Hij was goed, zeide hij.—Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?—Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij ’t gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.En hij stierf als prior van zijn convent.

VII.

In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:—Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:—Waarom roept gij? ik zie niets.—Zij is ’t, antwoordde Lamme, zij is ’t, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.Nele was ook op het dek geklommen.—Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.—Hij heeft nog koorts, sprak zij.—Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.—Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.—Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:—Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.Lamme antwoordde met horten en stooten:—Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon,de heure antwoordt: „Vrienden”. Vervolgens grovere stem: „Vive le Geus: bevelhebber van vliebootJohannamoet Lamme Goedzak spreken”. Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend—vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat—zij zelve zeide mij: „Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!” Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:—Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:—Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!Nele riep:—’t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!—Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!En zij zette een jammerlijk gezicht.—Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?—Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:—Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! ’t was die gemeene schavuit!Kalleken sprak:—Laster den man Gods niet!—De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:—Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.—Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.—Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?—Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.—Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!—Luister, zeide zij.—Spreek of zwijg, sprak Lamme, ’t is mij eender.—Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen inhet hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....—Behalve door hem ... zei Lamme weenend.—Zwijg toch, zeide zij grammoedig.—Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.—’t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.—De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:—Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.—Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!—Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.—„’t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee”. Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.—Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!—Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!—Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.Kalleken antwoordde:—Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.—Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....—Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.—Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?Nele sprak:—Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.—Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?—Ja, zeide zij.—Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.—Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.—Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?—Nooit! zeide zij.—Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.—Gij weent, zeide zij.—Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.Toen zei Nele:—Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.—Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.—Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.En Lamme zei tot den monnik:—Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?En, zijne rede vervolgend:—Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.—Zwijg, dikzak, zeide de monnik.—Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:—Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....—Dat is Geuzenwoord zeiden zij.—Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.—Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.—En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:—Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:—Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armenmartelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: „Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!”En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:—Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!Doch zij, weenend en sidderend, zeide:—O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!—Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.—Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.En Lamme zei tot den monnik:—Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.—Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.—Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!En hij zweeg, blazend en zweetend.Plotseling riep Lamme uit:—Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God,Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:—Kom, het is het uur van onze wettige liefde.Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:—Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:—Gij zijt droef, mijn vriend?—Hij was goed, zeide hij.—Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?—Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij ’t gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.En hij stierf als prior van zijn convent.

In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering, werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:

—Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd de koorden door! snijd ze door!

Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:

—Waarom roept gij? ik zie niets.

—Zij is ’t, antwoordde Lamme, zij is ’t, mijne vrouw, daar in die sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die zangen en die vedeltonen kwamen.

Nele was ook op het dek geklommen.

—Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet, dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij, ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer, die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.

Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.

—Hij heeft nog koorts, sprak zij.

—Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!

Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in zee laten.

—Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven van ongeduld.

Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in de reede, op anker lag.

—Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld, de plaats van den roeier ingenomen had.

De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende zonne.

Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:

—Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.

Lamme antwoordde met horten en stooten:

—Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen: Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon,de heure antwoordt: „Vrienden”. Vervolgens grovere stem: „Vive le Geus: bevelhebber van vliebootJohannamoet Lamme Goedzak spreken”. Matroos laat de ladder beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen: breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend—vloeibaar vuur, dat als balsem nederviel op mijn gelaat—zij zelve zeide mij: „Ik weet, dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe: ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen, wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd, hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!” Zij kuste mij nog, weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....

Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.

Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:

—Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den vloed, sloep!

Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed; en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw, die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:

—Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen, maar ik bemin u. Ha! lieve man!

Nele riep:

—’t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!

—Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!

En zij zette een jammerlijk gezicht.

—Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?

—Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen: wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.

Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:

—Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! ’t was die gemeene schavuit!

Kalleken sprak:

—Laster den man Gods niet!

—De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik, die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...

Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:

—Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde nooit aan dien monnik.

—Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen, blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met mij....

Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.

—Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?

—Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.

—Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!

—Luister, zeide zij.

—Spreek of zwijg, sprak Lamme, ’t is mij eender.

—Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant; hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven den anderen, als best geschikt om de geloovigen inhet hemelrijk te brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....

—Behalve door hem ... zei Lamme weenend.

—Zwijg toch, zeide zij grammoedig.

—Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag toegebracht, ik zal hem niet overleven.

—’t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.

Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.

—De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.

En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.

Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:

—Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei, omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw, genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen, het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.

—Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw zoete biechte!

—Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.

Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot mij zelve, door middel van fleschjes.—„’t Is goed voor deze reize, mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene roede mee”. Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.

—Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!

—Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder, de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds, maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!

—Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.

Kalleken antwoordde:

—Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten, en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij, dat mijn man hem gevangen nam.

—Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....

—Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met heure handen bedekte.

—Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?

Nele sprak:

—Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te kwetsen.

—Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij beletten?

—Ja, zeide zij.

—Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?

Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en schreide tegelijk.

—Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.

—Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?

—Nooit! zeide zij.

—Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.

—Gij weent, zeide zij.

—Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.

Toen zei Nele:

—Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.

—Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.

—Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!

En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.

Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.

Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.

De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.

En Lamme zei tot den monnik:

—Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?

En, zijne rede vervolgend:

—Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.

—Zwijg, dikzak, zeide de monnik.

—Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!

Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:

—Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....

—Dat is Geuzenwoord zeiden zij.

—Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.

—Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.

—En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!

Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:

—Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!

Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:

—Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armenmartelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: „Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!”

En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:

—Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!

Doch zij, weenend en sidderend, zeide:

—O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!

—Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.

—Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.

En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.

En Lamme zei tot den monnik:

—Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.

—Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.

—Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!

En hij zweeg, blazend en zweetend.

Plotseling riep Lamme uit:

—Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!

... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God,Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....

Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:

—Kom, het is het uur van onze wettige liefde.

Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:

—Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!

En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:

—Gij zijt droef, mijn vriend?

—Hij was goed, zeide hij.

—Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?

—Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....

Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij ’t gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.

En hij stierf als prior van zijn convent.

VIII.Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te ’s-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.En de griffier sprak als volgt:—Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig ofonrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?—Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.—Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.—Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.—Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.—Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.De griffier vervolgde:—Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.—Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.—Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aanzekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.—Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.—Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.—Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.—Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.—Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.En de zegels des konings werden gebroken.En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: „Rustig onder de wreede baren”.Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.

VIII.

Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te ’s-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.En de griffier sprak als volgt:—Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig ofonrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?—Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.—Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.—Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.—Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.—Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.—Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.De griffier vervolgde:—Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.—Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.—Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aanzekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.—Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.—Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.—Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.—Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.—Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.En de zegels des konings werden gebroken.En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: „Rustig onder de wreede baren”.Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.

Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te ’s-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.

En de griffier sprak als volgt:

—Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig ofonrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?

—Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.

—Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.

—Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.

—Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.

—Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.

—Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.

—Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.

De griffier vervolgde:

—Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.

—Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.

—Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aanzekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.

—Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.

—Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.

—Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.

—Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.

—Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.

En de zegels des konings werden gebroken.

En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.

Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: „Rustig onder de wreede baren”.

Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.

En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.

En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.

IX.Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,—want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,—leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.’s Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:—Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.Uilenspiegel antwoordde:—Als ’t die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.—Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.’s Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, opde begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.—Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:—Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; ’t is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.—Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.—Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:—Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.Nele zeide hem:—Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:—Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?—Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?Maar zonder naar hem te luisteren;—Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.—Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.—’t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele’s en Uilenspiegel’s dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Kolen vormen diamant,Dwaze doctoren, leerlingen vroed.Is zeven slecht, zeven is goed.En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:Kijkt toe wie de macht hier torst,Der pausen paus, der vorsten vorst;Wie Caesar aan den leiband houdt,Kijkt toe, hij is van hout!Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:—Ik ben God!En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdatzij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.En de dwaallichtjes dansten rondom hen.En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:—Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.En men hoorde eene stem zeggen:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;Om asch te krijgen en tevens koolWat doet een vlooken op den dool?En de dwaallichtjes zeiden:—Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.En eene stem zeide:—Uilenspiegel, verbrand het hout.En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:—Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.En het bloed vloeide bij stroomen.En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:—Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:Als over land en waterenDie Zeven, hervormd, zullen heerschen,Menschen, hoofden hoog!’t Is het heil der wereld.En Uilenspiegel zeide:—Nele, die geesten spotten met ons.Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.En de geesten zongen:Raakt het Noorden,Kussend het Westen,Rampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.En grinnikend zongen zij:’t Noorden is Nederland,België ’t Westen.Gordel is vriendschap,Gordel verbond.—Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.En grinnikend zongen zij nog:De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.—Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van ’t menschdom en spotternij van ’t lot.Grinnikend hernamen de geesten:VerbondMet bloedEn dood,Was de Schelde daar niet!En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.

