XI.

XI.Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en opeen morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.En droefgeestig zei hij tot zich zelven:—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.

XI.Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en opeen morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.En droefgeestig zei hij tot zich zelven:—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.

XI.Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en opeen morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.En droefgeestig zei hij tot zich zelven:—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.

XI.

Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en opeen morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.En droefgeestig zei hij tot zich zelven:—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.

Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en opeen morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.

Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.

Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.

Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.

Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.

Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.

Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.

En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.

En droefgeestig zei hij tot zich zelven:

—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.


Back to IndexNext