XLII.

XLII.De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat triltonder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in ’t licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.Lamme sprak:—Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.En hij zweeg.Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel’s lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:—Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.De meester-koolbrander sprak:—Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:—Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan ’t eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne’s teil.Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:—Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.De reuk van de azijnsaus streelde Lamme’s neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:—Thijl! Thijl!Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:—Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele’s aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:—Waar heb ik dien dikzak nog gezien?—Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.—Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: „Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen”.Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.

XLII.De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat triltonder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in ’t licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.Lamme sprak:—Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.En hij zweeg.Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel’s lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:—Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.De meester-koolbrander sprak:—Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:—Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan ’t eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne’s teil.Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:—Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.De reuk van de azijnsaus streelde Lamme’s neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:—Thijl! Thijl!Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:—Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele’s aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:—Waar heb ik dien dikzak nog gezien?—Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.—Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: „Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen”.Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.

XLII.De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat triltonder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in ’t licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.Lamme sprak:—Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.En hij zweeg.Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel’s lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:—Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.De meester-koolbrander sprak:—Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:—Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan ’t eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne’s teil.Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:—Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.De reuk van de azijnsaus streelde Lamme’s neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:—Thijl! Thijl!Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:—Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele’s aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:—Waar heb ik dien dikzak nog gezien?—Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.—Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: „Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen”.Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.

XLII.

De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat triltonder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in ’t licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.Lamme sprak:—Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.Doch Uilenspiegel antwoordde niet.—Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.En hij zweeg.Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel’s lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:—Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.De meester-koolbrander sprak:—Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:—Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan ’t eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne’s teil.Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:—Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.De reuk van de azijnsaus streelde Lamme’s neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:—Thijl! Thijl!Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:—Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele’s aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:—Waar heb ik dien dikzak nog gezien?—Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.—Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: „Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen”.Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.

De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden, de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een dartel meideken, dat triltonder de kussen van beuren geliefde. De karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme, vochtige damp omhoog, die schitterde in ’t licht. Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter, Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.

Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten, zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.

Lamme sprak:

—Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.

Doch Uilenspiegel antwoordde niet.

—Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie weet of ik daar mijne vrouw niet zie.

Doch Uilenspiegel antwoordde niet.

—Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen, noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.

Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht, met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.

En hij zweeg.

Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme; zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde, met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand werd; Uilenspiegel’s lippen beefden heviger, doch hij weende niet meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:

—Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.

De meester-koolbrander sprak:

—Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij thuis waart in deze halle.

Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en van Soetkin en weende.

Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:

—Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij dorst hebt.

Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.

Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef, terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.

Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne was aan ’t eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand, gereed om saus te gieten in Katelijne’s teil.

Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan, dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd en sprak:

—Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.

De reuk van de azijnsaus streelde Lamme’s neus; de dikke man was in verzoeking gebracht.

Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele met een teederen, liefderijken glimlach.

En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk, blozend van zoet en innig genoegen:

—Thijl! Thijl!

Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde, die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek, om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden, totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en zonder verlegenheid zeide zij:

—Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!

Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele’s aandoening een weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:

—Waar heb ik dien dikzak nog gezien?

—Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap zoekt hij zijn wettige vrouw.

—Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord: „Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet meer wonen”.

Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.


Back to IndexNext