XIII.Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.Het gevecht greep plaats in een kleine heide.Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkantvan zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.—Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.—Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.Hij antwoordde:—Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:—Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen,een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.Riesencraft antwoordde:—Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in ’t ronde.De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van ’t gevecht.En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:—Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:—Roep om genade, of ik doe u hem slikken!Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.—God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.En treurig gestemd, toog hij henen.
XIII.Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.Het gevecht greep plaats in een kleine heide.Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkantvan zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.—Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.—Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.Hij antwoordde:—Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:—Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen,een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.Riesencraft antwoordde:—Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in ’t ronde.De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van ’t gevecht.En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:—Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:—Roep om genade, of ik doe u hem slikken!Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.—God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.En treurig gestemd, toog hij henen.
XIII.Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.Het gevecht greep plaats in een kleine heide.Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkantvan zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.—Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.—Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.Hij antwoordde:—Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:—Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen,een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.Riesencraft antwoordde:—Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in ’t ronde.De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van ’t gevecht.En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:—Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:—Roep om genade, of ik doe u hem slikken!Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.—God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.En treurig gestemd, toog hij henen.
XIII.
Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.Het gevecht greep plaats in een kleine heide.Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkantvan zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.—Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.—Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.Hij antwoordde:—Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:—Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen,een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.Riesencraft antwoordde:—Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in ’t ronde.De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van ’t gevecht.En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:—Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:—Roep om genade, of ik doe u hem slikken!Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.—God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.En treurig gestemd, toog hij henen.
Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.
Het gevecht greep plaats in een kleine heide.
Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.
Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.
Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkantvan zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.
Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.
Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.
—Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.
—Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.
Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.
De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.
Hij antwoordde:
—Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.
Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.
Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.
Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:
—Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen,een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.
Riesencraft antwoordde:
—Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.
De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in ’t ronde.
De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van ’t gevecht.
En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.
Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:
—Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!
En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:
—Roep om genade, of ik doe u hem slikken!
Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.
—God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.
En treurig gestemd, toog hij henen.