XXIII.De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.Thuis gekomen, sprak hij:—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?—Hem verbinden, antwoordde Klaas.Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op enbond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
XXIII.De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.Thuis gekomen, sprak hij:—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?—Hem verbinden, antwoordde Klaas.Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op enbond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
XXIII.De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.Thuis gekomen, sprak hij:—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?—Hem verbinden, antwoordde Klaas.Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op enbond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
XXIII.
De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.Thuis gekomen, sprak hij:—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?—Hem verbinden, antwoordde Klaas.Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op enbond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.
’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.
Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.
—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?
Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.
Thuis gekomen, sprak hij:
—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?
—Hem verbinden, antwoordde Klaas.
Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op enbond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.
Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.
En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.
... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).