IX.

Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,—want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,—leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.’s Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:—Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.Uilenspiegel antwoordde:—Als ’t die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.—Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.’s Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, opde begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.—Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:—Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; ’t is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.—Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.—Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:—Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.Nele zeide hem:—Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:—Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?—Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?Maar zonder naar hem te luisteren;—Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.—Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.—’t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele’s en Uilenspiegel’s dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Kolen vormen diamant,Dwaze doctoren, leerlingen vroed.Is zeven slecht, zeven is goed.En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:Kijkt toe wie de macht hier torst,Der pausen paus, der vorsten vorst;Wie Caesar aan den leiband houdt,Kijkt toe, hij is van hout!Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:—Ik ben God!En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdatzij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.En de dwaallichtjes dansten rondom hen.En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:—Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.En men hoorde eene stem zeggen:Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;Om asch te krijgen en tevens koolWat doet een vlooken op den dool?En de dwaallichtjes zeiden:—Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.En eene stem zeide:—Uilenspiegel, verbrand het hout.En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:—Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.En het bloed vloeide bij stroomen.En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:—Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:Als over land en waterenDie Zeven, hervormd, zullen heerschen,Menschen, hoofden hoog!’t Is het heil der wereld.En Uilenspiegel zeide:—Nele, die geesten spotten met ons.Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.En de geesten zongen:Raakt het Noorden,Kussend het Westen,Rampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.—Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.En grinnikend zongen zij:’t Noorden is Nederland,België ’t Westen.Gordel is vriendschap,Gordel verbond.—Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.En grinnikend zongen zij nog:De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.—Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van ’t menschdom en spotternij van ’t lot.Grinnikend hernamen de geesten:VerbondMet bloedEn dood,Was de Schelde daar niet!En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.

Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.

Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.

Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,—want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,—leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.

Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.

De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.

Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.

’s Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.

De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.

Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:

—Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.

Uilenspiegel antwoordde:

—Als ’t die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.

—Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.

’s Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.

En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.

Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, opde begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.

—Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.

Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:

—Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; ’t is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.

—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.

—Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.

—Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.

Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.

Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.

Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:

—Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.

Nele zeide hem:

—Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.

En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:

—Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?

—Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?

Maar zonder naar hem te luisteren;

—Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.

Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.

—Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.

—’t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.

Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.

De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele’s en Uilenspiegel’s dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.

Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:

Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.

Lezen willen luizedwergenMet ziekelijk troebel oog,Wat wij zoo weigerlijk bergen:De teekenen heilig en hoog.

Lezen willen luizedwergen

Met ziekelijk troebel oog,

Wat wij zoo weigerlijk bergen:

De teekenen heilig en hoog.

Lelie, luis, het eerwaarde,Lelie, vloo, de geheimenis,Die in hemel, lucht en aardeMet zeven nagels vernageld is.

Lelie, luis, het eerwaarde,

Lelie, vloo, de geheimenis,

Die in hemel, lucht en aarde

Met zeven nagels vernageld is.

En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:

Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Kolen vormen diamant,Dwaze doctoren, leerlingen vroed.Is zeven slecht, zeven is goed.

Onder den mesthoop kiemt de plant.

Is zeven slecht, zeven is goed.

Kolen vormen diamant,

Dwaze doctoren, leerlingen vroed.

Is zeven slecht, zeven is goed.

En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:

Kijkt toe wie de macht hier torst,Der pausen paus, der vorsten vorst;Wie Caesar aan den leiband houdt,Kijkt toe, hij is van hout!

Kijkt toe wie de macht hier torst,

Der pausen paus, der vorsten vorst;

Wie Caesar aan den leiband houdt,

Kijkt toe, hij is van hout!

Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.

En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:

—Ik ben God!

En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdatzij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.

En de dwaallichtjes dansten rondom hen.

En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:

—Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud, het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje, verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.

