XIII.Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug inden Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.Een kooldrager kwam voorbij en sprak:—Wat doet gij daar?—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.Een timmerman kwam.—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.Een monnik bleef staan.—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.De monnik gaf hem dien en toog henen.Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.—Hoort gij daar iets? vroeg hij.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.—Hij is zot, zei de serjant.—Hij is zot, herhaalden de poorters.
XIII.Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug inden Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.Een kooldrager kwam voorbij en sprak:—Wat doet gij daar?—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.Een timmerman kwam.—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.Een monnik bleef staan.—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.De monnik gaf hem dien en toog henen.Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.—Hoort gij daar iets? vroeg hij.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.—Hij is zot, zei de serjant.—Hij is zot, herhaalden de poorters.
XIII.Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug inden Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.Een kooldrager kwam voorbij en sprak:—Wat doet gij daar?—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.Een timmerman kwam.—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.Een monnik bleef staan.—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.De monnik gaf hem dien en toog henen.Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.—Hoort gij daar iets? vroeg hij.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.—Hij is zot, zei de serjant.—Hij is zot, herhaalden de poorters.
XIII.
Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug inden Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.Een kooldrager kwam voorbij en sprak:—Wat doet gij daar?—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.Een timmerman kwam.—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.Een monnik bleef staan.—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.De monnik gaf hem dien en toog henen.Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.—Hoort gij daar iets? vroeg hij.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.—Hij is zot, zei de serjant.—Hij is zot, herhaalden de poorters.
Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. ’s Avonds vond hij Uilenspiegel terug inden Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.
Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.
Een kooldrager kwam voorbij en sprak:
—Wat doet gij daar?
—Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.
Een timmerman kwam.
—Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.
—Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.
Een monnik bleef staan.
—Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.
—Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.
De monnik gaf hem dien en toog henen.
Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.
—Hoort gij daar iets? vroeg hij.
—Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.
—Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.
—Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.
—Hij is zot, zei de serjant.
—Hij is zot, herhaalden de poorters.