XVI.Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.—Wat wilt ge? vroeg Egmond.—Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.—Ga heen en laat mij, sprak de graaf.—Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.—Moet gij dan van de zweep hebben?—Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in ’t Escuriaal.—Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met ’t Escuriaal, antwoordde de graaf.—Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:—Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.—Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.—Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.—Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.—Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:—Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanninghet Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:—Is er iemand?Uilenspiegel, die bij ’t Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.De graaf herkende hem:—Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.—Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
XVI.Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.—Wat wilt ge? vroeg Egmond.—Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.—Ga heen en laat mij, sprak de graaf.—Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.—Moet gij dan van de zweep hebben?—Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in ’t Escuriaal.—Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met ’t Escuriaal, antwoordde de graaf.—Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:—Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.—Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.—Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.—Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.—Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:—Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanninghet Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:—Is er iemand?Uilenspiegel, die bij ’t Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.De graaf herkende hem:—Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.—Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
XVI.Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.—Wat wilt ge? vroeg Egmond.—Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.—Ga heen en laat mij, sprak de graaf.—Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.—Moet gij dan van de zweep hebben?—Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in ’t Escuriaal.—Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met ’t Escuriaal, antwoordde de graaf.—Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:—Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.—Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.—Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.—Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.—Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:—Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanninghet Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:—Is er iemand?Uilenspiegel, die bij ’t Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.De graaf herkende hem:—Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.—Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
XVI.
Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.—Wat wilt ge? vroeg Egmond.—Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.—Ga heen en laat mij, sprak de graaf.—Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.—Moet gij dan van de zweep hebben?—Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in ’t Escuriaal.—Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met ’t Escuriaal, antwoordde de graaf.—Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:—Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.—Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.—Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.—Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.—Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:—Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanninghet Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:—Is er iemand?Uilenspiegel, die bij ’t Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.De graaf herkende hem:—Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.—Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.
—Wat wilt ge? vroeg Egmond.
—Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.
—Ga heen en laat mij, sprak de graaf.
—Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.
—Moet gij dan van de zweep hebben?
—Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in ’t Escuriaal.
—Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met ’t Escuriaal, antwoordde de graaf.
—Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.
Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).
Op 15 der Oogstmaand werd een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen. (Blz. 204).
Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:
—Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.
—Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.
—Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.
—Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.
—Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.
De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:
—Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!
Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanninghet Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.
De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:
—Is er iemand?
Uilenspiegel, die bij ’t Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.
De graaf herkende hem:
—Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.
—Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.
De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.