XI.De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van ’t gevolg van den Zwijger.En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan ’t gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: „De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan”.’s Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:—Wat hebt gij gedaan?—Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannenen soldaten tot elkander: ’t Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in ’t bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.—’s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:—De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent ’t lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.—De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.—De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:—Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.—Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in’t leven niet blijven.In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoosttegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:—Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.—Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?—Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.Hij kwam buiten.Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:—Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in ’s prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Alsbelooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.Allen riepen met groot rumoer:—Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:—Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.En de heeren en soldaten riepen:—Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor ’t onrecht.Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:—Begraaft ze als kerstenen.—En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.Toen sprak de Zwijger:—Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.—Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.—Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.—En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.—Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.—Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in ’t geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.—Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,—Zijt gij gereed? vroeg de provoost.—Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.—Spoed u, sprak de stokmeester.—Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.—Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.Lamme kwam achteraan en zuchtte:—Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.Toen sprak de prins:—Ik schenk hem genade.Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme’s buik, dwong hem tot dansen en sprak:—Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.
XI.De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van ’t gevolg van den Zwijger.En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan ’t gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: „De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan”.’s Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:—Wat hebt gij gedaan?—Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannenen soldaten tot elkander: ’t Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in ’t bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.—’s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:—De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent ’t lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.—De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.—De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:—Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.—Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in’t leven niet blijven.In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoosttegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:—Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.—Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?—Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.Hij kwam buiten.Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:—Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in ’s prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Alsbelooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.Allen riepen met groot rumoer:—Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:—Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.En de heeren en soldaten riepen:—Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor ’t onrecht.Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:—Begraaft ze als kerstenen.—En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.Toen sprak de Zwijger:—Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.—Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.—Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.—En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.—Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.—Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in ’t geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.—Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,—Zijt gij gereed? vroeg de provoost.—Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.—Spoed u, sprak de stokmeester.—Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.—Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.Lamme kwam achteraan en zuchtte:—Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.Toen sprak de prins:—Ik schenk hem genade.Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme’s buik, dwong hem tot dansen en sprak:—Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.
XI.De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van ’t gevolg van den Zwijger.En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan ’t gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: „De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan”.’s Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:—Wat hebt gij gedaan?—Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannenen soldaten tot elkander: ’t Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in ’t bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.—’s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:—De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent ’t lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.—De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.—De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:—Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.—Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in’t leven niet blijven.In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoosttegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:—Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.—Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?—Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.Hij kwam buiten.Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:—Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in ’s prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Alsbelooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.Allen riepen met groot rumoer:—Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:—Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.En de heeren en soldaten riepen:—Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor ’t onrecht.Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:—Begraaft ze als kerstenen.—En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.Toen sprak de Zwijger:—Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.—Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.—Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.—En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.—Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.—Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in ’t geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.—Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,—Zijt gij gereed? vroeg de provoost.—Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.—Spoed u, sprak de stokmeester.—Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.—Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.Lamme kwam achteraan en zuchtte:—Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.Toen sprak de prins:—Ik schenk hem genade.Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme’s buik, dwong hem tot dansen en sprak:—Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.
XI.
De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van ’t gevolg van den Zwijger.En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan ’t gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: „De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan”.’s Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:—Wat hebt gij gedaan?—Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannenen soldaten tot elkander: ’t Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in ’t bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.—’s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:—De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent ’t lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.—De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.—De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:—Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.—Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in’t leven niet blijven.In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoosttegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:—Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.—Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?—Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.Hij kwam buiten.Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:—Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in ’s prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Alsbelooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.Allen riepen met groot rumoer:—Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:—Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.En de heeren en soldaten riepen:—Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor ’t onrecht.Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:—Begraaft ze als kerstenen.—En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.Toen sprak de Zwijger:—Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.—Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.—Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.—En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.—Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.—Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in ’t geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.—Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,—Zijt gij gereed? vroeg de provoost.—Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.—Spoed u, sprak de stokmeester.—Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.—Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.Lamme kwam achteraan en zuchtte:—Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.Toen sprak de prins:—Ik schenk hem genade.Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme’s buik, dwong hem tot dansen en sprak:—Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.
De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.
Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.
Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van ’t gevolg van den Zwijger.
En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.
Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan ’t gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: „De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan”.
’s Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.
Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:
—Wat hebt gij gedaan?
—Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannenen soldaten tot elkander: ’t Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in ’t bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.
—’s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:
—De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent ’t lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.
—De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.
—De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?
Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:
—Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.
—Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in’t leven niet blijven.
In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.
Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.
Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.
Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoosttegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:
—Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.
—Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?
—Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.
En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.
Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.
Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.
Hij kwam buiten.
Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:
—Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.
Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.
De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in ’s prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Alsbelooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.
Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.
Allen riepen met groot rumoer:
—Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!
Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:
—Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.
En de heeren en soldaten riepen:
—Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!
En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor ’t onrecht.
Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:
—Begraaft ze als kerstenen.
—En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.
Toen sprak de Zwijger:
—Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.
—Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.
—Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.
—En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.
—Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!
Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.
—Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in ’t geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.
—Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,
—Zijt gij gereed? vroeg de provoost.
—Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.
—Spoed u, sprak de stokmeester.
—Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.
—Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.
Lamme kwam achteraan en zuchtte:
—Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.
Toen sprak de prins:
—Ik schenk hem genade.
Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme’s buik, dwong hem tot dansen en sprak:
—Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.
En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.
En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.