En men hoorde eene stem zeggen:

Onder den mesthoop kiemt de plant.Is zeven slecht, zeven is goed.Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;Om asch te krijgen en tevens koolWat doet een vlooken op den dool?

Onder den mesthoop kiemt de plant.

Is zeven slecht, zeven is goed.

Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;

Om asch te krijgen en tevens kool

Wat doet een vlooken op den dool?

En de dwaallichtjes zeiden:

—Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild; de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!

Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden, waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.

En eene stem zeide:

—Uilenspiegel, verbrand het hout.

En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:

—Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.

En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke verbrandden tot assche.

En het bloed vloeide bij stroomen.

En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het eerste zeide:

—Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.

De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid, Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw, die Liefde hiet.

En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.

Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:

Als over land en waterenDie Zeven, hervormd, zullen heerschen,Menschen, hoofden hoog!’t Is het heil der wereld.

Als over land en wateren

Die Zeven, hervormd, zullen heerschen,

Menschen, hoofden hoog!

’t Is het heil der wereld.

En Uilenspiegel zeide:

—Nele, die geesten spotten met ons.

Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het luchtruim.

En de geesten zongen:

Raakt het Noorden,Kussend het Westen,Rampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.

Raakt het Noorden,

Kussend het Westen,

Rampspoed is uit.

Vind de Zeven

En den Gordel.

—Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt wel raadselachtig, heeren Geesten.

En grinnikend zongen zij:

’t Noorden is Nederland,België ’t Westen.Gordel is vriendschap,Gordel verbond.

’t Noorden is Nederland,

België ’t Westen.

Gordel is vriendschap,

Gordel verbond.

—Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.

En grinnikend zongen zij nog:

De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.

De gordel, arme,Om Neerland en België,Zal vriendschap wezen,Vroom verbond.

De gordel, arme,

Om Neerland en België,

Zal vriendschap wezen,

Vroom verbond.

Met raadEn daad,Met doodEn bloed,Als ’t moet,Was de Schelde daar niet,Arme, de Schelde.

Met raad

En daad,

Met dood

En bloed,

Als ’t moet,

Was de Schelde daar niet,

Arme, de Schelde.

—Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van ’t menschdom en spotternij van ’t lot.

Grinnikend hernamen de geesten:

VerbondMet bloedEn dood,Was de Schelde daar niet!

Verbond

Met bloed

En dood,

Was de Schelde daar niet!

En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.

X.Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.—Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf?Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.Nele knielde neder.—Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:—Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!De parochiepaap blies van genoegen en zei:—God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.—Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.—Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.—Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:—De groote Geus is dood, God zij geloofd!De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het grafde gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:—Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?De parochiepaap riep:—De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.Nele kwam bij Uilenspiegel.—Kus mij, liefste, zeide hij.Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op ’t gras.Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.—Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....EINDE.

X.

Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.—Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf?Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.Nele knielde neder.—Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:—Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!De parochiepaap blies van genoegen en zei:—God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.—Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.—Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.—Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:—De groote Geus is dood, God zij geloofd!De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het grafde gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:—Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?De parochiepaap riep:—De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.Nele kwam bij Uilenspiegel.—Kus mij, liefste, zeide hij.Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op ’t gras.Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.—Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....EINDE.

Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de meeuwen ontwaakten weldra.

Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel, insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode; zij werd van schrik bevangen.

—Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf?Ik wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!

Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij, en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.

In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel, en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand, de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm hield boven het hoofd van den paap.

Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der Heilige Roomsche Kerke.

Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.

Nele knielde neder.

—Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?

Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:

—Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!

De parochiepaap blies van genoegen en zei:

—God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.

—Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou koude hebben in den killen grond.

—Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade droeg.

—Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.

En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel en kuste zij het met tranen en snikken.

De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:

—De groote Geus is dood, God zij geloofd!

De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte hem met zand. En de parochiepaap las over het grafde gebeden der dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich, niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij de keel en zeide:

—Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?

De parochiepaap riep:

—De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne ziele genadig!

En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.

Nele kwam bij Uilenspiegel.

—Kus mij, liefste, zeide hij.

Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade, waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op ’t gras.

Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.

—Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven, nooit! Kom, Nele.

En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand weet waar hij zijn laatste zingen zal....

EINDE.


Back to IndexNext