XI.

XI.Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: „Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!” riep broeder Cornelis uit:„Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! AllerheiligsteMoeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men ’t geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!„Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;—ja, ’t kan zijn—maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!„Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiënmet hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: ’t is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: „Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis”. „Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopenzonderzout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse”. „Er is geen vagevier”, zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan ’t bestaan van het vagevier!„Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.„Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.„Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. ’t Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!„Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op ’t kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit deooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: „Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet.” De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!„Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!„En nochtans is ’t rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van ’t gemeen riepen: „Leve de geus!” alsof zij allen razend, zat of zot waren.„Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: „Leve de geus! Leve de geus!” laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan ’t roepen: „Leve de geus!”„En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!„En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: „Leve de geus!” Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.„Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: „Leve de geus!” Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen,koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van „Leve de geus!” En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!—Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.—Dadelijk, sprak Lamme.En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.

XI.Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: „Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!” riep broeder Cornelis uit:„Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! AllerheiligsteMoeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men ’t geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!„Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;—ja, ’t kan zijn—maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!„Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiënmet hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: ’t is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: „Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis”. „Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopenzonderzout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse”. „Er is geen vagevier”, zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan ’t bestaan van het vagevier!„Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.„Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.„Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. ’t Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!„Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op ’t kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit deooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: „Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet.” De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!„Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!„En nochtans is ’t rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van ’t gemeen riepen: „Leve de geus!” alsof zij allen razend, zat of zot waren.„Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: „Leve de geus! Leve de geus!” laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan ’t roepen: „Leve de geus!”„En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!„En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: „Leve de geus!” Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.„Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: „Leve de geus!” Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen,koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van „Leve de geus!” En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!—Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.—Dadelijk, sprak Lamme.En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.

XI.Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: „Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!” riep broeder Cornelis uit:„Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! AllerheiligsteMoeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men ’t geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!„Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;—ja, ’t kan zijn—maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!„Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiënmet hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: ’t is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: „Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis”. „Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopenzonderzout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse”. „Er is geen vagevier”, zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan ’t bestaan van het vagevier!„Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.„Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.„Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. ’t Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!„Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op ’t kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit deooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: „Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet.” De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!„Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!„En nochtans is ’t rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van ’t gemeen riepen: „Leve de geus!” alsof zij allen razend, zat of zot waren.„Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: „Leve de geus! Leve de geus!” laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan ’t roepen: „Leve de geus!”„En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!„En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: „Leve de geus!” Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.„Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: „Leve de geus!” Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen,koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van „Leve de geus!” En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!—Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.—Dadelijk, sprak Lamme.En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.

XI.

Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: „Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!” riep broeder Cornelis uit:„Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! AllerheiligsteMoeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men ’t geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!„Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;—ja, ’t kan zijn—maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!„Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiënmet hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: ’t is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: „Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis”. „Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopenzonderzout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse”. „Er is geen vagevier”, zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan ’t bestaan van het vagevier!„Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.„Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.„Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. ’t Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!„Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op ’t kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit deooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: „Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet.” De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!„Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!„En nochtans is ’t rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van ’t gemeen riepen: „Leve de geus!” alsof zij allen razend, zat of zot waren.„Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: „Leve de geus! Leve de geus!” laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan ’t roepen: „Leve de geus!”„En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!„En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: „Leve de geus!” Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.„Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: „Leve de geus!” Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen,koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van „Leve de geus!” En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!—Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.—Dadelijk, sprak Lamme.En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.

Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van geld meer hooren.

Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende, blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten in den kansel der waarheid.

Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.

Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden: „Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en, volgens die wet, moet hij sterven!” riep broeder Cornelis uit:

„Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld, omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij over deze landen doen vallen! AllerheiligsteMoeder Gods, was keizer Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas, willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius, die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden, Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren, in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige, glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn, die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander; ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door, hoorde men ’t geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!

„Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja, goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;—ja, ’t kan zijn—maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!

„Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder, de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken, dat wij onze hostiënmet hondenvet bakken! Een ander durft zeggen: ’t is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat: „Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches, geen eeuwige verdoemenis”. „Men mag, zegt die andere ginder, men mag doopenzonderzout, zonder vet, zonder speeksel, zonder duivelbezwering en zonder keerse”. „Er is geen vagevier”, zegt een ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden, ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter, dan een oogenblik te twijfelen aan ’t bestaan van het vagevier!

„Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten, gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde predikatiën.

„Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden, zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en serpenten van de gemeente.

„Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en vrede, Gods woord aanhooren. ’t Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen, die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen, op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!

„Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren daar gevieren, vier truwanten, die preekten op ’t kerkhof. De eerste bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit deooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken, als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens jouwden hem uiten riepen: „Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet.” De derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!

„Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels, die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg: zij zijn allen gekortoord!

„En nochtans is ’t rond die schelmen, rond die diepers, rond die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige predikanten, dat die van ’t gemeen riepen: „Leve de geus!” alsof zij allen razend, zat of zot waren.

„Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: „Leve de geus! Leve de geus!” laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan ’t roepen: „Leve de geus!”

„En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen zij het goed van kerken en kloosters!

„En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: „Leve de geus!” Ha! ware ik in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile, stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens hadden kunnen wasschen.

„Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: „Leve de geus!” Ja, tiert maar op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen,koortsen, pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God gewroken worden over uw vuil getier van „Leve de geus!” En er blijft geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen, die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij liepen. Het zij zoo! Amen!

—Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.

—Dadelijk, sprak Lamme.

En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.


Back to IndexNext