XXI.

XXI.Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.

XXI.Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.

XXI.Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.

XXI.

Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.

Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.

Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.

En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.

Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.

Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.

Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.

Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.

En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.

Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.


Back to IndexNext