XIX.

XIX.De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij ’s nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet’s neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveernede Blauwe Ganswas gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo’n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.—Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:—Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.—Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?—Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, ’s daags de booze en wreede edictenZijner Majesteit drukken moet, ’s nachts ben ik de zaaier van ’t echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.—Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.—Ik heb het geloove, antwoordde Simon.Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.

XIX.De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij ’s nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet’s neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveernede Blauwe Ganswas gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo’n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.—Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:—Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.—Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?—Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, ’s daags de booze en wreede edictenZijner Majesteit drukken moet, ’s nachts ben ik de zaaier van ’t echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.—Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.—Ik heb het geloove, antwoordde Simon.Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.

XIX.De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij ’s nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet’s neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveernede Blauwe Ganswas gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo’n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.—Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:—Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.—Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?—Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, ’s daags de booze en wreede edictenZijner Majesteit drukken moet, ’s nachts ben ik de zaaier van ’t echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.—Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.—Ik heb het geloove, antwoordde Simon.Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.

XIX.

De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij ’s nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet’s neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveernede Blauwe Ganswas gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo’n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.—Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:—Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.—Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?—Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, ’s daags de booze en wreede edictenZijner Majesteit drukken moet, ’s nachts ben ik de zaaier van ’t echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.—Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.—Ik heb het geloove, antwoordde Simon.Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.

De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.

Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij ’s nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.

En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.

Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.

Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet’s neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveernede Blauwe Ganswas gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo’n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.

En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.

Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.

Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.

Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.

Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.

—Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.

Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:

—Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.

—Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?

—Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, ’s daags de booze en wreede edictenZijner Majesteit drukken moet, ’s nachts ben ik de zaaier van ’t echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.

—Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.

—Ik heb het geloove, antwoordde Simon.

Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.


Back to IndexNext