XLIII.

XLIII.Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.—Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.—Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?—Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.—’t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, alscredo, staat verre daarboven.—Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.Lamme Goedzak antwoordde:—’k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.—Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak Lamme.En beiden slenterden voort langs de markt.Eensklaps vroeg Lamme:—Weet gij waarom gij niet wijs zijt?—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.—Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.—Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.—Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, ’t is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d’Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:—Zij heeft mij bezien.Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.—Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?—Ik zal hem probeeren, sprak zij.—Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.Terwijl Uilenspiegel aan ’t eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.—Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?—Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.—In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.—Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.—Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:—Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.—De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.—Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.—Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.—Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.Sanginne kwam terug en ze sprak:—Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.—Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:—Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.—Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?—Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.—Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:—Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, ’t is tweeuren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.

XLIII.Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.—Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.—Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?—Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.—’t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, alscredo, staat verre daarboven.—Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.Lamme Goedzak antwoordde:—’k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.—Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak Lamme.En beiden slenterden voort langs de markt.Eensklaps vroeg Lamme:—Weet gij waarom gij niet wijs zijt?—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.—Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.—Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.—Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, ’t is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d’Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:—Zij heeft mij bezien.Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.—Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?—Ik zal hem probeeren, sprak zij.—Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.Terwijl Uilenspiegel aan ’t eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.—Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?—Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.—In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.—Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.—Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:—Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.—De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.—Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.—Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.—Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.Sanginne kwam terug en ze sprak:—Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.—Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:—Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.—Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?—Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.—Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:—Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, ’t is tweeuren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.

XLIII.Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.—Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.—Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?—Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.—’t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, alscredo, staat verre daarboven.—Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.Lamme Goedzak antwoordde:—’k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.—Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak Lamme.En beiden slenterden voort langs de markt.Eensklaps vroeg Lamme:—Weet gij waarom gij niet wijs zijt?—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.—Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.—Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.—Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, ’t is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d’Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:—Zij heeft mij bezien.Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.—Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?—Ik zal hem probeeren, sprak zij.—Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.Terwijl Uilenspiegel aan ’t eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.—Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?—Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.—In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.—Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.—Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:—Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.—De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.—Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.—Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.—Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.Sanginne kwam terug en ze sprak:—Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.—Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:—Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.—Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?—Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.—Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:—Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, ’t is tweeuren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.

XLIII.

Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.—Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.—Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?—Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.—’t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, alscredo, staat verre daarboven.—Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.Lamme Goedzak antwoordde:—’k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.—Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.—Ja, sprak Lamme.En beiden slenterden voort langs de markt.Eensklaps vroeg Lamme:—Weet gij waarom gij niet wijs zijt?—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.—Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.—Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.—Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.—Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, ’t is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d’Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:—Zij heeft mij bezien.Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.—Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?—Ik zal hem probeeren, sprak zij.—Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.Terwijl Uilenspiegel aan ’t eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.—Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?—Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.—In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.—Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.—Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:—Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.—De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.—Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.—Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.—Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.Sanginne kwam terug en ze sprak:—Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.—Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:—Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.—Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?—Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.—Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:—Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, ’t is tweeuren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.

Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.

Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.

—Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.

—Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?

—Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.

—’t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster, alscredo, staat verre daarboven.

—Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.

Lamme Goedzak antwoordde:

—’k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd, die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.

—Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.

—Ja, sprak Lamme.

En beiden slenterden voort langs de markt.

Eensklaps vroeg Lamme:

—Weet gij waarom gij niet wijs zijt?

—Neen, antwoordde Uilenspiegel.

Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.

—Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.

—Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.

Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone, lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en Lamme toelonkte.

Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met visch, het ander met wild.

—Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.

—Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, ’t is een Vlaamsche van Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d’Isle, en de buren zeggen, dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat heur vader heure hemdenen strijkt.

Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:

—Zij heeft mij bezien.

Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.

—Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te helpen in uw werk?

—Ik zal hem probeeren, sprak zij.

—Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.

Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene homp brood.

Terwijl Uilenspiegel aan ’t eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.

—Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?

—Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.

—In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van de Maas.

—Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een eenzame ziele.

—Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.

Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.

Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:

—Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met een slappen en ledigen buik.

—De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.

—Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.

—Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten lijk ik.

—Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.

Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels, potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.

Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.

Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.

Sanginne kwam terug en ze sprak:

—Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.

—Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.

Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:

—Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.

—Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?

—Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.

—Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.

Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half, als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.

Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.

Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:

—Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, ’t is tweeuren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat, moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.

En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.


Back to IndexNext