XLIX.

XLIX.Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, ’t is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, ’s Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:—Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.—Wat is het dan? vroegen de klanten.—Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.De klanten zeiden tot elkander:’t Is een Turk.Anderen spraken:—Maar neen, ’t is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij ’t niet aan zijne tale?En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:—Geef ons eenige profetische zaadkorrels.—Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:—Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.—Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.—Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.—Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.—Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:—Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.—Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.De jonge snaak was grammoedig en vroeg:—Wat wilt gij zeggen?—De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:—Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:—Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?—Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.Maar de jongeling was weg met den sleutel.Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:—Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?—Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:—Houdt den dief! houdt den dief!Maar deze was de gaten uit.Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:—Wat verkoopt gij daar, Vlaming?—Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.—En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.—Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:—Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.—Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.—Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trektdan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en ’t genot hebben.—Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in ’t gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?En de joden riepen:—Kom Messias! Zuig, Jehu!Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:—Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.

XLIX.Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, ’t is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, ’s Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:—Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.—Wat is het dan? vroegen de klanten.—Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.De klanten zeiden tot elkander:’t Is een Turk.Anderen spraken:—Maar neen, ’t is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij ’t niet aan zijne tale?En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:—Geef ons eenige profetische zaadkorrels.—Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:—Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.—Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.—Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.—Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.—Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:—Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.—Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.De jonge snaak was grammoedig en vroeg:—Wat wilt gij zeggen?—De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:—Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:—Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?—Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.Maar de jongeling was weg met den sleutel.Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:—Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?—Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:—Houdt den dief! houdt den dief!Maar deze was de gaten uit.Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:—Wat verkoopt gij daar, Vlaming?—Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.—En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.—Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:—Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.—Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.—Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trektdan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en ’t genot hebben.—Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in ’t gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?En de joden riepen:—Kom Messias! Zuig, Jehu!Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:—Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.

XLIX.Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, ’t is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, ’s Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:—Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.—Wat is het dan? vroegen de klanten.—Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.De klanten zeiden tot elkander:’t Is een Turk.Anderen spraken:—Maar neen, ’t is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij ’t niet aan zijne tale?En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:—Geef ons eenige profetische zaadkorrels.—Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:—Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.—Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.—Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.—Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.—Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:—Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.—Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.De jonge snaak was grammoedig en vroeg:—Wat wilt gij zeggen?—De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:—Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:—Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?—Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.Maar de jongeling was weg met den sleutel.Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:—Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?—Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:—Houdt den dief! houdt den dief!Maar deze was de gaten uit.Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:—Wat verkoopt gij daar, Vlaming?—Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.—En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.—Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:—Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.—Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.—Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trektdan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en ’t genot hebben.—Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in ’t gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?En de joden riepen:—Kom Messias! Zuig, Jehu!Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:—Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.

XLIX.

Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, ’t is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, ’s Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:—Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.—Wat is het dan? vroegen de klanten.—Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.De klanten zeiden tot elkander:’t Is een Turk.Anderen spraken:—Maar neen, ’t is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij ’t niet aan zijne tale?En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:—Geef ons eenige profetische zaadkorrels.—Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:—Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.—Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.—Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.—Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.—Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:—Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.—Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.De jonge snaak was grammoedig en vroeg:—Wat wilt gij zeggen?—De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:—Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:—Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?—Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.Maar de jongeling was weg met den sleutel.Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:—Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?—Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:—Houdt den dief! houdt den dief!Maar deze was de gaten uit.Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:—Wat verkoopt gij daar, Vlaming?—Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.—En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.—Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:—Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.—Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.—Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trektdan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en ’t genot hebben.—Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in ’t gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?En de joden riepen:—Kom Messias! Zuig, Jehu!Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:—Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.

Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.

Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en schacheraars.

Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, ’t is te zeggen naar een hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint, alsof er muskus in stak.

Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode en groene zakjes, ’s Avonds stelde hij een keersken midden tusschen de zakjes, om ze te verlichten.

Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op geheimzinnigen toon:

—Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.

—Wat is het dan? vroegen de klanten.

—Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten Mahomed.

De klanten zeiden tot elkander:

’t Is een Turk.

Anderen spraken:

—Maar neen, ’t is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij ’t niet aan zijne tale?

En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:

—Geef ons eenige profetische zaadkorrels.

—Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.

En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen, zeggende:

—Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!

Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een Vlaming was met profetische zaadkorrels.

—Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.

En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne zaadkorrels.

Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden, die langs de markt slenterden.

—Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden zal van mijn schip, dat op zee is.

—Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde Uilenspiegel.

Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid, en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.

—Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel, want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man, die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:

—Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of ik dezen nacht alleene zal slapen.

—Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait, zal horens maaien.

De jonge snaak was grammoedig en vroeg:

—Wat wilt gij zeggen?

—De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed opzet. Kent gij dat hoofddeksel?

Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:

—Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop, geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.

Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:

—Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?

—Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur stil in het oor.

Maar de jongeling was weg met den sleutel.

Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij Uilenspiegel, en hij vroeg hem:

—Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?

—Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar de galg zal brengen.

Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen koopman riep:

—Houdt den dief! houdt den dief!

Maar deze was de gaten uit.

Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:

—Wat verkoopt gij daar, Vlaming?

—Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.

—En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.

—Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde Uilenspiegel.

De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot den anderen:

—Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.

—Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.

—Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trektdan maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet van noode.

Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden voorzeggen.

Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu hiet, wilde alleen de eer en ’t genot hebben.

—Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in ’t gelaat, want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere, God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?

En de joden riepen:

—Kom Messias! Zuig, Jehu!

Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:

—Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim is een dief.

Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.


Back to IndexNext