XXVI.De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.—Wilt ge mij leiden?Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.—Waar gaat gij?—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.—Ik ben dadelijk terug.—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.Hij antwoordde niet.—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.—Welke? vroeg Uilenspiegel.—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Waarom niet? vroeg de dame.—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.De dame sprak toen:—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Maar als ik U een gulden gaf?—Neen! sprak hij.—Een dukaat?—Neen.—Een karolus?—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.En terstond ging hij op zoek.Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
XXVI.De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.—Wilt ge mij leiden?Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.—Waar gaat gij?—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.—Ik ben dadelijk terug.—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.Hij antwoordde niet.—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.—Welke? vroeg Uilenspiegel.—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Waarom niet? vroeg de dame.—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.De dame sprak toen:—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Maar als ik U een gulden gaf?—Neen! sprak hij.—Een dukaat?—Neen.—Een karolus?—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.En terstond ging hij op zoek.Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
XXVI.De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.—Wilt ge mij leiden?Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.—Waar gaat gij?—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.—Ik ben dadelijk terug.—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.Hij antwoordde niet.—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.—Welke? vroeg Uilenspiegel.—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Waarom niet? vroeg de dame.—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.De dame sprak toen:—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Maar als ik U een gulden gaf?—Neen! sprak hij.—Een dukaat?—Neen.—Een karolus?—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.En terstond ging hij op zoek.Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
XXVI.
De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.—Wilt ge mij leiden?Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.—Waar gaat gij?—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.—Ik ben dadelijk terug.—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.Hij antwoordde niet.—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.—Welke? vroeg Uilenspiegel.—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Waarom niet? vroeg de dame.—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.De dame sprak toen:—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.—Maar als ik U een gulden gaf?—Neen! sprak hij.—Een dukaat?—Neen.—Een karolus?—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.En terstond ging hij op zoek.Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.
Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.
Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.
—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!
Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.
De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:
—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!
Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.
De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:
—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?
Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.
—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.
Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.
—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?
Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.
—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?
—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.
—Wilt ge mij leiden?
Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.
—Waar gaat gij?
—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.
—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.
Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.
Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.
—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.
—Ik ben dadelijk terug.
—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.
—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.
—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?
Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.
Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.
Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.
—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.
Hij antwoordde niet.
—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.
—Welke? vroeg Uilenspiegel.
—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.
—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
—Waarom niet? vroeg de dame.
—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.
De dame sprak toen:
—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?
—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
—Maar als ik U een gulden gaf?
—Neen! sprak hij.
—Een dukaat?
—Neen.
—Een karolus?
—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.
De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:
—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.
Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:
—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.
—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.
—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.
En terstond ging hij op zoek.
Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.
Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,
De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.
—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.
—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid.
De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.
En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.