XVI.

XVI.Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan ’t sneeuwen.Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in ’t veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. „Wellicht”, zeide hij in zichzelven, „wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw.” Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.Uilenspiegel sprak:—Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.En hij zond een kogel in ’t voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:—Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wijdezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:—Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:—Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:—Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: „Zoek in dood, puinen en tranen”.En hij ging voort.

XVI.Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan ’t sneeuwen.Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in ’t veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. „Wellicht”, zeide hij in zichzelven, „wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw.” Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.Uilenspiegel sprak:—Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.En hij zond een kogel in ’t voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:—Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wijdezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:—Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:—Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:—Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: „Zoek in dood, puinen en tranen”.En hij ging voort.

XVI.Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan ’t sneeuwen.Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in ’t veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. „Wellicht”, zeide hij in zichzelven, „wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw.” Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.Uilenspiegel sprak:—Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.En hij zond een kogel in ’t voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:—Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wijdezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:—Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:—Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:—Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: „Zoek in dood, puinen en tranen”.En hij ging voort.

XVI.

Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan ’t sneeuwen.Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in ’t veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. „Wellicht”, zeide hij in zichzelven, „wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw.” Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.Uilenspiegel sprak:—Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.En hij zond een kogel in ’t voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:—Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wijdezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:—Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:—Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:—Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: „Zoek in dood, puinen en tranen”.En hij ging voort.

Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.

De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan ’t sneeuwen.

Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.

Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.

Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in ’t veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.

Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. „Wellicht”, zeide hij in zichzelven, „wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw.” Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.

Uilenspiegel sprak:

—Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.

En hij zond een kogel in ’t voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.

De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:

—Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.

Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:

Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wijdezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.

De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:

—Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.

Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:

—Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.

En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.

Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.

Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier, brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig liet begaan.

Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden, waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.

Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:

—Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn de Zeven?

En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem als een ademtocht fluisteren: „Zoek in dood, puinen en tranen”.

En hij ging voort.


Back to IndexNext